Praktijkvoorbeelden LOB

Expertisepunt LOB

Hoe geven vmbo, havo/vwo-, mbo- en hbo-scholen in Nederland vorm aan LOB? Hier vind je ter inspiratie praktijkvoorbeelden. Je kunt de voorbeelden vrij gebruiken voor je eigen LOB-programma. Wil je zelf een mooi praktijkvoorbeeld van jouw school met ons delen? Graag! Stuur ons een bericht naar info@expertisepuntlob.nl. Deze databank wordt periodiek aangevuld met nieuwe praktijkvoorbeelden.

Thema
Sector
Regio

“Bij Empower vinden hbo-studenten hun spark”

HBO-studenten die bij Fontys Hogeschool Eindhoven uitvallen, of dreigen uit te vallen, kunnen terecht bij Empower.

Hier kunnen ze tijdens een intensief programma van achttien weken ontdekken welke studierichting wél een goede match is. Programmaleider Elkie Blokhuis en student Anouk van Kessel vertellen waarom het programma zo goed werkt – en waarom er binnen het gehele onderwijs meer ruimte zou moeten zijn voor leerlingen en studenten om hun spark te vinden.

 

Een boksbal, bordspellen, een boekenkast, hoekjes met gemakkelijke stoelen om te praten, een pingpongtafel, voor wie even energie kwijt wil, en inspirerende uitspraken aan de muur van Nelson Mandela en Apple-oprichter Steve Wozniak. Duidelijk: dit is niet een standaard leslokaal. Welkom in het ‘thuishonk’ van Empower, een intensief studiekeuzeprogramma van Fontys Pulsed, waarin studenten kunnen ontdekken, door dingen te doen, uit te proberen en door middel van coachingsgesprekken, wie ze zijn en wat bij ze past. Bedoeld voor studenten die uitvallen, of dreigen uit te vallen, met als doel dat ze na afloop een weloverwogen keuze maken voor een studie waarin ze wél succesvol kunnen zijn.

“Ons motto is ‘Unleash your uniqueness’, zegt Elkie Blokhuis, die als programmaleider en personal identity coach bij het programma betrokken is. “Wat jou uniek maakt, dat is waar we bij Empower samen met de student naar op zoek zijn. Wie ben je als persoon? Wat zijn je interesses, je talenten, je valkuilen, wat vind jij leuk om te doen en wat heb jij nodig om je goed te voelen? Welke context sluit het beste bij jou aan? Op basis daarvan ga je op zoek naar een studie die echt bij je past.”

Anouk van Kessel volgde vorig jaar als student het programma, nadat ze eerder bij drie studies was afgehaakt. “Bij de keuze bij eerdere studies ben ik eerst gaan kijken naar welke studies er allemaal zijn, en daarna gaan filteren welke mij wel leuk leken,” zegt ze. “Bij Empower ging het omgekeerd: daar heb ik eerst gekeken naar wie ik zelf ben en wat ik zelf vet vind om te doen, en daarna gekeken welke studie daarbij past. Ik ging op zoek met mijn eigen interesses als startpunt en dat werkte voor mij veel beter dan je op goed geluk inschrijven bij een studie omdat het je op zich wel leuk lijkt, zonder verder echt goed onderzoek te doen of het bij je past.”

 

Waar lag het eigenlijk aan dat die andere studies het niet waren voor jou?

Anouk: “Het was niet één ding, het lag aan meerdere dingen. Ik was ingeschreven bij drie hbo-opleidingen: Trend research & concept creation in Lifestyle, Commerciële Economie in de Creatieve wereld, en Entrepreneurship & Business Innovation aan Tilburg University. Inhoudelijk vond ik de studies wel interessant, maar toch oppervlakkig. Het tempo lag voor mij te laag, en de hele week les vond ik eentonig. Het was het allemaal niet. Maar wat dan wel? Ik wist in die tijd echt even niet meer wat ik moest gaan doen met mijn leven. Dat klinkt best heftig, maar zo voelde het wel. Je gaat overal aan twijfelen: wat vind ik leuk, waar haal ik energie uit? Soms had ik een hele dag nergens zin in. Maar toen ik hier binnenkwam, had ik al na een dag al het gevoel: ‘Ja, hier hoor ik. Hier is leren weer léuk!’ Het huiskamergevoel en de opdrachten werkten voor mij heel goed. Je hebt snel het idee: het is hier chill en veilig.”

 

Waarin verschilt Empower van andere studiebegeleidingsprogramma’s?

Elkie: “Veel studiekeuzebegeleidingsprogramma’s werken alleen op basis van testen en gesprekken. Empower is een voltijds onderwijsprogramma. Onze studenten zijn hier drie dagen per week, ze maken deel uit van een klas, er zijn docenten en we werken met een duidelijke onderwijsvisie: Design-Based Learning. De nadruk ligt daarbij op doen en ervaren. Want je kunt wel nadenken over je talenten, maar als je dingen gaat doen, zeker als je dat doet samen met anderen, ontdek je vanzelf en in de praktijk waar je goed in bent, wat je valkuilen zijn en waar je je als een vis in het water voelt.”

 

Hoe is het programma opgebouwd?

Elkie: “We werken in perioden van drie weken waarin steeds één challenge centraal staat. De eerste challenge is ‘My spark’. Daarbij gaat het om de vraag ‘Wat vind je zó leuk om te doen dat je intrinsiek gemotiveerd bent en er energie van krijgt?’ Die eerste challenge gaat ook over het ‘landen’ in deze omgeving. Studenten komen hier vaak na een vervelende studie-ervaring. Ze zijn dan verdrietig, teleurgesteld of gefrustreerd, en we willen dat ze hier ervaren dat het ook leuk kan zijn om met je opleiding bezig te zijn, en met onderwerpen waarin je geïnteresseerd bent. Dus daarop zijn de lessen gericht. Wanneer na drie weken de eerste groep studenten doorstroomt naar de tweede challenge, begint er een nieuwe groep. Dat hebben we bewust gedaan, zodat studenten snel kunnen starten, als ze uitvallen bij hun studie.”

Die ‘spark’ is de vonk waardoor je als student ‘aangaat’. Hoe vind je die?

Elkie: “Studenten krijgen verschillende opdrachten, bijvoorbeeld om iets mee te nemen dat voor hen iets is waar ze energie van krijgen. We werken altijd met open-ended challenges: de kaders van de challenges zijn voor alle studenten hetzelfde, maar er vrijheid in de manier van uitvoeren en het eindresultaat. Daardoor gaat iedereen wat anders maken en zie je ook wat uniek is voor elke student. Er komt echt van alles voorbij.”

Anouk: “Er was in mijn groep bijvoorbeeld iemand die een skateboard maakte, iemand die een video monteerde, een ander kwam met zelfgebakken taarten. Maar ‘ingewikkelde problemen oplossen’ kan óók een spark zijn. Mijn spark ging over storytelling. Ik liet iedereen vier kaartjes trekken, met namen van personen en plaatsen. De opdracht was: ‘Maak met die vier woorden een verhaal’. Daar komen hele leuke verhalen uit en ik kreeg daar echt energie van. Bij die challenges merk je snel dat wat jij gemakkelijk vindt of wat jou natuurlijk afgaat, niet voor iedereen geldt. Je leert: ‘Dit is een talent van míj.’ Ik had dat bijvoorbeeld met het spreken voor een groep. Zelf heb ik daar niet veel moeite mee, maar ik merkte dat anderen dat wel hebben. Of snelle en creatieve associaties leggen. Dat gaat bij mij op een natuurlijke manier.”

 

Hoe gaat het verder, als je die spark gevonden hebt?

Elkie: “De tweede challenge gaat over je rol in verschillende situaties, en over gebeurtenissen die invloed hebben gehad op wie jij nu bent. De derde is een samenwerk-challenge. De opdracht daarbij is om te onderzoeken welke rol bij je past als je met anderen samenwerkt, en wat je rol is ten opzichte van een bepaalde doelgroep. De vierde challenge gaat over de vraag ‘Welke sector en studierichting zou bij mij passen?’ We moedigen studenten aan om in gesprek te gaan met studenten en om mee te lopen bij verschillende studies, zodat ze daarna een gefundeerde studiekeuze kunnen maken.”

Anouk: “Door elke nieuwe challenge kom je meer te weten wie je bent en wat je talenten zijn. Vanaf de vijfde challenge ga je een top 3 maken van studies die bij je passen. Het zijn dus elke keer kleine stapjes. Bij de challenges komen trouwens ook studievaardigheden aan bod. Bijvoorbeeld ‘Hoe stel je doelen?’ Of ‘Hoe werkt uitstelgedrag voor jou?’ Ik had eerder wel eens een college gehad over timemanagement of uitstelgedrag, maar dit ging echt een level dieper. Hier leerde je: hoe zit het bij míj en hoe kan ik er het beste mee omgaan? Want dat kan verschillen.” Elkie: “Uitstelgedrag kan verschillende triggers hebben, bijvoorbeeld onzekerheid of perfectionisme. De vraag is dus: ‘Wat is de trigger bij jóu?’”

 

Coaching is een belangrijk onderdeel van het traject. Kun je daar iets meer over vertellen?

Elkie: “Dat zijn afwisselend individuele coachingsgesprekken of sessies samen met medestudenten. Alle coaching is talent-based coaching. Het draait altijd om de vraag: ‘Waar liggen jouw talenten? En wat heb jij nodig om die talenten de ruimte te geven?’ We dagen studenten ook uit om uit hun comfortzone te komen, waarbij we niets forceren. Wat je spannend vindt, daar kun je veel van leren! We ‘spiegelen’ ook veel: wat doe je, en wat levert dat op?

Daarnaast werken we met activity-based coaching. Bijvoorbeeld bij een boksles met een thema ‘grenzen aangeven’. Waar ligt jouw grens, hoe hard durf je te slaan? Of bij activiteiten met een competitie-element. Bij een spel waar het draait om winnen, gaat de ene student er vol in, de andere blijft meer op de achtergrond. Hoe zit dat bij jou? Daar komen mooie gesprekken uit voort.” Anouk: “Coaching hoeft niet zwaar te zijn. De fun-factor is ook belangrijk. Als je dan ergens tegenaan loopt, is het gemakkelijk bespreekbaar te maken.”

 

Zo’n 95% van de studenten die deelnemen aan het programma, weet na afloop wat ze willen gaan studeren, of heeft de keuze in elk geval teruggebracht tot twee studies. Hoe verliep dat proces bij jou, Anouk?

“Tijdens dit programma zat ik eerst nog op het pad van de communicatie en creatieve industrie. Ik heb met een project meegelopen bij de studie waar ik het meest naar neigde, om te ervaren of ik het ook echt zo leuk vond als ik dacht. Ik merkte dat ik het wel interessant vond, maar dat ik er niet zo enthousiast van werd als ik van tevoren had gedacht en gehoopt. Toen heb ik alle opties weer opengegooid. Ik heb ook een poster gemaakt, een deliverable, met alles wat ik tot dan toe tijdens Empower over mezelf had geleerd, en dat gematched aan allerlei mogelijke studies. Objectief kwam daaruit een match met ‘Toegepaste psychologie in deeltijd’.

Daar heb ik uiteindelijk ook voor gekozen. De studie Toegepaste psychologie past bij mij, en de manier van studeren, in deeltijd, werkt voor mij heel goed. Bij online colleges zet ik bijvoorbeeld de snelheid op twee, zodat ik beter mijn aandacht erbij kan houden. Omdat het een deeltijdstudie is, kan ik ernaast werken, dus mijn weken zijn heel afwisselend. Deze combinatie werkt écht voor mij, ik ben er heel blij mee. Tegelijkertijd denk ik soms: ‘Had ik dit programma maar eerder kunnen volgen. Dat had me drie jaar gescheeld!’”

 

Daar heb je wel een punt!

Anouk: “Ik werk nu twee dagen per week zelf bij Fontys Pulsed. We willen zorgen dat er een versie van Empower op het voortgezet onderwijs en bij mbo’s komt. Het is echt belangrijk dat dit soort activiteiten er ook op middelbare scholen al zijn!” Elkie: “Dit is een prachtig programma, maar het is jammer dat studenten hier pas komen als ze al zijn uitgevallen, of dreigen uit te vallen. Eigenlijk ben je dan al te laat. Ik zou het liefst willen dat er voor alle leerlingen al vanaf de basisschool een doorlopende LOB-leerlijn zou zijn. We verwachten nu van vo-leerlingen dat ze een professionele keuze maken op een leeftijd dat ze eigenlijk nog geen idee hebben wat bij hen past. Dat kan echt beter. Daarom hebben we inmiddels ook een programma ontwikkeld voor en vo- en mbo-scholen. We willen scholen langsgaan en in een les een mini-challenge doen, om leerlingen zo alvast te helpen hun ‘spark’ te ontdekken. Wij staan voor Spark the change! Ik hoop echt dat dat idee zich als een olievlek gaat verspreiden.”

_________________________________________________________________

Empower praktisch

Empower is onderdeel van Fontys Pulsed, een onderwijsonderdeel dat ontworpen is vanuit Design Thinking. Het programma Empower duurt achttien weken. Bij een aantal hbo-studies aan Fontys kan het programma worden ingezet als minor. Naast Empower biedt Fontys Pulsed ook een associate degree Engineering en een hbo master Digital Technology Engineer aan, en worden er externe programma’s ontwikkeld voor het onderwijs en het bedrijfsleven, bijvoorbeeld in de vorm van een driedaagse ‘design expeditie’ waarin onderwijsteams onder begeleiding van Pulsed aan de slag gaan met onderwijsontwikkeling.

 

Tekst: Anne Wesseling, Fotografie: Hetty van Oijen
>

LOB, het hart van de opleiding

Een nieuw LOB-programma met als kern de doorlopende (persoonlijke) ontwikkeling van de student.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Jessica Reina Lapré is projectleider bij ROC Mondriaan en kreeg de opdracht om voor alle vier de business scholen een nieuw LOB-programma te ontwikkelen. Jessica heeft tijdens haar loopbaan, bewust of onbewust, altijd aandacht gehad voor het belang van loopbaanontwikkeling. “Mijn belangstelling voor LOB komt van ver. Toen ik tijdens een master ontwikkelen & innoveren de positieve psychologie ontdekte viel alles op z’n plaats. Ik raakte gemotiveerd om te kijken hoe we binnen het mbo-onderwijs meer aandacht kunnen hebben voor het ontwikkelen en benutten van de kernkwaliteiten van studenten en daarbij zoveel mogelijk ruimte geven aan hun zelfsturend vermogen.

Toen ik de opdracht kreeg voor het ontwikkelen van het nieuwe LOB-programma voor Mondriaan, ben ik me nóg meer gaan verdiepen in LOB. Mijn doel was om LOB het hart van de opleiding te maken. Bij het maken van het programma had ik de vrije hand en heb ik samen met een groep gedreven docenten een basisprogramma gemaakt waar scholen en opleidingen in kunnen differentiëren.

Tijdens het schrijven van het programma kwam ik erachter dat LOB ook in beroepsmodules thuishoort. Toen heb ik een aparte handleiding voor docenten geschreven om te laten zien wat LOB is en hoe docenten daar zonder al te veel extra werk aandacht aan kunnen geven.”

Kern van het programma is het creëren van een doorlopende (persoonlijke) ontwikkeling van de student. Na verkennend onderzoek binnen alle opleidingen werd het duidelijk dat docenten niet opdracht gestuurd willen werken en binnen ieder leerjaar aandacht willen geven aan LOB. Ook vinden ze dat er pas door gesprekken met studenten een waardevolle bijdrage kan worden gegeven aan LOB en de ontwikkeling van de student. De studieloopbaanbegeleider vervult hierbij een belangrijke rol als coach en begeleider.

Jessica ging bij het ontwikkelen van het programma uit van een aantal competenties die passen bij de opleidingen van de business scholen, zoals bijvoorbeeld ondernemend gedrag. Om een doorlopende leerlijn voor de business scholen te ontwerpen keek Jessica naar indicatoren die vervolgens werden uitgewerkt voor leerjaar 1, 2 en 3 (mbo niveau 2, 3 en 4). Deze indicatoren worden ieder leerjaar complexer. Hiermee wordt geborgd dat LOB niet iets is dat alleen gebeurt in leerjaar 1, maar dat de student kan blijven groeien in andere leerjaren.
In leerjaar 1 ligt de focus op de IK in relatie tot het gekozen beroep, in leerjaar 2 op het beroep en doorstroomopties en in leerjaar 3 is het programma helemaal gericht op de doorstroom.

Binnen het programma is ook aandacht voor ‘leren leren’ en is er ruimte om de nieuwsgierigheid van de student te stimuleren. De studenten leggen verslag van hun ontwikkeling in een zogenaamd ontwikkelportfolio. Bij de manier waarop dat gebeurt hebben studenten keuzes, zodat de autonomie wordt bevorderd.

“De basis ligt er en er is een programma voor het gehele eerste leerjaar met ondersteunende opdrachten. De verschillende scholen expirimenteren met het programma binnen LOB-uren, business days of andere modules. De uitdaging ligt op het bieden van autonomie binnen bepaalde kaders. Het ultieme doel van het programma is om de student te motiveren, ervaringen te bieden en na te laten denken over drijfveren, zodat keuzes kunnen worden gemaakt. De kwaliteit van het gesprek dat de docent heeft met de student én de creativiteit van de docent daarbij zijn medebepalend voor het succes van het programma!”

Met dit project heeft Jessica samen met docenten een visie op LOB neergezet en een basisprogramma ontwikkeld waar de (business)scholen verder op kunnen bouwen.

 

Tips

>

Verder studeren of werken?

In het laatste jaar van hun opleiding staan mbo-studenten voor een belangrijke keuze: verder naar het hbo of aan het werk. 

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Bij Gilde Opleidingen willen ze studenten zo goed mogelijk voorbereiden op die vervolgstap na het mbo en daarom bieden ze twee trajecten aan: een Keuzedeel bij Fontys Hogescholen of, voor studenten die willen doorstromen naar de arbeidsmarkt, een traject binnen de eigen school ‘Oriëntatie op werk’.

Bij Fontys Hogescholen kunnen studenten van Gilde die na het behalen van hun diploma willen doorstromen naar het hbo, een serie van 5 bijeenkomsten volgen. Tijdens deze bijeenkomsten, waarbij studenten worden uitgenodigd op één van de locaties van Fontys, worden studenten voorbereid op de doorstroom naar het hbo en gaan ze in projectgroepen (afhankelijk van de gekozen opleiding) aan de slag met een casus of product van de opleidingskeuze van de student.
De uitwerkingen van de opdrachten van deze bijeenkomsten kunnen studenten vervolgens gebruiken als input voor het samenstellen van het portfolio van het Keuzedeel Voorbereiding hbo, dat voorwaardelijk is voor afronding van het keuzedeel.

