LOB-beleid
LOB-beleid
Het management faciliteert de loopbaangerichte leeromgeving middels LOB-beleid. Om de kwaliteit van een loopbaangerichte leeromgeving te borgen wordt jaarlijks de PDCA-cyclus doorlopen.
Meer weten over hoe je LOB-beleid kunt vormgeven en de kwaliteit kunt borgen? Bekijk dan onderstaande infographics, wegwijzers en tools
Inspiratie uit praktijk, onderzoek en het nieuws
Petit, R., Meijer, J., Karssen, M. & Kuijpers, M. (2019)
Veel jongeren hebben moeite om zich een beeld te vormen van beroepen die zij kunnen kiezen. Wat hierbij helpt is zelf zien en ervaren hoe het ertoe gaat in de praktijk; ook wel ‘werkexploratie’ genoemd. Voorbeelden zijn een werkbezoek of praktijkopdracht in een bedrijf. Werkexploratie is een van de vijf ‘loopbaancompetenties’ waaraan vmbo-scholen aandacht besteden in het onderwijs en die sinds kort ook geëxamineerd worden. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunde tien scholen in een aantal grote steden bij het maken van een goed werkexploratieprogramma. De opbrengsten hiervan zijn onderzocht door herhaald vragenlijsten af te nemen bij leerlingen en door groepsinterviews af te nemen bij leerlingen en hun mentoren.
Petit, R., Brouwer, P. & Meijer, J. (2018)
Scholen voor vmbo en mbo ontwikkelden samen met onderzoekers een programma om ouders te betrekken bij de studie-en beroepskeuze van hun kind. Via huiswerkopdrachten die leerlingen met ouders thuis maken wordt het gesprek over loopbaankeuzes gestimuleerd. Het onderzoek laat bescheiden positieve effecten zien.
Mittendorff, K., Staman, L., Kienhuis, M., Nije Bijvank, M. & Winters, N. (2016)
Mede door het belang van het thema ‘studiesucces’ lijkt studieloopbaanbegeleiding (SLB) de laatste jaren steviger op de agenda van hogescholen te staan. De ontwikkelingen op verschillende beleidsterreinen zoals de studiekeuzecheck en het verbeteren van bachelorrendement, vragen ook om investeringen in en herziening van SLB beleid. De roep om betere SLB blijkt vanuit verschillende kanten te ontstaan. Ook studenten waren ontevreden over hun begeleiding, met name de ouderejaars. Sommige studenten zagen hun SLB’ers niet of nauwelijks, er werd te weinig initiatief genomen vanuit de opleiding en was er te weinig aandacht voor loopbaanbegeleiding. Hierin waren ook verschillen tussen maar ook binnen opleidingen te zien.
Mittendorff, K., Pullen, A., & Kornet, A. (2018)
Op de arbeidsmarkt is steeds meer behoefte aan bredere professionele vaardigheden (‘soft-skills’) naast gedegen kennis van het technische vakgebied. Het ontwikkelen van hogere-orde vaardigheden zoals reflectie zijn daarvoor belangrijk, maar de implementatie van deze vaardigheden wordt in het onderwijs nog als moeilijk ervaren (Kirschner, 2017). Daarnaast zien we dat talent- en loopbaanontwikkeling van studenten steeds belangrijker wordt, in het kader van een leven lang leren maar ook om afgestudeerden te behouden voor de technische sector. Een relatief groot aantal studenten met een technisch diploma verlaten na diplomering alsnog de technische sector. Om dit probleem op te lossen lijkt het zinvol om studenten beter te begeleiden bij hun professionele identiteitsontwikkeling.
Kariene Woudt-Mittendorff, Jochems, W., Meijers, F. & Brok, P. den (2008)
In Nederland groeit het aantal beroepsonderwijsinstellingen en -opleidingsinstituten dat competentiegerichte leerbenaderingen implementeert, hieronder valt ook een nieuwe benadering van loopbaanbegeleiding. Deze benaderingen hebben vaak betrekking op instrumenten zoals portfolio’s of persoonlijke ontwikkelingsplannen, en zijn bedoeld om studenten te ondersteunen bij hun zoektocht naar een richtingsgevoel, beroepskeuze en het ontwikkelen van hun identiteit. In deze studie werden percepties van leraren, loopbaanbegeleiders en studenten over portfolio’s en persoonlijke ontwikkelingsplannen voor loopbaanontwikkeling onderzocht op twee MBO instellingen en één vmbo school.
Mittendorff, K., Brouwer-Truijen, K., Huizinga, T., Staman, L., & Bisschop, C. (2017)
Om leerlingen betere studiekeuzes te laten maken is het cruciaal dat er in het onderwijs goede loopbaangesprekken met leerlingen gevoerd worden waarin reflectie een plek krijgt en leerlingen worden aangesproken op hun talenten. Maar wat maakt een loopbaangesprek nu echt effectief? In samenwerking met mentoren en decanen van verschillende vo-scholen is binnen dit onderzoek een methodiek ontwikkeld voor het verbeteren van loopbaangesprekken binnen de school.
Woudt-Mittendorff, K. (2010)
Door nieuwe onderwijsvormen neemt ook de vraag naar een nieuw ontwerp voor studieloopbaanbegeleiding (SLB) toe. Dit artikel beschrijft de eerste inzichten voor ‘SLB 2.0’, waarin ontwerpcriteria worden geformuleerd voor een toekomstbestendige en meer geïntegreerde vorm van SLB. Dit artikel gaat in op nieuwe inzichten gericht op studiesucces, binding, reflectie en persoonlijke, professionele ontwikkeling.
Mittendorff, K. (2014)
In het hoger onderwijs zien we reflectie steeds vaker als leerdoel voor studenten (Kinkhorst, 2010). In de eindcompetenties van HBO opleidingen komt de term ‘reflective practitioner’ voor en opleidingen benadrukken dat studenten niet alleen moeten worden voorbereid op de beroepspraktijk door het aanleren van kennis en vaardigheden om dat beroep uit te voeren, maar ook moeten leren een ‘leven-lang-te-leren’. Door te reflecteren op het eigen leren tijdens de opleiding zouden studenten tevens meer gemotiveerd moeten worden voor hun eigen leerproces of persoonlijke ontwikkeling en zelfsturend gedrag gaan vertonen. Door te reflecteren op de persoonlijkheid en eigen kwaliteiten zou meer begrip worden gecreëerd over de eigen motieven en ambities, zouden betere studiekeuzes worden gemaakt en zou studie-uitval verminderen.
