LOB-beleid
LOB-beleid
Het management faciliteert de loopbaangerichte leeromgeving middels LOB-beleid. Om de kwaliteit van een loopbaangerichte leeromgeving te borgen wordt jaarlijks de PDCA-cyclus doorlopen.
Meer weten over hoe je LOB-beleid kunt vormgeven en de kwaliteit kunt borgen? Bekijk dan onderstaande infographics, wegwijzers en tools
Inspiratie uit praktijk, onderzoek en het nieuws
Petit, R., Meijer, J., Karssen, M. & Kuijpers, M. (2019)
Werkexploratie helpt leerlingen om een realistischer beeld van beroepen te krijgen, maar vraagt om een zorgvuldige invoering in het onderwijs.
____________________________
Uit het onderzoek blijkt dat leerlingen en mentoren positief zijn over werkexploratie, omdat het leerlingen helpt beroepen beter te begrijpen. Tegelijkertijd laten de resultaten zien dat de effecten nog beperkt zijn, vooral doordat programma’s vaak nog niet volledig zijn ingevoerd. Wel blijkt dat meer en actievere werkexploratie samenhangt met meer motivatie, betere loopbaancompetenties en grotere keuzezekerheid. Het succes hangt daarom sterk af van een goede opbouw, actieve betrokkenheid van leerlingen en een zorgvuldige implementatie binnen de school.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Veel jongeren hebben moeite om zich een beeld te vormen van beroepen die zij kunnen kiezen. Wat hierbij helpt is zelf zien en ervaren hoe het ertoe gaat in de praktijk; ook wel ‘werkexploratie’ genoemd. Voorbeelden zijn een werkbezoek of praktijkopdracht in een bedrijf. Werkexploratie is een van de vijf ‘loopbaancompetenties’ waaraan vmbo-scholen aandacht besteden in het onderwijs en die sinds kort ook geëxamineerd worden. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunde tien scholen in een aantal grote steden bij het maken van een goed werkexploratieprogramma. De opbrengsten hiervan zijn onderzocht door herhaald vragenlijsten af te nemen bij leerlingen en door groepsinterviews af te nemen bij leerlingen en hun mentoren.
De bevindingen van de leerlingen en hun mentoren zijn overwegend positief. De meeste leerlingen hebben naar eigen zeggen een duidelijker beeld gekregen van beroepen en de mentoren zijn eveneens positief. Zij vinden het werkexploratieprogramma een eerste stap in de goede richting. Uit het vragenlijstonderzoek blijkt echter geen significant effect van de ontwikkelde werkexploratieprogramma’s op de scholen. Een voor de hand liggende verklaring is dat de scholen meer tijd nodig hadden om de programma’s overal goed te kunnen implementeren. Bij geen van de scholen is het gelukt om het gehele werkexploratieprogramma uit te voeren zoals het is bedoeld. De meeste scholen zetten het programma dan ook voort, vaak na wat verbeteringen te hebben aangebracht door de nieuwe inzichten gedurende dit project. Wel bleek - los van de werkexploratieprogramma’s - dat een groter aanbod aan werkexploratie-activiteiten vanuit school en meer ondernomen activiteiten op dit gebied door leerlingen, samen te gaan met hogere scores op attitude t.a.v. de loopbaan, loopbaancompetenties, keuzezekerheid en een groter –voor beroepskeuze relevant – netwerk.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Vmbo-scholen die een werkexploratie-programma willen inzetten in het onderwijs, kunnen gebruik maken van de ontwikkelde materialen in dit project. Deze zijn beschikbaar in de vorm van een Handreiking Werkexploratie.
Geleerde lessen die vmbo-scholen mee kunnen nemen in hun praktijk zijn:
- Begin klein en overzichtelijk, breid pas uit na succes.
- Neem voldoende tijd voor experimenteren en implementeren.
- Betrek het hele team vanaf de ontwikkeling zodat het werkexploratieprogramma ook van hen is (en zich niet beperkt tot enkele enthousiaste individuen).
- Start het programma vroeg, bijvoorbeeld in het tweede leerjaar, op een moment dat leerlingen nog keuzes moeten maken.
- Een opbouw van brede oriëntatie in de onderbouw en meer focus op beroepen in de bovenbouw voorkomt dat het voor leerlingen te snel over specifieke beroepen gaat en het daardoor minder aansluit bij de fase waarin zij zich bevinden.
- Zorg ervoor dat leerlingen bij een stage of werkbezoek een actieve rol hebben; iets mogen doen dat met het werk in het bedrijf te maken heeft.
- Vermijd schriftelijke opdrachten zonder gespreksvoering. Dit komt vooral voor bij reflectieopdrachten. Invulformulieren en reflectieverslagen vinden leerlingen saai en nutteloos, zeker als daar door de mentor niet op wordt teruggekomen.
- Maak verwachtingen van het programma duidelijk, zowel aan leerlingen als aan mentoren.
Petit, R., Brouwer, P. & Meijer, J. (2018)
Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes blijkt effectief te versterken met kleine, gerichte interventies in plaats van grote programma’s.
____________________________
Het onderzoek laat zien dat eenvoudige thuisopdrachten leerlingen en ouders stimuleren om samen in gesprek te gaan over studiekeuzes. Deze gesprekken worden als waardevol ervaren en dragen bij aan meer inzicht in kwaliteiten en keuzes, al zijn de effecten op andere aspecten beperkt. Grootschalige en tijdrovende vormen van ouderbetrokkenheid blijken minder haalbaar, terwijl kleine, laagdrempelige opdrachten juist goed werken. Daarbij is een goede implementatie en samenwerking binnen het schoolteam essentieel om het succes te vergroten.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Scholen voor vmbo en mbo ontwikkelden samen met onderzoekers een programma om ouders te betrekken bij de studie-en beroepskeuze van hun kind. Via huiswerkopdrachten die leerlingen met ouders thuis maken wordt het gesprek over loopbaankeuzes gestimuleerd. Het onderzoek laat bescheiden positieve effecten zien.
Scholen voor vmbo en mbo in de regio Utrecht namen deel aan praktijkgericht onderzoek. De vraag van de scholen stond centraal: het ontwerpen en onderzoeken van een programma om ouders te betrekken bij de studie- en beroepskeuze van hun kind. Het consortium heeft drie op het LOBcurriculum aansluitende huiswerkopdrachten ontwikkeld.
Zowel leraren, ouders als leerlingen hebben het programma aardig positief gewaardeerd. Leerlingen en ouders voerden goede gesprekken thuis over de studie- en beroepskeuze. Leerlingen vonden het prettig om de mening van ouders te horen over hun kwaliteiten. Er waren ook leerlingen voor wie de betrokkenheid van ouders weinig meerwaarde had, bijvoorbeeld omdat het programma van start ging nadat zij al keuzes hadden gemaakt. Voor mbo opleidingen die heel specifiek opleiden voor een beroep was het programma soms te algemeen en te weinig gericht op het verder verfijnen van de keuze binnen de al gekozen beroepsrichting.
De invoering van het programma verliep wel moeizaam, onder andere door vele personele wisselingen binnen de scholen. Dit onderstreept het belang om bij een dergelijke vernieuwing het hele team te betrekken en niet slechts enkele enthousiaste individuen. Korte (minder tijdrovende) en weinig talige opdrachten werkten goed. Het gaat er vooral om dat de opdrachten stimuleren dat leerlingen thuis met ouders gesprekken voeren over loopbaankeuzes. Met herhaalde metingen is de effectiviteit onderzocht van het programma op de attitude van leerlingen ten aanzien van de studie- en beroepskeuze, de activiteiten die zij hebben ondernomen, loopbaancompetenties en de mate waarin zij zeker zijn over hun beroepskeuze. Er bleek een effect te zijn op het vermogen om sturing te geven aan de eigen loopbaan (één van de loopbaancompetenties). Bij de overige onderzochte variabelen is er geen aanwijzing gevonden voor een effect. Wel bleek het verband tussen de invloed van de omgeving (waaronder ouders) en de loopbaancompetenties bij leerlingen die hebben deelgenomen aan het programma, na het programma sterker te zijn geworden. Of dit een gevolg is van het programma kunnen we niet met zekerheid zeggen, maar dit resultaat in combinatie met de uitkomst van de gesprekken stemt wel hoopvol dat de doelstelling is bereikt om de rol van ouders bij de studie- en beroepskeuze te versterken.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Een belangrijk inzicht uit het onderzoek is dat ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes niet groots en tijdrovend hoeft te zijn voor scholen. Kleine opdrachten die leerlingen thuis met ouders uitvoeren brengen gesprekken thuis op gang die veel kunnen opleveren in het loopbaankeuzeproces. Ook voor ouders is tijd een factor van belang. Deelnemen aan meerdere bijeenkomsten op school bleek voor ouders te tijdrovend te zijn en ook docenten kregen dit organisatorisch moeilijk geregeld. Een beperkte tijdsinvestering en laagdrempelige deelname door ouders met thuisopdrachten bleek wel goed haalbaar en bovendien nuttig te zijn.
In het project zijn drie thuisopdrachten ontwikkeld, onderzocht en beschikbaar gemaakt voor het vmbo en mbo. Deze opdrachten kunnen scholen gebruiken en eventueel aanpassen aan de eigen leerling populatie en context. Zeker voor het mbo is het aan te raden om de opdrachten toe te spitsen op de gekozen beroepsrichting en de fase waarin studenten zich bevinden in het beroepskeuzeproces. Voor het vmbo lijken de opdrachten in huidige vorm te volstaan, maar is wel het moment waarop deze worden ingezet van belang. Of dit het beste past in het derde of vierde leerjaar of verspreid over alle leerjaren hangt af van het LOB-curriculum en dit verschilt dit per school.
Een ander inzicht is dat veel tijd nodig is om een nieuw programma te implementeren in het onderwijs zodat dit een samenhangend geheel vormt met LOB-lessen en docenten het zichzelf eigen kunnen maken. Experimenteren en evalueren zijn hierbij van belang. Een aanbeveling voor scholen is om vroeg genoeg te starten en met het hele team zodat teamleden meedenken en mee ontwikkelen aan het programma in het belang van een goed resultaat en eigenaarschap.
Tot slot is goed te bedenken dat de bijdrage die ouders kunnen leveren aan het studie- en beroepskeuzeproces van hun kind enorm kan verschillen. Als ouders weinig kunnen bijdragen, is het des te belangrijker dat de school goede loopbaanoriëntatie en -begeleiding biedt. En zo mogelijk voor deze leerlingen nog iets meer.
Mittendorff, K., Staman, L., Kienhuis, M., Nije Bijvank, M. & Winters, N. (2016)
Goede studieloopbaanbegeleiding vraagt niet alleen om beleid, maar vooral om een sterke vertaling naar de praktijk binnen opleidingen.
____________________________
Het artikel beschrijft dat SLB steeds belangrijker wordt door de focus op studiesucces, maar dat de uitvoering nog niet overal op niveau is. Studenten ervaren verschillen in begeleiding en missen soms voldoende contact en aandacht voor hun loopbaanontwikkeling. Saxion heeft daarom een duidelijke visie en basiseisen opgesteld om SLB te verbeteren en te uniformeren. Het evaluatieonderzoek laat zien hoe dit beleid in de praktijk uitpakt en waar nog verbeteringen nodig zijn binnen opleidingen.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Mede door het belang van het thema ‘studiesucces’ lijkt studieloopbaanbegeleiding (SLB) de laatste jaren steviger op de agenda van hogescholen te staan. De ontwikkelingen op verschillende beleidsterreinen zoals de studiekeuzecheck en het verbeteren van bachelorrendement, vragen ook om investeringen in en herziening van SLB beleid. De roep om betere SLB blijkt vanuit verschillende kanten te ontstaan. Ook studenten waren ontevreden over hun begeleiding, met name de ouderejaars. Sommige studenten zagen hun SLB’ers niet of nauwelijks, er werd te weinig initiatief genomen vanuit de opleiding en was er te weinig aandacht voor loopbaanbegeleiding. Hierin waren ook verschillen tussen maar ook binnen opleidingen te zien.
Een goede invulling van SLB is een speerpunt voor Saxion. Het belang ervan wordt benadrukt in zowel de Strategische Agenda als de onderwijsvisie. Begin 2014 is er binnen Saxion, op vraag van het CvB, door een werkgroep een visiedocument inclusief basiseisen opgesteld over SLB. De werkgroep bestond uit experts op het gebied van SLB. Deze werkgroep heeft, naar aanleiding van een aantal klankbordsessies met SLB coördinatoren van de opleidingen, ‘Visie en Eisen voor Studieloopbaanbegeleiding’ ontwikkeld en vastgelegd in een document. Hierin is beschreven op welke manier Saxion wil werken aan SLB en er zijn bepaalde eisen gesteld aan de uitvoering van SLB binnen de opleidingen. Alle opleidingen van Saxion worden geacht aan deze ‘basis’ eisen voor SLB te voldoen. Verder zijn ze vrij in de vormgeving van SLB voor de eigen opleiding.