Voor de studenten die niet naar Fontys gaan en ervan overtuigd zijn dat ze na het behalen van hun diploma willen doorstromen naar werk, wordt er op de locatie Drakesteijn het LOB programma “Oriëntatie op werk” aangeboden. Het doel van dit specifieke doorstroomprogramma is om studenten die bijna afstuderen te ondersteunen bij het maken van hun volgende loopbaanstap met een inspirerend programma.
Dit programma bestaat uit verschillende workshops waaruit de studenten kunnen kiezen. Alle workshops die aangeboden worden zijn ondersteunend bij het maken van de volgende loopbaanstap. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een workshop solliciteren, personal branding, de rechten en plichten van een werknemer, de invloed van Linkedin en social media, een tussenjaar in het buitenland, persoonlijk profileren op de arbeidsmarkt enz.
Ook komt er een au-pair als gastspreker om haar ervaringen te delen. Een breed uitgemeten en waardevol programma en voor alle studenten wat wils. Als extra ‘cadeautje’ voor de studenten is er een fotograaf aanwezig om studenten te fotograferen en te voorzien van een professionele foto welke gebruikt kan worden voor bijvoorbeeld LinkedIn.
Op de laatste dag van het oriëntatieprogramma organiseert de organisatie ‘Meet the Youngsters' bedrijfsbezoeken bij verschillende bedrijven in de omgeving. ‘Meet the Youngsters’ is een online carrière platform voor young professionals, studenten en alumni in Zuidoost Nederland. Door het organiseren van de bedrijfsbezoeken, rekening houdend met de wensen van de studenten, brengen zij studenten alvast in contact met innovatieve en inspirerende werkgevers. Bedrijven in de regio werken hier graag aan mee, zij zien dit als een uitgelezen kans om hun bedrijf in de spotlight te zetten voor hun toekomstige potentiële werknemers.
Voor Loopbegeleiding wordt van de studenten in het 3e leerjaar verwacht dat zij gedurende het schooljaar een portfolio vullen. Op deze manier tonen zijn aan dat ze actief bezig zijn met hun volgende loopbaanstap. Zowel de keuze doorstromen naar het hbo als het oriëntatieprogramma zijn onderdeel van het portfolio.

Tips

Sluit met de keuze van de workshops zoveel mogelijk aan bij de wensen van de student

  • Maak gebruik van externe workshopleiders of gastsprekers

  • Maak gebruik partners in de omgeving (gemeente/ FNV)

  • Maak gebruik van je netwerk en het netwerk van je studenten

  • Een goed alumnibeleid versterkt het netwerk van een onderwijsteam

>

Een LOB-spel om jezelf én elkaar beter te leren kennen

Hoe goed ken jij je studenten en hoe goed kennen zij elkaar? Wil jij een duidelijker beeld  in wie zij zijn om hen beter te kunnen begeleiden?

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Sanne van Uden is een van de ontwerpers van de Reflectietoolbox. Deze toolbox bevat allerlei creatieve ideeën om studenten te laten reflecteren op LOB-activiteiten en geeft inspiratie bij het maken van reflectieopdrachten binnen vo, mbo en hbo.

Naast de reflectietoolbox ontwierp Sanne een spel dat docenten en studenten de mogelijkheid biedt om op een laagdrempelige manier met elkaar in gesprek te gaan. Het spel kan worden gespeeld als losse opdracht, maar heeft ook een relatie met de reflectietoolbox.

“Wij kwamen er bij onze studenten achter dat zij totaal geen idee hebben over hoe zij overkomen en waar hun talenten liggen. Mensen denken vaak dat een talent is aangeboren en dat je vanzelf ergens goed in wordt. Maar dat is lang niet altijd waar! Als je bijvoorbeeld wel muzikaal bent, maar er niks aan vindt om een instrument te bespelen en daar heel veel mee te oefenen, dan wordt je er nooit goed in. Bij onze studenten wilde ik terug naar de basis: wie ben ik, wat wil ik en wat kan ik? En daarna: wat kan ik al een beetje en waar kan ik een van mijn talenten in gaan ontwikkelen?
Om studenten hierbij te helpen heb ik een spel ontwikkeld: het LOB-spel. Met het spel wil ik ook aan docenten laten zien hoe leuk het is om met LOB bezig te zijn. Je leert je studenten beter en op een andere manier kennen: het levert echt veel op!”

Het spel bestaat uit een groot aantal kaartjes met vragen die gaan over wie de student is, wat zijn of haar drijfveren zijn etc. Door het spelen van het spel leren de studenten zichzelf beter kennen, maar ook elkaar. Het spel kent vijf categorieën: beschrijvend, creatief, digitaal, muzikaal en beeldend. Binnen deze categorieën zijn verschillende opdrachten gemaakt die worden aangeduid met een symbooltje op het kaartje. Deze opdrachten gaan over: spreken, noteren, tekenen, uitbeelden of opzoeken. Veel kaartjes zijn voorzien van een QR-code waarmee wordt verwezen naar een beeld- of geluidsfragment. Je kunt ervoor kiezen om na het spelen van het spel de studenten een reflectieopdracht te laten maken via www.reflectietoolbox.nl , zodat ze nog een keer stilstaan bij alle antwoorden die ze hebben gegeven. Dit kun je dan als docent later nog individueel bespreken tijdens een loopbaangesprek.

Het spel is heel gemakkelijk in te zetten als kennismakingsactiviteit, binnen een LOB-les of binnen een reguliere les, bijvoorbeeld als energizer tussendoor. Je kunt alleen de kaartjes gebruiken, maar je kunt het ook als bordspel spelen. Het spel kan ook digitaal worden gespeeld, de kaartjes kun je dan projecteren. Een goede begeleiding van de docent is bij alle spelvormen belangrijk.

>

MBO-studenten ontdekken Het Concertgebouw als toekomstige werkplek

Op 14 juni jl. organiseerde Het Concertgebouw in Amsterdam voor de eerste keer een inspiratiedag voor mbo-studenten.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Het doel van deze dag was om studenten te laten zien dat er ook in Het Concertgebouw veel beroepen zijn te vinden die passen bij een mbo-opleiding. Zo zijn er werkzaamheden in de sfeer van horeca en events, maar ook op het gebied van marketing, communicatie en verkoop. En uiteraard zijn er ook meer technische werkzaamheden, zoals bij de operationele dienst en bij theatertechniek. De dag was zeer geslaagd!

150 mbo-studenten die opleidingen volgen op het gebied van horeca & evenementen, marketing & verkoop én techniek, kregen een kijkje achter de schermen van Het Concertgebouw en konden zo kennismaken met uiteenlopende beroepen en afdelingen. Verschillende medewerkers van Het Concertgebouw vertelden boeiende verhalen vanuit hun eigen expertise en ervaring. Studenten kregen verhalen te horen over wat er allemaal moet gebeuren om een concert goed te laten verlopen en wie daar bij betrokken zijn, (veel) meer mensen dan de studenten op het eerste gezicht hadden gedacht. Er was ook ruimte voor anecdotes en grappige verhalen, zoals bijvoorbeeld wie van de medewerkers wordt ingeschakeld als iemand tijdens het concert door een stoel zakt of als er bij de ster van de avond een hak van de schoen breekt.

Het Amsterdamse Concertgebouw geldt als een van de belangrijkste concertzalen ter wereld vanwege de ongeëvenaarde akoestiek. De concertzaal heeft een grote traditie op het gebied van legendarische dirigenten. Een boeiende plek om te werken dus!

>

“Je talenten ontdekken, dat gun je leerlingen van álle schooltypen”

In het Honoursprogramma van de Gymnasia (HPG) richten leerlingen zich op een project naar keuze, dat aansluit bij hun passies en interesses en waarmee ze bovendien competenties ontwikkelen. Yvonne Lommen en José van Zwieten van Stichting Het Zelfstandig Gymnasium vertellen waarom dit programma ook buiten de gymnasia goed zou kunnen werken. “Het HPG gaat om je talenten ontdekken, dat gun je leerlingen van álle schooltypen.”

Een verlegen meisje dat een dichtbundel schrijft en eruit voordraagt. Een leerling die een uitzendbureau begint voor interessante bijbaantjes. Een leerling die vrijwilligerswerk doet in het buitenland of een leerling die een lessenserie voor docenten ontwerpt over hoe ze om kunnen gaan met onzekerheid onder leerlingen.

Het zijn maar een paar voorbeelden van projecten die gymnasiumleerlingen de afgelopen jaren oppakten in het kader van het Honoursprogramma van de Gymnasia (HPG). Plezier in leren, competenties ontwikkelen en je eigen interesses volgen, dat zijn een paar van de doelstellingen achter dit programma. Tijdens het HPG krijgen bovenbouwleerlingen alle vrijheid om zich in een project naar eigen keuze te verdiepen, dat aansluit bij hun passies en interesses. Het programma duurt in totaal 2,5 jaar en wordt afgesloten met een portfolio en een eindgesprek met twee examinatoren van buiten de eigen school – leerlingen die slagen, krijgen een certificaat. Yvonne Lommen en José van Zwieten zijn bij Stichting Het Zelfstandig Gymnasium verantwoordelijk voor de portefeuille HPG. Ze geven voorlichting, doen onderzoek en zijn ook regelmatig examinator op de HPG-dagen, waarbij leerlingen hun portfolio presenteren en een eindgesprek voeren.

José van Zwieten: “Het HPG ontstond als een denkoefening van een clubje van rectoren die iets wilden doen voor gymnasium-leerlingen die eigenlijk méér zouden willen en kunnen. Hoe konden die leerlingen op een andere manier bedienen dan met het huidige aanbod? Meer vanuit hun eigen interesse, en op zo’n manier dat ze ook vaardigheden zouden ontwikkelen? Zo ontstond het beeld van een honoursprogramma en er was zoveel enthousiasme dat er meteen mee werd gestart. Het programma is dan ook vanaf het begin opgezet als een eeuwigdurende pilot: juist het experimenteren en nieuwe dingen uitproberen levert veel op, niet alleen voor de leerlingen, maar ook voor de scholen.”


Eerst even de leerlingen: het honoursprogramma is een aanvulling op het curriculum. Welke toegangseisen zijn er voor leerlingen om mee te doen aan het HPG? Moeten ze een goed cijfergemiddelde hebben, bijvoorbeeld?

Yvonne: “Er zijn voor het HPG geen toegangseisen, dus scholen bepalen zelf welke leerlingen mee mogen doen met het HPG. Het past niet bij alle leerlingen, er wordt echt iets van ze gevraagd. Vooral zelfsturing, want er is wel begeleiding, maar leerlingen draaien hun project voornamelijk zelf.”

José: “Onderpresteerders zijn uitdrukkelijk ook een doelgroep. Dat zijn de leerlingen die in het gewone curriculum niet genoeg worden uitgedaagd. Soms wordt hun aan-knop met het HPG wél gevonden. Dat zagen we bijvoorbeeld bij een meisje dat echt geen gemakkelijke leerling was, maar ontzettend gemotiveerd voor het HPG. Het ging zelfs zo goed, dat ze na twee jaar al klaar was en dus aan het eind van de vijfde klas haar HPG kon afronden. Toen was de uitdaging voor de school wel: ’Welke uitdaging kunnen we nu voor haar verzinnen?’ Maar het liet wel zien dat het HPG kan helpen om juist die leerlingen te motiveren.”

 


Wat voegt het HPG toe naast het profielwerkstuk, waarin leerlingen ook een onderwerp uitdiepen?

Yvonne: “Soms liggen die twee dicht bij elkaar, bijvoorbeeld bij een leerling die een HPG deed over zilte landbouw. Maar het HPG draait vooral om de combinatie van onderzoeken en jezelf ontwikkelen. Het gaat dus niet alleen inhoudelijk de diepte in, maar draait óók om competenties en persoonlijke ontwikkeling: hoe ben je gegroeid in 2,5 jaar dat je aan je HPG hebt gewerkt?”

José: “Het HPG is meer gericht op het proces dan op het resultaat, hoe mooi dat resultaat vaak ook is. Soms loopt een project anders dan je vooraf in gedachten had. Dat geeft niet, dan stel je je plannen bij. Leerlingen kunnen ook na een jaar een ander onderwerp kiezen. Of concluderen dat het niet is gelukt, en daarop samen met de begeleider reflecteren: ‘Welke drempels en hindernissen kwam ik tegen, wat ging wel goed?’”

Yvonne: “We werken altijd vanuit het waarderende perspectief. Wanneer lukt het wél en hoe komt dat dan? Een belangrijk onderdeel van het HPG is ook ‘je talenten inzetten’. Bij talent kan het ook gaan om bijvoorbeeld sport of kunst, of om samenwerken. We sluiten daarbij aan bij de ideeën van Luk Dewulf over talentgericht werken.”


Je noemde al een aantal competenties. Daarbij horen in dit programma ook creëren, onderzoeken en kennis vergaren, communiceren en samenwerken & leiding geven. Hoe zijn die competenties vastgesteld?

Yvonne: “Bij de start van het HPG hebben we mensen uit het bedrijfsleven en van universiteiten gevraagd: ‘Wat zijn competenties waar leerlingen echt iets aan hebben?’ Daar is een lijst competenties uit voortgekomen. Er zijn er in de loop der jaren ook een paar afgevallen. De competentie ‘denken’ bijvoorbeeld, lag te dicht bij ‘onderzoeken’ en ‘kennis vergaren’. Sinds vorig jaar mogen leerlingen ook zélf een competentie toevoegen, waarin ze zich willen ontwikkelen.”

José: “Leerlingen komen vaak met verrassende persoonlijke doelen. Een leerling wilde bijvoorbeeld meer zijn eigen koers leren varen, onafhankelijk van wat vrienden en klasgenoten vonden. Dat is een heel persoonlijk doel. Maar dat vragen we niet van iedereen. We willen dat leerlingen tijdens hun HPG persoonlijke groei en ontwikkeling laten zien, maar dat kan ook zijn ‘Ik weet nu beter wat ik leuk vind’.”

Yvonne: “Hoewel we ‘loopbaanoriëntatie’ niet expliciet benoemen, is het wel onderdeel van het programma. We horen van leerlingen dat het HPG ook bijdraagt aan de studiekeuze. Een leerling die aanvankelijk medicijnen wilde gaan studeren, koos uiteindelijk voor antropologie, omdat dat veel beter bij haar paste. Er is een soort automatisme dat gymnasiumleerlingen doorstromen naar de universiteit, maar dat hóeft natuurlijk niet. Leerlingen die muzikaal of kunstzinnig zijn, kiezen voor het conservatorium of de kunstacademie, soms ook doordat ze zich er met het HPG mee bezig hebben gehouden.”


Leerlingen kunnen zich ook búiten school met hun passies bezighouden. Wat is de meerwaarde als dat op school wordt aangeboden?

José: “De schoolcontext is wel degelijk belangrijk. Een aantal leerlingen zou hun HPG-project misschien op eigen houtje ook wel hebben gedaan, maar leerlingen vinden het prettig dat het door de school begeleid en gewaardeerd wordt. Bij het HPG gaat het erom je te ontwikkelen in iets waar je hart ligt. Het is fijn dat je dan aan het eind iets kunt laten zien.”

Yvonne: “Leerlingen geven aan dat ze het schriftelijke portfolio en het examen een wezenlijk onderdeel vinden van het HPG. Vooral dat eindgesprek, waar twee mensen van buiten de school bij zijn, geeft meerwaarde. Zowel leerlingen als begeleiders zeggen: ‘Het maakt uit dat je ook kunt zakken.’”

José: “We hebben daarin trouwens wel een wijziging doorgevoerd. Voorheen beslisten examinatoren bij het examengesprek of een leerling geslaagd was of niet. Maar het paste niet bij de geest van het programma, om een leerling na 2,5 jaar ineens af te wijzen. Nu leveren leerlingen een portfolio in en is er eerst een voorbereidingsdag met examinatoren. Bij twijfel is er een gesprek met de begeleider van de leerling. De leerlingen die een uitnodiging krijgen voor het eindgesprek, slagen.”


Dit soort aanpassingen zegt ook wel iets over de ‘pilothouding’ die jullie zélf hebben.

José: “Die pilothouding is voor dit project belangrijk. We kunnen dingen uitproberen en fouten maken, daar leren de deelnemende scholen zelf ook van. Als we in dit programma ergens tegenaan lopen, kunnen we het samen oplossen. Als gemeenschap van HPG-scholen blijven we leren en dat geldt ook voor de HPG-begeleiders. We horen regelmatig dat docenten en begeleiders door dit programma meer gaan nadenken over hoe ze onderwijs geven. Of dat ze op een andere manier mentorgesprekken gaan voeren.”

José: “Op onze vraag ‘Wat levert het HPG jullie op?’ antwoordde een van de meest ervaren HPG-begeleiders: ‘Liefde. Van de leerling voor de begeleider en andersom. Dat je echt gesprekken met een leerling hebt, gedurende een langere periode dan één schooljaar, niet alleen over inhoud maar ook over zaken als ‘Wat houdt jou bezig?’ of ‘Wat vind je moeilijk?’, zónder je druk te maken om toetsen en cijfers. Daardoor krijg je een andere relatie met de leerling.’ Dat horen we vaker. Het gaat meer over ‘Wat doet er voor jou toe?’ Dat zijn waardevolle gesprekken!”


Jullie pleiten ervoor om een vorm van HPG ook in andere schooltypen in te voeren. Wat kan het toevoegen?

Yvonne: “We zijn regelmatig examinator en we worden dan soms bijna van onze stoelen geblazen door waar leerlingen mee komen. Er gebeuren zulke bijzondere dingen als je leerlingen vrijheid en ruimte geeft om hun interesses en passies te volgen, en als je ze daarbij begeleidt vanuit een waarderend perspectief en met focus op hun ontwikkeling.”

José: “Omdat we er zelf zo enthousiast over zijn, voelen we ons ook schatplichtig: als je iets moois in handen hebt, wil je het delen. Bij het HPG draait het om het ontdekken van je talent. Wat zijn jouw talenten en hoe kun je die ontplooien? Dat is niet alleen interessant voor gymnasium-leerlingen. Je talenten ontdekken, dat gun je leerlingen van álle schooltypen.”Yvonne: ”Natuurlijk, er moet al van alles binnen het onderwijs, dat snappen we. Maar dat je daarnaast leerlingen de ruimte geeft om aan de slag te gaan met iets dat hun interesse heeft, levert zoveel op. Ook voor de school. Door de pilothouding ga je ook samen met je collega’s meer nadenken over de basisvraag hoe je mooi onderwijs van de grond krijgt, altijd vanuit het waarderende perspectief: als je vastloopt, geeft dat niet, dan kijken we naar wat wél goed gaat. Het HPG breng zóveel, zowel voor de leerlingen als voor de school. Eigenlijk is dit de mooiste vorm van onderwijs.”

_____________________________________________________

Hoe geef je leerlingen de ruimte om een eigen project op te zetten?