Mittendorff, K. (2014)
De roep om betere studieloopbaanbegeleiding (SLB) komt vanuit verschillende kanten. Onderzoek laat zien dat SLB nog niet altijd de kwaliteit heeft die men nastreeft en dat er bij zowel SLB’ers als managers vragen leven over hoe SLB naar een hoger plan gebracht kan worden. Om SLB effectief vorm te geven, zal het beleid (visie, draagvlak, middelen en randvoorwaarden) van een opleiding zodanig vertaald moeten worden in de onderwijsorganisatie dat de betrokken actoren in de organisatie het ook kunnen aansturen en uitvoeren en daartoe de benodigde competenties hebben of kunnen ontwikkelen.
Mittendorff, K., Donk, S.van der & Gellevij, M.
Veel scholen in Nederland, waaronder ook Saxion Hogescholen, zijn actief bezig met het uitvoeren van studieloopbaanbegeleiding als onderdeel van competentiegericht onderwijs. Deze ontwikkeling is (onder andere) gebaseerd op de problematiek van het voortijdig schoolverlaten, veelvuldig switchen van opleiding en het gebrek aan motivatie van studenten. Het idee is dat studenten door studieloopbaanbegeleiding leren reflecteren op hun persoonlijke ambities en motieven, daardoor bewustere keuzes kunnen maken voor hun toekomst, en zelf acties ondernemen met betrekking tot het vormgeven van de eigen ontwikkeling op het gebied van school en loopbaan.
Meijers, F., & Kuijpers, M. (2014)
De focus ligt in dit artikel op de effecten van loopbaanontwikkeling en begeleiding bij studenten (17-23 jaar) die zijn ingeschreven voor hoger onderwijs in Nederland. Eerst komt aan de orde of de ontwikkeling van loopbaancompetenties bijdraagt aan de loopbaanidentiteit, leermotivatie, zekerheid van loopbaankeuze en uitval en ook of de leeromgeving deze variabelen beïnvloedt.
Meijers, F. (2012)
De dialoog is essentieel voor het stimuleren van zelfsturing bij en door leerlingen/studenten. Toch ontbreekt deze in het Nederlandse onderwijs vrijwel geheel. Het realiseren van een loopbaandialoog is blijkbaar moeilijk. Dit heeft vooral te maken met de professionele identiteit van docenten.
Meijers, F. (2004)
Het wordt steeds duidelijker dat in een diensteneconomie vakbekwaamheid slechts verworven kan worden in leerarrangementen die door het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven gezamenlijk zijn opgezet en waarvoor zij een gedeelde verantwoordelijkheid dragen. Dat betekent dat er – idealiter – in onderwijs dat gericht is op de ontwikkeling van hand, hoofd én hart een continue dialoog moet zijn tussen de leerling, de school en het bedrijfsleven over de vraag welke kennis op welke wijze moet worden overgedragen en getoetst. Deze ideale situatie met steeds meer vormen van praktijkgericht onderwijs om het onderwijs realistischer te maken, bestaat evenwel nog niet. Op dit moment hanteren beide partijen het principe van de verdeelde verantwoordelijkheid (‘soevereiniteit in eigen kring’). Hoe tot nieuwe vormen van samenwerking te komen?
Luken, T. & De Folter, A. (2017)
Dit artikel biedt een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling en inhoud van de toolkit ‘ACT in LOB’. Eerst wordt uitgelegd waarom innovatie van LOB noodzakelijk wordt geacht. Vervolgens worden achtergrond en inhoud van ACT (Acceptatie en Commitment Therapie) uiteengezet en wordt verduidelijkt waarom ACT gekozen is als basis voor de ontwikkeling van een innovatieve toolkit voor LOB.
Luken, T. (2020)
Een algemeen aanvaard uitgangspunt op het gebied van loopbaanontwikkeling is dat loopbaanattitudes en -vaardigheden, waaronder identiteit en zelfsturing, kunnen worden ontwikkeld door middel van onderwijsprogramma's met een cognitieve focus. Het eerste doel van dit artikel is dit uitgangspunt ter discussie te stellen. Een tweede doel is het bieden van een nieuw, innovatief perspectief op loopbaanontwikkeling.
Luken, T. (2017)
Dit artikel verdedigt de stelling dat zelfsturing vrijheid en autonomie met zich meebrengt. En dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in de toekomst steeds meer noodzakelijk maken.
Luken, T. (2012)
De aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) is in de afgelopen tien jaar explosief toegenomen. Helaas vallen de resultaten vooralsnog tegen. Veel leerlingen zijn ontevreden over LOB en nomadisch switchgedrag tussen opleidingen en uitval uit het onderwijs blijven ongeveer op hetzelfde niveau.
Luken, T. (2009)
In onderwijs- en arbeidsorganisaties bestaan grote problemen op het gebied van loopbaanontwikkeling. Veel scholieren en studenten vallen uit of switchen vroeg of vaak van opleiding. Veel arbeidsrelaties zijn voor werknemer of werkgever onbevredigend, maar duren toch voort. Uit onderzoek blijkt dat goede loopbaanbegeleiding helpt om dergelijke problemen te voorkomen of op te lossen.
Kuijpers, M. i.s.m. de Loopbaangroep (2015)
Loopbaanoriëntatie en –begeleiding (LOB) is met ingang van schooljaar 2016/2017 een verplicht onderdeel van de nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s in het vmbo. LOB is bedoeld om loopbaancompetenties bij vmbo-leerlingen te ontwikkelen, ze beter te begeleiden bij de keuze voor hun vervolgopleiding en daarmee ook voortijdige uitval op het mbo te voorkomen. In schooljaar 2014/2015 is onder leiding van Marinka Kuijpers, hoogleraar aan de Open Universiteit, geïnventariseerd of en in welke mate vmbo-scholen knelpunten ervaren bij het vormgeven van een samenhangend LOB-beleid en hoe scholen met LOB geholpen zouden kunnen worden.