Op verzoek van de Vereniging Hogescholen heeft Saxion een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar deze maatregel. Doel van het onderzoek is inzicht verkrijgen hoe de maatregel is geïmplementeerd, wat de resultaten zijn en welke invloed structuur- en cultuurfactoren van Saxion hebben gehad op de ontwikkeling en implementatie van dit beleid binnen Saxion. Met het evaluatieonderzoek wordt antwoord gegeven op de vragen: Waarom heeft Saxion dit op deze manier gedaan? Wat heeft het Saxion opgeleverd? Wat zou Saxion in een vergelijkbaar proces weer doen en wat anders? In dit rapport wordt verslag gedaan van dit evaluatieonderzoek.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het rapport biedt inzicht in hoe SLB in de praktijk is vormgegeven en geeft daarmee ook inzichten in waar nog acties op nodig zijn.
Deze inzichten zijn niet alleen zinvol voor Saxion, maar bieden ook voor andere hogescholen concrete aandachtspunten.
Mittendorff, K., Pullen, A., & Kornet, A. (2018)
Het ontwikkelen van talent en professionele identiteit vraagt om een andere aanpak van reflectie en loopbaanbegeleiding, vooral in technische opleidingen.
____________________________
Het onderzoek laat zien dat naast vakkennis steeds meer behoefte is aan soft skills en loopbaanontwikkeling, maar dat de huidige manier van werken nog niet goed aansluit bij studenten. Vooral de talige en vaak verplichte vorm van reflectie roept weerstand op, waardoor het effect beperkt blijft. Het onderzoek benadrukt dat reflectie betekenisvoller, praktijkgerichter en beter begeleid moet worden. Daarnaast zijn een heldere visie, een doorlopende leerlijn en professionalisering van docenten als coach essentieel om talent- en loopbaanontwikkeling effectief vorm te geven.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Op de arbeidsmarkt is steeds meer behoefte aan bredere professionele vaardigheden (‘soft-skills’) naast gedegen kennis van het technische vakgebied. Het ontwikkelen van hogere-orde vaardigheden zoals reflectie zijn daarvoor belangrijk, maar de implementatie van deze vaardigheden wordt in het onderwijs nog als moeilijk ervaren (Kirschner, 2017). Daarnaast zien we dat talent- en loopbaanontwikkeling van studenten steeds belangrijker wordt, in het kader van een leven lang leren maar ook om afgestudeerden te behouden voor de technische sector. Een relatief groot aantal studenten met een technisch diploma verlaten na diplomering alsnog de technische sector. Om dit probleem op te lossen lijkt het zinvol om studenten beter te begeleiden bij hun professionele identiteitsontwikkeling (Mowes, et al. 2017). Dat kan bijvoorbeeld door meer in te zetten op vragen als waar liggen mijn sterke kanten, in welke arbeidsomgeving voel ik me thuis en welke plek binnen de technische sector past bij mijn kwaliteiten en ambities? Talent- en loopbaanontwikkeling vragen om een andere vorm van begeleiding door docenten maar vooral ook SLB’ers. Om studenten hier goed in te begeleiden is het proces van reflectie een hele belangrijke. Echter, de wijze waarop hier nu aandacht aan wordt besteed lijkt niet altijd goed te passen bij de technische doelgroep. De veelal ‘talige’ manier waarop talent- en loopbaanontwikkeling, maar vooral reflectie vorm krijgt in het onderwijs roept op dit moment vaak weerstand op. Ook wordt reflectie nog lang niet altijd op een effectieve manier ingezet (Meijers & Mittendorff, 2017). Verschillende opleidingen willen graag aan de slag met het verbeteren van talent- en loopbaanontwikkeling in het onderwijs, maar ook met een betere inzet van reflectie. Dit onderzoek heeft bij 6 technische opleidingen van Saxion de context en behoeften van docententeams en studenten in kaart gebracht, om van daaruit verschillende ontwerpcriteria (of aanbevelingen) te formuleren voor een vervolgtraject. Dat vervolgtraject zal gericht zijn op het daadwerkelijk verbeteren van het onderwijs omtrent bovengenoemde thema’s.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Naar aanleiding van de resultaten is een aantal conclusies en aanbevelingen geformuleerd die waardevol lijken als ontwerpcriteria of mogelijke onderwijsinterventies. Deze zijn op verschillende niveaus gedefinieerd.
Visie en doelbepaling
Een aantal opleidingen die deelnemen aan dit onderzoek hebben nog niet heel scherp wat ze eigenlijk onder talentontwikkeling, loopbaanbegeleiding en reflectie verstaan en wat ze daarin precies willen als het gaat om de ontwikkeling van studenten. Het zou daarom goed zijn om als team (of academie) in kaart te brengen welke visie en doelen men voor ogen heeft ten aanzien van deze thema’s, zodat op basis daarvan verder beleid en curriculum ontwikkeld kan worden.
Curriculumniveau
Op curriculumniveau zijn er een aantal punten die aandacht verdienen en zinvol zijn om als interventie op te pakken:
- Het inrichten van een doorlopende leerlijn waarbij men kijkt wat er in jaar 1, 2, 3 en 4 aan bod zou moeten komen.
- Als opleiding goed kijken naar welk soort reflectie (er is een verschil tussen bijvoorbeeld taakreflectie of persoonsreflectie) men waar in het curriculum wil opnemen.
- Reflectie duidelijker richten op (betekenisvolle) praktijkopdrachten/ ervaringen.
- Betere timing van reflectieopdrachten en reflectieactiviteiten ook (in de tijd) beter aan elkaar koppelen.
- Reflectie meer richten op talenten en loopbaanambities in plaats van alleen op (vastgestelde) competenties van de opleidingsprofielen of behaalde resultaten.
- Laat reflectie meer in gesprekken plaatsvinden en minder in verslag (met een slimme wijze van ‘administreren’ die niet te veel werk oplevert).
- Realiseer meer keuzevrijheid voor studenten binnen modules, projecten of opdrachten waarin ze zelf mogen kiezen op welke manier ze reflecteren en daarover ook een opdracht maken.
Begeleidingsniveau
Op het niveau van de begeleiding (tussen docent en student(en)) zijn er een aantal punten die aandacht verdienen en zinvol zijn om als onderwijsactiviteit beter in te richten:
- Verstevig de begeleiding bij het reflecteren (instructie, begeleiding van reflectieactiviteiten, goede feedback en waar nodig beoordeling) alsmede het leren reflecteren van studenten.
- Verstevig de begeleiding van het reflecteren in groepjes, zoals bij peerreviews, en kijk goed naar de belangrijke rol van de docent (als coach) hierin.
- Zorg voor betere en persoonlijkere feedback op reflectie activiteiten vanuit de begeleider (docent) die op meer gericht is dan alleen stijl of vormaspecten.
- Zet tijdens de begeleiding van studenten meer in op reflectievragen die gericht zijn op talenten en loopbaanambities
Professionaliseringsniveau: de docent als coach
Als we inzoomen op de docent als professional zien we dat er nog best veel vragen leven over het goed begeleiden van studenten rondom deze thema’s (zie ook de vorige alinea). Docenten vragen veel om concrete handvatten om dit goed in te richten en te begeleiden, of om verdere professionalisering. Op het niveau van de docent zijn daarom de volgende aandachtspunten geformuleerd:
- Voorzie docenten van concrete handvatten om bijvoorbeeld vragen te stellen die gericht zijn op talenten en loopbaanambities, hoe reflectie in groepjes en individueel beter begeleid kan worden of hoe ze betere feedback kunnen geven.
- Realiseer mogelijkheden voor professionalisering, bijvoorbeeld door intervisie onderling.
- Laat docenten oefenen/ experimenteren met nieuwe vormen van talent- en loopbaangerichte begeleiding en daarop reflecteren.
Kariene Woudt-Mittendorff, Jochems, W., Meijers, F. & Brok, P. den (2008)
Instrumenten zoals portfolio’s en POP’s ondersteunen loopbaanontwikkeling alleen als ze worden ingezet binnen een betekenisvolle dialoog.
____________________________
Het onderzoek laat zien dat portfolio’s en persoonlijke ontwikkelingsplannen vaak gebruikt worden binnen loopbaanbegeleiding om studenten te helpen bij hun keuzes en identiteitsontwikkeling. Deze instrumenten zijn echter alleen effectief wanneer ze onderdeel zijn van reflectieve gesprekken tussen docent en student. Zonder deze dialoog ervaren studenten ze als niet zinvol en gebruiken ze ze oppervlakkig. De waarde van deze tools hangt dus sterk af van hoe ze worden ingezet binnen de begeleiding.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
In Nederland groeit het aantal beroepsonderwijsinstellingen en -opleidingsinstituten dat competentiegerichte leerbenaderingen implementeert, hieronder valt ook een nieuwe benadering van loopbaanbegeleiding. Deze benaderingen hebben vaak betrekking op instrumenten zoals portfolio’s of persoonlijke ontwikkelingsplannen, en zijn bedoeld om studenten te ondersteunen bij hun zoektocht naar een richtingsgevoel, beroepskeuze en het ontwikkelen van hun identiteit. In deze studie werden percepties van leraren, loopbaanbegeleiders en studenten over portfolio’s en persoonlijke ontwikkelingsplannen voor loopbaanontwikkeling onderzocht op twee MBO instellingen en één vmbo school. De resultaten suggereren dat deze instrumenten als nuttig worden beschouwd in een dialoogcontext. Indien gebruikt in een context zonder reflexieve dialogen tussen docenten en studenten, beschouwden studenten de instrumenten als niet nuttig en vertoonden ze coping-gedrag, zoals zich niet inzetten voor de daadwerkelijke doelen of de instrumenten alleen voltooien voor externe doeleinden / studiepunten.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Dit onderzoek biedt inzichten in de wijze waarop een pop en portfolio op een zinvolle en effectieve wijze kunnen worden ingezet in de context van loopbaanbegeleiding.
Mittendorff, K., Brouwer-Truijen, K., Huizinga, T., Staman, L., & Bisschop, C. (2017)
Effectieve loopbaangesprekken zijn cruciaal voor goede studiekeuzes, maar wat maakt zo’n gesprek nu echt krachtig?
____________________________
Dit onderzoek richt zich op het verbeteren van loopbaangesprekken binnen scholen door inzicht te krijgen in wat werkt. Op basis van grootschalig vragenlijstonderzoek en analyse van opgenomen gesprekken zijn belangrijke kenmerken van effectieve gesprekken in kaart gebracht. Deze gesprekken stimuleren reflectie en helpen leerlingen hun talenten en keuzes beter te begrijpen. De resultaten bieden concrete aanknopingspunten om loopbaangesprekken in de praktijk doelgerichter en betekenisvoller te maken.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Om leerlingen betere studiekeuzes te laten maken is het cruciaal dat er in het onderwijs goede loopbaangesprekken met leerlingen gevoerd worden waarin reflectie een plek krijgt en leerlingen worden aangesproken op hun talenten. Maar wat maakt een loopbaangesprek nu echt effectief? In samenwerking met mentoren en decanen van verschillende vo-scholen is binnen dit onderzoek een methodiek ontwikkeld voor het verbeteren van loopbaangesprekken binnen de school. Door middel van kwantitatief onderzoek (vragenlijst n = 3192 leerlingen) is onderzocht welke factoren in de ontwikkelde methodiek belangrijk zijn voor effectieve loopbaangesprekken. Aanvullend is kwalitatief onderzoek uitgevoerd waarbij 15 loopbaangesprekken (mentor – leerling) op video zijn opgenomen en geanalyseerd.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
De resultaten bieden inzicht in effectieve kenmerken van loopbaangesprekken die ingezet kunnen worden in de onderwijspraktijk.
Woudt-Mittendorff, K. (2010)
Nieuwe onderwijsvormen vragen om een vernieuwde en meer geïntegreerde aanpak van studieloopbaanbegeleiding.
____________________________
Het artikel beschrijft eerste inzichten voor een toekomstbestendig ontwerp van SLB, waarin aandacht is voor studiesucces, binding en persoonlijke ontwikkeling. In deze nieuwe aanpak speelt samenwerking en reflectie in groepen een grotere rol. Ook komt de ontwikkeling van professionele identiteit nadrukkelijker centraal te staan. De voorgestelde ontwerpcriteria bieden een richting voor het doorontwikkelen van SLB die beter aansluit bij moderne onderwijsvormen.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Door nieuwe onderwijsvormen neemt ook de vraag naar een nieuw ontwerp voor studieloopbaanbegeleiding (SLB) toe. Dit artikel beschrijft de eerste inzichten voor ‘SLB 2.0’, waarin ontwerpcriteria worden geformuleerd voor een toekomstbestendige en meer geïntegreerde vorm van SLB. Dit artikel gaat in op nieuwe inzichten gericht op studiesucces, binding, reflectie en persoonlijke, professionele ontwikkeling. Zo is er in het nieuwe ontwerp voor SLB meer aandacht voor groepen studenten, en reflectie met elkaar. Ook staat het thema professionele identiteit duidelijker centraal.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Dit artikel biedt een eerste blik op een meer toekomstbestendig ontwerp voor SLB, passend bij vernieuwende onderwijsvormen in het hbo. Inzichten over belangrijke ontwerpcriteria voor een SLB 2.0 versie worden gedeeld.