______________________________________________________

Meer lezen:

______________________________________________________

Meer informatie

Honours Programma van de Gymnasia (HPG) 
>

Minor ‘begeleiden in de school’: als aankomend docent je begeleidingsvaardigheden ontwikkelen

Voor aankomend docenten is het belangrijk dat er binnen hun opleiding aandacht is voor het ontwikkelen van begeleidingsvaardigheden.
Of het nu gaat over begeleiding van het leerproces, persoonlijke begeleiding of keuzebegeleiding rondom vervolgopleidingen

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Rinny van der Meer, lerarenopleider bij de HAN, is initiatiefnemer en coördinator van de minor ‘Begeleiden in de school’. “Goede begeleiding is essentieel bij het proces dat leerlingen doormaken tijdens hun schooltijd. Bij de minor ‘begeleiden in de school’, leren onze studenten hoe ze als aankomend docent hun begeleidingsvaardigheden kunnen ontwikkelen. We beginnen bij het begin: ‘waar kom je vandaan?, welke vaardigheden heb je al?, wat wil je graag leren en ontwikkelen?’. Er is aandacht voor hun eigen betekenisvolle ervaringen met loopbaanbegeleiding en tevens voor de manier waarop er op hun stageschool wordt omgegaan met loopbaangericht begeleiden.

Een van de opdrachten die studenten aan het begin van de minor doen heet ‘Waar voelde jij je als een vis in het water?’. Daarin onderzoeken ze met elkaar in welke bijbaan (of nevenactiviteit) ze zich heel prettig voelen, waar dat mee te maken heeft en wat dat over hen verteld. De begeleiding van een dergelijke opdracht vraagt ook iets van de begeleidende docent, je moet goed kunnen luisteren en een hoge kwaliteit van aanwezigheid hebben, zodat je meer kunt oppikken dan enkel de gesproken woorden van de studenten.

Studenten ontwikkelen gedurende de hele minor vaardigheden op het gebied van begeleiding en ontdekken welke manier van begeleiden het best bij ze past. Aan het einde van de minor kunnen ze goed aangeven welke kwaliteiten ze van nature hebben, welke kwaliteiten ze tijdens de opleiding hebben ontwikkeld en wat ze daar allemaal mee kunnen: hoe kwam ik hier binnen en hoe ben ik vertrokken? “Mijn doel is om het perspectief van de studenten te verruimen.

Regelmatig ben ik ontroerd door wat studenten teruggeven aan het einde van de minor, zegt Rinny. Studenten geven dan vaak aan dat ze zich niet alleen op professioneel niveau hebben ontwikkeld, maar zeker ook op persoonlijk niveau. Ook horen we als docenten van deze minor vaak terug dat studenten de groep waarin ze samen leren als boven gemiddeld veilig ervaren”.

De minor ‘begeleiden in het onderwijs’ kent drie pijlers:

  • Begeleiding van de groep en de structuur van begeleiden in de school

  • Begeleiding (coaching) van de individuele leerling

  • Samenwerken met betrokken partners

De studenten brengen dat wat ze leren bij de minor in praktijk op de stageschool. Ook onderzoeken de studenten hoe LOB op de stageschool is ingericht en georganiseerd. De studenten werken tijdens de stage aan diverse persoonlijke leervragen. De minor wordt afgesloten met een eindmanifestatie, waarbij de student de ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt tijdens de minor expliciteert. De minor is gericht op het doorleven van de principes van de loopbaangerichte leeromgeving en is dialogisch, praktijk- en vraaggericht. Het programma van de minor is een organisch proces, dat ontstaat in samenwerking met de studenten.

>

Muziek maken met een loopbaanvraag binnen het SWLO:

In het Studie Werk Leerorkest (SWLO) wordt met veel plezier gemusiceerd, maar het gaat hierbij vooral om de persoonlijke (loopbaan)ontwikkeling. Hoe zit dat?


Wat maakt dit praktijkvoorbeeld zo bijzonder?

Het Studie Werk Leerorkest is een orkest waar mensen – jong en oud – met elkaar musiceren zonder dat ze per se goed zijn in het bespelen van een instrument, dat is zelfs helemaal de bedoeling niet! Toch is er harmonie binnen het orkest en wordt er met veel plezier gemusiceerd, maar gaat het vooral om persoonlijke (loopbaan)ontwikkeling. Hoe zit dat?

Nono Poels, innovatiedocent op het Graafschap College, nam in 2018 het initiatief tot het oprichten van het Studie Werk Leerorkest. Een staaltje out of the box denken dat een project voortbracht dat betaalbaar is en verrassende resultaten oplevert op het gebied van loopbaanontwikkeling. Doel van het initiatief was om mensen uit verschillende domeinen (onderwijs po-vo-mbo-ho, bedrijfsleven en overheid) én van verschillende leeftijden bij elkaar te brengen en via het samen musiceren te werken aan een persoonlijk ontwikkelvraagstuk op het gebied van studie of loopbaan. Iedere ontwikkelvraag is goed, als mensen maar de stap naar verdere ontwikkeling willen zetten en bereid zijn dat te doen vanuit het bespelen van een instrument dat ze niet kennen. Nono: “Binnen het orkest is sprake van domeinoverschrijdend gedrag. Omdat je van nulniveau begint heeft niemand de hierarchie of de expertise, maar wel de wil en het doorzettingsvermogen om op zoek te gaan naar antwoorden.”

Hierarchie in leeftijd, opleiding of expertise spelen dus geen rol binnen het orkest. Wel zijn zeven professionele musici bij het orkest betrokken om alles muzikaal in goede banen te leiden, maar ook zij stellen zich lerend op en begrijpen dat interactie binnen de groep voorrang heeft op het ambacht. Leden van het orkest zijn verder bijvoorbeeld mensen die werken bij de overheid of in het bedrijfsleven, bassischoolleerlingen, leerlingen uit het vo met hun decaan of schoolleider, mbo- of hbo-studenten.

Het orkest komt 30 weken per jaar bij elkaar en binnen die 30 weken zijn er zes dialoogsessies, waarbij de ontwikkelvragen en ervaringen die mensen opdoen binnen het orkest worden besproken. De dialoogsessies worden steeds geleid door verschillende deelnemers van het orkest, dus ook door een tienjarige basisschoolleerling. Deze diversiteit aan begeleiders levert altijd verrassende inzichten op!

Gewerkt wordt vanuit het principe dat je je ontwikkelt vanuit het grote niet weten, 21st century skills spelen ook een rol bij deze ontwikkeling. Het vraagstuk, de worsteling en de zoektocht van de deelnemer vormen het uitgangspunt om collectief te bouwen aan het ontwikkelen van een Leven Lang Lerencultuur en een antwoord te vinden op de persoonlijke loopbaanvraag. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van elkaars netwerk.

Nono werkt bij haar project samen met professor Erik Scherder. Het SWLO is nu nog een regionaal project in de provincie Gelderland, maar er zijn plannen om het project uit te breiden naar de regio’s Brabant, Maastricht en Zoetermeer. Inmiddels hebben ruim 300 mensen deelgenomen aan het orkest. Op 5 oktober jl. waren de intakes van nieuwe leden voor dit schooljaar. Het SWLO is gekoppeld aan een onderzoek: Regie op kantelmomenten. Dit onderzoek is gebaseerd op vier kernlijnen: self-efficacy, doorzettingsvermogen, wendbaarheid en netwerkleren.
 

Tips

Wil je ook een SWLO opstarten in jouw regio?  Maak een stuurgroep waarin overheid, onderwijs en ondernemers zitten. Zorg ervoor dat binnen deze stuurgroep ook een directeur, financieel manager en iemand vanuit het werkveld zitten, zodat er snel beslissingen kunnen worden genomen. Aandachtspunten zijn:

  • Iedereen start vanuit het niet weten, het nulniveau (Theory U, Scharmer,O.)

  • Elke deelnemer komt minimaal in duo uit een ander netwerk. Bijvoorbeeld: docent-student of werkgever-werknemer etc.

  • SWLO is gericht op duurzame veranderingen en Leven Lang Ontwikkelen.

  • De 21 skills sluiten aan bij de keuzedelen: persoonlijk profileren, expressief talent, doorstroom hbo en ondernemend gedrag. Maak deze koppeling wanneer je gaat starten.

  • Kom 30 weken in een kalenderjaar bij elkaar. Twee uur per week: Kies in overleg de beste tijd voor de repetities

  • Het delen van netwerk en ervaringen staat voorop: samen leren delen.

 

>

LOB 2.0: Meet Your Future in Tilburg

Tijdens deze pilot kunnen leerlingen, in samenwerking met zowel het po- als het vo, kennis maken met de beroepen van de toekomst.
Daarbij gebruik makend van de praktijkvoorzieningen in de regio.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Monique Couwenbergh, docent en decaan branchevakken bij de Rooi Pannen, kreeg samen met Henk van den Hoek en Rolinde Duisters van het het ROC Tilburg, een mooie opdracht van de gemeente Tilburg: projectleider worden van een pilot met een praktijkgerichte invulling van LOB. Doel van deze pilot was om in samenwerking met zowel het primair- als het voortgezet onderwijs, leerlingen kennis te laten maken met de beroepen van de toekomst, daarbij gebruik makend van de praktijkvoorzieningen in de regio. Monique, Henk en Rolinde hebben verschillende achtergronden en ervaring, wat het samenwerken binnen deze pilot extra interessant maakte. Monique: “Door onze verschillende invalshoeken konden wij complementair werken, iets dat ik als heel prettig en waardevol heb ervaren”.

Bij het ontwikkelen van de pilot kwamen vele onderzoeksvragen voorbij, waarbij steeds werd gezocht naar een zo concreet mogelijke invulling van het thema ‘beroepen van de toekomst’. Uitgangspunt bij het ontwikkelen van de pilot was om klein te beginnen en daarna te gaan uitbreiden. Er moesten dus keuzes worden gemaakt. Zo werd ervoor gekozen om het primair onderwijs (nog) niet te betrekken, maar in te zetten op het vmbo. Ook moesten de plannen voor wat betreft de uitvoering van de pilot een aantal keer worden bijgesteld door de coronapandemie.

Uiteindelijk kwam er een samenwerking tot stand met twee vo-scholen in de regio waar nog weinig LOB-activiteiten waren ontwikkeld. Van deze scholen hebben 150 vmbo-leerlingen uit het derde leerjaar meegedaan aan de pilot. Voor wat betreft de samenwerking met het bedrijfsleven in de regio kon de projectgroep gebruik maken van de contacten met de Junior Kamer Midden Brabant (link), een vereniging van ambitieuze mensen uit verschillende beroepsgroepen, en Midpoint Brabant. Op 2 juni 2022 kon de pilot worden uitgevoerd. Leerlingen konden kiezen uit verschillende sectoren zoals bedrijven in de techniek, leisure en logistiek. Het werd een succesvolle dag waarbij de leerlingen op bezoek gingen bij twee bedrijven. Leerlingen, hun ouders, docenten en mentoren waren positief over de opbrengst van de dag en hebben ervan geleerd.

De samenwerking tussen de verschillende mbo-instellingen is door Monique, Henk en Rolinde ervaren als positief en inspirerend. Eens een kijkje nemen in de keuken van een andere mbo-school en hun onderwijs- en besluitvormingsprocessen, kan heel verrijkend zijn. Monique, Henk en Rolinde mogen nog een jaar langer bezig zijn met een vervolg op deze projectopdracht. Monique: “We hebben met veel plezier gewerkt aan deze pilot en gaan met alles wat we hebben geleerd werken aan een vervolg. Hierbij zouden we graag alle vmbo-scholen uit Tilburg betrekken en nóg meer bedrijven uit onze regio”. Het doel voor komend schooljaar is daarom om met behulp van externe partijen meer bedrijven en meer vmbo-scholen uit de regio te bereiken, waarbij alle partijen minder afhankelijk zijn van een jaarrooster. Ook is het de bedoeling dat de betrokken vo-scholen dan zelf bekijken welke doelgroep qua leerlingen het meest geschikt is. De input van externe partijen zal door het projectteam worden gevoed en het reflecteren op betekenisvolle ervaringen door leerlingen zal zeker onderdeel worden van de totale cyclus.

>

LOB als vak in de lerarenopleiding: voor persoonlijke én professionele ontwikkeling

Petra Overmars, lerarenopleider aan de Hogeschool van Amsterdam, zorgt dat al haar studenten weten wat LOB is en hoe ze LOB kunnen inzetten bij hun eigen ontwikkeling én die van hun toekomstige leerlingen.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Studenten uit het vierde jaar van de opleiding Leraar Gezondheidszorg en Welzijn, volgen in het eerste semester de module ‘Coachen en begeleiden: loopbaanoriëntatie- en begeleiding in het beroepsonderwijs’. In de deze module krijgen studenten inzicht in de diverse aspecten van loopbaanoriëntatie en begeleiding op vmbo- en mbo-scholen. Binnen de module is ook aandacht voor de loopbaanmogelijkheden binnen Zorg en Welzijn. In zeven bijeenkomsten van 90 minuten leren de studenten waarom LOB belangrijk is en doen ze een onderzoek naar de staat van LOB op de school waar ze stage lopen. Studenten van de opleiding zijn zowel voltijd- als deeltijdstudenten en lopen stage binnen het vmbo, het mbo of het vso.

Tijdens de eerste bijeenkomst van de module maken de studenten kennis met de vijf loopbaancompetenties  en denken ze na over hoe LOB een rol heeft gespeeld in hun eigen loopbaan. Vragen die tijdens de eerste bijeenkomst aan de orde komen zijn bijvoorbeeld: In hoeverre zet jij je kwaliteiten bewust in? Ben je je eigenlijk wel bewust van je eigen kwaliteiten en werd daar vroeger bij jou op school met je over gesproken? Vervolgens gaan de studenten op hun stageschool met behulp van de LOB-scan van het Expertisepunt LOB onderzoeken hoe de infrastructuur er qua LOB uitziet op deze school. De uitkomsten van de scan worden vastgelegd in een verslag, waarbij de studenten ook ingaan op hun eigen rol binnen de school als het gaat om LOB en geven ze aanbevelingen aan de school om LOB te versterken of te verbeteren. Soms vinden er door de aanbevelingen en het gesprek dat de studenten daarover voeren met het team echte veranderingen plaats.

Een andere opdracht aan de studenten is dat ze een LOB-gesprek moeten voeren met een leerling. Soms is dat lastig, omdat de scholen waar de studenten stage lopen divers zijn qua leerlingenpopulatie, maar uiteindelijk lukt het altijd. De studenten nemen het loopbaangesprek in principe op en het gesprek wordt beoordeeld door de docent van de opleiding. De studenten reflecteren op het door hen gevoerde loopbaangesprek met behulp van het stappenplan bij het voeren van een loopbaangesprek.

Om de module af te ronden schrijven de studenten een eindverslag. Het eindverslag bestaat uit twee onderdelen: oriëntatie en onderzoek van LOB op de stageschool (o.a. door gebruik te maken van de uitkomsten van de LOB-scan) en een analyse van het door de student gevoerde LOB-gesprek met een leerling van de stageschool.

De betrokken studenten zijn erg enthousiast over deze module. Ze geven aan dat ze de module interessant vinden en er veel uithalen voor wat betreft hun eigen persoonlijke en professionele ontwikkeling!

 

Tips

  • Bouw voldoende tijd voor de bijeenkomsten/lessen in om het oefenen en uitwisselen van ervaringen centraal te stellen

  • Laat studenten veel oefenen in de les met het voeren van (loopbaan)gesprekken (coach- en gespreksvaardigheden)

 

>

Zo maak je reflectie betekenisvol!

Leren van verhalen

Reflectieverslagen schrijven – veel leerlingen en studenten hebben er een hekel aan, en uit onderzoek blijkt dat ze er (mede daardoor) vaak weinig van leren. Innovatiedocent en lerarenopleider Sander Berendsen ontwikkelde een methodiek die studenten vrijer laat en beter werkt: leer studenten om aan de hand van betekenisvolle ervaringen hun eigen verhaal te vertellen. “Dan wordt reflectie écht een hefboom voor persoonlijke ontwikkeling.”

Reflectie speelt binnen LOB een belangrijke rol en het lijkt dan ook een logische opdracht om studenten door middel van verslagen te leren te reflecteren op hun ervaringen. Maar wat vinden studenten daar zelf eigenlijk van? Docent en onderzoeker Sander Berendsen deed onderzoek, en heeft een aantal van de reacties van mbo-studenten van het Graafschap College met hun toestemming achter elkaar gezet. Met plezier laat hij de opname horen.

‘Bij iedere vraag moet je gewoon zoveel mogelijk typen’, zegt een studente over de reflectieverslagen. Een ander vult aan: ‘De ene docent geeft het terug en zegt ‘Doe het maar wat uitgebreider’ en de andere docent speelt heel erg in op je gevoel.’ Studenten krijgen al snel door wat er van hen verwacht wordt. ’Dan kom je in de tweede en dan weet je precíes welke leraar wat wil horen’. Maar dat leidt niet tot meer inzicht. ‘Op een gegeven moment dacht je “Ik heb geen zin om er nóg weer een te maken. Ik heb er toch niks mee gedaan, dus waar doe je het dan voor?”’

Aan de stemmen hóór je hoe moedeloosheid ze zijn, en dat is ook niet raar: toen Sander Berendsen begon met zijn onderzoek (“We merkten een zekere reflectiemoeheid op bij onze studenten en waren benieuwd hoe dat kwam”) bleek dat sommige studenten in een lesperiode van tien weken twaalf reflectieverslagen moesten inleveren. “Twaalf! Studenten zaten dan vlak voor de deadline om een reflectieverslag in te leveren en dan zei de een: ‘Heb jij nog een reflectieverslag?’ Dan gingen ze reflectieverslagen uitwisselen, en met ‘Zoek en Vervang’ de namen veranderen. Dat werd dan opgestuurd en dan kreeg de één een negen en de ander een 6,5. Het was verschrikkelijk! En dan moesten ze op basis van die verslagen óók nog in gesprek met hun studieloopbaanbegeleider, of ze daar nou een klik mee hadden of niet. Het was allemaal totaal niet betekenisvol. Het kwam studenten alleen maar de neus uit.”

 

Nu is ‘reflectie’ voor veel mensen ook wel een vaag begrip, dat soms bijvoorbeeld wordt verward met ‘evaluatie’. Wanneer is reflectie volgens jou wél betekenisvol?

“Betekenisvolle reflectie gaat over het terugkijken op ervaringen, of het ter plekke bespreken van ervaringen, die betekenis voor jou hebben. Dan gaat het om ervaringen waar een emotie aan vast zit. Die emotie is uniek en essentieel: je vóelt wat voor jou van betekenis is. Je wordt ergens blij van, je krijgt er energie van of je raakt ergens door gefrustreerd. Studenten vinden iets spannend, ze lopen ergens tegenaan, ze vinden iets moeilijk of ze denken ‘Laat ik maar niets zeggen’ omdat ze het eng vinden om kwetsbaarheid te delen.

Bij het reflecteren kijk je terug op zo’n ervaring, waarbij je je ervan bewust wordt dat die emotie bij jóu hoort. Aan inzicht kun je een volgende leerstap verbinden. Dát is reflecteren.

Dus je kijkt terug op een betekenisvolle ervaring, je bent je ervan bewust dat die ervaring bij jou hoort, en als je denkt ‘ik wil dat de volgende keer anders of beter’, kun je daaraan werken. Dan zet je een volgende stap in je ontwikkeling, en daarna ga je het weer opnieuw proberen. Zo is betekenisvolle reflectie onderdeel van een doorlopend en levenslang leerproces.”