Den Boer, P.R. (2009)
Wat betekent arbeidsidentiteitsontwikkeling voor LOB en hoe kan het onderwijs dit gericht ondersteunen?
____________________________
Het onderzoek presenteert een model waarin arbeidsidentiteit ontstaat door een combinatie van relevante praktijkervaringen en reflectie, die samen leiden tot zelfkennis en loopbaanontwikkeling. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat scholen ervaringsleren centraal moeten stellen en onderwijs praktijk‑, dialoog‑ en vraaggericht moeten inrichten, met ruimte voor eigen vragen en ambities van leerlingen.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit onderzoek is opgebouwd in een viertal hoofdstukken waarin wordt beschreven wat het belang en de context is van keuzeprocessen, wat – gezien de kennis uit empirie en theorie – een goed model kan zijn om deze keuzeprocessen te beschouwen en wat dit denkkader betekent voor de onderwijspraktijk.
Inhoudelijk wordt op grond van empirische kennis en theoretische overwegingen, een model gepresenteerd voor arbeidsidentiteitsontwikkeling (zelfkennis gerelateerd aan arbeid). Deze kennis, zo laat de auteur uit eigen onderzoek zien, wordt ontwikkeld door het opdoen van relevantie praktijkervaring in combinatie met de verwerking daarvan (reflectie). Elk afzonderlijk hebben ervaring noch reflectie effect op de ontwikkeling van deze zelfkennis. Voor onderwijs betekent dit dat er voor leerlingen gelegenheid georganiseerd moet worden om ervaring op te doen en die ervaring door middel van reflectie te verwerken. Dat vereist van onderwijs dat het praktijkgericht, dialooggericht en vraaggericht is.
Elk van deze elementen wordt uitgewerkt. Met name vraaggerichtheid vinden veel scholen een lastig onderwerp. De auteur stelt dat het onderwijs hier aan de hand van twee leidende vragen mee om zou kunnen gaan, namelijk: 1. Wat wil je hier halen? En 2. Hoe kunnen wij jou daar zo goed mogelijk bij helpen? Hierbij hoort dat de leerlingen en studenten worden ondersteund in het zicht krijgen op de eigen wensen en ambities en dat hiervoor (voldoende) ruimte beschikbaar wordt gesteld in het curriculum. Het advies dat hier wordt gegeven is om vroeg te beginnen. Na de basisvorming moet een kind eigenlijk al in aanraking worden gebracht met minimaal twee bedrijfstakken. Door inzicht te geven in de beroepsdilemma’s, wordt direct appel gedaan op de vraag wat het individu zou doen als hij/zij wordt geconfronteerd met dit dilemma. De ontwikkeling van de arbeidsidentiteit stopt dus zeker niet bij de start van een beroepsopleiding, maar hoort daar verder te worden ontwikkeld.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
LOB is ervaringsleren. Dat wil zeggen dat lerenden in staat gesteld moeten worden relevante praktijkervaring op te doen en die (door middel van reflectie) te verwerken. Van een school vraagt dat praktijkgerichtheid, dialooggerichtheid en vraaggerichtheid.
Commissie Kuijpers (2015)
Wat betekent een onvoorspelbare arbeidsmarkt voor studiekeuzes en de rol van loopbaanontwikkeling in het onderwijs?
____________________________
Het onderzoek laat zien dat traditionele, rationele studiekeuze‑modellen onvoldoende passen bij een arbeidsmarkt die steeds dynamischer en onzekerder wordt. Daarom krijgt het onderwijs de opdracht om studenten actief te leren hun loopbaan te ontwikkelen via reflectie, ervaring, maatwerk en loopbaancompetenties, zodat zij zelf regie kunnen nemen over leren en werken.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
De arbeidsmarkt is sinds enkele decennia sterk aan verandering onderhevig onder invloed van technologisering, globalisering en individualisering. Doordat de arbeidsmarkt continu en onvoorspelbaar verandert, wordt volgens verschillende wetenschappers de traditionele loopbaan vervangen door een ‘boundaryless career’ waarin mensen van werk en werkplek veranderen (DeFillippi & Arthur, 1994), en een ‘protean career’, een loopbaan die flexibel, veelzijdig en aangepast is (Hall, 1996). Loopbanen van werknemers hebben niet langer het verloop zoals dit op een stabiele arbeidsmarkt het geval is. Complexiteit, dynamiek, kans en constructie van de eigen loopbaan zijn termen die in wetenschappelijke loopbaantheorieën naar voren komen, en die niet eerder werden gebruikt als kenmerken van een loopbaan (McKay, Bright & Pryor, 2005). Werknemers moeten flexibel inzetbaar zijn en een leven lang leren om werk te kunnen krijgen en behouden. Kiezen voor een beroep met vaste taken en verantwoordelijkheden voor het gehele leven is niet langer afdoende. Mensen moeten zelf vorm en betekenis geven aan hun loopbaan en zijn genoodzaakt voortdurend keuzes te maken in werk en leren. Als fundamenteel andere eisen aan werknemers worden gesteld, heeft het onderwijs een taak studenten hierop voor te bereiden – naast de verantwoordelijkheid studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt.
Opleiden voor een beroep met vaste taken, zoals wij het beroep op dit moment kennen, moet worden uitgebreid met de opdracht studenten hun loopbaan te leren ontwikkelen, zodat zij keuzes kunnen maken in het combineren van leren en werk, wat hun carrière ten goede zal komen. In het onderwijs wordt er vooral vanuitgegaan dat studenten op rationele gronden loopbaankeuzes en -plannen maken. Echter, voor een rationele keuze moeten de alternatieven en de consequenties van de keuze bekend zijn. De kiezer moet over een methode beschikken om de voor- en nadelen van de keuze af te wegen en een duidelijk doel voor ogen hebben om te kunnen bepalen wat het beste alternatief is (Taborsky, 1992).