Mittendorff, K. (2014)
Reflectie wordt gezien als essentieel voor loopbaanontwikkeling, maar sluit in de praktijk vaak niet aan bij de beleving van studenten.
____________________________
Het artikel laat zien dat reflectie een belangrijk leerdoel is binnen het hoger onderwijs, omdat het zou bijdragen aan motivatie, zelfsturing en betere studiekeuzes. In de praktijk ervaren studenten reflecteren echter vaak als een verplicht en weinig betekenisvol onderdeel van de opleiding. Zij weten niet goed wat er van hen verwacht wordt en leggen weinig verbinding met zichzelf. Het onderzoek benadrukt daarom dat reflectie niet vanzelf effectief is en beter ondersteund en betekenisvoller moet worden ingericht om echt bij te dragen aan loopbaanontwikkeling.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
In het hoger onderwijs zien we reflectie steeds vaker als leerdoel voor studenten (Kinkhorst, 2010). In de eindcompetenties van HBO opleidingen komt de term ‘reflective practitioner’ voor en opleidingen benadrukken dat studenten niet alleen moeten worden voorbereid op de beroepspraktijk door het aanleren van kennis en vaardigheden om dat beroep uit te voeren, maar ook moeten leren een ‘leven-lang-te-leren’. Door te reflecteren op het eigen leren tijdens de opleiding zouden studenten tevens meer gemotiveerd moeten worden voor hun eigen leerproces of persoonlijke ontwikkeling en zelfsturend gedrag gaan vertonen. Door te reflecteren op de persoonlijkheid en eigen kwaliteiten zou meer begrip worden gecreëerd over de eigen motieven en ambities, zouden betere studiekeuzes worden gemaakt en zou studie-uitval verminderen.
Helaas worden deze beoogde doelen nog niet altijd behaald. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat studenten een hekel hebben aan reflecteren en het slechts doen omdat het ‘moet’ (zie bijv. Mittendorff, Jochems, Meijers & den Brok, 2008; Meijers, Kuijpers & Winters, 2010). Studenten worden vrijwel vanaf de eerste dag dat zij aan hun studie beginnen op velerlei manieren verplicht tot reflectie en weten daarbij niet altijd goed wat reflecteren precies inhoudt (Zijlstra & Meijers, 2006).
Veel studenten leggen bij het reflecteren niet de verbinding met zichzelf en onderwijsactiviteiten die geassocieerd worden met reflecteren worden niet serieus genomen en ervaren als een verplicht nummer. Er sprake is van ‘reflectiemoeheid’ (Kinkhorst, 2010). Tot slot wordt er vaak uitgegaan van de veronderstelling dat leerlingen/ studenten al kunnen reflecteren of het wel zullen leren door het gewoon (zelfstandig) te doen (Mittendorff et al., 2008). Dit blijkt in de praktijk echter niet altijd het geval.
In dit hoofdstuk presenteren we de resultaten van een evaluatieonderzoek naar de inzet van een module ‘Leren Reflecteren’ bij een van de opleidingen van Saxion Hogescholen. De module is ingezet om studenten beter te ondersteunen bij het reflecteren in de opleiding. Dit hoofdstuk laat zien hoe de studenten de module hebben ervaren en of de kwaliteit van reflectie van studenten is verbeterd.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het onderzoek laat vooral zien hoe studenten tegen reflectie aankijken, wat ze daar belangrijk in vinden en hoe ze reflecteren. Daaruit kunnen inzichten worden gehaald over wat van belang is wil men reflectie in het onderwijs verder inrichten/ verbeteren. Studenten geven hiervoor ook concrete adviezen.
Mittendorff, K. (2014)
Effectieve studieloopbaanbegeleiding vraagt om meer dan losse activiteiten; het vraagt om een goed doordachte aanpak in de hele organisatie.
____________________________
Het artikel laat zien dat de kwaliteit van SLB nog niet altijd aansluit bij de ambities van opleidingen en dat er behoefte is aan verbetering. Om SLB effectief vorm te geven, moet beleid vertaald worden naar de dagelijkse praktijk, zodat betrokkenen dit daadwerkelijk kunnen uitvoeren. Hiervoor zijn zes bouwstenen ontwikkeld die richting geven aan visie, organisatie en uitvoering van SLB. Deze bieden concrete handvatten om SLB structureel en samenhangend te versterken binnen het onderwijs.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
De roep om betere studieloopbaanbegeleiding (SLB) komt vanuit verschillende kanten. Onderzoek laat zien dat SLB nog niet altijd de kwaliteit heeft die men nastreeft en dat er bij zowel SLB’ers als managers vragen leven over hoe SLB naar een hoger plan gebracht kan worden. Om SLB effectief vorm te geven, zal het beleid (visie, draagvlak, middelen en randvoorwaarden) van een opleiding zodanig vertaald moeten worden in de onderwijsorganisatie dat de betrokken actoren in de organisatie het ook kunnen aansturen en uitvoeren en daartoe de benodigde competenties hebben of kunnen ontwikkelen. In dit artikel worden zes bouwstenen beschreven met verschillende indicatoren voor de vormgeving van effectieve SLB. Elke bouwsteen wordt afgesloten met voorbeelden van tips en tricks voor de hbo-praktijk.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Dit artikel biedt op het gebied van visie, leeromgeving en actoren verschillende concrete aandachtspunten die invulling geven aan een zinvolle, effectieve SLB omgeving. Met name voor hbo instellingen worden ook handvatten geboden om SLB goed in te richten binnen de school, er is daarbij aandacht niet alleen voor het SLB programma, maar ook voor de context daaromheen.
Mittendorff, K., Donk, S.van der & Gellevij, M.
Reflectie is een kernonderdeel van loopbaanbegeleiding, maar wordt in de praktijk vaak niet effectief ingezet.
____________________________
Het artikel beschrijft hoe studieloopbaanbegeleiding is ontwikkeld om studenten bewuster keuzes te laten maken, met reflectie als belangrijk middel. In de praktijk blijkt echter dat studenten reflecteren vaak als verplicht en weinig betekenisvol ervaren, waardoor het effect beperkt blijft. Dit komt onder andere doordat zij onvoldoende begeleiding krijgen en niet goed begrijpen wat reflectie inhoudt. Het onderzoek benadrukt daarom dat niet méér, maar beter begeleide en betekenisvolle reflectie nodig is om daadwerkelijk bij te dragen aan motivatie, zelfsturing en loopbaanontwikkeling.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Veel scholen in Nederland, waaronder ook Saxion Hogescholen, zijn actief bezig met het uitvoeren van studieloopbaanbegeleiding als onderdeel van competentiegericht onderwijs. Deze ontwikkeling is (onder andere) gebaseerd op de problematiek van het voortijdig schoolverlaten, veelvuldig switchen van opleiding en het gebrek aan motivatie van studenten. Het idee is dat studenten door studieloopbaanbegeleiding leren reflecteren op hun persoonlijke ambities en motieven, daardoor bewustere keuzes kunnen maken voor hun toekomst, en zelf acties ondernemen met betrekking tot het vormgeven van de eigen ontwikkeling op het gebied van school en loopbaan. Bij het realiseren van studieloopbaanbegeleiding hanteren scholen veelal een integrale aanpak: bijna alle docenten krijgen een extra taak om studenten te begeleiden bij hun loopbaanontwikkeling en er wordt volop gebruik gemaakt van instrumenten zoals het portfolio en persoonlijk ontwikkelingsplan (pop) en activiteiten zoals loopbaangesprekken tussen docent (loopbaanbegeleider) en student.
Een van de belangrijkste thema’s die centraal staat binnen de integrale loopbaanbegeleiding is reflectie. Reflecteren is de laatste tijd in hoog tempo een hype geworden en in onderwijsland wordt reflectie soms gezien als het wondermiddel voor alle problemen. Alom wordt het vermogen tot reflectie gezien als belangrijk leerdoel voor studenten (Kinkhorst, 2010). Door te reflecteren op het eigen leren zouden studenten meer gemotiveerd moeten worden voor hun eigen leerproces of persoonlijke ontwikkeling en meer zelfsturend gedrag gaan vertonen. Door te reflecteren op de persoonlijkheid en eigen kwaliteiten zou meer begrip worden gecreëerd over de eigen motieven en ambities, studiekeuzes beter worden gemaakt en de studie-uitval verminderen. Helaas worden deze beoogde doelen nog niet altijd behaald.
Uit een aantal onderzoeken blijkt dat studenten een hekel hebben aan reflecteren en het slechts uitvoeren omdat het ‘moet’ (zie bijv. Mittendorff, Jochems, Meijers &; den Brok, 2008; Meijers, Kuijpers & Winters, 2010). Studenten worden vrijwel vanaf de eerste dag dat zij aan hun studie beginnen op velerlei manieren verplicht tot reflectie en weten daarbij niet goed wat reflecteren precies inhoudt, aldus Zijlstra & Meijers (2006). Veel studenten leggen bij reflecteren niet de verbinding met zichzelf, terwijl onderwijsactiviteiten die geassocieerd worden met reflecteren niet serieus genomen worden en ervaren worden als een verplicht nummer en er sprake is van ‘reflectiemoeheid’ (Kinkhorst, 2010). Luken (2010) geeft daarbij nog aan dat reflecteren zelfs negatieve gevolgen kan hebben, zoals piekeren of depressie. Er wordt vaak uitgegaan van de veronderstelling dat leerlingen/studenten al kunnen reflecteren, of het wel zullen leren door het gewoon (zelfstandig) te doen (Mittendorff, et al., 2008). Zelfstandig reflecteren is echter voor veel studenten - en zelfs voor veel docenten - nog heel erg moeilijk. Hieruit kunnen we concluderen dat we niet per se minder maar wel beter moeten reflecteren en dat we studenten en docenten daarbij beter zouden moeten begeleiden. Dit betekent echter dat we eerst inzicht moeten krijgen in effectieve reflectie. Wanneer is reflecteren zinvol? Als het tot bepaalde uitkomsten leidt? Welke denkprocessen zijn van belang om die uitkomsten te realiseren? Welke randvoorwaarden dragen bij aan zinvolle reflectie? En wat is de rol van de docent? In het onderwijs hebben we het zo vaak over het belang van reflectie, maar er is nog geen duidelijke omschrijving voorhanden wat we er precies mee willen, mee bedoelen, en vooral welk soort reflectie nu echt effectief is als het gaat om loopbaanleren.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Dit onderzoek biedt inzicht in de wijze waarop SLB in de praktijk van een aantal hbo opleidingen is vormgegeven en de wijze waarop reflectie daarbinnen een plek heeft. Het geeft naast inzicht in de praktijk en hoe dat eruitziet ook concrete handvatten t.a.v. wat werkt en wat niet werkt: wat bijvoorbeeld voor reflecteren van belang is, zodat een opleiding dit echt zinvol en effectief kan inzetten.
Meijers, F., & Kuijpers, M. (2014)
Loopbaancompetenties en een passende leeromgeving spelen een cruciale rol bij motivatie, studiekeuze en studiesucces van studenten.
____________________________
Het onderzoek toont aan dat loopbaancompetenties zoals reflectie, werkexploratie en netwerken samenhangen met motivatie, loopbaanidentiteit en studiesucces. Ook de leeromgeving blijkt belangrijk: studenten die praktijkervaring opdoen, eigen keuzes kunnen maken en loopbaangesprekken voeren, zijn gemotiveerder en vallen minder snel uit. Het geven van betekenis aan ervaringen tijdens loopbaangesprekken is hierbij essentieel voor ontwikkeling. Zowel begeleiding als een ondersteunende leeromgeving dragen dus bij aan beter onderbouwde loopbaankeuzes.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
De focus ligt in dit artikel op de effecten van loopbaanontwikkeling en begeleiding bij studenten (17-23 jaar) die zijn ingeschreven voor hoger onderwijs in Nederland. Eerst komt aan de orde of de ontwikkeling van loopbaancompetenties bijdraagt aan de loopbaanidentiteit, leermotivatie, zekerheid van loopbaankeuze en uitval en ook of de leeromgeving deze variabelen beïnvloedt. In de studie zijn de volgende vier loopbaancompetenties onderzocht: loopbaanreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken. De volgende aspecten van de leeromgeving zijn meegenomen: praktijkervaringen, loopbaangesprekken en het al dan niet kunnen maken van eigen keuzes en doelen tijdens de studie. Er is een vragenlijst uitgezet onder 4.820 studenten en 371 (school) loopbaanbegeleiders van 11 hogescholen.