 

Reflectie is een belangrijk onderdeel van LOB, met name motievenreflectie en kwaliteitenreflectie. Hoe zie jij de rol van reflecteren binnen LOB?

“Ik zie binnen LOB nu twee uitersten. Aan de ene kant wordt reflectie natuurlijk wel als belangrijk gezien, maar toch blijft het onderwerp vaak beperkt tot een uurtje LOB in de week. Docenten hebben dertig leerlingen en weten soms de namen niet eens. Er wordt daarbij vooral instrumenteel gekeken: hoe zijn je cijfers?

Aan de andere kant wordt er, vooral in sociale opleidingen, veel ‘onder de ijsberg’ besproken. Wat vóel je? Wat dóet het met jou? Ik was zelf onder meer verbonden aan de opleiding Pedagogisch Werk en Onderwijs. Die studenten zijn overwegend meisjes tussen 16 en 21. Aan hen werd continu gevraagd: ‘Wat dóet het met jou?’ Die meiden gingen piekeren! Tom Luken heeft daar ook onderzoek naar gedaan en zegt: ‘Je moet daarbij uitkijken dat studenten die het goed willen doen, niet continu gaan piekeren, omdat ze helemaal nog geen handen en voeten kunnen geven aan die reflectie’ Kariene Mittendorff geeft in haar onderzoek ook aan dat reflectie eerst aangeleerd moet worden.”

Jullie zijn het bij het Graafschap College anders gaan doen. Vertel!

“We zijn begonnen bij de opleiding Pedagogisch Werk en Onderwijs. De eerste stap was dat studenten zelf een vorm mochten kiezen voor hun reflectieverslagen. Ze kozen vaak voor een Albelliboek, met foto’s van betekenisvolle ervaringen. Dat noemden we ‘Jaarboeken’. Studenten hoefden niet meer te reflecteren op een in beton gegoten thema, de vraag was: ‘Wat was voor jou betekenisvol, op school, thuis, of tijdens je werk of stage? Wat zegt iets over jóu, over jouw persoonlijke zelf?’

Dat werkte veel beter dan die reflectieverslagen. Nu gingen studenten zélf ontdekken waar ze bijvoorbeeld goed in waren of wat ze leuk vonden. Uiteindelijk probeerden we op die manier ook een vertaalslag te maken naar het professionele zelf, de rol van pedagogisch medewerker. Klein voorbeeld: een studente had in haar boek een foto opgenomen van Ajax-speler Victor Fischer, die ze bewonderde omdat hij terugkwam na een zware tegenslag. Een doorzetter bij tegenslag – dat zegt zoveel! Een ander liet een foto zien van haar volleybalteam, waardoor ik later bijvoorbeeld ook kon vragen of ze misschien een volleybal-clinic wilde geven tijdens een sportdag.

Die competenties konden studenten ook weer verbinden aan het kwalificatiedossier. Je krijgt op een hele andere manier contact met studenten.”

 

Werkt die vorm voor alle studenten?

“Nee, de studenten in de technische opleidingen en de maakindustrie zijn niet zo van die fotoboeken, die zijn meer van de actie. Een gesprek voor, tijdens of na het maken van een product werkt dan beter. Voor hen hebben we een polaroidwand gemaakt. De loopbaanbegeleiders maakten daarvoor polaroid-foto’s als hen iets opviel of verraste aan een student, bijvoorbeeld tijdens een praktisch vak of een stage.

Dat was trouwens wel wennen. In het begin zei een student wel eens: ‘Waarom heb je mijn foto opgehangen?’ en dan zei die studieloopbaanbegeleider: ‘Omdat ik vond dat je dat zo goed deed.’ Daar kwam dan een gesprek uit voort, dat leidde tot een keuze, actie of concrete vervolgstap. Door er op die manier aandacht aan te besteden, werden studenten zich er steeds meer van bewust wat ze goed deden. En als je een paar keer een compliment krijgt, dan is het geen toeval meer, dan zegt het iets over jouw talenten. Vervolgens gingen we dáárover praten.

Zo leren studenten gaandeweg hun eigen verhaal te vertellen, aan de hand van die betekenisvolle ervaringen. Dat is belangrijk, want we denken vaak wel dat we een verhaal kunnen vertellen, maar het is echt iets dat je moet leren. En juist door je verhaal te vertellen, wordt het een hefboom voor je persoonlijke ontwikkeling.“

 

Voor een persoonlijk verhaal zijn dus vooral betekenisvolle ervaringen nodig. Hoe creëer je die op school?

“Dat is best een lastige. Wij vroegen in ons onderzoek ook: ‘Als het gaat over betekenisvol leren, waar heb je dan het meeste geleerd? Was dat op school, werkplek, stage, bij verenigingen of clubs of bij familie en vrienden?’ En dan werd door studenten bijna álles genoemd, behalve school.”

 

We schieten nu in de lach, maar eigenlijk is het treurig!

“Er gebeuren op school natuurlijk ook mooie dingen, maar de betekenisvolste gesprekken worden bijna altijd buiten het klaslokaal gevoerd. Het mooie is: voor betekenisvolle ervaringen is vaak helemaal niet zoveel nodig, je kunt die best creëren. Al is het maar door gewoon de school uit te gaan. Aan het begin van een bijeenkomst met studenten hoorde ik eens dat de burgers bij MacDonalds in de aanbieding waren. Toen zijn we spontaan dáár naartoe gegaan. Daar kwamen zulke goede gesprekken uit voort, gewoon door het eens over een andere boeg te gooien. Bij een andere activiteit zijn economie-studenten samen met mensen uit het bedrijfsleven gaan suppen, dat kan hier vlakbij. Daaruit kwamen ook de mooiste gesprekken voort. Daar werden zoveel verhalen verteld, en daar werd zoveel geleerd, zowel door de studenten als door de CEO’s. We zijn ons er hier steeds meer van bewust dat beroepsgerichte didactiek echt anders is dan de vakdidactiek. Iets maken, dat leer je door van alles uit te proberen en ook dingen te laten mislukken. We moeten studenten meer ruimte geven om te prutsen. Zó ontdek je wat werkt en waar je goed in bent! Niet enkel in een klaslokaal terwijl je zit te luisteren naar een docent. Ik geloof dan ook steeds meer in een leer-ecosysteem, waarbij bijvoorbeeld onderwijs en bedrijven bij elkaar zitten en studenten ook ruimte hebben om te experimenteren en bijvoorbeeld zelf een bedrijf te starten.”

 

Waarom is juist dat vertellen van verhalen zo belangrijk, als het gaat om loopbaanontwikkeling?

“Het gaat over het verhaal van je leven. Bij LOB gaat het erom te ontdekken waar je zelf blij van wordt en na te denken over hoe je dát kunt verbinden met actuele beroepen en vraagstukken. Hoe complexer de wereld wordt, hoe dichter we bij onszelf moeten leren blijven. Hoe belangrijk verhalen daarbij zijn, zie ik ook ook bij ondernemers in de Achterhoekse maakindustrie. Ik heb bijvoorbeeld contact met Iginio Voorhorst, hij is CEO van bedrijf dat onder meer luchtveringen maakt. Hij vertelt in een jubileumboek van zijn bedrijf hoe hij in een tussenjaar met een camper door de wereld reisde, en last kreeg van zijn rug. Dáár is uiteindelijk zijn bedrijf uit ontstaan! En als je hem vraagt naar zijn mooiste ervaring, vertelt hij over een jongen van twaalf die ongeneeslijk ziek was, en die hij mee heeft laten rijden in zijn Ferrari. Dát soort verhalen… Als we daar in het onderwijs wat meer aandacht voor hebben, naast het leren van kennis en vaardigheden. Met die balans wordt het onderwijs écht betekenisvoller.”

____________________________________________________________

 


Vertel eens!

Drie tips van Sander Berendsen om te reflecteren aan de hand van verhalen

1. Praat mét studenten, niet tegen ze

Begin klein. Maak aan het begin van de les bijvoorbeeld tien minuten vrij voor de studenten die je op dat moment voor je hebt: hoe is het nu thuis, waar loop je tegenaan in je stage, wil iemand iets delen? Als een student een beetje bozig kijkt: ‘Vertel eens, wat is er aan de hand?’

2. Geef studenten de vrijheid om zelf een vorm te kiezen

Reflecteren hoeft echt niet altijd in de vorm van een geschreven verslag. Misschien kan het in de vorm van een blog, vlog, of een fotoboek. Of maak een polaroid-wand met foto’s van betekenisvolle ervaringen. De vraag is altijd: wat waren voor jou betekenisvolle ervaringen? Wat vind jij belangrijk?

3.  Neem de betekenisvolle ervaringen mee in LOB-gesprekken

Daarbij is het vooral belangrijk dat de lerende, de student dus, de auteur blijft van het verhaal. Stel je als docent of begeleider open op en laat de leerling of student het verhaal vertellen. Wat zou je willen bespreken? Waar liep je tegenaan en wat ga je ermee doen? Het begeleiden van die volgende stap in de ontwikkeling is een uitdagend proces.

____________________________________________________________

Meer informatie

Het boek ‘Leren van verhalen’ van Sander Berendsen is gratis in te zien of te downloaden via www.lerenvanverhalen.nl.

____________________________________________________________

Meer inspiratie

Tekst: Anne Wesseling,  Fotografie: Hetty van Oijen

>

Voor een goed loopbaangesprek is ook zelfkennis nodig

In de podcast-serie ‘De Loopbaancoach’ interviewt Japke Ebbinge professionals en onderzoekers en geeft ze ook een kijkje in de keuken van de loopbaancoach: hoe verloopt een loopbaangesprek met een young professional? Welke coachingsinstrumenten worden ingezet, en waarom? “Als loopbaancoach moet je leren om óók naar jezelf te luisteren.”

 ‘Wat wil ik eigenlijk zélf?’, is de loopbaanvraag van studente Tess, die bijna klaar is met haar hbo-opleiding. ‘Wat zou ik doen en kiezen vanuit mijn ‘rustige zelf’, in plaats van vanuit stress, perfectionisme, emoties en bewijsdrang?’

Loopbaancoach Hadassa Kruithof gaat in gesprek met Tess. Ze reikt praktische handvatten aan (hoe kun je mindfulness momenten inbouwen in de dag?), behandelt een stukje psycho-educatie (hoe kijk je naar stress?) en gebruikt ACT-coaching (hoe kun je je niét verbinden met je negatieve gedachten?).

Bijzonder aan dit gesprek: je kunt erbij zijn. Niet live, maar door te luisteren naar de podcast ‘De loopbaancoach in actie’. “Het gesprek met Tess is een voorbeeld van hoe je een loopbaangesprek kunt aanpakken”, zegt psycholoog Japke Ebbinge, coördinator van de Leergang Loopbaancoaching aan de Hogeschool van Amsterdam (HvA) en presentator van de podcastserie. “Je hoort het gesprek van Hadassa en Tess, en daarnaast evalueren Hadassa en ik het loopgesprek en lichten we toe wat we doen. Je zit tijdens het luisteren naar de podcast dus echt in ónze hoofden. Welke keuzes maken we in het moment? Waar gaan we wel of niet op in, en waarom? Ons doel is om door middel van de podcast een inkijkje te geven in het loopbaancoaches, en loopbaanprofessionals een idee te geven van hoe je zo’n gesprek kunt aanpakken. Niet vanuit de gedachte ‘Dit is dé manier’, maar ter inspiratie, en ook om de verschillende coachingsinstrumenten te leren herkennen.”

 

Hoe kwam je op het idee van een podcast?

“Ik vind het leuk om radio te maken, dat had ik al bij de HvA al eerder gedaan. De laatste jaren namen podcasts een vlucht. Met mijn collega Daphne Wiersema maakte ik aanvankelijk een podcast voor de eerste lichting deelnemers aan de Leergang Loopbaancoaching. Daarvoor namen we de hoorcolleges op, en de podcast was alleen te beluisteren door deelnemers. We merkten dat die het luisteren naar een podcast echt een prettige manier van leren vonden.
De reacties waren zo positief dat we meer wilden doen met deze vorm, ook omdat we vanuit de leergang graag laagdrempelig onze kennis willen delen.

We zijn gaan kijken welke professionals voor onze doelgroep interessant zouden kunnen zijn om te interviewen. De eerste professional die meewerkte was Jouke Post, docent Theorie van de Loopbaanbegeleiding aan Saxion Hogeschool. Hij wilde graag iets doen met Kerr Inkson, die een boek schreef over negen metaforen voor loopbanen. Daarmee zijn we begonnen: een serie van negen afleveringen met Jouke Post over die metaforen. Daarna volgden nog meer interviews met professionals, en in de meest recente afleveringen, ‘De loopbaancoach in actie’, voeren we echte loopbaangesprekken.”

Die laatste zijn bijzonder omdat je als luisteraar echt bij het gesprek aanwezig bent – zo voelt het althans.

“We merkten bij onze deelnemers dat ze behoefte hadden aan een voorbeeld van hoe een loopbaangesprek verloopt. Ze genoten ervan als we dat tijdens de bijeenkomsten voordeden. We waren zelf gecharmeerd van de podcasts van Esther Perel, die daarin een inkijkje geeft in haar relatietherapie, en we vroegen ons af of wij misschien ook zoiets konden doen voor het loopbaangesprek – een podcast in de vorm van een écht gesprek, dus niet als rollenspel. We hebben een oproep gedaan onder studenten, en met drie studenten die zich hebben aangemeld, hebben we inmiddels een podcast-aflevering gemaakt.”

Bij de loopbaangesprekken passen jullie verschillende instrumenten toe. Bij de eerste aflevering, met studente Tess die voor de keuze staat wat ze na haar hbo-opleiding zal gaan doen, kozen jullie bijvoorbeeld voor een benadering vanuit ACT, de Acceptance and Committent Theory. Wat houdt die in en waarom kozen jullie daarvoor?

“Wij hebben als docenten een achtergrond in de psychologie, dus dat is hoe we de loopbaancoaching benaderen: vanuit psychologie, gedrag, mens en ontwikkeling. De basis van een loopbaangesprek is goed luisteren en aanwezig zijn, maar daarnaast zet je als coach ook je gereedschappen in. Je kijkt altijd: wat is de vraag, en welk instrument past daarbij? Bij de coachvraag van Tess speelde perfectionisme een belangrijke rol, vandaar vandaar dat we met haar kozen voor oefeningen in het ACT-spectrum. ACT is een instrument dat goed is in te zetten in loopbaanbegeleiding. Het is een ‘derde generatie gedragstherapie’, waarbij het gaat om het verhogen van de psychologische flexibiliteit: je leert anders om te gaan met je gedachten en gevoelens, in plaats van ze te willen veranderen. Je kunt je gedachten bijvoorbeeld op afstand zetten door niet meer te denken: ’ik ben mijn gedachten’ maar eerder ‘Ik heb gedachten’. ACT gaat ook over het accepteren van pijn in plaats van die te vermijden: soms is de pijn dat iets mislukt draaglijker dan wat je doet om die pijn te vermijden.

Dat laatste is vooral belangrijk als het gaat om doen wat waardevol voor je is. Daar komt namelijk bijna altijd spanning bij kijken. Hoe dichter je leeft naar je waarden, hoe spannender het wordt, want dan heb je écht wat te verliezen. Als je die spanning vermijdt, kan het je weghouden bij wat je juist belangrijk vindt. De gedachte wordt dan: ’Ik wil dit doen maar ik vind het spannend’. Het helpt al als je zou kunnen denken ‘Ik wil dit doen én ik vind het spannend’. Als je op die manier die spannende gedachten kunt ontrafelen, kun je meer gaan leven naar je waarden – precies wat Tess aan het eind van het gesprek het gevoel geeft dat ze vanuit rust haar keuzes kan maken.”

 

De gesprekken tussen jou en je collega Hadassa zijn ook persoonlijke gesprekken. Hoe belangrijk is zelfkennis eigenlijk, voor een loopbaancoach?

“Heel belangrijk! Bij coaching gaat het er uiteindelijk om dat je mensen bij hun eigenheid wilt brengen. Als je ruimte wilt maken voor hun verhalen, moet je durven kijken naar de verhalen in jezelf. Hoe dieper je bij jezelf kunt zijn, hoe dieper je bij de ander kunt komen. Loopbaancoaching is geen therapie, maar het kan soms wel therapeutisch werken, omdat je ook met jezelf aan de slag gaat. Dat zit ook in de opzet van het onderwijsprogramma van de leergang Loopbaancoaching: deelnemers passen instrumenten en technieken eerst toe op zichzelf en vervolgens bij een coachee.

Gisteren hadden we bijvoorbeeld een masterclass over zelfinzicht, en over hoe je je eigen schaduwkanten kunt inzetten bij een loopbaangesprek. Als we mensen willen leren om over zichzelf te leren, moeten we dat als leergangteam ook voorleven. Niet in een rollenspel, maar in een echt gesprek. Waar zit ík mee? Hoe zit het met míjn kernkwaliteiten en met míjn schaduwkanten? Heeft mijn collega een reële vraag, of een irritatie, dan voeren we daar echt een gesprek over. Je laat als trainer op die manier zien dat je zelf ook leert en ook kwetsbaar bent. Ik leer er zelf elke keer van.”

 

Tijdens de leergang Loopbaancoaching leer je niet alleen hoe je mensen kunt begeleiden, maar je ontwikkelt je zelf ook?

“In het begin willen deelnemers vooral meer kennis opdoen, maar gaandeweg leren veel ervan zichzelf beter kennen, en ze leren hoe ze die zelfkennis adequaat kunnen gebruiken in de begeleiding. Uiteindelijk leren we mensen ook om meer zichzelf te zijn in hun professie. Aan het eind van de leergang hoor ik vaak: ’Vroeger zag ik de leerlingen in het schoolsysteem, en was ik meer bezig, naar eer en geweten maar niettemin, om ze door een mal te duwen. Nu durf ik vrijer naar ze te kijken: wie ben jij als mens, en wat past daarbij?’

De deelnemers van de leergang Loopbaancoaching gaan gedurende de opleiding ook breder naar zichzelf kijken. Sommigen gaan zelfs hun werkdag anders inrichten, met meer rust. Ze voeren loopbaangesprekken bijvoorbeeld niet meer adhoc en overal tussendoor, maar op een vast moment in de week. Maar met aandacht en vertraging – voor zover die vertraging die mogelijk is binnen de kaders van een volle werkweek.”

 

Er zijn inmiddels bijna dertig afleveringen beschikbaar van podcastserie De Loopbaancoach. Waar kun je als luisteraar het beste beginnen?

“De podcastserie is bedoeld voor de doelgroep van loopbaanprofessionals, maar óók voor mensen die zelf loopbaanvragen hebben, of zich aan het oriënteren zijn op een volgende stap. Er zit geen vaste volgorde in, dus ik zou zeggen: kijk welke podcast je het meeste aanspreekt en beluister die het eerst.