In de hedendaagse praktijk zijn deze voorwaarden moeilijk te realiseren. Informatie is kwalitatief onvoldoende, kwantitatief te omvangrijk en te veranderlijk om een goed beeld te krijgen (Dols, 2008). Jongeren blijken maar beperkt in staat om keuzes op langere termijn te maken (Dijksterhuis & Meurs, 2006), en bovendien maakt de onvoorspelbaarheid van de toekomst als gevolg van moderniserings- en globaliseringsprocessen dat het weinig zin heeft een gedetailleerd plan te maken van de gewenste loopbaan (Mitchell, Levin & Krumboltz, 1999). Onderzoek wijst uit dat begeleiding op basis van het geven van informatie en advies bij het maken van keuzes onvoldoende effectief is. Studenten maken veelal keuzes op basis van onbewuste en ondoordachte redenen; zij hebben geen realistisch zelf- en beroepsbeeld en vertonen korte termijn gedrag als het gaat om keuzes. Kortom, zij blijken slecht in staat om hun loopbaan te ontwikkelen in een richting en op een wijze die bij hen past.
In toenemende mate wordt gepleit voor een benadering waarin de student niet als passief (informatieverwerkend), maar als actief (lerend) subject centraal staat (Blustein, 2006; Baert, Dekeyser en Sterck, 2002). Een manier om zelf vorm te leren geven aan de persoonlijke loopbaan is door het inzetten van loopbaancompetenties (Kuijpers 2003, & 2012). Kuijpers en Meijers hebben in 2009 onderzocht in hoeverre loopbaancompetenties in het hbo ontwikkeld worden en welke leeromgeving de loopbaanontwikkeling van studenten kan bevorderen. Het is de taak van het onderwijs om de ‘loopbaanontwikkelcapaciteit’ van studenten te vergroten.
In de discussienotitie ‘Onderwijskwaliteit en kwaliteitscultuur’, onderdeel van de ‘Conferentiebundel Slotconferentie HO-tour’ (2015) wordt gesteld dat het onderwijs niet alleen de taak heeft studenten voor te bereiden op de arbeidsmarkt door kwalificatie, maar eveneens wordt uitgedaagd talenten, behoeften en ambities van individuele studenten meer centraal te stellen. Om dat te bereiken moet een reflectieve houding van studenten worden gestimuleerd, zodat zij het uiterste uit zichzelf kunnen halen en zelf meer de verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen voor hun leerproces. Dit sluit aan bij de in de vorige paragraaf genoemde loopbaancompetenties.
Goed onderwijs verschilt per student en hiervoor is maatwerk nodig. Voor docenten betekent dit permanente professionalisering volgens de discussienotitie. De kwaliteit van het onderwijs zou alleen studiesucces op kunnen leveren als de leeromgeving studenten, docenten en bestuurders motiveert om het beste uit zichzelf en uit elkaar te halen. Maatschappelijke ontwikkelingen noodzaken hogescholen om expliciet strategische keuzes te maken “in wat onderwezen wordt, hoe het onderwezen wordt, wie onderwijst, wat geleerd wordt, hoe geleerd wordt, wie leert, en waarom het geleerd wordt”. Minister Jet Bussemaker van OCW schrijft in haar voorwoord in de conferentiebundel: “In het onderwijs in de 21ste eeuw staat talentontwikkeling centraal. Studenten zullen ook zelf meer regie over hun eigen opleidingstraject willen krijgen. Dit betekent dat er op opleidingen een goede balans moet zijn tussen de vakinhoudelijke basis en ruimte voor persoonlijke keuze. Uit de HO-tour komt naar voren dat de keuzeruimte binnen en buiten de opleiding nog aanzienlijk kan worden vergroot.” Volgens Bussemaker kan de ruimte worden benut door het opdoen van ervaringen en moet keuzeruimte gepaard gaan met goede persoonlijke begeleiding; een loopbaangerichte leeromgeving. Zij geeft aan dat personalisatie van het leren permanente professionalisering van de docent vergt.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
De uitkomsten van het onderzoek geven richting aan het vormgeven van studieloopbaancoaching in hbo en mbo.
Brouwer-Truijen, K., Woudt-Mittendorff, K. & Pullen, A. (2017)
Hoe kunnen loopbaangesprekken bijdragen aan betere studiekeuzes en meer interesse in techniek?
____________________________
Het onderzoek laat zien dat onvoldoende begeleiding bij studiekeuzes bijdraagt aan uitval en het tekort aan leerlingen die voor bèta‑opleidingen kiezen. Talentgerichte loopbaangesprekken, gecombineerd met praktijkervaringen in techniek en een actieve luisterhouding van de mentor, versterken loopbaancompetenties en helpen leerlingen betere en bewustere keuzes te maken.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Het onderwijs worstelt al jaren met problemen rondom studiekeuzes van leerlingen. Het voortijdig schoolverlaten en het veelvuldig switchen worden gekoppeld aan het feit dat zij geen goede keuze zouden maken. Ook is er een groot tekort aan jongeren die kiezen voor een bèta-opleiding. Een belangrijke oorzaak van deze problemen is onvoldoende begeleiding van jongeren bij het maken van hun studiekeuze. Goede loopbaangesprekken stimuleren hen tot reflectie en spreken hen aan op hun talenten. Jongeren kunnen er zo beter achter komen wie ze zelf zijn en wat ze in de toekomst willen. Veel docenten willen hier graag een rol in spelen, maar hebben nog te weinig handvatten. Docenten, mentoren en decanen kunnen loopbaangesprekken gebruiken om leerlingen te enthousiasmeren voor bèta. Daarnaast is het nuttig om hen ervaringen in de technische beroepspraktijk aan te bieden. Juist de combinatie met loopbaangesprekken kan jongeren helpen bij het maken van een goede studiekeuze.
Samen met docenten is een methodiek voor het voeren van talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek ontworpen. Daarbij zijn docenten geprofessionaliseerd op dat gebied. Vervolgens is de methodiek ingevoerd en zijn de resultaten gemeten.