De resultaten laten zien dat loopbaancompetenties gerelateerd zijn aan leermotivatie, loopbaanidentiteit, zekerheid over de loopbaankeuze en drop-out dreiging. Niet alleen de loopbaancompetenties maar ook de leeromgeving draagt bij aan deze uitkomstvariabelen. Studenten die deelnemen aan een praktijkgericht curriculum, met een focus op zelfsturing en waarbij ze gesprekken hebben met docenten over hun studie zijn gemotiveerder om te leren, zekerder van hun loopbaankeuze en minder geneigd om hun studie te beëindigen.
Het construeren en toekennen van betekenis bij het voeren van loopbaangesprekken is cruciaal. De ontwikkeling van persoonlijke kenmerken en kwaliteiten vindt alleen plaats wanneer degenen die leren de inhoud zinvol vinden. Om een dergelijke leeromgeving tot stand te brengen is transformatief leiderschap noodzakelijk. Dit is tot nu toe zeldzaam op Nederlandse hogescholen.
Universiteiten erkennen steeds meer dat ze een sterke verantwoordelijkheid hebben om studenten niet alleen te begeleiden in hun academische groei, maar ook in hun loopbaanontwikkeling. Universiteiten - en in het bijzonder hogescholen - kunnen deze taak om twee belangrijke redenen niet aan de publieke of private sector overlaten. Ten eerste worden universiteiten gefinancierd door de overheid en wordt daarom van hen verwacht dat zij hun studenten voldoende voorbereiden op het leven in onze geïndividualiseerde samenleving en op de arbeidsmarkt. In de tweede plaats omdat organisaties in de private en publieke sector vaak de kennis en motivatie missen om jongeren te begeleiden in hun loopbaanontwikkeling.
Een beperking in het gevonden onderzoek evenals in daadwerkelijke loopbaaninterventies op scholen, is dat ze zich richten op verandering in kennis, attitudes en besluitvormingsvaardigheden van leerlingen, terwijl het gedrag van leerlingen niet wordt onderzocht. Hughes en Karp (2004) stellen dat onderzoek zich moet concentreren op het verkennen van de relatie tussen LOB interventies en positieve gedragsresultaten van studenten. Daarom concentreert deze studie zich niet op besluitvormingsvaardigheden, attitudes of kennis maar op feitelijk loopbaangedrag.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Dit paper geeft aan welke elementen van loopbaanbegeleiding en -oriëntatie én van de leeromgeving in het hoger onderwijs (een positieve) invloed hebben op loopbaanidentiteit, de motivatie om te leren en zekerheid over de loopbaankeuze.
Meijers, F. (2012)
Een echte loopbaandialoog vraagt om een fundamentele verandering in de rol en identiteit van docenten.
____________________________
Het artikel laat zien dat dialoog essentieel is voor het ontwikkelen van zelfsturing bij leerlingen, maar in het onderwijs nog weinig plaats krijgt. Dit komt vooral doordat de traditionele rol van docenten gericht is op kennisoverdracht in plaats van betekenisvolle gesprekken over ervaringen. Om ruimte te maken voor loopbaandialoog, moeten docenten hun professionele identiteit ontwikkelen richting een meer begeleidende en reflectieve rol. Dit vraagt om een langdurig veranderproces binnen scholen, waarbij samenwerking, ruimte voor emoties en ondersteuning vanuit de schoolleiding belangrijke voorwaarden zijn.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
De dialoog is essentieel voor het stimuleren van zelfsturing bij en door leerlingen/studenten. Toch ontbreekt deze in het Nederlandse onderwijs vrijwel geheel. Het realiseren van een loopbaandialoog is blijkbaar moeilijk. Dit heeft vooral te maken met de professionele identiteit van docenten. De organisatieonderzoeker Quinn (1991) heeft aangetoond dat in organisaties die lange tijd stabiel blijven, een cultuur ontstaat die erg aantrekkelijk is voor mensen die veel waarde hechten aan output, controle en beheer. De onderwijscultuur is tussen 1920 en 2012 qua missie, organisatie en cultuur nauwelijks veranderd: alles was en is gericht op een efficiënte overdracht van vaststaande kennis in een vaststaand curriculum. Daarmee stond en staat een docent centraal die op basis van nauwkeurig gedefinieerde vakbekwaamheid enthousiast vertelt over haar of zijn vak tegen leerlingen of studenten. Nu is echter een docent nodig die enthousiast wordt wanneer zij of hij met leerlingen/studenten kan spreken over de zin en betekenis van hun ervaringen in het praktijkgestuurde onderwijs en op basis daarvan ‘just in time’ en ‘just enough’ theorie aanlevert. Docenten zullen hun professionele identiteit moeten veranderen om meer gericht te zijn op dialoog met leerlingen. Een identiteit (dus ook een professionele identiteit) verandert men echter niet zomaar. Het is een langdurig en intensief leerproces dat eenzelfde leeromgeving vereist als nodig is om leerlingen tot meer zelfsturing te brengen (Hensel, 2010). De omgeving zal praktijkgestuurd en dialogisch moeten zijn en de docenten de kans moeten geven gaandeweg meer controle uit te oefenen over hun eigen leertraject. Dat wil zeggen dat ingezet moet worden op concrete veranderprojecten, waarbij uitgebreid gesproken kan worden over de persoonlijke zin en de betekenis voor de school/leerling/samenleving van de ervaringen die docenten in deze projecten opdoen. Concreet betekent dit dat het in het onderwijs dominante perspectief verlaten moet worden dat leren (ook van docenten) een individuele activiteit is. De nadruk moet niet meer liggen op het leren binnen maar op leren door organisaties. De vorm van dialoog die hiervoor nodig is omschrijft Shotter (1993, p. 20) als “a socially constructed myriad of spontaneous, responsive, practical, unselfconscious, but contested interactions”, een vorm die haaks staat op “the apparent representation of dialogue as converging upon a single ultimate ‘Truth’”. Een dergelijke dialoog zoekt niet a priori naar consensus maar gaat in eerste instantie uit van pluralisme en zelfs conflict. De gezamenlijkheid die ten grondslag ligt aan collectief leren is daarom geen uitonderhandelde waarheid, maar een rijke, gedeelde betekenis gefundeerd in de ideeën van alle betrokkenen. Om een dergelijke leeromgeving te realiseren moet de schoolleiding ook daadwerkelijk leidinggeven (Geijsel, Meijers & Wardekker, 2007): zij moet er niet alleen voor zorgen dat er een strategische visie is maar ook dat er sprake is van een realistische (en vooral: een niet te volle) innovatieagenda. Werkelijke veranderingen kosten immers veel tijd en energie. Tenslotte moet er ruimte zijn voor emoties. Verandering van professionele identiteit roept veel onzekerheid op. En de ‘natuurlijke’ reactie op onzekerheid is – zoals de moderne hersenwetenschappen aantonen – primair een vluchtreactie, daarna een aanvalsreactie en tenslotte een bevriesreactie. Pas nadat deze natuurlijke reacties zijn gepasseerd, is het mogelijk een echte dialoog te starten. Daarom is ruimte voor emoties en – in het verlengde daarvan – emotioneel leiderschap (de term is van Leithwood & Beatty, 2008) essentieel.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het artikel geeft aan wat de kenmerken zijn van het verandertraject op scholen, noodzakelijk om te komen tot een verandering van de professionele identiteit van docenten. Het streven is dat docenten meer gericht zijn op de dialoog met jongeren. Dat ze naast het overdragen van kennis enthousiast worden van het gesprek met leerlingen/studenten over de zin en betekenis van hun praktijkervaringen.
Meijers, F. (2004)
Goede LOB vraagt om een nauwe samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven, maar die samenwerking is nog onvoldoende ontwikkeld.
____________________________
Het artikel beschrijft dat vakbekwaamheid in een diensteneconomie alleen goed ontwikkeld kan worden als onderwijs en bedrijfsleven samen verantwoordelijkheid nemen voor het leerproces. In de praktijk is deze samenwerking nog vaak gescheiden, terwijl een continue dialoog tussen leerling, school en werkveld juist nodig is. Praktijkgericht onderwijs kan helpen om leren realistischer en betekenisvoller te maken. Het artikel verkent hoe de samenwerking versterkt kan worden en doet aanbevelingen om deze gezamenlijke aanpak te realiseren.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Het wordt steeds duidelijker dat in een diensteneconomie vakbekwaamheid slechts verworven kan worden in leerarrangementen die door het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven gezamenlijk zijn opgezet en waarvoor zij een gedeelde verantwoordelijkheid dragen. Dat betekent dat er – idealiter – in onderwijs dat gericht is op de ontwikkeling van hand, hoofd én hart een continue dialoog moet zijn tussen de leerling, de school en het bedrijfsleven over de vraag welke kennis op welke wijze moet worden overgedragen en getoetst. Deze ideale situatie met steeds meer vormen van praktijkgericht onderwijs om het onderwijs realistischer te maken, bestaat evenwel nog niet. Op dit moment hanteren beide partijen het principe van de verdeelde verantwoordelijkheid (‘soevereiniteit in eigen kring’). Hoe tot nieuwe vormen van samenwerking te komen?
Centraal in deze bijdrage staat de vraag hoe een dergelijke dialoog tussen het onderwijs en het bedrijfsleven gerealiseerd kan worden. Na een beschrijving van de huidige stand van zaken, wordt het probleem van de samenwerking getypeerd en tenslotte worden aanbevelingen gedaan.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het artikel geeft suggesties voor samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het lokale en regionale bedrijfsleven met de focus op het ontwikkelen van hand, hoofd en hart van de studenten.
Luken, T. & De Folter, A. (2017)
De toolkit ACT in LOB biedt een vernieuwende aanpak om leerlingen beter te ondersteunen bij het maken van studiekeuzes.
____________________________
In het artikel wordt uitgelegd waarom vernieuwing van LOB nodig is en hoe ACT (Acceptance and Commitment Therapy) daarbij kan helpen. De toolkit bevat 25 praktische tools die gericht zijn op het omgaan met onzekerheid, het verhelderen van waarden en het loslaten van belemmerende gedachten. Met behulp van de CDDQ-test krijgen begeleiders inzicht in de keuzeproblemen van leerlingen en kunnen zij passende interventies kiezen. Voorbeelden uit de praktijk laten zien hoe deze tools ingezet worden door decanen en loopbaanbegeleiders.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit artikel biedt een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling en inhoud van de toolkit ‘ACT in LOB’. Eerst wordt uitgelegd waarom innovatie van LOB noodzakelijk wordt geacht. Vervolgens worden achtergrond en inhoud van ACT (Acceptatie en Commitment Therapie) uiteengezet en wordt verduidelijkt waarom ACT gekozen is als basis voor de ontwikkeling van een innovatieve toolkit voor LOB. Tot slot komen de 25 tools van de toolkit en de CDDQ test aan de orde. Deze test biedt inzicht in de problemen die leerlingen ervaren met de studiekeuze en biedt een basis voor het kiezen van tools voor de begeleiding. Doelen van de tools zijn onder meer acceptatie van onzekerheid, mindfulness, verheldering van waarden en het loslaten van belemmerende overtuigingen. Enkele voorbeelden uit praktijken van schooldecanen en loopbaanadviseurs verhelderen het gebruik van de tools.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
De beschreven toolkit is kosteloos toegankelijk. Het artikel biedt de lezer een ingang tot de tools, die gebruikt kunnen worden als aanvulling op bestaande LOB programma's.
Luken, T. (2020)
Dit artikel zet vraagtekens bij gangbare uitgangspunten in loopbaanontwikkeling en pleit voor een fundamenteel andere benadering van LOB.
____________________________
Het artikel stelt de aanname ter discussie dat loopbaancompetenties vooral via cognitieve onderwijsprogramma’s ontwikkeld kunnen worden.
Op basis van inzichten uit neurowetenschappen en psychologie wordt een alternatieve, meer systemische benadering voorgesteld.
Huidige LOB‑praktijken sluiten volgens de auteurs onvoldoende aan bij hoe mensen zich daadwerkelijk ontwikkelen, wat risico’s met zich meebrengt voor identiteit en besluitvorming.
De auteurs bepleiten meer ruimte voor exploratie, ervaring en begeleiding, met minder nadruk op reflectie en rationele keuzes.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Een algemeen aanvaard uitgangspunt op het gebied van loopbaanontwikkeling is dat loopbaanattitudes en -vaardigheden, waaronder identiteit en zelfsturing, kunnen worden ontwikkeld door middel van onderwijsprogramma's met een cognitieve focus. Het eerste doel van dit artikel is dit uitgangspunt ter discussie te stellen. Een tweede doel is het bieden van een nieuw, innovatief perspectief op loopbaanontwikkeling.