Een aflevering die ik zelf heel interessant vind, is de aflevering met Kitlyn Tjin A Djie, over systemisch werken en over waarom de context belangrijk is voor wie je bent. We zijn vaak zo gericht op ‘je potentieel waarmaken’ en het idee van een meritocratie, waarin je wordt beloond voor je verdiensten. Maar uit steeds meer onderzoeken en publicaties blijkt dat we vaak meer een product zijn van onze context: waar je wiegje staat, bepaalt bijvoorbeeld ook hoeveel kansen je krijgt. Bovendien hebben we lang niet altijd alles in de hand, dat bleek ook in de coronatijd. Ik denk dat dat voor jongeren belangrijk is om te weten.”

____________________________________________________________

Informatie

  • Contactpersoon: Japke Ebbinge, j.ebbinge@hva.nl
  • De podcastserie ‘De loopbaancoach’ is te beluisteren via iTunes, Spotify, podcast-apps en ook via SoundCloud
  • Loopbaancoaching (Hogeschool van Amsterdam) is gericht op loopbaancoaches, mentoren en decanen, LOB-adviseurs en andere professionals die werken met jongeren die staan voor een studie- of loopbaankeuzes. De leergang bestaat uit masterclasses over onder meer identiteitsontwikkeling, stress, keuzestijlen en systemisch werken. 

____________________________________________________________

Hoe voer je een goed loopbaangesprek?

Drie tips van Japke Ebbinge

  1. Geef ruimte door vragen te stellen
    Je kunt als loopbaancoach natuurlijk informatie over studies aanreiken, maar het zoekproces naar ‘Wie ben ik, wat kan ik en wat wil ik?’ moet een coachee echt zelf doormaken. De kunst is om het zelfsturend vermogen van je coachee te vergroten. Dat kun je doen door vragen te stellen en samen te vatten, en vooral door op je handen te blijven zitten. Dat laatste is misschien wel de grootste uitdaging: niet de regie overnemen, maar je coachee de ruimte te geven om zélf zijn of haar eigenheid te ontdekken. In de fase van identiteitsontwikkeling waarin jong volwassenen zitten, is het überhaupt al een grote levensopgave om te ontdekken wie je bent, wat je kunt en wat je wilt!
  2. Maak leren betekenisvol
    In school is er vaak druk om te presteren en met concrete resultaten te komen, terwijl loopbaanbegeleiding een proces is, niet een eindresultaat. Bij dat proces is het belangrijk om ook naar je eigen werkwijze te kijken. Door welke bril kijk je zélf naar de wereld? Wat vind jij zélf belangrijk?
  3. Sluit aan bij het referentiekader van je coachee
    Een van de dingen die we coronatijd veel hoorden van loopbaanbegeleiders, is ‘Ik dácht dat ik deze leerling kende, maar wat weet ik weinig over hoe de leerling woont!’ Of leerlingen een eigen kamer hebben, of er überhaupt wifi is thuis, hoe de omgeving eruit ziet, of er broertjes en zusjes zijn. Verdiep je in het leven van je coachee, zodat je daar in het gesprek bij aan kunt sluiten.

____________________________________________________________

Tekst: Anne Wesseling, Fotografie: Hetty van Oijen

>

De Rode Loopbaan: tv-serie over LOB voor mbo’ers

Vanuit haar rol als beleidsmedewerker LOB bij Landstede MBO, werd Sammie Visser benaderd om deel te nemen aan het project bestrijding jeugdwerkloosheid. Doel van dit project is om zoveel mogelijk (meer dan 1000) studenten dit schooljaar beter te informeren over LOB-thema’s, met het accent op loopbaanontwikkeling en doorstroom naar de arbeidsmarkt.

In eerste instantie was het de bedoeling om hier een event voor te organiseren, maar Corona gooide roet in het eten. Toen werd gezocht naar een manier om met name docenten zoveel mogelijk te betrekken bij LOB en op die manier de doelstelling te halen om 1000 studenten beter te informeren over bovengenoemde thema’s. En zo kwam er de tv-serie de Rode Loopbaan mét bijbehorende lesbrief die docenten kunnen gebruiken in de les.

“Het is zo makkelijk”, zegt Sammie Visser als docenten haar vragen waar ze moeten beginnen als ze iets willen doen aan LOB in de les. “LOB zit echt overal! Ga met je studenten eens ergens naartoe en ga het beleven. Of neem ze bijvoorbeeld mee naar een uitzendbureau in de buurt. Maar laat vooral ook de filmpjes zien die speciaal zijn gemaakt voor in de les en ga daarover in gesprek met je studenten.”

De tv-serie zorgt ervoor dat docenten op een laagdrempelige manier met hun studenten kunnen praten over LOB. Er zijn al zes filmpjes gemaakt en een zevende filmpje is in de maak. De filmpjes van de tv-serie duren allemaal zo’n tien minuten en hebben verschillende thema’s. Studenten die bijvoorbeeld hebben gekeken naar de aflevering over internationalisering komen er dan achter dat studeren in het buitenland ook voor hen een mogelijkheid is en leren dat er beurzen bestaan of dat ze hun OV-kaart voor een tijdje kunnen stopzetten.

Ga naar het Youtubekanaal van de Rode Loopbaan

>

LOB is cruciaal tijdens je middelbare schooltijd

LOB is vaak het terrein van mentoren en decanen, maar uiteindelijk draait het om de leerlingen. Hoe kijken zíj naar LOB? Lina Boukhoubza is voorzitter van de leerlingenraad van het Calandlyceum in Amsterdam en zette daar LOB extra op de agenda. “Er gaat veel aandacht naar de lesstof, maar school is zoveel meer. Over tien jaar weet ik niet meer hoe een vulkaan precies werkt, maar de impact van een stage of een loopbaangesprek kan ik me dan nog precies herinneren.”

Ze loopt een dag in de week stage bij het ministerie van Defensie, is betrokken bij het team dat zich bezighoudt met de Maatschappelijke Diensttijd (MDT), is politiek actief én draait mee met een programma van het Oranjefonds. “Mijn ouders houden het ook niet helemaal bij”, zegt Lina Boukhoubza lachend over wat ze allemaal doet náást haar school en het voorzitterschap van de leerlingenraad.

De activiteiten passen bij haar interesses: ze volgt al vanaf de brugklas het Technasium, niet zozeer vanwege de bètavakken, maar vooral vanwege de praktijk- en maatschappelijke kant. De stage bij Defensie kwam vooral voort uit de wens om uit haar eigen bubbels te breken en een compleet nieuwe wereld te ontdekken. “Mijn school faciliteert het ook”, zegt ze. “De stage heb ik zelf geregeld, maar zij zorgden wel dat ik het ook kon doen. Ik zit in een soort ‘topsport-programma’ met een aangepast rooster, daarin zit ook een leerling in die schaakt, en iemand die viool speelt. Het motto van mijn school is ‘Ontdek wat jij kunt bereiken’. School is er niet alleen voor het diploma en de cijfers, maar vooral voor de vorming.”

 

Je zit in de vijfde klas van het Technasium. Heb je dan meer te maken met LOB dan andere richtingen?

“Het Technasium is geweldig qua LOB, vanwege de praktijkopdrachten. In de eerste klas kregen wij bijvoorbeeld een opdracht voor het afvalbedrijf in Amsterdam, en gingen we daar met de klas ook naartoe voor een rondleiding. In de derde klas maakten we een lichtontwerp voor het Amsterdam Light Festival, en kwam een ontwerper in de klas. Het verbreedt je beeld, als Technasium leerling heb je wat dat betreft echt een voorsprong op andere leerlingen.

Maar we hebben ook de Caland College Tour gehad, dat was voor alle leerlingen. Dan was er bijvoorbeeld een officier van justitie te gast op school, en konden we vragen stellen. Het is belangrijk om de buitenwereld in de school naar binnen halen, om leerlingen te laten zien: ‘Hier kun je óók voor kiezen’. Zeker voor leerlingen die die voorbeelden niet in hun eigen omgeving hebben. Want je niet kent, kun je niet kiezen. Wat je niet voor je ziet, ga je ook niet kiezen. LOB heeft ook te maken met kansengelijkheid.”

 

Jullie zien als leerlingen dus echt belang van LOB?

“Je hebt aan LOB nog meer aan dan aan je cijfers. Het hangt wel af van de leerling. Weet je al wat je wilt gaan studeren, of heb je al een richting? De ene leerling heeft meer informatie nodig voor de studiekeuze, voor een leerling die al vanaf z’n vijfde weet wat hij wil worden is de belangrijkste vraag misschien ‘Wil je dit écht?’

Leerlingen om mij heen hebben echt door dat ze hulp nodig hebben bij het maken van een studiekeuze. Als je iets wilt bereiken, in een tijd waarin je zóveel te kiezen hebt, is het fijn dat je iemand kan spreken die je daarbij kan helpen. LOB is informeren, spanningspartner zijn, hulp bieden, inspireren. Het heeft al die functies, en bij elke leerling anders.”

 

Is voor leerlingen uit gezinnen met een migratie-achtergrond LOB nog belangrijker?

“Een flink percentage leerlingen op mijn school heeft een migratie-achtergrond of is de eerste die gaat studeren. Wat ik interessant vind, en terug zie in migrantengemeenschap in Nederland, is dat het onderwijs echt wordt gezien als verheffingsmiddel. De ouders of oma en opa zijn naar Nederland verhuisd zonder kennis van de taal of hoe van hoe alles hier werkt, en willen heel graag dat hun kinderen het beter krijgen. Onderwijs en ook bestaanszekerheid is belangrijk voor deze groep, omdat het de enige manier is om de maatschappelijke ladder op te klimmen. Leerlingen en studenten ervaren veel druk om te presteren en dan is het logisch om een studie te kiezen voor een duidelijk beroep, zoals arts of advocaat. Het is een safe option: je weet wat het je brengt.

Een opleiding wordt vooral gezien als een papier dat je nodig hebt voor een bepaalde baan, in plaats van een manier om jezelf te ontwikkelen. Als ik vertel dat ik misschien bestuurskunde of Liberal Arts and Sciences wil gaan studeren, vinden mijn ouders het goed, maar anderen uit de gemeenschap snappen het vaak niet.”

 

De vraag ‘Wat wil je later worden’ is niet zo gemakkelijk te beantwoorden.

“In die vraag ‘Wat wil je later worden’ zit eigenlijk al de drang om te kiezen op jonge leeftijd. Het zou moeten gaan over de vraag ‘waar wil je mee bezig zijn?’ Ik heb het idee dat leerlingen het idee hebben dat wat je kiest meteen vaststaat voor de rest van je leven. Ik vind het juist goed om je niet te snel vast te leggen. LOB draait erom dat je ontdekt wat je kan en wat je wilt en wat de weg ernaartoe is. De juiste LOB-keuze is de keuze die je verder brengt in je reis. Je hoeft echt niet meteen in de juiste trein te zitten. Je kunt uit- en overstappen, en misschien heb je de eerste trein nodig om de tweede trein te halen. Ik denk dat veel jongeren zich dat niet genoeg realiseren.”

 

LOB draait voor leerlingen dus niet alleen over voorlichting over bepaalde studies, maar ook over de hele route door het onderwijs?

“Dat geldt ook als je in je familie of je gezin de eerste bent die verder gaat studeren. Dan ben je ook de eerste die een bepaald pad op gaat. Het systeem an sich is dan vaag. Om op een hbo of universiteit echt ‘thuis’ te zijn, zijn er ongeschreven sociale regels die nieuw voor je zijn als je het boxje ‘migratie-achtergrond’ en het boxje ‘eerste die gaat studeren’ aanvinkt. Je bent misschien afwachtend, want je kent de regels niet, blenden is lastig. Het zit in kleine dingen die zorgen dat je je niet echt thuis voelt. Ik heb gelukkig ook vrienden die een paar jaar ouder zijn en me kunnen helpen. Maar als je je daarvan niet bewust bent, ga je daar te laat achter komen en mis je de aansluiting.”

 

Jullie hebben als leerlingenraad LOB ook aangekaart bij de directie van de school.

“LOB zit op onze school vooral verweven in bepaalde componenten, bijvoorbeeld het Technasium, de profielkeuze en de studiekeuze in de mentoruren. Maar uiteindelijk is het toch best minimaal, en wij vinden als leerlingenraad dat LOB niet een van de dingen is die je als school minimaal kunt doen. Het zou gedragen moeten worden door iedereen, niet alleen de mentoren. We wilden de directie scherp houden en onze directeur luistert echt, het is heel fijn dat zij er prioriteit aan geeft.

Scholen en docenten zijn nu vooral bezig met het inhalen van de achterstanden na corona. Ze zien LOB dan als nice to have, maar het is een cruciaal onderdeel van je middelbare schooltijd. Het zou in elke les moeten zitten, maar als docenten er niet echt zin in hebben of geen tijd voor hebben, valt het weg. De werkdruk onder docenten is hoog, dat speelt mee, maar dan nog: als docent kun je je rol herdefiniëren, juist als verder iedereen vooral bezig is met de inhoud van de stof. Dat lesboek is belangrijk, maar wat zit er in je ándere hand? Je kunt als docent echt een sleutelfiguur zijn voor een bepaalde leerling. Ik kan over tien jaar niet herinneren hoe een vulkaan precies in elkaar zit, maar de impact van een stage of een loopbaangesprek kan ik me dan nog precies herinneren.”

 

Heb je zelf een docent gehad die belangrijk voor je was?

“Dan denk ik aan meneer Van den Berg, onze docent Technasium. Het zit in zijn manier van lesgeven: hij heeft hele hoge verwachtingen van je, maar je mag óók heel erg falen. De lat ligt hoog, tegelijkertijd kun je een opdracht helemaal laten mislukken. Het voelt echt als onvoorwaardelijke steun.

Hij gelooft ook dat je dingen kunt, terwijl je het zelf nog niet door hebt. Daarin was hij echt spot on. Ik was in de brugklas bijvoorbeeld heel verlegen, maar toen we in groepjes een idee zouden presenteren, moest ik dat doen voor mijn groepje. Ik had het nog nooit gedaan, maar hij geloofde erin dat ik het zou kunnen. Dan word je ook zelfverzekerder. Het was echt een katalysator.

De brugklas is een belangrijke en cruciale tijd. Je komt ineens in een nieuwe wereld, waar je nog niemand kent. Dan kun je best een steuntje in de rug gebruiken. Meneer van den Berg deed misschien niet de traditionele LOB, maar hij gaf me inzicht in wat ik leuk vond en hij heeft altijd in me geloofd, dat is cruciaal. Ik wilde in zijn lessen ook altijd héél erg graag presteren. Het ging niet om het cijfer, maar om de waardering. Tegelijkertijd mocht ik ook zeggen: ‘Hier loop ik vast’. Die persoonsvorming, daar hielp hij bij.”

 

Je doet veel praktijkervaring op naast je opleiding. Wat heb je geleerd, bijvoorbeeld tijdens je stage bij het ministerie van Defensie?

“Ik denk dat álle stappen die ik heb gezet, mijn beeld genuanceerd hebben. Ik heb gezien hoe hard mensen werken en hoeveel checks & balances zijn ingebouwd: alles wordt driedubbel gecheckt en verantwoord. Ik heb meer vertrouwen gekregen in de overheid. Doordat je tijdens een stage andere referentiekaders heb leren kennen, wordt je oordeel genuanceerder. Je leert snappen hoe anders mensen afwegingen maken, zeker in crisissituaties. Het maakt dat je minder snel je oordeel klaar hebt en minder getriggerd wordt door nieuwskoppen. Ik zal niet snel meer roepen ‘dit is goed’ of ‘dit is slecht’.”

 

De vraag ‘Wat wil je later worden’ is voor jou vast ook niet zo gemakkelijk te beantwoorden.

“Ik krijg constant de vraag wat ik later wil worden, maar ik voel niet veel drang om mijn toekomst helemaal uit te stippelen. Ik laat dan wel de richting weten: ‘Ik wil in ieder geval iets maatschappelijks doen’. Mensen denken in beroepen en willen je graag in een hokje stoppen, omdat dat dingen duidelijker en beter behapbaar maakt, maar juist het openstaan voor nieuwe dingen heeft me zoveel gebracht in kennis en ervaring.” Lacht: “En ik ben onderdeel van de flexgeneratie, dus eigenlijk hóef me ook niet vast te leggen: wat ik uiteindelijk ook kies, waarschijnlijk zal ik er toch drie banen bij doen.”

____________________________________________________________

Tips

Voor docenten

  1. Verwerk LOB in de lessen
    Een tekst voor Nederlands kan bijvoorbeeld over een bepaald beroep gaan. En ook in gesprekken kan LOB terugkomen: hoe zie je jezelf over een paar jaar?
  2. Maak leren betekenisvol
    Kijk altijd naar hoe de les verbonden is met de wereld buiten de school: wat héb je aan wat je leert? Wat kun je hiermee, welke impact kun je hebben? Er zijn bijvoorbeeld leerlingen die een 3D-printer leren gebruiken, daarmee kun je duurzame dingen ontwerpen.
  3. Geloof in de kracht van je leerlingen
    Kijk voorbij de cijfers. Als leerling voel je het aan als een docent jou echt ziet. En als een docent meer de rol van coach heeft, kan dat de les ook dynamischer maken.
___________________________________________________________

Voor leerlingen

  1. Vraag je af ‘Waar wil ik later mee bezig zijn?’
    Dat is belangrijker dan een specifiek beroep. Leg jezelf niet te vroeg vast. Je hoeft niet nu iets te kiezen voor de rest van je leven, het belangrijkste is dat je een richting op gaat die bij je past.
  2. Laat weten dat je LOB belangrijk vindt
    Doet je school niet genoeg aan LOB, dan kun je dat aankaarten via de leerlingenraad.
  3. LOB gebeurt niet alleen op school
    Je kunt bijvoorbeeld ook meedoen met de maatschappelijke diensttijd (doemeemetmdt.nl). Je doet ervaring op, ontdekt wat je talenten zijn en je doet iets voor een ander. Wil je uit je bubbel, kies dan iets in een sector waar je helemaal geen ervaring mee hebt.

___________________________________________________________

Tekst: Anne Wesseling, Fotografie: Hetty van Oijen

>

D&P op Metameer: talentontwikkeling, brede oriëntatie en de leerling centraal

De combinatie van het brede karakter van het vmbo-profiel Dienstverlening & Producten (D&P) met een sterke LOB-component, maakt het tot een aantrekkelijk profiel. Hoe lukt het scholen om LOB als rode draad in hun programma te integreren? Een kijkje in de keuken van Metameer, een Jenaplan D&P-school in Boxmeer.

De uitgangspunten van deze school zijn talentonwikkeling, brede oriëntatie en het centraal plaatsen van de leerling. Presentaties, kringgesprekken waarin ervaringen worden gedeeld en het profiel D&P past daar goed bij. Decaan en docent Henk Pouwels en vakgroepvoorzitter Angelique Aarts vertellen over de brede oriëntatiemogelijkheden binnen het profielvak D&P. Het gaat hierbij om ontdekken wat wel en wat niet bij een leerling past.