De resultaten van het onderzoek laten zien dat in de verschillende VO-scholen er in het algemeen weinig aandacht wordt besteed aan het bespreken van 'betekenisvolle ervaringen en emoties' en 'techniek'. Leerlingen geven aan dat er vooral aandacht wordt besteed aan 'reflecteren en activeren' en het 'bespreken van de toekomst'. Leerlingen geven aan dat ze in redelijke mate over loopbaancompetenties beschikken, maar in mindere mate bezig zijn met het opbouwen en onderhouden van contacten (netwerken) en dat ze op pro-actieve wijze studie- en werkmogelijkheden (loopbaanvorming) kunnen onderzoeken. De ontwikkelde methodiek, met meer aandacht in het loopbaangesprek voor betekenisvolle ervaringen, emoties, reflecteren, activeren, bespreken van de toekomst en techniek, draagt positief bij aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties van leerlingen.
De insteek van het gesprek is een belangrijke voorwaarde voor de mate waarin gesproken wordt over talenten en kwaliteiten. Wanneer de loopbaanactiviteit centraal staat, wordt er nauwelijks een koppeling gemaakt met de talenten en kwaliteiten van de leerlingen. Wanneer het gesprek over hobby's of een bijbaan gaat, staat dit meer centraal. De mentoren passen de methodiek van talentgerichte loopbaangesprekken gedeeltelijk toe. Tijdens goede loopbaangesprekken heeft de mentor een actieve luisterhouding, stelt verdiepingsvragen en vat samen.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Uit het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen voor mentoren en decanen gedestilleerd worden:
- Probeer vaker met leerlingen in gesprek te gaan over betekenisvolle ervaringen of emoties.
- Laat mentoren meer kennis maken met de achtergronden van techniek, mogelijke stereotyperingen en mindsets van leerlingen.
- Probeer ook in de lagere klassen van vmbo, havo en vwo te reflecteren op talenten, interesses en activiteiten aan bod te laten komen.
- Probeer in het gesprek minder leidend en helpend te zijn, en te laveren tussen enerzijds streng (confronterend) en anderzijds ruimte gevend.
Boer, P.R. den & Kuijpers, M. (2014)
Wat levert langdurig en regionaal samenwerken aan LOB nu écht op voor leerlingen en scholen?
____________________________
Het vijfjarige project Keuzeprocessen in West‑Brabant laat zien dat scholen concreet werk hebben gemaakt van praktijkervaring, reflectie en loopbaansturing, vooral in het vmbo. Hoewel er duidelijke vooruitgang is geboekt in aandacht voor LOB en arbeidsidentiteit, vraagt duurzame opbrengst om langdurige inzet, vasthoudendheid en verdere doorontwikkeling - met name in het mbo.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
In deze publicatie worden de opbrengsten en knelpunten weergegeven als gevolg van een vijf jaar durend project van keuzeprocessen dat is uitgevoerd in de regio West-Brabant. 21 scholen zijn dit project gestart met als doel schooluitval te verminderen, leerlingen te motiveren en een betere aansluiting in de beroepskolom te realiseren. Hiervoor zijn een aantal projecten gestart. Ter begeleiding van dit proces is door ROC West-Brabant een lector keuzeprocessen aangesteld. Bovendien hebben de scholen drie jaar geparticipeerd in een landelijk onderzoek. In deze publicatie kijken we terug op de periode van 2009 tot en met 2013 waarin gewerkt is aan keuzeprocessen. Daarbij staan twee vragen centraal:
- Was het mogelijk om binnen vmbo en mbo concreet vorm te geven aan het opdoen van praktijkervaring, de verwerking daarvan en enige vorm van (geleide) zelfsturing en zo ja, hoe zag dat eruit?
- Leidden de gekozen vormen van ervaring opdoen, verwerking daarvan en zelfsturing tot een toename bij leerlingen van hun loopbaancompetenties en hun arbeidsidentiteit?
Het theoretische kader van keuzeprocessen wordt toegelicht, alsmede de ontwikkeling van het zelfbeeld (en dus arbeidsidentiteit) via het werken aan de loopbaancompetenties. De centrale vraag tijdens het onderzoek luidt: In hoeverre hangen door de scholen ontwikkelde interventies gericht op het opdoen van ervaring, de verwerking van die ervaring en omgaan met de vragen die dat bij leerlingen oproept samen met de loopbaancompetenties en arbeidsidentiteit van de leerlingen?
Er is gekozen voor een gedecentraliseerde aanpak met richtlijnen om het project zo laagdrempelig mogelijk te laten verlopen. Vandaar dat is geïnventariseerd welke interventies de verschillende scholen gebruiken; in het kader van het opdoen van (werk) ervaring, de verwerking daarvan en de vraaggerichtheid van de vmbo-scholen in hun onderwijsaanbod.
Als conclusie van het onderzoeksproject is geformuleerd dat er verschillende activiteiten zijn ontwikkeld in het vmbo. De meeste basis- en kaderberoepsgerichte opleidingen hadden al aardig wat materiaal liggen, maar vooral de theoretische leerweg heeft een vernieuwing doorgemaakt tijdens het project. Met name de loopbaanreflectie heeft een kwalitatieve slag gemaakt.
Scholen hebben ervaren dat deelname aan het project ervoor heeft gezorgd dat er intensiever is gewerkt aan een loopbaangerichte leeromgeving. Scholen die veel praktijk binnen en buiten de school hebben aangeboden zijn kwalitatief (volgens de leerlingen) het meest gegroeid in het werken aan arbeidsidentiteit van leerlingen. Een individuele aanpak hierbij levert meer op dan een groepsaanpak. De conclusies vanuit het mbo zijn vanwege te geringe input niet goed en kwalitatief te duiden. Er zijn dus minder bevindingen te vermelden, maar de resultaten lijken erop te wijzen dat door de opleidingen meer vraaggericht aan te bieden de verwerving van loopbaancompetentie en arbeidsidentiteit meer wordt gestimuleerd.
De belangrijkste conclusie bij alle deelnemende scholen is dat er meer aandacht voor LOB is gekomen en meer mensen weten dat het gaat om het opdoen van arbeidservaring en het hebben van een goed loopbaangesprek daarover. De resultaten en conclusies roepen ook vragen op met betrekking tot de geslaagdheid van het project. Is het dat wel met deze opbrengsten? Waarom lijkt het succes op het vmbo hoger te zijn dan in het mbo? Is dit nu voldoende basis om door te gaan op de ingeslagen weg? En hoe moet die weg er dan uit zien? Kernvraag blijft uiteraard: is de vernieuwing nu geslaagd?