Enkele specifieke vragen worden geformuleerd en beantwoord op basis van bronnen die voornamelijk afkomstig zijn uit neurowetenschappen en verschillende subdisciplines van de psychologie. Op basis van een systeemtheorie wordt een nieuwe aanpak voorgesteld. Een conclusie is dat huidige benaderingen in de loopbaanbegeleiding op gespannen voet staan met bevindingen en inzichten van ontwikkelingswetenschappen en hersenonderzoek. Dit brengt verschillende risico's met zich mee. Eén risico is een voortijdig afgesloten identiteitsontwikkeling. Een ander risico betreft de ontwikkeling van ineffectieve manieren van denken en beslissen. Een controletheorie die voortkomt uit de cybernetica wordt voorgesteld voor een alternatieve kijk op loopbaanontwikkeling.
De belangrijkste implicatie voor loopbaanpraktijken en -beleid is dat zelfsturing en identiteit voor de meeste leerlingen geen realistische doelen zijn. In plaats daarvan wordt aanbevolen de druk die gepaard gaat met loopbaankeuzes voor jongeren te verlichten. Meer tijd, ruimte, stimulatie en begeleiding voor exploreren en heroverweging zou moeten worden geboden, ook aan volwassenen. Begeleiding moet bestaan uit het aanbieden van voldoende gevarieerde werkervaringen en coaching wanneer mensen conflicten ervaren die het vinden van een richting belemmeren. Niet te veel nadruk moet worden gelegd op reflectie en rationeel denken. Een Acceptatie- en Commitment benadering wordt aanbevolen. Deze biedt veel nuttige inzichten en instrumenten die loopbaanprofessionals kunnen inspireren.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Dit Engelstalige artikel, dat gepubliceerd is in een peer-reviewed internationaal tijdschrift, kan discussies voeden over fundamentele vragen rond doelen en opzet van LOB programma's.
Luken, T. (2017)
Zelfsturing wordt steeds belangrijker in een veranderende samenleving en vraagt om een andere kijk op loopbaanontwikkeling.
____________________________
Het artikel laat zien dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in loopbanen noodzakelijk maken.
Zelfsturing draait niet alleen om rationele keuzes, maar juist om het benutten van ervaringen, gevoelens en waarden.
Daarbij is zelfsturing voor alle opleidingsniveaus relevant en niet alleen voor hoger opgeleiden.
Loopbaanbegeleiders spelen een belangrijke rol door mensen te ondersteunen bij reflectie, het verhelderen van keuzes en het ontwikkelen van zelfregie.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit artikel verdedigt de stelling dat zelfsturing vrijheid en autonomie met zich meebrengt. En dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in de toekomst steeds meer noodzakelijk maken.
Het artikel start met een inventarisatie van waarschijnlijke toekomstige ontwikkelingen. Deze verduidelijken waarom zelfsturing steeds meer noodzakelijk wordt. Vervolgens komen de vragen aan de orde wat zelfsturing is en hoe het zich ontwikkelt. Een vaak voorkomend misverstand is dat een bewust denkend ik het zelf zou moeten sturen. Daarmee samenhangend bestaan andere misverstanden. Bijvoorbeeld dat zelfsturing vooral iets zou zijn voor hoger opgeleiden. Of dat het bij zelfsturing vooral gaat om informatievoorziening. De auteur stelt daartegenover dat ons denken niet een leidende, maar een adviserende of assisterende rol zou moeten spelen, in dienst van een ervarend lichaam. Vanuit dat perspectief is zelfsturing voor lager opgeleiden minstens evenzeer aan de orde als voor hoger opgeleiden. Loopbaanbegeleiders kunnen een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van zelfsturing door op het juiste moment te helpen bij het verwerken van ervaringen, het verhelderen van waarden en het ontwikkelen en affectief met elkaar vergelijken van toekomstperspectieven.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Dit artikel gaat over het wat en waarom van zelfsturing: Wat is het? Waarom is het nodig? Hoe ontwikkelt het zich? En hoe kun je daarbij helpen? De inhoud kan input bieden voor visieontwikkeling en kan ertoe bijdragen met zelfsturing aan de slag te gaan en daarbij een goede insteek te kiezen.
Luken, T. (2012)
Ondanks de groeiende aandacht voor LOB blijven de resultaten achter door fundamentele problemen in de onderliggende aanpak.
____________________________
Hoewel de aandacht voor LOB sterk is toegenomen, blijven uitval en switchgedrag onder leerlingen gelijk.
Het artikel laat zien dat de oorzaken deels liggen in de theorie achter LOB en de manier waarop deze wordt toegepast.
Met name het beeld van loopbaanontwikkeling en de rol van reflectie sluiten onvoldoende aan bij wat jongeren nodig hebben.
Het artikel pleit daarom voor aanpassing van de LOB‑benadering en biedt handvatten voor verdere ontwikkeling van beleid en praktijk.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
De aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) is in de afgelopen tien jaar explosief toegenomen. Helaas vallen de resultaten vooralsnog tegen. Veel leerlingen zijn ontevreden over LOB en nomadisch switchgedrag tussen opleidingen en uitval uit het onderwijs blijven ongeveer op hetzelfde niveau.
In dit artikel worden verklaringen gezocht op het niveau van de theorie die ten grondslag ligt aan LOB. Er worden vraagtekens gesteld bij het begrip arbeidsidentiteit, bij de kenmerken van de gewenste leeromgeving en bij praktijken op het gebied van loopbaanreflectie. Geconcludeerd wordt dat de dominante benadering van LOB weinig realistisch is en onvoldoende aansluit bij wat wij weten over wat jongeren wel en niet kunnen. Een mogelijk gevolg zou kunnen zijn dat jongeren zich suboptimaal ontwikkelen. Het artikel besluit met een aantal aanbevelingen voor aanpassingen van het onderwijsbestel en LOB.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Dit artikel stelt kritische vragen bij de dominante benadering van LOB en de onderliggende theorie. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's.
Luken, T. (2009)
Goede loopbaanbegeleiding is essentieel, maar blijkt in de praktijk lastig effectief vorm te geven.
____________________________
In onderwijs en arbeidsorganisaties bestaan veel problemen rondom loopbaanontwikkeling, zoals uitval en ontevredenheid in werk. Hoewel loopbaanbegeleiding kan helpen deze problemen te voorkomen, komt goede begeleiding nog weinig voor. Dit komt onder meer door versnippering van het vakgebied en hardnekkige denkbeelden over het maken van ‘de juiste keuze’. Het artikel pleit voor een bredere benadering van loopbaanontwikkeling, waarin reflectie en keuzebegeleiding anders worden ingevuld.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
In onderwijs- en arbeidsorganisaties bestaan grote problemen op het gebied van loopbaanontwikkeling. Veel scholieren en studenten vallen uit of switchen vroeg of vaak van opleiding. Veel arbeidsrelaties zijn voor werknemer of werkgever onbevredigend, maar duren toch voort.
Uit onderzoek blijkt dat goede loopbaanbegeleiding helpt om dergelijke problemen te voorkomen of op te lossen. Hoewel hiermee in materiële en immateriële zin veel te verdienen valt, is goede loopbaanbegeleiding zeldzaam.
Hoe komt dit? Er zijn de laatste jaren in het beroepsonderwijs grote investeringen in studieloopbaanbegeleiding gedaan. Waarom leveren deze inspanningen niet meer op? Waarom wordt in arbeidsorganisaties niet meer aan loopbaanbegeleiding gedaan? Hoe kan het beter? Dit zijn enkele van de vragen die in deze oratie aan de orde komen. Voor een deel wordt de stagnatie verklaard door de versnippering van het vakgebied. Daarnaast speelt het voortbestaan van hardnekkige, inadequate, maar dominante beelden een rol, zoals het beeld van ‘de goede keuze’, die het individu moet maken door informatie te verzamelen en na te denken. Wat is daar misleidend aan? Wat zijn de consequenties? Hoe kunnen we dit beeld bijstellen? Onder meer de risico’s van reflectie komen aan de orde.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Deze oratie plaatst de studiekeuze in een breder kader van loopbaanontwikkeling. Vragen worden gesteld over gangbare benaderingen die te veel gericht zijn op het maken van "de goede keuze" en waarin reflecteren een te grote rol speelt. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's.
Kuijpers, M. i.s.m. de Loopbaangroep (2015)
De invoering van LOB in het vmbo laat zien dat scholen nog belangrijke stappen moeten zetten om loopbaanbegeleiding goed vorm te geven.
____________________________
LOB is sinds 2016/2017 verplicht in het vmbo en gericht op het ontwikkelen van loopbaancompetenties en het voorkomen van uitval. Uit onderzoek blijkt dat veel scholen nog tekortkomingen ervaren in visie, uitvoering en integratie van LOB in het curriculum.
Er is vaak onvoldoende tijd, kennis en samenhang om LOB structureel en effectief vorm te geven.
Tegelijk laten voorloperscholen zien dat een duidelijke visie, coaching en samenwerking met vervolgonderwijs en bedrijfsleven bijdragen aan sterkere LOB.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Loopbaanoriëntatie en –begeleiding (LOB) is met ingang van schooljaar 2016/2017 een verplicht onderdeel van de nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s in het vmbo. LOB is bedoeld om loopbaancompetenties bij vmbo-leerlingen te ontwikkelen, ze beter te begeleiden bij de keuze voor hun vervolgopleiding en daarmee ook voortijdige uitval op het mbo te voorkomen. In schooljaar 2014/2015 is onder leiding van Marinka Kuijpers, hoogleraar aan de Open Universiteit, geïnventariseerd of en in welke mate vmbo-scholen knelpunten ervaren bij het vormgeven van een samenhangend LOB-beleid en hoe scholen met LOB geholpen zouden kunnen worden. Hiertoe is een online enquête gehouden, ingevuld door 550 mensen waarvan een deel werkzaam is op een vmbo-school die extra aandacht besteedt aan bèta/techniek (via de programma’s M-Tech of Toptechniek in bedrijf). De vragenlijst is ingevuld door leraren (40%; de meesten zijn ook mentor), decanen (30%) en leidinggevenden (30%). Vervolgens is een kwalitatief onderzoek gehouden onder vier scholen die relatief ver zijn met hun LOB-beleid. In het schooljaar 2014/2015 blijken er nog flink wat tekortkomingen te zijn in het LOB-beleid en in de uitvoering ervan op vmboscholen. Veel respondenten (75%) weten dat LOB wordt opgenomen in de nieuwe examenprogramma’s, maar slechts weinig geënquêteerden (38%) weten wat de eisen in de examenprogramma’s zijn. LOB is volgens minder dan de helft van de respondenten beschreven in de visie van de school. Slechts een derde zegt dat LOB is geïntegreerd in alle leerjaren van het curriculum. Dit blijkt vaker het geval op scholen waar LOB decentraal is georganiseerd. Minder dan twintig procent van de leraren zegt dat LOB is geïntegreerd in de lessen binnen de sector waar ze lesgeven, bijna een derde zegt dat dit niet gebeurt. Decanen en leidinggevenden zijn er nog negatiever over: negentig procent gaat ervan uit dat LOB niet in de lessen is opgenomen. Opmerkelijk is dat minder dan de helft van de respondenten aangeeft dat er in het onderwijs aandacht is voor aansluiting op het mbo. Door in aanraking te komen met vervolgopleidingen en regionale bedrijven kunnen leerlingen een beeld krijgen van welk beroep of loopbaan bij hen zou passen. De helft van de vmbo-scholen werkt structureel samen met vervolgopleidingen ten behoeve van LOB. Veertig procent van de respondenten geeft aan samen te werken met regionale bedrijven. Vanaf 2016-2017 vormt LOB een verplicht onderdeel van het programma van leerlingen. Op het moment van het onderzoek (2014-2015) menen de meeste respondenten (driekwart) dat ze de capaciteiten hebben om LOB vorm te geven op de school. Bijv. in het curriculum opnemen dat leerlingen relevante (praktijk)ervaringen opdoen voor LOB. De helft van de mentoren, decanen en leidinggevenden acht zich in staat om in het curriculum ook vast te leggen dat leerlingen zelf keuzes kunnen maken bij de invulling van die ervaringen (bijvoorbeeld een stage of meeloopdag bij een bedrijf). Maar LOB houdt meer in, zoals het houden van loopbaangesprekken en het gestructureerd bijhouden van LOB-ontwikkelingen bij leerlingen in een loopbaandossier. Daarover zegt slechts een derde van de respondenten er voldoende tijd en capaciteit voor te hebben. Het aantal respondenten dat aangeeft dat de school de loopbaanontwikkeling van de leerlingen registreert is 36%. Opvallend is dat bijna negentig procent aangeeft dat de effecten van LOB bij hun leerlingen niet worden gemeten. Ongeveer de helft van de respondenten geeft aan behoefte te hebben aan steun bij het vormgeven van LOB, zowel voor de school als geheel als voor zichzelf in het bijzonder. Het gaat dan om allerlei aspecten: het beschrijven van LOB in de visie van de school, de integratie van LOB in het curriculum van alle leerjaren, het daadwerkelijk aanbieden van LOB aan leerlingen, het bijhouden van ontwikkelingen bij de leerlingen en het meten van de effecten. De vier onderzochte scholen die relatief ver zijn met LOB, blijken al vier tot acht jaar bezig te zijn met het vormgeven van LOB op hun school. De decanen van deze scholen zijn verantwoordelijk voor de kennisverspreiding over LOB op school en kunnen de mentoren en vakdocenten begeleiden. Ze hebben een professionele training gevolgd, bijvoorbeeld over het houden van loopbaangesprekken met leerlingen. De scholen hebben LOB vastgelegd in visiedocument en de visie vertaald naar acties per leerjaar voor leerlingen (en hun ouders), leraren, mentoren en decanen. Het ontwikkelen van loopbaancompetenties bij leerlingen maakt deel uit van het visiedocument. Op deze vooroplopende scholen hebben leerlingen zelf een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van hun LOB. De school neemt een coachende rol in: de school adviseert leerlingen bij vragen, begeleidt ze via loopbaangesprekken en stimuleert reflectie. Ook organiseren de scholen in samenwerking met vervolgopleidingen en bedrijfsleven open dagen, beroepenmarkten en stagemogelijkheden. Van de onderzochte scholen blijken de scholen die speciale focus hebben op bèta en technologie nog verder te zijn met LOB. Iedere leerling heeft een eigen LOB-mentor met wie hij of zij loopbaanbegeleidingsgesprekken heeft. Daarnaast is de klassenmentor verantwoordelijk voor de klassikale LOB-activiteiten. De opleidingen geven aan dat ondersteuning vanuit organisaties en bedrijven, onder andere via TechNet, een belangrijke succesfactor voor LOB is. Het bijhouden van een loopbaandossiers, een verplicht onderdeel van de nieuwe examenprogramma’s, is nog in ontwikkeling op de vier scholen. Dit zijn dossiers waarin de leerling zelf zijn/haar loopbaanactiviteiten bijhoudt. Ook op deze vooroplopende scholen wordt nog niet structureel bijgehouden wat het effect van de LOB-activiteiten is, iets waarin deze scholen ondersteund zouden willen worden omdat ze niet weten hoe ze dat moeten doen. Er is te concluderen dat op de meeste scholen de eerste stappen zijn gemaakt, maar er nog behoorlijke slagen gemaakt moeten worden in het implementeren van LOB. De behoefte aan ondersteuning vraagt inspanningen en investeringen op alle niveaus in het onderwijs.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
De resultaten geven richting aan het vormgeven van LOB in de school.