 

LOB zat altijd al in het DNA en de visie van de school, met de mentoren als spil. Vanuit de ‘luxe’ situatie dat alle mentoren ook D&P-docenten waren, was LOB een min of meer vanzelfsprekend onderdeel van het programma. Met de groei van de school zijn er ook niet D&P-docenten mentor geworden. Daardoor is de school steeds op zoek naar hoe de ervaringen op het gebied van LOB binnen de D&P-lessen ook bij die mentoren terechtkomt.

 

Het vmbo-profielvak Dienstverlening & Producten (D&P) is een breed sector overstijgend onderwijsprogramma. Binnen D&P staat de oriëntatie op uiteenlopende werkvelden met een geïntegreerde loopbaanbegeleiding centraal. Leerlingen doen ervaringen op binnen verschillende werkvelden en reflecteren hierop, waardoor zij zicht krijgen op eigen talenten en interesses. Het voordeel van het profielvak D&P is, dat leerlingen zich breed kunnen oriënteren waardoor zij eind klas vier van het vmbo, een weloverwogen keuze kunnen maken voor een vervolgopleiding. Meer weten? Kijk dan op www.platformdenp.nl

 

>

Informatie over het tussenjaar is een onmisbaar onderdeel van LOB

Daniëlle Vogels, oprichter van het Tussenjaar Kenniscentrum, pleit ervoor de optie van een tussenjaar op te nemen in de LOB-lessen, voor álle leerlingen die na het behalen van hun diploma niet meer leerplichtig zijn. “Het is een manier om leerlingen aan het denken te zetten: ‘Wat heb jij nodig om straks succesvol te studeren, en welke risico’s en kansen zou een tussenjaar daarvoor kunnen opleveren?’"

Een eindexamenleerling in het voortgezet onderwijs wist zeker dat hij een tussenjaar wilde. ‘Prima’, zeiden de ouders. ‘Maar dan moet je wel een dóel hebben.’ Daar zat ‘m net de kneep: de jongen hád helemaal geen doel en wilde daar ook niet over nadenken.

Was dat erg? Volgens Daniëlle Vogels niet. “Een doel opdringen heeft geen zin, en dwingen tot studeren ook niet. Natuurlijk is een tussenjaar voor zulke jongeren een flink risico, maar met de juiste aanpak kan het ook voor hen hele positieve effecten hebben,” zegt ze.

Daniëlle Vogels richtte in 2019 het Tussenjaar Kenniscentrum op. Doel: objectieve informatie geven over het tussenjaar. Het is belangrijk dat daar een onafhankelijke instantie voor is, want commerciële partijen, die bijvoorbeeld taalreizen aanbieden, belichten de zaak maar van één kant. “We vinden het belangrijk dat leerlingen hierover open en goed geïnformeerd een keuze kunnen maken. Een tussenjaar kan voordelen hebben, maar kent ook risico’s.”

 

Je geeft onder meer workshops over het tussenjaar. Wat is het belangrijkste dat je jongeren daarin mee wilt geven?

“Ik laat ze in de eerste plaats nadenken over de vraag ‘Wat zou ik graag willen?’ En vooral ook: ‘Wat zou voor míj nuttig zijn om straks succesvol te kunnen gaan studeren?’ Bij LOB-lessen op school gaat het vaak vooral over de studiekeuze, maar er zijn nog meer zaken belangrijk. Je kunt de leukste studie kiezen, maar dan zitten er toch ook vakken in die je niet leuk vindt. Onder meer motivatie, zelfstandigheid, discipline en doorzettingsvermogen zijn ook belangrijk. Dat zijn dingen waar je eventueel aan kunt werken, in een tussenjaar.”

 

Vaak wordt gedacht aan een taalreis. Lekker Spaans leren aan de Costa!

“Dat kán een mooie invulling zijn, maar niet voor iedereen. Zo’n taalreis kan ook een grote party worden, dan wordt het tussenjaar meer een lange vakantie. Als je nog niet weet wat je wilt gaan studeren, is het trouwens maar de vraag of een taalcursus daarbij gaat helpen, want dan zit je wéér in de schoolbanken kennis tot je te nemen.

Een tussenjaar biedt kansen om jezelf beter te leren kennen. Dat doe je vooral door verschillende dingen mee te maken in het echte leven. Vervolgens kun je daarop reflecteren: wat vind ik ervan, wat zegt dat over mij? Dingen ervaren, dáár biedt het tussenjaar kansen voor leerlingen. En daar hoef je echt niet voor op reis. Misschien is een snuffelstage of vrijwilligerswerk voor jou veel nuttiger om jezelf te leren kennen. De laatste jaren zijn er met financiering van de overheid veel mooie vrijwilligersprojecten opgezet, die horen bij de maatschappelijke diensttijd. Dat is een fantastische mogelijkheid om het tussenjaar zinvol in te vullen. Het kost niets, en het is ontzettend waardevol voor je persoonlijke ontwikkeling én voor je netwerk.”

 

Vergroot een tussenjaar op zichzelf eigenlijk de kans op studiesucces?

“Die vraag krijg ik vaak, van zowel ouders als onderwijsprofessionals, maar op basis van onderzoek is daar niets over te zeggen. Gemiddeld vallen studenten na een tussenjaar niet minder vaak uit, maar een gemiddelde zegt niets over individuele gevallen, en ook niets over wat studenten dan hebben gedaan in hun tussenjaar.

Uit een promotieonderzoek in de Verenigde Staten bleek wel: jongeren die het tussenjaar hebben gebruikt voor hun persoonlijke ontwikkeling, bijvoorbeeld door te reizen, presteren daarna beter. Maar voor een goed tussenjaar hoef je echt niet per se te reizen. Uit onderzoek onder Nederlandse studenten blijkt dat maar eenderde van de jongeren met een tussenjaar heeft gereisd, dat zijn vaak jongeren met hogeropgeleide ouders. Wat de anderen doen, naast werken, en welke effecten dat heeft, daar is weinig over bekend.”

Zitten er ook risico’s aan een tussenjaar? Bijvoorbeeld dat je uit je studieritme raakt?

“Daar zijn veel mensen bang voor. Het kan best moeilijk zijn om na een tussenjaar weer in het studieritme te komen, maar dat kan na een lange vakantie aansluitend aan je eindexamen net zo goed lastig zijn. Je kunt je afvragen of dit een goede reden is om meteen door te studeren na je eindexamen. Je hebt hier in elk geval het minst last van als je goed weet wat je wilt studeren en echt gemotiveerd bent om te starten.

Een van de grootste risico’s van een tussenjaar is dat je er weinig aan hebt voor je studiekeuze. Dat je daarna nog steeds niet weet wat je wilt gaan studeren, of dat je net zo’n slecht gefundeerde keuze maakt als vooraf. Eenderde van de jongeren die een tussenjaar neemt, kiest uiteindelijk een andere studie dan ze vooraf van plan waren. Daarom is het belangrijk om je ook tijdens je tussenjaar goed te blijven oriënteren op vervolgstudies.

Een belangrijke factor is ook de mentale gezondheid van jongeren. Met de mentale gezondheid van veel studenten gaat het niet goed – dat was al zo vóór corona, onder meer door de prestatiecultuur. Ik hoor vaak dat jongeren gewoon toe zijn aan rust. De druk op middelbare scholen is ook best groot. Dat kan een goede reden zijn om even pauze te nemen, maar aan de andere kant: als je al niet lekker in je vel zit en dan ook nog niet weet wat je wilt gaan doen, raak je misschien nog dieper in de put. Om dit en andere risico’s te beperken is goede begeleiding van ouders belangrijk.”

 

Wat is de rol van ouders precies?

“Wanneer ik een workshop Tussenjaarplan geef, moeten zij verplicht meedoen. Jongeren maken natuurlijk zelf een plan voor hun tussenjaar, maar ouders hebben daarbij wel een rol. Ze hebben bijvoorbeeld, vaak onbewust, invloed op de vraag of een kind al dan niet voor een tussenjaar kiest. En áls het kind een tussenjaar kiest, hebben ouders invloed op wat het kan betekenen, in positieve of negatieve zin.

Er zijn bijvoorbeeld ouders die zich er volop mee bemoeien en van alles gaan regelen, dan beperk je wat je kind zelf kan leren. Wat wel goed kan werken, vooral als een jongere ongemotiveerd is om iets te gaan doen: de geldkraan dichtdraaien. Zolang je je kind financieel blijft ondersteunen, heb je kans dat het tussenjaar uitdraait op een grote vakantie. Veel ouders reageren blij als ik begin over het betalen voor kost en inwoning. Voor jongeren die weinig actiegericht zijn, kan het best lastig zijn als hun ouders de geldkraan dichtdraaien en ze een tijd fysiek moeten gaan werken.”

 

Er zijn ouders en professionals die zeggen: ‘Alleen een baantje in de supermarkt tijdens je tussenjaar, dat schiet niet op’.

“Maar voor sommige jongeren kan dat juist heel waardevol zijn! Een baantje onder je niveau kan wonderen doen voor je motivatie om te gaan studeren, maar ook voor je doorzettingsvermogen. Kom maar eens een flinke periode vroeg je bed uit voor een baantje waar je eigenlijk geen zin in hebt, daar is echt discipline voor nodig.

Ook voor ouders is het een belangrijke vraag: wat heeft je kind nodig om straks succesvol te studeren en wat zou je kind kunnen doen om aan díe dingen te werken? En wíl je kind eigenlijk wel studeren? Het is goed om na te denken over je wensen, ideeën en twijfels. Dán kun je bewust kiezen voor studeren en een eventueel tussenjaar goed vormgeven. Ongeveer de helft van de deelnemers aan mijn workshops Tussenjaarplan weet overigens nog niet zeker of ze een tussenjaar willen doen. Dat hoeft ook niet. Je hebt na afloop in ieder geval gekeken naar de mogelijkheden, en naar wat er nodig is om succesvol te gaan studeren. Dat is ook winst.”

 

Je pleit voor meer voorlichting vanuit het onderwijs omdat dat zou helpen kansenongelijkheid te verminderen. Hoe zit dat precies?

“In het afgelopen jaar ben ik op zoek gegaan naar jongeren met een migratieachtergrond en hun ervaringen met een tussenjaar. Vaak zeiden ze ‘Ik wist niet eens dat het bestond!’ En ook gaven ze aan dat een tussenjaar in hun omgeving taboe is, omdat ouders het zó belangrijk vinden dat ze het goed krijgen. Er is dan van huis uit veel druk om te gaan studeren, en om te kiezen voor een studie met status en carrièreperspectief.

Als die leerlingen niet vanuit school geïnformeerd worden over hoe een tussenjaar je kansen kan vergroten, hebben ze er geen kennis over. Daarom vind ik informatie over de kansen en risico´s van een tussenjaar een onmisbaar onderdeel van LOB. Als mensen twijfels hebben over een tussenjaar kijken ze trouwens meestal niet naar de risico’s van studeren. Veel studenten lopen vertraging op of vallen uit. In het hbo stopt bijvoorbeeld een op de drie studenten in het eerste jaar van de opleiding, dat is ook iets om over na te denken.”

 

Hoe liep het af met de jongen uit het voorbeeld?

“De ouders draaiden de geldkraan dicht, zodat hij moest gaan werken. Na een tijdje merkte hij dat hij het met dat baantje wel gehad had en daar was hij blij mee, want toen kwam alsnog de vraag op: ‘Wat wíl ik eigenlijk?’ Dus juist door er een tijdje níet mee bezig te zijn, kreeg hij de ruimte om echt na te denken over wat híj verder wilde en wat hij daarvoor nodig had.

Die vraag, ‘Wat heb jíj nodig?’, dat is uiteindelijk precies waar het om gaat bij het nadenken over een tussenjaar, en ook waarom het zo belangrijk is er op school in de LOB-lessen aandacht aan te besteden. Het hoeft niet veel tijd te kosten, en het levert ongelofelijk veel op. Want de vragen die je stelt bij het nadenken over een tussenjaar, over wat jij nodig hebt om succesvol te gaan studeren, zijn relevant voor álle leerlingen.”


__________________________________________________________________________

5 tips van Daniëlle Vogels

Een plek voor het tussenjaar in LOB

  1. Besteed er aandacht aan op school
    Het is in de eerste plaats belangrijk om álle leerlingen aan het denken te zetten, ongeacht of ze al dan niet een tussenjaar willen nemen.
  2. Laat het echt een open keuze zijn
    Een tussenjaar kent kansen en risico’s, net als doorstuderen. Let er bij een LOB-les op hoe je het insteekt, zodat het voor de leerlingen echt een open keuze is.
  3. De invulling is altijd persoonlijk
    Het gaat voor leerlingen om de vraag: ‘Wat heb jíj nodig, om straks succesvol te gaan studeren?’ Wil je bijvoorbeeld zelfstandiger worden, of discipline ontwikkelen, en hoe kan een tussenjaar daarbij helpen?
  4. Een tussenjaar hoeft geen geld te kosten
    Vaak wordt bij een tussenjaar meteen gedacht aan werken en reizen of zelfs een jaar high school, maar er zijn nog veel meer opties. Denk aan bijvoorbeeld een maatschappelijke stage, of vrijwilligerswerk: zinvol en ook goed voor je netwerk.
  5. Betrek ook ouders/verzorgers erbij
    Ouders hebben veel invloed op de keuze voor studeren en een belangrijke rol bij het goed invullen van een tussenjaar, al was het maar omdat zij vaak kunnen beslissen de geldkraan open of dicht te draaien.

__________________________________________________________________________

In onze opdrachtenbank vind je een docentenhandleiding en een jongerenopdracht over het thema tussenjaar. Bij de jongerenopdracht worden ook de ouders betrokken
Studiesucces en tussenjaar: kansen en risico’s | Expertisepunt LOB

 

Tekst Anne Wesseling | Fotografie Hetty van Oijen
>

Motivatieproject klas 5

Oefenen met het onder woorden brengen van je talenten!

Motiveren waarom je voor een bepaalde studie kiest is zo makkelijk nog niet. En wat als je nog helemaal niet weet wat je wilt gaan doen na je eindexamen?
Om leerlingen meer inzicht te laten krijgen in hun motieven en drijfveren bij studiekeuze, organiseren ze op het Ignatiusgymnasium in Amsterdam, voor leerlingen uit de vijfde klas, het Motivatieproject. Het Motivatieproject bestaat in de eerste plaats uit het verwoorden van je motivatie voor een bepaalde opleiding in de vorm van een (digitale)brief. Deze brief wordt geschreven tijdens een mentorles. Leerlingen die nog niet precies weten wat ze na hun eindexamen willen doen of zijn vastgelopen in het studiekeuzeproces, schrijven daarover: waar ben je goed in, wat vind je interessant, welke opleidingen passen daar eventueel bij, wat heb je tot nu toe gedaan om erachter te komen wat bij je past, wat heb je nodig van de school en je omgeving om een keuze te kunnen maken?

De brieven worden verzameld door de decaan en die deelt de leerlingen in in kleine groepjes. Deze groepjes gaan onder leiding van twee volwassenen ­ ouders van de school - in gesprek over hun motivatiebrieven. Tijdens de gesprekken krijgen de leerlingen niet alleen feedback van de betrokken ouders, maar ook van elkaar. Dit maakt de gesprekken extra waardevol: leerlingen zijn eerlijk naar elkaar toe en geven goede feedback is de ervaring. Ook leren ze veel van het luisteren naar elkaar en het ontdekken van elkaars motivatie voor wat betreft een studiekeuze. Er wordt ruim de tijd genomen voor de gesprekken.

>

“Stagiairs kunnen echt iets bijdragen aan je bedrijf”

*) Versnelteam LOB mbo

"Studenten staan in de rij om stage te lopen bij het bedrijf Herbs&Spices, specialist in gezonde voedingsconcepten in Alphen. Dat komt niet alleen door het concept (‘Wij maken van gezond eten een feestje!’) en de visie van het bedrijf, maar ook door eigenaresse en praktijkopleider Cindy van Egmond. Hoe begeleidt zij ‘haar’ studenten, wat wil ze hen meegeven en waarom vindt ze nieuwsgierigheid zo’n fijne eigenschap? “De vragen die ik aan studenten stel, stellen zij vaak ook aan mij. Zo word ik zelf ook weer aan het denken gezet.”

Tijdens een stage leren studenten hoe het er in de praktijk aan toe gaat, toch? Klopt. Maar als studenten van de opleiding food & future stage lopen bij Herbs&Spices, krijgen ze sommige dingen juist níet voorgedaan. Hoe je een bonbon vult, bijvoorbeeld. Daar zijn natuurlijk bekende technieken voor, maar probeer het eerst maar zélf – misschien bedenk je wel een andere manier die handiger is.
Werkt het bedrijf aan de ontwikkeling van een nieuw muffin-assortiment? Dan bedenken stagiairs nieuwe, gezonde muffins, op basis van wat zíj lekker vinden. Is het een succes, dan wordt die muffin opgenomen in het assortiment, zo niet dan is het ook prima – het ontwikkelen van voedingsconcepten is tenslotte een proces van experimenteren, fouten maken en daarover praten. Kortom: studenten komen bij Herbs&Spices om iets te leren, maar het bedrijf leert net zo hard van hén, legt Cindy van Egmond uit, eigenaresse en praktijkopleider van Herbs&Spices. “Wij betrekken ze tijdens hun stage echt bij de ontwikkeling van het bedrijf. Jongeren van nu zijn daaraan toe. Ze willen iets bijdragen, en ze willen geïnspireerd en gemotiveerd worden.”

 

Je werd door Curio uitgeroepen tot Leerbedrijf van het Jaar 2021, terwijl je nog maar net een paar jaar studenten begeleidde. Was je trots?

“Ik was natuurlijk trots, maar tegelijkertijd ook verbaasd. Mijn eerst reactie was ‘Wat dóe ik dan?’ Want ik ben heel chaotisch en ik heb adhd en bovendien had ik nog niet zoveel ervaring met het begeleiden van studenten. Maar toen ze het uitlegden, snapte ik het wel. De kern was dat ik enthousiast ben in wat ik doe, dat ik wat van mezelf laat zien en de studenten serieus neem. Het heeft natuurlijk voor een deel ook met het bedrijf te maken. We hebben hier een hele duidelijke visie: we willen mensen gezonder laten eten, door het ze zo leuk en gemakkelijk mogelijk te maken. Studenten die hier komen van de opleiding food & future omarmen die waarden, en er zijn nog niet zoveel bedrijven in de sector waar ze voor worden opgeleid.
Maar studenten maken hier ook echt onderdeel uit van het bedrijf en van het team. Dat is voor studenten ook belangrijk: dat wat ze doen niet zomaar iets is, maar dat het een functie heeft. Als ik graag een bepaalde nieuwe groep klanten wil aantrekken, doet een stagiair bijvoorbeeld onderzoek naar hoe ik dit kan realiseren. Zo leert zij om adviseur te worden, maar ík heb er ook echt iets aan.”

 

Een stagiair zei tegen je: ‘Volgens mij word jij heel blij als je iets van óns kunt leren!’