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Als je als school begint aan LOB of dit element intensiveert, wees je er dan van bewust dat dit een langdurig proces is dat veel vasthoudendheid en geduld vraagt. Vijf jaar is zo voorbij en als het daarbij blijft zijn alle behaalde resultaten binnen de kortste keren weer verdwenen.
Boer, P. den & Meijers, F. (2019)
Wat vraagt het ontwikkelen van loopbaancompetenties werkelijk van leerlingen én van LOB‑gesprekken?
____________________________
Het onderzoek laat zien dat het concept loopbaancompetentie vaak te instrumenteel wordt toegepast, doordat een stevige theoretische en empirische basis ontbreekt. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat reflectiegesprekken zich moeten richten op betekenisgeving van praktijkervaringen, via doelgerichte gespreksvoering die bijdraagt aan de ontwikkeling van een arbeidsidentiteit.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Het concept ‘loopbaancompetentie’ mist vooral een theoretische basis. Ook de empirische basis laat te wensen over. Het gevolg van het ontbreken van een goede theorie in het onderwijs, is dat loopbaancompetenties voornamelijk instrumenteel worden ingezet, waardoor leerlingen uiteindelijk geen vaardigheden leren om hun eigen loopbaan succesvol te managen. We bieden een alternatief, dat wel gebaseerd is op theorie.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het is van belang zich bewust te zijn van de leerprocessen die ten grondslag liggen aan het verwerven van een arbeidsidentiteit. De loopbaancompetenties suggereren dat die allemaal hetzelfde zijn en dat is nadrukkelijk niet het geval. Reflectiegesprekken dienen erop gericht te zijn lerenden te helpen betekenis te geven aan opgedane praktijkervaringen. Daarvoor is specifieke gespreksvoering nodig.
Assen, H. (2018)
Wat vraagt leerlinggericht onderwijs van docenten, en wat betekent dat voor de manier waarop we LOB vormgeven?
____________________________
In dit onderzoek laat Hanneke Assen zien dat de overgang van docentgestuurd naar leerlinggericht onderwijs niet vanzelf gaat. Hoewel veel docenten leerlinggericht willen werken, blijkt er vaak een kloof tussen overtuiging en handelen. Collectief leren, professionele dialoog en aandacht voor de begeleidingsrol zijn cruciaal om leerlingen écht eigenaarschap te laten ontwikkelen – een kernvoorwaarde voor effectieve LOB.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
In haar proefschrift From a teacher-oriented to a learner-oriented approach to teaching: The role of teachers’ collective learning processes onderzoekt Hanneke Assen (2018) hoe docenten de overgang kunnen maken van een docentgestuurde naar een learner‑oriented (leerlinggerichte) onderwijsbenadering. Centraal staat de vraag waarom deze omslag in de praktijk vaak moeizaam verloopt, zelfs wanneer docenten in overtuiging wél leerlinggericht onderwijs willen geven.
Uit het onderzoek blijkt dat er regelmatig een kloof bestaat tussen wat docenten zeggen te willen (leerlinggericht) en wat zij daadwerkelijk doen in de les of begeleiding (vaak toch docentgestuurd). Deze kloof hangt samen met diepgewortelde professionele identiteiten, routines en externe factoren zoals curriculumdruk, toetsing en tijdgebrek.
Een belangrijk inzicht uit de studie is dat verandering niet alleen een individueel leerproces is, maar vooral een collectief proces. Docenten blijken beter in staat om hun rol te veranderen wanneer zij in teamverband leren, reflecteren en met elkaar in dialoog gaan over hun pedagogische keuzes en dilemma’s. Dialoog en gezamenlijke betekenisgeving spelen hierbij een sleutelrol.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
De bevindingen van Assen zijn zeer relevant voor LOB, waar leerlinggericht werken en het stimuleren van eigenaarschap centraal staan.
LOB vraagt om een andere rol van de begeleider
LOB veronderstelt dat leerlingen actief reflecteren, keuzes onderzoeken en regie nemen over hun loopbaan. Dit onderzoek laat zien dat dat alleen lukt wanneer begeleiders bewust afstand nemen van een sturende of oplossingsgerichte rol, en zich meer positioneren als coach of gespreksleider. Dat is geen vanzelfsprekende rol en vraagt om oefening en reflectie.
Leerlinggericht werken vraagt teamontwikkeling, niet alleen individueel leren
Het onderzoek benadrukt het belang van collectief leren. Voor LOB betekent dit dat een gezamenlijke visie binnen het team essentieel is. Wanneer mentoren, decanen en docenten verschillend kijken naar eigenaarschap en begeleiding, vallen leerlingen gemakkelijk terug in ‘afhankelijk gedrag’. Structurele uitwisseling over LOB‑gesprekken en -ervaringen helpt om hierin consistenter te worden.
Maak ruimte voor professionele dialoog over LOB
Assen laat zien dat dialoog tussen docenten cruciaal is om overtuigingen en handelen dichter bij elkaar te brengen. In de LOB‑praktijk kan dat bijvoorbeeld door:
- samen loopbaangesprekken te bespreken;
- voorbeelden te analyseren van leerlinggerichte én docentgestuurde interventies;
- dilemma’s (zoals “wanneer stuur ik wel en wanneer niet?”) expliciet te maken.
Wees je bewust van belemmerende structuren
Net als in het onderzoek spelen ook binnen LOB externe factoren een rol, zoals toetsdruk, beperkte tijd en vaststaande programma’s. Het is helpend om deze belemmeringen niet te individualiseren (“ik kan dit niet”), maar ze gezamenlijk te onderzoeken en waar mogelijk aan te passen.
LOB is een cultuurverandering, geen methode
Een belangrijke boodschap uit het onderzoek is dat echte leerlinggerichtheid niet bereikt wordt door alleen nieuwe materialen of werkvormen in te voeren. Voor LOB betekent dit: een reflectie-instrument of portfolio werkt pas écht als de begeleidingshouding aansluit bij de bedoeling ervan.