Den Boer, P.R. (2009)
Wat betekent arbeidsidentiteitsontwikkeling voor LOB en hoe kan het onderwijs dit gericht ondersteunen?
____________________________
Het onderzoek presenteert een model waarin arbeidsidentiteit ontstaat door een combinatie van relevante praktijkervaringen en reflectie, die samen leiden tot zelfkennis en loopbaanontwikkeling. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat scholen ervaringsleren centraal moeten stellen en onderwijs praktijk‑, dialoog‑ en vraaggericht moeten inrichten, met ruimte voor eigen vragen en ambities van leerlingen.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit onderzoek is opgebouwd in een viertal hoofdstukken waarin wordt beschreven wat het belang en de context is van keuzeprocessen, wat – gezien de kennis uit empirie en theorie – een goed model kan zijn om deze keuzeprocessen te beschouwen en wat dit denkkader betekent voor de onderwijspraktijk.
Inhoudelijk wordt op grond van empirische kennis en theoretische overwegingen, een model gepresenteerd voor arbeidsidentiteitsontwikkeling (zelfkennis gerelateerd aan arbeid). Deze kennis, zo laat de auteur uit eigen onderzoek zien, wordt ontwikkeld door het opdoen van relevantie praktijkervaring in combinatie met de verwerking daarvan (reflectie). Elk afzonderlijk hebben ervaring noch reflectie effect op de ontwikkeling van deze zelfkennis. Voor onderwijs betekent dit dat er voor leerlingen gelegenheid georganiseerd moet worden om ervaring op te doen en die ervaring door middel van reflectie te verwerken. Dat vereist van onderwijs dat het praktijkgericht, dialooggericht en vraaggericht is.
Elk van deze elementen wordt uitgewerkt. Met name vraaggerichtheid vinden veel scholen een lastig onderwerp. De auteur stelt dat het onderwijs hier aan de hand van twee leidende vragen mee om zou kunnen gaan, namelijk: 1. Wat wil je hier halen? En 2. Hoe kunnen wij jou daar zo goed mogelijk bij helpen? Hierbij hoort dat de leerlingen en studenten worden ondersteund in het zicht krijgen op de eigen wensen en ambities en dat hiervoor (voldoende) ruimte beschikbaar wordt gesteld in het curriculum. Het advies dat hier wordt gegeven is om vroeg te beginnen. Na de basisvorming moet een kind eigenlijk al in aanraking worden gebracht met minimaal twee bedrijfstakken. Door inzicht te geven in de beroepsdilemma’s, wordt direct appel gedaan op de vraag wat het individu zou doen als hij/zij wordt geconfronteerd met dit dilemma. De ontwikkeling van de arbeidsidentiteit stopt dus zeker niet bij de start van een beroepsopleiding, maar hoort daar verder te worden ontwikkeld.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
LOB is ervaringsleren. Dat wil zeggen dat lerenden in staat gesteld moeten worden relevante praktijkervaring op te doen en die (door middel van reflectie) te verwerken. Van een school vraagt dat praktijkgerichtheid, dialooggerichtheid en vraaggerichtheid.
Commissie Kuijpers (2015)
Wat betekent een onvoorspelbare arbeidsmarkt voor studiekeuzes en de rol van loopbaanontwikkeling in het onderwijs?
____________________________
Het onderzoek laat zien dat traditionele, rationele studiekeuze‑modellen onvoldoende passen bij een arbeidsmarkt die steeds dynamischer en onzekerder wordt. Daarom krijgt het onderwijs de opdracht om studenten actief te leren hun loopbaan te ontwikkelen via reflectie, ervaring, maatwerk en loopbaancompetenties, zodat zij zelf regie kunnen nemen over leren en werken.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
De arbeidsmarkt is sinds enkele decennia sterk aan verandering onderhevig onder invloed van technologisering, globalisering en individualisering. Doordat de arbeidsmarkt continu en onvoorspelbaar verandert, wordt volgens verschillende wetenschappers de traditionele loopbaan vervangen door een ‘boundaryless career’ waarin mensen van werk en werkplek veranderen (DeFillippi & Arthur, 1994), en een ‘protean career’, een loopbaan die flexibel, veelzijdig en aangepast is (Hall, 1996). Loopbanen van werknemers hebben niet langer het verloop zoals dit op een stabiele arbeidsmarkt het geval is. Complexiteit, dynamiek, kans en constructie van de eigen loopbaan zijn termen die in wetenschappelijke loopbaantheorieën naar voren komen, en die niet eerder werden gebruikt als kenmerken van een loopbaan (McKay, Bright & Pryor, 2005). Werknemers moeten flexibel inzetbaar zijn en een leven lang leren om werk te kunnen krijgen en behouden. Kiezen voor een beroep met vaste taken en verantwoordelijkheden voor het gehele leven is niet langer afdoende. Mensen moeten zelf vorm en betekenis geven aan hun loopbaan en zijn genoodzaakt voortdurend keuzes te maken in werk en leren. Als fundamenteel andere eisen aan werknemers worden gesteld, heeft het onderwijs een taak studenten hierop voor te bereiden – naast de verantwoordelijkheid studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt.
Opleiden voor een beroep met vaste taken, zoals wij het beroep op dit moment kennen, moet worden uitgebreid met de opdracht studenten hun loopbaan te leren ontwikkelen, zodat zij keuzes kunnen maken in het combineren van leren en werk, wat hun carrière ten goede zal komen. In het onderwijs wordt er vooral vanuitgegaan dat studenten op rationele gronden loopbaankeuzes en -plannen maken. Echter, voor een rationele keuze moeten de alternatieven en de consequenties van de keuze bekend zijn. De kiezer moet over een methode beschikken om de voor- en nadelen van de keuze af te wegen en een duidelijk doel voor ogen hebben om te kunnen bepalen wat het beste alternatief is (Taborsky, 1992).
In de hedendaagse praktijk zijn deze voorwaarden moeilijk te realiseren. Informatie is kwalitatief onvoldoende, kwantitatief te omvangrijk en te veranderlijk om een goed beeld te krijgen (Dols, 2008). Jongeren blijken maar beperkt in staat om keuzes op langere termijn te maken (Dijksterhuis & Meurs, 2006), en bovendien maakt de onvoorspelbaarheid van de toekomst als gevolg van moderniserings- en globaliseringsprocessen dat het weinig zin heeft een gedetailleerd plan te maken van de gewenste loopbaan (Mitchell, Levin & Krumboltz, 1999). Onderzoek wijst uit dat begeleiding op basis van het geven van informatie en advies bij het maken van keuzes onvoldoende effectief is. Studenten maken veelal keuzes op basis van onbewuste en ondoordachte redenen; zij hebben geen realistisch zelf- en beroepsbeeld en vertonen korte termijn gedrag als het gaat om keuzes. Kortom, zij blijken slecht in staat om hun loopbaan te ontwikkelen in een richting en op een wijze die bij hen past.
In toenemende mate wordt gepleit voor een benadering waarin de student niet als passief (informatieverwerkend), maar als actief (lerend) subject centraal staat (Blustein, 2006; Baert, Dekeyser en Sterck, 2002). Een manier om zelf vorm te leren geven aan de persoonlijke loopbaan is door het inzetten van loopbaancompetenties (Kuijpers 2003, & 2012). Kuijpers en Meijers hebben in 2009 onderzocht in hoeverre loopbaancompetenties in het hbo ontwikkeld worden en welke leeromgeving de loopbaanontwikkeling van studenten kan bevorderen. Het is de taak van het onderwijs om de ‘loopbaanontwikkelcapaciteit’ van studenten te vergroten.
In de discussienotitie ‘Onderwijskwaliteit en kwaliteitscultuur’, onderdeel van de ‘Conferentiebundel Slotconferentie HO-tour’ (2015) wordt gesteld dat het onderwijs niet alleen de taak heeft studenten voor te bereiden op de arbeidsmarkt door kwalificatie, maar eveneens wordt uitgedaagd talenten, behoeften en ambities van individuele studenten meer centraal te stellen. Om dat te bereiken moet een reflectieve houding van studenten worden gestimuleerd, zodat zij het uiterste uit zichzelf kunnen halen en zelf meer de verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen voor hun leerproces. Dit sluit aan bij de in de vorige paragraaf genoemde loopbaancompetenties.
Goed onderwijs verschilt per student en hiervoor is maatwerk nodig. Voor docenten betekent dit permanente professionalisering volgens de discussienotitie. De kwaliteit van het onderwijs zou alleen studiesucces op kunnen leveren als de leeromgeving studenten, docenten en bestuurders motiveert om het beste uit zichzelf en uit elkaar te halen. Maatschappelijke ontwikkelingen noodzaken hogescholen om expliciet strategische keuzes te maken “in wat onderwezen wordt, hoe het onderwezen wordt, wie onderwijst, wat geleerd wordt, hoe geleerd wordt, wie leert, en waarom het geleerd wordt”. Minister Jet Bussemaker van OCW schrijft in haar voorwoord in de conferentiebundel: “In het onderwijs in de 21ste eeuw staat talentontwikkeling centraal. Studenten zullen ook zelf meer regie over hun eigen opleidingstraject willen krijgen. Dit betekent dat er op opleidingen een goede balans moet zijn tussen de vakinhoudelijke basis en ruimte voor persoonlijke keuze. Uit de HO-tour komt naar voren dat de keuzeruimte binnen en buiten de opleiding nog aanzienlijk kan worden vergroot.” Volgens Bussemaker kan de ruimte worden benut door het opdoen van ervaringen en moet keuzeruimte gepaard gaan met goede persoonlijke begeleiding; een loopbaangerichte leeromgeving. Zij geeft aan dat personalisatie van het leren permanente professionalisering van de docent vergt.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
De uitkomsten van het onderzoek geven richting aan het vormgeven van studieloopbaancoaching in hbo en mbo.
Brouwer-Truijen, K., Woudt-Mittendorff, K. & Pullen, A. (2017)
Hoe kunnen loopbaangesprekken bijdragen aan betere studiekeuzes en meer interesse in techniek?