(Lachend) “Dat klopt! Ik ben echt heel nieuwsgierig. Als studenten hier binnenkomen wil ik ook alles van ze weten. Waarom kom je hier? Wat heb je met gezonde voeding? Wat wil je hier leren? Maar als ze hier eenmaal zijn, blijf ik ook vragen stellen. Wat eten jullie op school? Hoe wordt er bij jullie thuis tegen voedsel aan gekeken? Wat is jouw guilty pleasure, als het om eten gaat? Voor mijn bedrijf is dat allemaal relevante informatie.
Ik prikkel ook steeds de nieuwsgierigheid van studenten. Jongeren willen weten waaróm ze iets moeten doen, dus ik laat ze veel uitzoeken. ‘Waarom is het belangrijk dat het in de koelcel vier graden is? Zoek maar op!’ Ik ben echt blij als studenten nieuwsgierig zijn en veel vragen stellen, dan word ik zelf ook weer aan het denken gezet. Vraag maar!”

 

Waarom vind je die nieuwsgierigheid zo belangrijk?

“Omdat je op die manier zelf dingen ontdekt en zelf dingen leert. Het komt ook door mijn achtergrond. Mijn eigen nieuwsgierigheid is heel lang alleen maar als lastig gezien. Mijn biologische moeder was nog een tiener toen ze ons kreeg en had weinig opleiding, ze kon niets met alle vragen die ik stelde. Ik wist al jong dat ik kok wilde worden, op mijn vijftiende had ik al mijn lbo-diploma. Ik wilde zo graag verder leren, maar ik moest gaan werken, de gedachte was ‘Je bent maar een dubbeltje en je wordt toch nooit een kwartje’. Ik heb veel gejobhopt en bij elke baan vroeg ik na drie maanden: ‘Mag ik nu alsjeblieft een cursus?’ En steeds was het antwoord ‘Nee, want je hebt lbo-niveau’.”

Wanneer was er dan wél plek voor je nieuwsgierigheid?

“Mijn biologische ouders verdwenen uit mijn leven en ook op school was er geen oog voor mijn potentiële talenten. Uiteindelijk was het mijn pleegvader die me echt zag en mij ondersteunde in mijn ontwikkeling. Hij zei altijd: ‘Jij hebt pit en doorzettingsvermogen, Cindy, jij komt er wel’. Op mijn 25ste bleek bij een IQ-test dat ik hoogbegaafd ben. Met dat gegeven ben ik alsnog verder gaan leren, kort op het mbo en via een toelatingsexamen op het hbo en de universiteit. Op een van de eerste schooldagen zat ik buiten met een groepje jaargenoten en een kop goeie koffie. Niemand werd boos als je vragen stelde, je mócht nieuwsgierig zijn! Er ging zo’n wereld voor me open.
k heb door die ervaringen wel geleerd hoe essentieel het is dat iemand je echt zíet. Dat is ook waarom ik alles van stagiairs wil weten, en waarom ik ook echt wil dat ze leren communiceren over wat er in hen omgaat. Op die manier kan ik ze ook verder helpen met hun eigen zoektocht naar wat ze kunnen en willen.
Mijn pleegvader heet trouwens Herman, maar ik noemde hem altijd Herbs. Toen ik een eigen bedrijf begon, heb ik een naam gekozen die naar onze band verwijst.”

 

En dat bedrijf is voor studenten een warm bad.

“In mijn visie ben je als stagebedrijf en onderwijsinstelling een vangnet voor de minder mooie ervaringen die studenten onherroepelijk gaan hebben. Tijdens de studie hebben ze een mooi beeld van het vak, maar in de praktijk ís het niet altijd zo mooi. Je moet soms vroeg op, er mislukken dingen, de afwasmachine gaat stuk zodat je alles met de hand af moet wassen. Dat is niet leuk, maar het moet gewoon gebeuren. Dat ze dat ontdekken, valt onder levenservaring. Die sterkt je en ontwikkelt je juist verder.
Daarom is het ook belangrijk dat studenten leren om na te denken over wat ze hier meemaken en wat het voor hen betekent, en dat ze ook leren daarover te communiceren. Dat lukt alleen in een veilige omgeving. Volgens mij is dat ook de taak van het onderwijs en van een stagebedrijf: een veilige plek bieden, waar je jezelf mag zijn en waar je fouten mag, of eigenlijk móet, maken. Die veilige bedding is zó belangrijk. Maar verder kan ik ook best streng zijn, hoor.”

 

Heb je een voorbeeld?

“Er was een stagiair die op haar tweede dag ’s ochtends een appje stuurde: ’Het lijkt me niet verstandig dat ik vandaag kom’. Het was een stage op therapeutische basis, maar toch, het was vlak voor het weekend, ze zou pas een aantal dagen later weer komen. De drempel zou alleen maar hoger worden. Dus ik belde: ‘Je komt gewoon hierheen en je gaat honderd bonbons maken, dan vul je een doosje met bonbons voor jezelf en ga je weer naar huis. Maar je kómt!’ Ik was ferm, ik verwachtte nog bijna dat ik een boze moeder aan de telefoon zou krijgen. Maar ik dacht: als ze vandaag niet komt, komt ze helemaal niet meer. En het ging goed. Ze kwam, ze huilde uit, kreeg thee, trok haar koksbuis aan en ging bonbons maken. En vanuit de bus op weg naar huis stuurde ze nog een appje, dat ze blij was dat ze tóch gekomen was.
Zelf was ik ook blij: zij kon aangeven wat er was, wij konden haar helpen. Ik wil dat studenten weten: als je hier stage loopt, ben je belangrijk. Niet omdat je die bonbons maakt, maar omdat je een van ons bent. Je hoort erbij!”

 

Gaat het ook wel eens mis?

“Een andere stagiair zei na twee weken: ‘Dit is niks voor mij’. Dan ga ik natuurlijk in gesprek. Hoezo dan, wat is er precies niks voor jou? Uiteindelijk bleek: ze wilde niet koken, maar liever achter de computer werken. Daar kom je achter door samen te zoeken naar iets dat ze wél leuk vindt. Uiteindelijk is ze na een volwaardige stageperiode hier weggegaan, en was ze toch heel blij met de stage, mailde ze later: ‘Door jou heb ik geleerd wat ik wél wilde’.”

 

Vanuit LOB gezien was dat een hele succesvolle stage! Wat is het belangrijkste dat jij studenten mee wilt geven?

“Uiteindelijk wil ik dat ze leren hoe verrijkend werk kan zijn, en dat je door werk je talenten kunt ontwikkelen. Een van onze stagiairs ging laatst mee naar een cateringopdracht. Na afloop gingen we even samen wat drinken en nagenieten van hoe goed het was gegaan. Even samen blíj zijn. Die werksatisfactie, daar gaat het om. Ik wil dat studenten ervaren hoe tof en verrijkend werk kan zijn. Dat het fijn het is als je zinvol werk doet, op een veilige plek waar je nieuwsgierig mag zijn en fouten mag maken en waar je echt iets bijdraagt. Waar je erbij hoort. Ik wil dat ze leren: kijk, dit is hoe werk kan zijn. Dat gevoel van ontdekken, bijdragen, ervaren en beleven. Dat is ook voor jóu weggelegd.

In mijn eigen loopbaan heb ik best een kronkelige weg afgelegd, maar uiteindelijk heb ik mensen gevonden die mij echt wilden zien. Ik ben dankbaar dat mijn leven een goede wending kreeg en dat ik daar ben waar ik wilde zijn. Daarom wil ik dit doen: ik wil het aan jonge mensen doorgeven.”

 

 

 

Tips van Cindy van Egmond

 

+ Zie stagiairs als een verrijkende factor voor de ontwikkeling van je bedrijf. De insteek mag zijn ‘Ik ga iets léren van deze student’.

+ Nodig de student uit zichzelf te laten zien door jezelf open op te stellen.

+ Heb je geen ervaring of weet je niet goed wat er van je verwacht wordt als stagebegeleider, dan kun je ook een cursus volgen.

+ Geef leerlingen en studenten de mogelijkheid om hun ervaringen te delen op een manier die aansluit bij hun belevingswereld. Een reflectieverslag hoeft niet altijd in geschreven vorm, het kan ook een vlog zijn, of een fotoserie..

+ Blijf zelf ook nieuwsgierig. Wie zijn de stagiairs, hoe zouden zij dingen aanpakken, welke bagage nemen ze mee? En moedig ze aan om vragen te stellen en dingen zelf te onderzoeken.

+ Lees jezelf in over de generatie van nu.  

 

 

Informatie:

www.herbsandspices.nl https://www.curio.nl/nieuws/leerbedr-van-het-jaar-2021-herbs-en-spices/

 

* Versnelteam LOB mbo
Het Expertisepunt LOB geeft dit schooljaar een extra impuls aan het stimuleren van LOB in het mbo. In een Versnelteam met 17 mbo-scholen creëren we nog meer impact op thema’s als het inzetten van alumni, het versterken van voorlichting vervolgonderwijs en arbeidsmarkt, LOB in de beroepscontext en het integraal aanpakken van LOB op school. Mooie voorbeelden vanuit de scholen worden gedeeld zoals dit voorbeeld vanuit het Frieslandcollege.

Tekst: Anne Wesseling Fotografie: Hetty van Oijen

>

Een goed loopbaangesprek over je leefstijl op Rijn IJssel

Test je leefstijl!

Rijn IJssel wil bij het opleiden van studenten niet alleen investeren in persoonlijke en professionele ontwikkeling, maar ook in gezondheid en welzijn. Daarom ondersteunen zij hun studenten graag bij het ontwikkelen van een gezonde leefstijl. Uit diverse onderzoeken blijkt dat negatieve gevoelens en psychische klachten tijdens Corona, ook bij jongeren, sterk zijn toegenomen. Ook is aangetoond dat mensen in coronatijd minder hebben bewogen en in het algemeen zwaarder en minder gezond zijn geworden. Rijn IJssel wil studenten die dat nodig hebben, graag ondersteunen bij het verbeteren van hun fysieke en psychische gezondheid en geeft aandacht aan dit thema bij het voeren van loopbaangesprekken.

Een goede gespreksstarter voor het bespreekbaar maken van het thema gezonde leefstijl binnen een loopbaangesprek, is de test Testjeleefstijl.nl. Alle studenten bij Rijn IJssel kunnen deze test maken, maar deelname is vrijwillig. Op basis van de uitkomsten van de test én op basis van eventuele eerdere signalering, maken coaches en docenten deze uitkomsten bespreekbaar als onderdeel van het loopbaangesprek. Inzichten in de aandachtspunten op het gebied van leefstijl geven zowel studenten als loopbaancoaches en docenten aanknopingspunten bij het voeren van het loopbaangesprek. Studenten worden zich hierbij bewust het feit dat leefstijl van invloed is op hun loopbaan en de keuzes die ze hierin maken. Studenten worden op basis van het gevoerde gesprek aangezet tot het maken van een actieplan om hun leefstijl daadwerkelijk te verbeteren.

>

“Wie weet vind je je droombaan langs je fietsroute naar school!”

Leerlingen kennen bedrijven in hun eigen regio vaak wel van naam, maar hebben geen idee welke prachtige kansen daar liggen als het gaat om hun toekomstige loopbaan. Het digitale platform en LOB-traject ‘Keyport Meets | Regio in je Rugzak’ gebruikt daarom onder meer slimme software om leerlingen en bedrijven te matchen. Projectleider Paul van Lienen: “We brengen bedrijven in beeld waar leerlingen anders niet zo snel mee in aanraking komen.”

Rockwool. Sekisui Alveo. UPS Healthcare Solutions. Leerlingen die in het Limburgse Herkenbosch wonen en in Roermond naar school gaan, passeren een industrieterrein met talloze bedrijfsnamen op de gevel. Maar weten ze ook wat voor soort bedrijf er achter de naam zit, en wat er daar achter de voordeur precies gebeurt? In de meeste gevallen niet.

Sterker: vo-leerlingen in Midden-Limburg denken vaak dat er in hun regio ‘helemaal niets’ is. Dat is pertinent onwaar, aldus Paul van Lienen, projectleider van Keyport Meets | Regio in je Rugzak. “We hebben hier álles en er liggen bij die bedrijven geweldige kansen – je moet er alleen mee in aanraking komen. Neem Sekisui Alveo: dat is een producent van schuimrubber, en het bedrijf heeft niet alleen een grote administratieve en logistieke afdeling, maar ook een eigen laboratorium. Dat is voor leerlingen hele relevante informatie. Wie weet vind je je droombaan langs je fietsroute naar school!”

Die informatie bij de leerlingen krijgen, dat is het doel van het online platform ’Keyport Meets’ | Regio in je Rugzak’. ‘Keyport Meets’ verwijst naar de verbinding tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid in de ‘Keyport’-regio in Midden-Limburg en een stukje Brabant. Het ‘Regio in je Rugzak’-gedeelte is, in eerste instantie, een anderhalf jaar durend LOB-traject voor vo-leerlingen: zij maken een ontdekkingsreis door hun eigen regio, en krijgen daarbij een denkbeeldige ‘rugzak’ mee met informatie en LOB-opdrachten. Gedurende hun reis vullen ze die rugzak met souvenirs, zoals de verslagen van bedrijfsbezoeken en gesprekken die ze hebben gevoerd, maar ook met zelfkennis op het gebied van hun LOB-competenties. “Het wordt een rugzak vol ervaringen, maar ook een sleutel naar je toekomst.”

 

Rugzak in je Regio omvat voor leerlingen een LOB-traject met zes fasen. Hoe is het traject opgebouwd?

“Aan de hand van LOB-opdrachten genereert de slimme software in de eerste fase voor elke leerling een zogeheten DNA-profiel, met onder meer de kwaliteiten en competenties van de leerling. Mede op basis daarvan matcht het programma de leerling met een aantal bedrijven.
Tijdens speciale ‘Regio in je Rugzak’-evenementen kunnen bedrijven vervolgens aan de leerlingen laten zien wat ze precies in huis hebben. Vervolgens bezoeken de leerlingen minimaal twee bedrijven, om een idee te krijgen van de dagelijkse gang van zaken – ze zien in hun digitale omgeving welke initiatieven er zijn, en kunnen zich daar dan ook meteen voor opgeven.
De volgende fasen draaien om verdieping: leerlingen maken kennis met verschillende vakgebieden, bijvoorbeeld door een bezoek aan Bouwmensen of het Foodlab Limburg, en lopen bijvoorbeeld snuffelstages bij bedrijven.
De laatste fase draait om de keuze voor een vervolgtraject: de leerling bezoekt bijvoorbeeld een vervolgopleiding en spreekt met studenten die vertellen hoe die opleiding eruit ziet.

Bij elke fase krijgt de leerling LOB-opdrachten, die grotendeels afkomstig zijn uit de opdrachtenbank van het Expertisecentrum LOB. Het hele traject duurt ongeveer anderhalf jaar. Scholen kunnen zelf invullen hoe ze het precies vorm willen geven, maar wij adviseren om te beginnen in het jaar voordat leerlingen een keuze maken voor een profiel of vervolgstudie. Het platform is uit te breiden naar meer leerjaren.”

 

Jullie maken gebruik van slimme software om kennis en vaardigheden in beeld te brengen en om leerlingen en bedrijven te matchen. Hoe moet ik me dat voorstellen?

“De slimme software is vooral een hulpmiddel om de leerlingen aan het denken te zetten. De vraag ‘Wat zijn je kennis en competenties?’ vinden leerlingen vaak best lastig om te beantwoorden. De software helpt daarbij, bijvoorbeeld door inzichtelijk te maken welke competenties bij jou passen, op basis van wat jíj aanlevert. We hopen natuurlijk dat de leerlingen dan een ‘Oh ja!’-ervaring hebben, maar klopt het niet, dan komen er andere suggesties.”

 

De software helpt de leerlingen ook om een weg te vinden in de regio, door ze te matchen met bedrijven die passen bij hun DNA-profiel.

“Het werkt verschillende kanten op: de leerlingen die geen idee hebben welke kant ze op willen, helpen we om het zoekveld smaller te maken, en leerlingen die juist een smal toekomstbeeld hebben, krijgen extra opties waaraan ze misschien niet gedacht hadden. Het kan overigens ook zijn dat een leerling op een bepaald spoor zat, waarvan hij of zij bij nader inzien denkt: ‘Dit wordt ‘m toch niet’. Dat is óók waardevol.

Door het gebruik van die slimme software komen bedrijven in beeld waar leerlingen anders niet zo snel mee in aanraking zouden komen. De evenementenbranche trekt bijvoorbeeld enorm, omdat leerlingen er een duidelijk beeld bij hebben. Maar stel, je hebt als leerling een profiel dat past bij de evenementensector. Dan zou jij misschien ook wel een héle goeie begrafenisondernemer kunnen zijn, want dat valt feitelijk in dezelfde sector. Je hóeft niet die kant op, maar leerlingen krijgen nu tenminste wel een keuze.”

 

De nadruk ligt meer op een kennismaking met vakgebieden dan op specifieke beroepen. Waarom hebben jullie die keuze gemaakt?

“Een beroep is al heel specifiek. In instantie kun je beter wat breder kijken: ‘Welk vakgebied past bij mij?’ De zorg heeft bijvoorbeeld zoveel facetten: je kunt in een jeugdinstelling werken, of met ouderen, of meer de technische kant op. Hetzelfde geldt voor de bouw: wil je met je handen werken of liever ontwerpen? De eerste vraag is toch in welke sector jij je op je plek voelt.
We kennen in onze regio veel initiatieven waar leerlingen kunnen kennismaken met een vakgebied, bijvoorbeeld Bouwmensen Limburg, die laten zien wat de bouw inhoudt, CIVIL voor installatietechniek, Foodlab Limburg voor de horeca, en ProfCore voor de procesindustrie. Tijdens hun reis door de regio kunnen leerlingen daar onderzoeken in welk vakgebied ze zich het meest op hun plek voelen. Dat beroep, dat komt later wel, dat komt vanzelf op je pad.”

Hoe reageren bedrijven op Regio in je Rugzak?

“Heel enthousiast! Normaalgesproken verloopt voor hen het contact met het onderwijs best moeizaam: ze moeten veel moeite doen om met leerlingen in contact te komen, en soms gaan alle scholen ineens naar één bedrijf, als bekend is dat daar bijvoorbeeld rondleidingen mogelijk zijn. Nu hoeven bedrijven als eerste stap alleen een profiel aan te maken en krijgen ze de leerlingen bij wijze van spreken op een presenteerblaadje.
Een groot voordeel is ook dat dit project niet draait om eenmalige activiteiten. Bedrijven blijven via dit platform gedurende een aantal jaren met de leerlingen in contact, en de leerling kan de regio blijven volgen. Een leerling kan straks na het afronden van de opleiding aangeven: ‘Ik ben beschikbaar’, en bedrijven kunnen in de toekomst ook op het platform aangeven dat ze vacatures hebben.”

 

En de scholen?