Deze tekst is gegenereerd met behulp van Co-pilot.
Grenzen verleggen en groeien!
____________________________
Het Grensland College is een innovatief samenwerkingsverband tussen mbo, hbo en het regionale bedrijfsleven. Het biedt praktijkgerichte Associate degree‑opleidingen die inspelen op de arbeidsmarkt in de grensregio. Voor mbo‑afgestudeerden en werkenden vormen deze opleidingen een toegankelijke stap naar hbo‑niveau. Zo worden onderwijs, praktijk en regionale ontwikkeling nauw met elkaar verbonden.
____________________________
“De Associate degree vormt een tussenstation of een springplank van MBO-4 naar de Bachelors.”
Samen met het regionale bedrijfsleven wordt vorm aan gegeven aan een nieuw onderwijsconcept, met als doel snel te kunnen schakelen tussen onderwijs en de behoefte op de arbeidsmarkt. Op initiatief van het Graafschap College worden samen met de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en Saxion tweejarige praktijkgerichte hbo-opleidingen, de zogeheten Associate degree (Ad) –opleidingen, ontwikkeld. De opleidingen worden in deeltijd aangeboden en zijn bedoeld voor Nederlandse en Duitse afgestudeerde mbo-studenten en werkenden. Zo worden werknemers in staat gesteld zich binnen twee jaar op een praktijkgerichte manier op, bij of om te scholen op hbo-niveau, waardoor zij hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Mbo-studenten kunnen profiteren van de doorlopende leerlijn van mbo naar hbo doordat ze na het behalen van de Associate degree opleiding ook verkort een hbo-bachelor opleiding kunnen volgen. De Associate degree vormt in die zin een tussenstation of een springplank van MBO4 naar de Bachelors, maar is tevens een sterke startkwalificatie voor de regionale arbeidsmarkt.
Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?
Het Grensland College is een innoverend initiatief in Nederland!
Samen met het regionale bedrijfsleven wordt vorm aan gegeven aan een nieuw onderwijsconcept, met als doel snel te kunnen schakelen tussen onderwijs en de behoefte op de arbeidsmarkt. Op initiatief van het Graafschap College worden samen met de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en Saxion tweejarige praktijkgerichte hbo-opleidingen, de zogeheten Associate degree (Ad) –opleidingen, ontwikkeld. De opleidingen worden in deeltijd aangeboden en zijn bedoeld voor Nederlandse en Duitse afgestudeerde mbo-studenten en werkenden.
Zo worden werknemers in staat gesteld zich binnen twee jaar op een praktijkgerichte manier op, bij of om te scholen op hbo-niveau, waardoor zij hun kansen op de arbeidsmarkt vergroten.
Mbo-studenten kunnen profiteren van de doorlopende leerlijn van mbo naar hbo doordat ze na het behalen van de Associate degree opleiding ook verkort een hbo-bachelor opleiding kunnen volgen. De Associate degree vormt in die zin een tussenstation of een springplank van MBO4 naar de Bachelors, maar is tevens een sterke startkwalificatie voor de regionale arbeidsmarkt.
Vestigingsplaats is het voormalige raadhuis van Winterswijk. Een deel van de lessen wordt vanuit deze centrale plek in de grensregio verzorgd. Daarnaast vindt onderwijs in de praktijk plaats. Te denken valt aan onderwijs binnen bedrijven en instellingen, maar ook aan locaties als innovatiecentrum CIVON. Het Grensland College zorgt voor een hybride leeromgeving waar theorie en praktijk zoveel mogelijk met elkaar worden verbonden. Niet alleen in de uitvoering, ook met betrekking tot de onderwijsontwikkeling geeft het Grensland College werkgevers een belangrijke rol.
Het Grensland College is primair bedoeld om vanuit goed onderwijs ervoor te zorgen dat werkgevers in de grensregio in hun vacatures kunnen worden voorzien. In de tweede plaats wil het Grensland College een instelling zijn die de demografische ontwikkelingen verzacht door (jong) talent aan te trekken en te behouden en daardoor bijdraagt aan het innovatieve klimaat van de regio!
Thema’s voor de verschillende opleidingen zijn: Techniek & Informatica, Bouw & Installatietechniek, Zorg & Welzijn, Argo/Groen, Economie & Dienstverlening en cross-overs tussen deze verschillende vakgebieden. De eerste opleidingen starten in september 2021. Het doel is uit te groeien naar negen opleidingen in september 2024.
_____________________________________________________
Tips
Het aanbieden van gezamenlijk onderwijs van mbo- en hbo-instellingen vraagt om nauwe samenwerking en afstemming met het ministerie van OCW. Alle partijen moeten hier veel tijd investeren, voordat de opleidingen überhaupt van start kunnen gaan. Werk daarom behoefte gestuurd en betrek alle partijen in een zo vroeg mogelijk stadium, laat je niet afschrikken door wet- en regelgeving, maar zoek het gesprek met OCW.
_____________________________________________________
Kennismaken met de dagelijkse praktijk op het mbo
____________________________
Twentse vierdejaars TL‑leerlingen werken onder begeleiding van mbo‑docenten en studenten aan hun profielwerkstuk op het mbo. In twee tot drie dagdelen ervaren zij de dagelijkse mbo‑praktijk en ontdekken zij of een opleiding bij hen past. Het profielwerkstuk krijgt zo een duidelijk beroeps‑ en opleidingsoriënterend karakter. Door vaste opdrachten en duidelijke afspraken ontstaat een waardevolle voorbereiding op de overstap naar het mbo.
____________________________
"Leerlingen maken kennis met de dagelijkse praktijk op het mbo en kunnen ervaren of de gekozen opleiding bij hem/haar past."
Op het mbo, onder leiding van mbo-docenten en studenten, werken Twentse vierdejaars TL-leerlingen twee tot drie dagdelen aan hun profielwerkstuk. Leerlingen maken zo kennis met de dagelijkse praktijk op het mbo en kunnen ervaren of de gekozen opleiding bij hem/haar past. Het profielwerkstuk, dat onderdeel is van hun examen, krijgt op deze manier een beroeps- en opleidingsoriënterend karakter.
Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?