____________________________
Het onderzoek laat zien dat onvoldoende begeleiding bij studiekeuzes bijdraagt aan uitval en het tekort aan leerlingen die voor bèta‑opleidingen kiezen. Talentgerichte loopbaangesprekken, gecombineerd met praktijkervaringen in techniek en een actieve luisterhouding van de mentor, versterken loopbaancompetenties en helpen leerlingen betere en bewustere keuzes te maken.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Het onderwijs worstelt al jaren met problemen rondom studiekeuzes van leerlingen. Het voortijdig schoolverlaten en het veelvuldig switchen worden gekoppeld aan het feit dat zij geen goede keuze zouden maken. Ook is er een groot tekort aan jongeren die kiezen voor een bèta-opleiding. Een belangrijke oorzaak van deze problemen is onvoldoende begeleiding van jongeren bij het maken van hun studiekeuze. Goede loopbaangesprekken stimuleren hen tot reflectie en spreken hen aan op hun talenten. Jongeren kunnen er zo beter achter komen wie ze zelf zijn en wat ze in de toekomst willen. Veel docenten willen hier graag een rol in spelen, maar hebben nog te weinig handvatten. Docenten, mentoren en decanen kunnen loopbaangesprekken gebruiken om leerlingen te enthousiasmeren voor bèta. Daarnaast is het nuttig om hen ervaringen in de technische beroepspraktijk aan te bieden. Juist de combinatie met loopbaangesprekken kan jongeren helpen bij het maken van een goede studiekeuze.
Samen met docenten is een methodiek voor het voeren van talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek ontworpen. Daarbij zijn docenten geprofessionaliseerd op dat gebied. Vervolgens is de methodiek ingevoerd en zijn de resultaten gemeten.
De resultaten van het onderzoek laten zien dat in de verschillende VO-scholen er in het algemeen weinig aandacht wordt besteed aan het bespreken van 'betekenisvolle ervaringen en emoties' en 'techniek'. Leerlingen geven aan dat er vooral aandacht wordt besteed aan 'reflecteren en activeren' en het 'bespreken van de toekomst'. Leerlingen geven aan dat ze in redelijke mate over loopbaancompetenties beschikken, maar in mindere mate bezig zijn met het opbouwen en onderhouden van contacten (netwerken) en dat ze op pro-actieve wijze studie- en werkmogelijkheden (loopbaanvorming) kunnen onderzoeken. De ontwikkelde methodiek, met meer aandacht in het loopbaangesprek voor betekenisvolle ervaringen, emoties, reflecteren, activeren, bespreken van de toekomst en techniek, draagt positief bij aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties van leerlingen.
De insteek van het gesprek is een belangrijke voorwaarde voor de mate waarin gesproken wordt over talenten en kwaliteiten. Wanneer de loopbaanactiviteit centraal staat, wordt er nauwelijks een koppeling gemaakt met de talenten en kwaliteiten van de leerlingen. Wanneer het gesprek over hobby's of een bijbaan gaat, staat dit meer centraal. De mentoren passen de methodiek van talentgerichte loopbaangesprekken gedeeltelijk toe. Tijdens goede loopbaangesprekken heeft de mentor een actieve luisterhouding, stelt verdiepingsvragen en vat samen.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Uit het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen voor mentoren en decanen gedestilleerd worden:
- Probeer vaker met leerlingen in gesprek te gaan over betekenisvolle ervaringen of emoties.
- Laat mentoren meer kennis maken met de achtergronden van techniek, mogelijke stereotyperingen en mindsets van leerlingen.
- Probeer ook in de lagere klassen van vmbo, havo en vwo te reflecteren op talenten, interesses en activiteiten aan bod te laten komen.
- Probeer in het gesprek minder leidend en helpend te zijn, en te laveren tussen enerzijds streng (confronterend) en anderzijds ruimte gevend.
Boer, P.R. den & Kuijpers, M. (2014)
Wat levert langdurig en regionaal samenwerken aan LOB nu écht op voor leerlingen en scholen?
____________________________
Het vijfjarige project Keuzeprocessen in West‑Brabant laat zien dat scholen concreet werk hebben gemaakt van praktijkervaring, reflectie en loopbaansturing, vooral in het vmbo. Hoewel er duidelijke vooruitgang is geboekt in aandacht voor LOB en arbeidsidentiteit, vraagt duurzame opbrengst om langdurige inzet, vasthoudendheid en verdere doorontwikkeling - met name in het mbo.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
In deze publicatie worden de opbrengsten en knelpunten weergegeven als gevolg van een vijf jaar durend project van keuzeprocessen dat is uitgevoerd in de regio West-Brabant. 21 scholen zijn dit project gestart met als doel schooluitval te verminderen, leerlingen te motiveren en een betere aansluiting in de beroepskolom te realiseren. Hiervoor zijn een aantal projecten gestart. Ter begeleiding van dit proces is door ROC West-Brabant een lector keuzeprocessen aangesteld. Bovendien hebben de scholen drie jaar geparticipeerd in een landelijk onderzoek. In deze publicatie kijken we terug op de periode van 2009 tot en met 2013 waarin gewerkt is aan keuzeprocessen. Daarbij staan twee vragen centraal:
- Was het mogelijk om binnen vmbo en mbo concreet vorm te geven aan het opdoen van praktijkervaring, de verwerking daarvan en enige vorm van (geleide) zelfsturing en zo ja, hoe zag dat eruit?
- Leidden de gekozen vormen van ervaring opdoen, verwerking daarvan en zelfsturing tot een toename bij leerlingen van hun loopbaancompetenties en hun arbeidsidentiteit?
Het theoretische kader van keuzeprocessen wordt toegelicht, alsmede de ontwikkeling van het zelfbeeld (en dus arbeidsidentiteit) via het werken aan de loopbaancompetenties. De centrale vraag tijdens het onderzoek luidt: In hoeverre hangen door de scholen ontwikkelde interventies gericht op het opdoen van ervaring, de verwerking van die ervaring en omgaan met de vragen die dat bij leerlingen oproept samen met de loopbaancompetenties en arbeidsidentiteit van de leerlingen?
Er is gekozen voor een gedecentraliseerde aanpak met richtlijnen om het project zo laagdrempelig mogelijk te laten verlopen. Vandaar dat is geïnventariseerd welke interventies de verschillende scholen gebruiken; in het kader van het opdoen van (werk) ervaring, de verwerking daarvan en de vraaggerichtheid van de vmbo-scholen in hun onderwijsaanbod.
Als conclusie van het onderzoeksproject is geformuleerd dat er verschillende activiteiten zijn ontwikkeld in het vmbo. De meeste basis- en kaderberoepsgerichte opleidingen hadden al aardig wat materiaal liggen, maar vooral de theoretische leerweg heeft een vernieuwing doorgemaakt tijdens het project. Met name de loopbaanreflectie heeft een kwalitatieve slag gemaakt.
Scholen hebben ervaren dat deelname aan het project ervoor heeft gezorgd dat er intensiever is gewerkt aan een loopbaangerichte leeromgeving. Scholen die veel praktijk binnen en buiten de school hebben aangeboden zijn kwalitatief (volgens de leerlingen) het meest gegroeid in het werken aan arbeidsidentiteit van leerlingen. Een individuele aanpak hierbij levert meer op dan een groepsaanpak. De conclusies vanuit het mbo zijn vanwege te geringe input niet goed en kwalitatief te duiden. Er zijn dus minder bevindingen te vermelden, maar de resultaten lijken erop te wijzen dat door de opleidingen meer vraaggericht aan te bieden de verwerving van loopbaancompetentie en arbeidsidentiteit meer wordt gestimuleerd.
De belangrijkste conclusie bij alle deelnemende scholen is dat er meer aandacht voor LOB is gekomen en meer mensen weten dat het gaat om het opdoen van arbeidservaring en het hebben van een goed loopbaangesprek daarover. De resultaten en conclusies roepen ook vragen op met betrekking tot de geslaagdheid van het project. Is het dat wel met deze opbrengsten? Waarom lijkt het succes op het vmbo hoger te zijn dan in het mbo? Is dit nu voldoende basis om door te gaan op de ingeslagen weg? En hoe moet die weg er dan uit zien? Kernvraag blijft uiteraard: is de vernieuwing nu geslaagd?
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Als je als school begint aan LOB of dit element intensiveert, wees je er dan van bewust dat dit een langdurig proces is dat veel vasthoudendheid en geduld vraagt. Vijf jaar is zo voorbij en als het daarbij blijft zijn alle behaalde resultaten binnen de kortste keren weer verdwenen.
Boer, P. den & Meijers, F. (2019)
Wat vraagt het ontwikkelen van loopbaancompetenties werkelijk van leerlingen én van LOB‑gesprekken?
____________________________
Het onderzoek laat zien dat het concept loopbaancompetentie vaak te instrumenteel wordt toegepast, doordat een stevige theoretische en empirische basis ontbreekt. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat reflectiegesprekken zich moeten richten op betekenisgeving van praktijkervaringen, via doelgerichte gespreksvoering die bijdraagt aan de ontwikkeling van een arbeidsidentiteit.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Het concept ‘loopbaancompetentie’ mist vooral een theoretische basis. Ook de empirische basis laat te wensen over. Het gevolg van het ontbreken van een goede theorie in het onderwijs, is dat loopbaancompetenties voornamelijk instrumenteel worden ingezet, waardoor leerlingen uiteindelijk geen vaardigheden leren om hun eigen loopbaan succesvol te managen. We bieden een alternatief, dat wel gebaseerd is op theorie.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het is van belang zich bewust te zijn van de leerprocessen die ten grondslag liggen aan het verwerven van een arbeidsidentiteit. De loopbaancompetenties suggereren dat die allemaal hetzelfde zijn en dat is nadrukkelijk niet het geval. Reflectiegesprekken dienen erop gericht te zijn lerenden te helpen betekenis te geven aan opgedane praktijkervaringen. Daarvoor is specifieke gespreksvoering nodig.
Assen, H. (2018)
Wat vraagt leerlinggericht onderwijs van docenten, en wat betekent dat voor de manier waarop we LOB vormgeven?
____________________________
In dit onderzoek laat Hanneke Assen zien dat de overgang van docentgestuurd naar leerlinggericht onderwijs niet vanzelf gaat. Hoewel veel docenten leerlinggericht willen werken, blijkt er vaak een kloof tussen overtuiging en handelen. Collectief leren, professionele dialoog en aandacht voor de begeleidingsrol zijn cruciaal om leerlingen écht eigenaarschap te laten ontwikkelen – een kernvoorwaarde voor effectieve LOB.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
In haar proefschrift From a teacher-oriented to a learner-oriented approach to teaching: The role of teachers’ collective learning processes onderzoekt Hanneke Assen (2018) hoe docenten de overgang kunnen maken van een docentgestuurde naar een learner‑oriented (leerlinggerichte) onderwijsbenadering. Centraal staat de vraag waarom deze omslag in de praktijk vaak moeizaam verloopt, zelfs wanneer docenten in overtuiging wél leerlinggericht onderwijs willen geven.
Uit het onderzoek blijkt dat er regelmatig een kloof bestaat tussen wat docenten zeggen te willen (leerlinggericht) en wat zij daadwerkelijk doen in de les of begeleiding (vaak toch docentgestuurd). Deze kloof hangt samen met diepgewortelde professionele identiteiten, routines en externe factoren zoals curriculumdruk, toetsing en tijdgebrek.
Een belangrijk inzicht uit de studie is dat verandering niet alleen een individueel leerproces is, maar vooral een collectief proces. Docenten blijken beter in staat om hun rol te veranderen wanneer zij in teamverband leren, reflecteren en met elkaar in dialoog gaan over hun pedagogische keuzes en dilemma’s. Dialoog en gezamenlijke betekenisgeving spelen hierbij een sleutelrol.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
De bevindingen van Assen zijn zeer relevant voor LOB, waar leerlinggericht werken en het stimuleren van eigenaarschap centraal staan.
LOB vraagt om een andere rol van de begeleider
LOB veronderstelt dat leerlingen actief reflecteren, keuzes onderzoeken en regie nemen over hun loopbaan. Dit onderzoek laat zien dat dat alleen lukt wanneer begeleiders bewust afstand nemen van een sturende of oplossingsgerichte rol, en zich meer positioneren als coach of gespreksleider. Dat is geen vanzelfsprekende rol en vraagt om oefening en reflectie.
Leerlinggericht werken vraagt teamontwikkeling, niet alleen individueel leren
Het onderzoek benadrukt het belang van collectief leren. Voor LOB betekent dit dat een gezamenlijke visie binnen het team essentieel is. Wanneer mentoren, decanen en docenten verschillend kijken naar eigenaarschap en begeleiding, vallen leerlingen gemakkelijk terug in ‘afhankelijk gedrag’. Structurele uitwisseling over LOB‑gesprekken en -ervaringen helpt om hierin consistenter te worden.
Maak ruimte voor professionele dialoog over LOB
Assen laat zien dat dialoog tussen docenten cruciaal is om overtuigingen en handelen dichter bij elkaar te brengen. In de LOB‑praktijk kan dat bijvoorbeeld door:
- samen loopbaangesprekken te bespreken;
- voorbeelden te analyseren van leerlinggerichte én docentgestuurde interventies;
- dilemma’s (zoals “wanneer stuur ik wel en wanneer niet?”) expliciet te maken.
Wees je bewust van belemmerende structuren
Net als in het onderzoek spelen ook binnen LOB externe factoren een rol, zoals toetsdruk, beperkte tijd en vaststaande programma’s. Het is helpend om deze belemmeringen niet te individualiseren (“ik kan dit niet”), maar ze gezamenlijk te onderzoeken en waar mogelijk aan te passen.
LOB is een cultuurverandering, geen methode
Een belangrijke boodschap uit het onderzoek is dat echte leerlinggerichtheid niet bereikt wordt door alleen nieuwe materialen of werkvormen in te voeren. Voor LOB betekent dit: een reflectie-instrument of portfolio werkt pas écht als de begeleidingshouding aansluit bij de bedoeling ervan.
Deze tekst is gegenereerd met behulp van Co-pilot.
Grenzen verleggen en groeien!
____________________________
Het Grensland College is een innovatief samenwerkingsverband tussen mbo, hbo en het regionale bedrijfsleven. Het biedt praktijkgerichte Associate degree‑opleidingen die inspelen op de arbeidsmarkt in de grensregio. Voor mbo‑afgestudeerden en werkenden vormen deze opleidingen een toegankelijke stap naar hbo‑niveau. Zo worden onderwijs, praktijk en regionale ontwikkeling nauw met elkaar verbonden.
____________________________
“De Associate degree vormt een tussenstation of een springplank van MBO-4 naar de Bachelors.”
Samen met het regionale bedrijfsleven wordt vorm aan gegeven aan een nieuw onderwijsconcept, met als doel snel te kunnen schakelen tussen onderwijs en de behoefte op de arbeidsmarkt. Op initiatief van het Graafschap College worden samen met de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en Saxion tweejarige praktijkgerichte hbo-opleidingen, de zogeheten Associate degree (Ad) –opleidingen, ontwikkeld. De opleidingen worden in deeltijd aangeboden en zijn bedoeld voor Nederlandse en Duitse afgestudeerde mbo-studenten en werkenden. Zo worden werknemers in staat gesteld zich binnen twee jaar op een praktijkgerichte manier op, bij of om te scholen op hbo-niveau, waardoor zij hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Mbo-studenten kunnen profiteren van de doorlopende leerlijn van mbo naar hbo doordat ze na het behalen van de Associate degree opleiding ook verkort een hbo-bachelor opleiding kunnen volgen. De Associate degree vormt in die zin een tussenstation of een springplank van MBO4 naar de Bachelors, maar is tevens een sterke startkwalificatie voor de regionale arbeidsmarkt.
Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?
Het Grensland College is een innoverend initiatief in Nederland!
Samen met het regionale bedrijfsleven wordt vorm aan gegeven aan een nieuw onderwijsconcept, met als doel snel te kunnen schakelen tussen onderwijs en de behoefte op de arbeidsmarkt. Op initiatief van het Graafschap College worden samen met de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en Saxion tweejarige praktijkgerichte hbo-opleidingen, de zogeheten Associate degree (Ad) –opleidingen, ontwikkeld. De opleidingen worden in deeltijd aangeboden en zijn bedoeld voor Nederlandse en Duitse afgestudeerde mbo-studenten en werkenden.
Zo worden werknemers in staat gesteld zich binnen twee jaar op een praktijkgerichte manier op, bij of om te scholen op hbo-niveau, waardoor zij hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten.
Mbo-studenten kunnen profiteren van de doorlopende leerlijn van mbo naar hbo doordat ze na het behalen van de Associate degree opleiding ook verkort een hbo-bachelor opleiding kunnen volgen. De Associate degree vormt in die zin een tussenstation of een springplank van MBO4 naar de Bachelors, maar is tevens een sterke startkwalificatie voor de regionale arbeidsmarkt.
Vestigingsplaats is het voormalige raadhuis van Winterswijk. Een deel van de lessen wordt vanuit deze centrale plek in de grensregio verzorgd. Daarnaast vindt onderwijs in de praktijk plaats. Te denken valt aan onderwijs binnen bedrijven en instellingen, maar ook aan locaties als innovatiecentrum CIVON. Het Grensland College zorgt voor een hybride leeromgeving waar theorie en praktijk zoveel mogelijk met elkaar worden verbonden. Niet alleen in de uitvoering, ook met betrekking tot de onderwijsontwikkeling geeft het Grensland College werkgevers een belangrijke rol.
Het Grensland College is primair bedoeld om vanuit goed onderwijs ervoor te zorgen dat werkgevers in de grensregio in hun vacatures kunnen worden voorzien. In de tweede plaats wil het Grensland College een instelling zijn die de demografische ontwikkelingen verzacht door (jong) talent aan te trekken en te behouden en daardoor bijdraagt aan het innovatieve klimaat van de regio!
Thema’s voor de verschillende opleidingen zijn: Techniek & Informatica, Bouw & Installatietechniek, Zorg & Welzijn, Argo/Groen, Economie & Dienstverlening en cross-overs tussen deze verschillende vakgebieden. De eerste opleidingen starten in september 2021. Het doel is uit te groeien naar negen opleidingen in september 2024.
_____________________________________________________
Tips
Het aanbieden van gezamenlijk onderwijs van mbo- en hbo-instellingen vraagt om nauwe samenwerking en afstemming met het ministerie van OCW. Alle partijen moeten hier veel tijd investeren, voordat de opleidingen überhaupt van start kunnen gaan. Werk daarom behoefte gestuurd en betrek alle partijen in een zo vroeg mogelijk stadium, laat je niet afschrikken door wet- en regelgeving, maar zoek het gesprek met OCW.
_____________________________________________________
Kennismaken met de dagelijkse praktijk op het mbo
____________________________
Twentse vierdejaars TL‑leerlingen werken onder begeleiding van mbo‑docenten en studenten aan hun profielwerkstuk op het mbo. In twee tot drie dagdelen ervaren zij de dagelijkse mbo‑praktijk en ontdekken zij of een opleiding bij hen past. Het profielwerkstuk krijgt zo een duidelijk beroeps‑ en opleidingsoriënterend karakter. Door vaste opdrachten en duidelijke afspraken ontstaat een waardevolle voorbereiding op de overstap naar het mbo.
____________________________
"Leerlingen maken kennis met de dagelijkse praktijk op het mbo en kunnen ervaren of de gekozen opleiding bij hem/haar past."
Op het mbo, onder leiding van mbo-docenten en studenten, werken Twentse vierdejaars TL-leerlingen twee tot drie dagdelen aan hun profielwerkstuk. Leerlingen maken zo kennis met de dagelijkse praktijk op het mbo en kunnen ervaren of de gekozen opleiding bij hem/haar past. Het profielwerkstuk, dat onderdeel is van hun examen, krijgt op deze manier een beroeps- en opleidingsoriënterend karakter.
Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?
Op het mbo, onder leiding van mbo-docenten en studenten, werken Twentse vierdejaars TL-leerlingen twee tot drie dagdelen aan hun profielwerkstuk. Leerlingen maken zo kennis met de dagelijkse praktijk op het mbo en kunnen ervaren of de gekozen opleiding bij hem/haar past. Het profielwerkstuk, dat onderdeel is van hun examen, krijgt op deze manier een beroeps- en opleidingsoriënterend karakter. In totaal zijn er door het mbo zeven keuzeopdrachten gemaakt, waarvan de leerling er ten minste vier moet maken. De opdrachten zijn aanvullend aan de opdrachten die de leerlingen vanuit hun eigen vmbo-school krijgen en voor alle deelnemers gelijk. Hiervoor is een handleiding ontwikkeld.
Er worden individuele afspraken gemaakt die worden vastgelegd op een afsprakenkaart. Het mbo heeft geen rol in de beoordeling, maar wordt wel uitgenodigd bij de eindpresentatie. Het mbo krijgt zo op haar beurt een goed beeld van wat de leerling heeft ervaren.
_____________________________________________________
Tips
Om te voorkomen dat een leerling het profielwerkstuk moet maken bij een opleiding die niet de eerste keuze heeft, moeten alle mbo-4-opleidingen bereid zijn mee te werken aan dit project.
_____________________________________________________
Beter weten wat je wil door te werken aan een challenge!
____________________________
Havo‑4‑leerlingen van het Da Vinci College werken tijdens Dromen en Doen een week lang aan praktijkgerichte challenges. Deze opdrachten worden uitgevoerd in samenwerking met bedrijven, hbo‑instellingen en de gemeente Leiden. Leerlingen ontwikkelen belangrijke vaardigheden zoals samenwerken en communiceren en krijgen beter inzicht in hun eigen kwaliteiten en interesses. Het project stimuleert ervaringsleren en wordt structureel ingebed in het LOB‑curriculum.
____________________________
“Ook leerlingen die niet zo gemotiveerd zijn raken enthousiast door deze praktijkervaring.”
Met echte praktijkopdrachten en samenwerking met het werkveld helpt het project Dromen en Doen havo‑leerlingen om bewuste studiekeuzes te maken.
Door een combinatie van ondernemerschap, ambitie en praktijk worden havo 4-leerlingen van het Da Vinci College in Leiden gestimuleerd tot het maken van de juiste studiekeuze. Tijdens Dromen en Doen werken zij gedurende één week aan een challenge ontwikkeld door Technolab Leiden. Dit doen zij in samenwerking met grote en kleine ondernemingen, hbo-instellingen en de gemeente Leiden. Leerlingen ontwikkelen op deze manier bepaalde kwaliteiten, zoals samenwerken en communiceren. Ook krijgen ze een beter beeld van zichzelf en hun kwaliteiten.
Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?
Door een combinatie van ondernemerschap, ambitie en praktijk worden havo 4-leerlingen van het Da Vinci College in Leiden gestimuleerd tot het maken van de juiste studiekeuze. Tijdens Dromen en Doen werken zij gedurende één week aan een ‘challenge’ die is ontwikkeld door het Technolab Leiden. Dit doen zij in samenwerking met grote en kleine ondernemingen, hbo-instellingen en de gemeente Leiden. Leerlingen ontwikkelen op deze manier bepaalde kwaliteiten, zoals samenwerken en communiceren. Ook krijgen ze een beter beeld van zichzelf en hun kwaliteiten.
De challenges hebben betrekking op de vier profielen: Natuur & Techniek, Natuur & Gezondheid, Economie & Maatschappij en Cultuur & Maatschappij. Er kan bijvoorbeeld gekozen worden uit: het bouwen van een kinderpretpark, het ontwerpen van een kinderspeelkamer, het maken van een website, het ontwikkelen van een app of het bedenken van een plan voor de politie zodat mensen sneller 112 bellen.
Tijdens de Nederlandse les schrijven de leerlingen een sollicitatiebrief voor de challenge van hun keuze. Gedurende één week gaan zij vervolgens in groepjes aan de slag om de challenge uit te voeren. Dit doen zij samen met ondernemingen en eventueel met studenten. Ook maken zij kennis met de hogeschool. Aan het eind van de week presenteren de groepjes leerlingen hun project op feestelijke wijze aan elkaar, aan hun ouders, de betrokken bedrijven en de begeleiders.
Het Da Vinci College werkt momenteel aan het inbedden van dit ervaringsleren in het lob-curriculum. In de voorbereiding wordt het kiezen van een challenge verbonden aan het nadenken over de eigen kwaliteiten en interesses. Ook leerlingen die niet zo gemotiveerd zijn raken enthousiast door deze praktijkervaring.
De challenges zijn niet eenvoudig: leerlingen beseffen dat zij in de toekomst ook moeilijkheden kunnen tegenkomen en zijn hier zo beter op voorbereid. Begeleiding is belangrijk om dit project te laten slagen!
_____________________________________________________
Tips
- Samenwerking met Technolab: zij bouwen het netwerk van bedrijven op, zorgen voor begeleiders tijdens ‘Dromen en Doen’ en organiseren het evenement.
- Er moeten voldoende financiën beschikbaar zijn voor Technolab.
- Er moeten voldoende betrokken bedrijven beschikbaar zijn, met een brede variatie aan interessante opdrachten.
- Er moet tijd vrijgemaakt worden voor decanen en mentoren om de challenges voor te bereiden en na te bespreken met de leerlingen.
- Er moet tijd vrijgemaakt worden voor docenten Nederlands om leerlingen te begeleiden bij het schrijven van een sollicitatiebrief voor de challenge van hun keuze.
- De coördinator dient mentoren en docenten middels goede communicatie het belang van het project in te laten zien.
- Er moet voldoende aandacht zijn voor PR en marketing door middel van het presenteren van ervaringen. Zo kan men bedrijven (blijven) enthousiasmeren voor Dromen en Doen.
- Er moet voldoende overleg zijn met de andere deelnemende scholen om zo van elkaar te kunnen leren.
_____________________________________________________
Dromen & Doen Da Vinci from Technolab Leiden on Vimeo.