Op het mbo, onder leiding van mbo-docenten en studenten, werken Twentse vierdejaars TL-leerlingen twee tot drie dagdelen aan hun profielwerkstuk. Leerlingen maken zo kennis met de dagelijkse praktijk op het mbo en kunnen ervaren of de gekozen opleiding bij hem/haar past. Het profielwerkstuk, dat onderdeel is van hun examen, krijgt op deze manier een beroeps- en opleidingsoriënterend karakter. In totaal zijn er door het mbo zeven keuzeopdrachten gemaakt, waarvan de leerling er ten minste vier moet maken. De opdrachten zijn aanvullend aan de opdrachten die de leerlingen vanuit hun eigen vmbo-school krijgen en voor alle deelnemers gelijk. Hiervoor is een handleiding ontwikkeld.
Er worden individuele afspraken gemaakt die worden vastgelegd op een afsprakenkaart. Het mbo heeft geen rol in de beoordeling, maar wordt wel uitgenodigd bij de eindpresentatie. Het mbo krijgt zo op haar beurt een goed beeld van wat de leerling heeft ervaren.
_____________________________________________________
Tips
Om te voorkomen dat een leerling het profielwerkstuk moet maken bij een opleiding die niet de eerste keuze heeft, moeten alle mbo-4-opleidingen bereid zijn mee te werken aan dit project.
_____________________________________________________
Beter weten wat je wil door te werken aan een challenge!
____________________________
Havo‑4‑leerlingen van het Da Vinci College werken tijdens Dromen en Doen een week lang aan praktijkgerichte challenges. Deze opdrachten worden uitgevoerd in samenwerking met bedrijven, hbo‑instellingen en de gemeente Leiden. Leerlingen ontwikkelen belangrijke vaardigheden zoals samenwerken en communiceren en krijgen beter inzicht in hun eigen kwaliteiten en interesses. Het project stimuleert ervaringsleren en wordt structureel ingebed in het LOB‑curriculum.
____________________________
“Ook leerlingen die niet zo gemotiveerd zijn raken enthousiast door deze praktijkervaring.”
Met echte praktijkopdrachten en samenwerking met het werkveld helpt het project Dromen en Doen havo‑leerlingen om bewuste studiekeuzes te maken.
Door een combinatie van ondernemerschap, ambitie en praktijk worden havo 4-leerlingen van het Da Vinci College in Leiden gestimuleerd tot het maken van de juiste studiekeuze. Tijdens Dromen en Doen werken zij gedurende één week aan een challenge ontwikkeld door Technolab Leiden. Dit doen zij in samenwerking met grote en kleine ondernemingen, hbo-instellingen en de gemeente Leiden. Leerlingen ontwikkelen op deze manier bepaalde kwaliteiten, zoals samenwerken en communiceren. Ook krijgen ze een beter beeld van zichzelf en hun kwaliteiten.
Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?
Door een combinatie van ondernemerschap, ambitie en praktijk worden havo 4-leerlingen van het Da Vinci College in Leiden gestimuleerd tot het maken van de juiste studiekeuze. Tijdens Dromen en Doen werken zij gedurende één week aan een ‘challenge’ die is ontwikkeld door het Technolab Leiden. Dit doen zij in samenwerking met grote en kleine ondernemingen, hbo-instellingen en de gemeente Leiden. Leerlingen ontwikkelen op deze manier bepaalde kwaliteiten, zoals samenwerken en communiceren. Ook krijgen ze een beter beeld van zichzelf en hun kwaliteiten.
De challenges hebben betrekking op de vier profielen: Natuur & Techniek, Natuur & Gezondheid, Economie & Maatschappij en Cultuur & Maatschappij. Er kan bijvoorbeeld gekozen worden uit: het bouwen van een kinderpretpark, het ontwerpen van een kinderspeelkamer, het maken van een website, het ontwikkelen van een app of het bedenken van een plan voor de politie zodat mensen sneller 112 bellen.
Tijdens de Nederlandse les schrijven de leerlingen een sollicitatiebrief voor de challenge van hun keuze. Gedurende één week gaan zij vervolgens in groepjes aan de slag om de challenge uit te voeren. Dit doen zij samen met ondernemingen en eventueel met studenten. Ook maken zij kennis met de hogeschool. Aan het eind van de week presenteren de groepjes leerlingen hun project op feestelijke wijze aan elkaar, aan hun ouders, de betrokken bedrijven en de begeleiders.
Het Da Vinci College werkt momenteel aan het inbedden van dit ervaringsleren in het lob-curriculum. In de voorbereiding wordt het kiezen van een challenge verbonden aan het nadenken over de eigen kwaliteiten en interesses. Ook leerlingen die niet zo gemotiveerd zijn raken enthousiast door deze praktijkervaring.
De challenges zijn niet eenvoudig: leerlingen beseffen dat zij in de toekomst ook moeilijkheden kunnen tegenkomen en zijn hier zo beter op voorbereid. Begeleiding is belangrijk om dit project te laten slagen!
_____________________________________________________
Tips
- Samenwerking met Technolab: zij bouwen het netwerk van bedrijven op, zorgen voor begeleiders tijdens ‘Dromen en Doen’ en organiseren het evenement.
- Er moeten voldoende financiën beschikbaar zijn voor Technolab.
- Er moeten voldoende betrokken bedrijven beschikbaar zijn, met een brede variatie aan interessante opdrachten.
- Er moet tijd vrijgemaakt worden voor decanen en mentoren om de challenges voor te bereiden en na te bespreken met de leerlingen.
- Er moet tijd vrijgemaakt worden voor docenten Nederlands om leerlingen te begeleiden bij het schrijven van een sollicitatiebrief voor de challenge van hun keuze.
- De coördinator dient mentoren en docenten middels goede communicatie het belang van het project in te laten zien.
- Er moet voldoende aandacht zijn voor PR en marketing door middel van het presenteren van ervaringen. Zo kan men bedrijven (blijven) enthousiasmeren voor Dromen en Doen.
- Er moet voldoende overleg zijn met de andere deelnemende scholen om zo van elkaar te kunnen leren.
_____________________________________________________
Dromen & Doen Da Vinci from Technolab Leiden on Vimeo.