“In de pilotfase hebben leerlingen hun profielen ingevuld; daar wordt nu mee verder gewerkt in LOB-lessen. Door corona hebben we vertraging opgelopen, de komende tijd gaan we echt de slag naar de praktijk maken. Hopelijk kunnen we binnenkort ook weer evenementen gaan organiseren.
De bedoeling is trouwens dat docenten ook een profiel krijgen. Die gaan dus net als de leerlingen hun eigen regio ontdekken en contact leggen met bedrijven. Zo wordt het voor hen ook gemakkelijker om onderwijs buiten de school vorm te geven. Er gebeurt in het onderwijs veel van bovenaf, we willen in dit project juist graag dat de leerlingen en de docenten ontdekken waar zíj mogelijkheden zien om LOB en de samenwerking met bedrijven verder vorm te geven.”

 

Straks stapt zo’n docent zèlf nog over naar een andere sector!

Lacht: “En dat is prima! Mijn werkgever SOML (Stichting Onderwijs Midden-Limburg, red.) juicht het toe dat je als docent een kijkje neemt in het bedrijfsleven, en omgekeerd: dat mensen vanuit het bedrijfsleven een of twee dagen gaan lesgeven. Dit project draait om kansen in de regio, en het gaat erom dat het bedrijfsleven en onderwijs ontdekken dat ze sámen dingen van de grond kunnen krijgen. Bedrijven zouden, wanneer ze een nieuw project opzetten, daar bijvoorbeeld ook onderwijs van kunnen maken. Ze kunnen dan via het platform rechtstreeks een docent benaderen en aangeven dat ze open staan voor gastlessen. Er komt interactie! Daar worden we allemaal beter van.”

 

Hoe gaat het de komende tijd verder?

“We gaan een ‘Regio in je Rugzak’-app ontwikkelen, omdat dat echt past bij hoe jongeren communiceren. We onderzoeken daarnaast of we dit project kunnen doortrekken naar het mbo, en we gaan Regio in je Rugzak ook koppelen aan Meet the Youngsters, een soortgelijk platform voor studenten van mbo, hbo en wo, zodat de leerlingen hun Rugzak-profiel kunnen meenemen naar hun vervolgopleiding. Dan hebben we een echt een mooie doorlopend leerlijn.

Tot slot zou het natuurlijk mooi zijn als we het aantal regio’s kunnen uitbreiden. We zoeken nu om te beginnen aansluiting in Noord-Limburg. Bij het voorvoegsel ‘Keyport Meets’ kun je ‘Keyport’ vervangen door de naam van elke andere regio. Wat blijft is ‘Regio in je Rugzak’. De leerlingen de éigen regio laten ontdekken, zodat ze oog krijgen voor alle kansen en mogelijkheden bij bedrijven in hun omgeving – daar gaat het om.”

 

 

Tips van Paul van Lienen

1. Zie het belang van samenwerking

Samen kun je echt veel meer. Dus onderzoek altijd eerst of je kunt samenwerken met andere scholen en met bedrijvenplatforms, en maak gebruik van elkaars expertise.

2. Je hoeft niet alles zelf te ontwikkelen

Wij gebruiken bijvoorbeeld LOB-opdrachten van het Expertisepunt LOB.

3. Denk aan de lange termijn

Voor ondernemers: zie samenwerking met het onderwijs als een investering die verder gaat dan je eigen bedrijf. Misschien komt de leerling later niet bij jóu terecht, maar kun je hem of haar wel behouden voor je vakgebied.  

 

 

 

Informatie

Contactpersoon: Paul van Lienen, info@regioinjerugzak.nl

www.regioinjerugzak.nl

Tekst: Anne Wesseling Fotografie: Hetty van Oijen

>

Doorstroomcijfers kunnen helpen om LOB op de kaart te zetten

Hoe kunnen we de aansluiting tussen havo en hbo verbeteren? De Hogeschool van Amsterdam (HvA) gebruikt de doorstroomcijfers om daarover met middelbare scholen in gesprek te gaan. Marieke Siebrecht (HvA) en Stéphanie Dockx (Hervormd Lyceum Zuid) vertellen over wat dat oplevert, onder meer voor LOB.

Hoe doen havoleerlingen het eigenlijk op het hbo? Hoeveel van hen halen hun propedeuse, hoeveel wisselen van opleiding, welk percentage zwaait af of stroomt door naar de universiteit? Hogescholen houden die doorstroomcijfers bij, maar vervolgens gebeurt er vaak niet zoveel mee richting vo-scholen.

Dat is jammer, vinden ze bij de Hogeschool van Amsterdam. Die cijfers kunnen juist een mooie aanleiding zijn om met de school in gesprek te gaan over hoe de aansluiting tussen havo en hbo verbeterd kan worden.

Dat is dus precies wat er sinds een aantal jaren gebeurt, vertelt Marieke Siebrecht, adviseur aansluiting vo-hbo aan de HvA. “In onze doorstroomrapportages geven we een overzicht van onder meer de instroom vanuit de school, hoeveel leerlingen hun propedeuse behalen en hoeveel leerlingen in het eerste jaar stoppen met de opleiding, met of zonder propedeuse. Die cijfers sturen we door naar ruim honderd toeleverende vo-scholen. Vervolgens selecteren we elk jaar vijftig scholen om over de cijfers in gesprek te gaan. Dat kunnen scholen zijn met een hoog aandeel in de instroom, scholen met een nieuwe decaan, of scholen waar we al even geen contact mee hebben gehad.”

Na een eerste gesprek met Marieke besprak Stéphanie Dockx, decaan havo-bovenbouw van het Hervormd Lyceum Zuid (HLZ), de doorstroomrapportage met haar schoolleiding.

Stéphanie, de meerderheid van jullie havo-leerlingen kiest voor een vervolgstudie op de HvA. Hoe waren de doorstroomcijfers?

“Niet goed. Toen ik de cijfers zag, schrok ik in eerste instantie: de uitval in het eerste jaar is vrij hoog, zeker in het vakgebied economie. Naar aanleiding van de gegevens ging ik in gesprek met mijn teamleider havo-bovenbouw. We vroegen ons af: waar ligt het aan? Is het de lesinhoud waardoor de aansluiting naar het hoger onderwijs niet optimaal blijkt? Ligt het aan de studievaardigheden van onze oud-leerlingen en kunnen ze bijvoorbeeld niet goed genoeg presenteren of reflecteren? Of ligt het aan de voorlichting en oriëntatie op een vervolgopleiding? Het was in elk geval genoeg aanleiding om samen nogmaals met Marieke in gesprek te gaan. Als school waren we benieuwd naar de oorzaak van die cijfers en vooral naar wat we eraan konden doen. Was het een combinatie van de drie genoemde factoren, of was er eentje die eruit sprong en waar we dus extra op moesten inzetten?”

Marieke: “Zo heel specifiek zijn de cijfers niet. We kijken vooral naar trends, en wat dat betreft kon ik Stéphanie eigenlijk meteen geruststellen: de uitvalcijfers van het HLZ zijn niet echt hoger dan gemiddeld op de HvA. Sterker nog, eigenlijk gaat het wel de goede kant op. Met uitval bedoelen we trouwens de studenten die bij ons in hun eerste jaar stoppen en zich daarna veelal opnieuw oriënteren op een opleiding. De meesten vinden het jaar daarna een beter passende studie. Ze hebben door hun eerste ervaring meer over zichzelf geleerd en weten beter wat bij hen past.”

Hoge uitvalcijfers op het hbo zijn dus niet per definitie alarmerend?

Marieke: “In de cijfers zitten veel nuances. Er zijn bijvoorbeeld studenten die na hun hbo-propedeuse doorstromen naar de universiteit. Daarbij: de opleidingen binnen het vakgebied economie zijn heel verschillend en juist de leerlingen met E&M profiel vinden het lastig daarin hun weg te vinden.”

Stéphanie: “Het is fijn om met Marieke van gedachten te wisselen, want ongeacht de cijfers vinden we het als school belangrijk om aan de aansluiting met het hbo te werken. We hebben om de paar maanden een gesprek met Marieke samen met de teamleider en leerjaarcoördinator havo bovenbouw.”

Marieke: “Daar gaat het uiteindelijk ook om: de doorstroomcijfers zijn voor ons ook vooral een aanleiding om met scholen in gesprek te gaan over hoe we de aansluiting kunnen verbeteren. Daarbij gaat het om drie dingen: om kennen, kunnen en kiezen. Kennen gaat over de vakinhoud, kunnen over hbo-vaardigheden en kiezen over de loopbaanoriëntatie.”

Leren kiezen is binnen LOB een belangrijk thema.

Stéphanie, hoe begeleiden jullie leerlingen daarbij? “Het begint al in de brugklas. Leerlingen maken veel keuzes, maar ze maken ze niet bewust. Dus dat is de eerste stap: ze daarvan bewust te maken. Waarom koos je voor deze school? Welk profiel kies je en waarom? Waarom kies je voor Spaans en niet voor Frans? In kleine stapjes worden de keuzes steeds belangrijker. We willen als school de komende tijd meer inzetten op die doorlopende leerlijn omdat we er het belang van inzien.

Het valt me op dat veel leerlingen bang zijn om keuzes te maken. Sinds de drempelloze doorstroom zijn er ook meer leerlingen die naar het vwo willen doorstromen en natuurlijk moedigen we dat aan. Maar soms is het ook zo dat ze nog niet weten wat ze willen en hun keuze voor een vervolgopleiding willen uitstellen. Vervolgens is de gedachte af en toe dat je na het vwo per se naar de universiteit moet ‘anders is het zonde’.”

Hoe haal je iets van die keuzestress weg?

Stéphanie: “Onder meer door uit te leggen dat een keuze meestal niet allesbepalend is en dat er meerdere wegen naar Rome leiden. Dat vergeten leerlingen en ouders soms. Als leerlingen bijvoorbeeld een profiel hebben gekozen waardoor ze uiteindelijk een vak missen dat ze later toch nodig blijken te hebben voor een opleiding die ze willen gaan volgen, kunnen ze daarvoor alsnog een certificaat behalen.”

Marieke: “Kiezen ís ook lastig. Je wordt er al snel onzeker van, er is zoveel keuze. Jongeren zien vaak wel de mogelijkheden, maar vinden het lastig om die aan zichzelf te koppelen. Ze kiezen er dan voor om zoveel mogelijk opties open te houden. Maar dat hóeft niet. Als je leert welke aspecten voor jou van belang zijn, ben je minder bang om keuzes te maken. Het gaat erom dat jongeren leren autonome keuzes te maken. Wat past bij jóu? Kunnen kiezen is een levensvaardigheid.”

Leiden jullie gesprekken ook tot meer samenwerking?

Stéphanie: “Ja, bijvoorbeeld bij de activiteit ‘Student in de klas’, dan vertellen studenten over hun ervaringen bij de overstap naar de HvA. We gebruiken ook een flow chart, een invulschema voor leerlingen. Daarbij vragen we hen expliciet of ze al weten wat ze willen gaan studeren, en kunnen ze kiezen uit ‘Ik heb nog geen idee’, ‘Ik twijfel’ of ‘Ik weet zeker wat ik wil studeren’. Met de leerlingen die het helemaal nog niet weten, wil ik een studiekeuzeworkshop doen.

Marieke bood aan om daarbij te helpen.” Marieke: “Wij hebben een ‘Hoe kies ik’-workshop ontwikkeld die daar goed bij aansluit. Daarin komt ook aan de orde wat er allemaal van invloed is op een keuze – alleen al zien dát het ingewikkeld is, helpt leerlingen om weer uit te ademen. Ik ben op mijn beurt trouwens heel benieuwd naar die flow chart en hoe Stéphanie daarmee werkt. Wij ontwikkelen naar aanleiding van de gesprekken met scholen soms ook nieuwe activiteiten en we verzamelen en ontwikkelen tools voor hbo-vaardigheden die we op onze website aanbieden.”

Marieke, binnen de faculteit Business en Economie is de uitval ook hoog omdat studenten vooraf geen duidelijk beeld hebben gekregen van de verschillen tussen de opleidingen.

Is dat reden om de voorlichting aan te passen? “Ja, bijvoorbeeld door minder vast te houden aan de voorlichting per studierichting. Het afgelopen studiejaar is door de faculteit Business en Economie een faculteitsbrede voorlichting ontwikkeld aan de hand van een casus over een sneaker. Dit sluit goed aan op de belevingswereld van aankomende studenten. Je kunt daar commercieel naar kijken: hoe zet ik die sneaker in de markt, aan wie kan ik hem verkopen? Je kunt kijken naar de financiële cijfers: wat moet je inkopen en hoe financier je dat? Je kunt het ook bekijken vanuit de logistiek, of vanuit HRM: hoe zorg je dat er goed voor de medewerkers van het bedrijf wordt gezorgd? Door het bedrijf op die manier van verschillende kanten te belichten, ontdekken leerlingen welke kant zíj interessant vinden en hoe ze dat kunnen koppelen aan, bijvoorbeeld, een opleiding Commerciële Economie of Finance & Control.”

Stéphanie, op het HLZ koppelen jullie LOB expliciet aan het profielwerkstuk. Daarbij gaat het ook om hbo-vaardigheden en studiekeuze. Hoe hebben jullie dat opgezet?

“We vinden het vooral belangrijk om onze havoleerlingen te stimuleren zich goed te oriënteren op vervolgstudies. We hebben het profielwerkstuk daarom gekoppeld aan voorlichtingsactiviteiten en stages [zie kader]. Voor elk onderdeel kunnen leerlingen punten verdienen. Al die LOB-activiteiten tellen dus mee voor het profielwerkstuk. Idealiter vormen de LOB-activiteiten dan een inspiratiebron voor een mooi profielwerkstuk en vice versa. De hoofdvraag voor je profielwerkstuk halen uit een interview met de baas van je stageplek, is natuurlijk prachtig.

Daarnaast vinden we het belangrijk om de samenhang te laten zien met de hbo-vaardigheden die leerlingen straks nodig hebben, zoals presenteren en reflecteren. Leerlingen zien die vaardigheden vaak als losstaand. Bij het PWS merken ze dat de trucjes die ze bij Engels leren om te presenteren, ook kunnen gebruiken bij de presentatie van hun profielwerkstuk. Zo worden ze zich hopelijk bewust van de samenhang. LOB helpt daarbij.”

Hoe kun je LOB nog meer inzetten om de aansluiting met het hbo te verbeteren?

Stéphanie: “Het zou mooi zijn als LOB meer een onderdeel kan zijn van elk schoolvak. Docenten zijn er nu ook al mee bezig, maar dat gebeurt vaak nog onbewust. Wanneer docenten bijvoorbeeld tijdens een les vertellen wat de leerlingen later kunnen doen met hun vak, zouden ze dat ook aan LOB kunnen koppelen: ’Als je dit interessant vindt, is misschien deze opleiding iets voor jou.’ Zo’n kort uitstapje tijdens de les geeft context.”

Marieke: “Dat is een belangrijk advies aan docenten: benoem het! Haal leerlingen even uit de lesstof en laat zien: zó kun je dit gebruiken, dít kun je er in de toekomst mee. Zo kun je leerlingen echt helpen.”

Stéphanie: “We kunnen wellicht docenten er ook meer bewust van maken hoe ze binnen het vakonderwijs al zouden kunnen aansluiten op het vervolgonderwijs. Ook op het gebied van hbo-vaardigheden. De HvA denkt hierin mee. Dat vind ik trouwens ook echt een pluspunt aan onze gesprekken: ze zijn een startpunt voor samenwerking in de toekomst. Marieke en ik hebben nu in ieder geval korte lijnen, we weten elkaar te vinden.”

Tot slot, wat zijn jullie adviezen voor vo-scholen?

Stéphanie: “Zoek actief contact met de hogescholen waar je leerlingen naar toe gaan. Het loont om je netwerk uit te bouwen en je houdt er goede contacten aan over. Het belangrijkste is om LOB bij de schoolleiding op de kaart te krijgen. Als je de schoolleiding mee hebt, kan er meer. Bij ons op school wordt LOB en de aansluiting met het vervolgonderwijs sterk gestimuleerd vanuit de schoolleiding, maar ik hoor vaak dat dat op andere scholen niet vanzelfsprekend is.”

Marieke: “Voor die gesprekken kunnen cijfers cruciaal zijn. Ga dus achter die doorstroomcijfers aan. Want let op, wij versturen onze cijfers voornamelijk naar de schooldecanen. Schoolleiders krijgen daarnaast de doorstroomcijfers van álle leerlingen vanuit het NCO, het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs. Een gesprek hierover tussen schooldecaan en management wordt niet altijd gevoerd. Vraag die cijfers dus op, want het kan je helpen om een gesprek over LOB te voeren. De cijfers leveren vragen op. Stél die. Dan ga je als vo-school ook merken: je bent maar een stukje in de leerloop-baan van de leerling. Ook wij zijn, als hbo, een stukje. Het is fijn als die losse stukjes op elkaar aansluiten, zodat daar een leerlijn in zit.”t en de leerlingen van havo 4 een meeloopstage. In het ideale geval hangt die samen met het onderwerp van hun profielwerkstuk (maar dat is geen must). 

 

LOB en het profielwerkstuk

Op het Hervormd Lyceum Zuid is het profielwerkstuk in havo 4 gekoppeld aan LOB. Dat gebeurt in vier stappen.

1.  In november en december bezoeken de leerlingen verplicht minimaal één open dag. Het driehoeks-gesprek met ouders, mentor en leerling begint daarna met een korte reflectie op die LOB-activiteit. Daarbij presenteren de leerlingen aan hun ouders en mentor wat ze hebben gedaan en wat dat hen heeft gebracht (of níet heeft gebracht, ook dat is waardevolle informatie).

2. In februari bezoeken de leerlingen een regionale voorlichtingsavond. Ook dit is een verplicht onder-deel. Dit bezoek wordt voorbereid in de mentorlessen en na afloop reflecteren de leerlingen op hun ervaringen: wat hadden ze eraan en wat zijn hun vervolgstappen? In de mentorles vertellen ze aan hun medeleerlingen welke voorlichtingen en open dagen ze hebben bijgewoond, en waarom een studie wel of niet bij hen past. 

3. In maart organiseert het HLZ een PWS-startweek. Die week begint met PWS-presentaties van havo 5-leerlingen, zodat de leerlingen van havo 4 een idee krijgen van wat er verwacht wordt. Zelf zetten ze in die week de eerste stappen: ‘Waar liggen mijn interesses en hoe koppel ik die aan een hoofdvraag voor mijn PWS?’ 

4.  Tot slot lopen de leerlingen van havo 4 een meeloopstage. In het ideale geval hangt die samen met het onderwerp van hun profielwerkstuk (maar dat is geen must).

 

 

Informatie

Informatie Op de website van de Hogeschool van Amsterdam is veel informatie en materiaal beschikbaar voor decanen en mentoren, niet alleen over hbo-opleidingen maar ook over hbo-vaardigheden. Ook zijn er instrumenten en materialen beschikbaar die scholen kunnen inzetten bij de keuzebegeleiding en het ontwikkelen van hbo-vaardigheden. www.hva.nl/scholen  

Tekst: Anne Wesseling Fotografie: Hetty van Oijen

>

LOB op de Open Schoolgemeenschap Bijlmer

De leerlingen perspectief geven, dat is het belangrijkste

Op Open Schoolgemeenschap Bijlmer in Amsterdam Zuidoost draait LOB vooral om perspectief, aldus directeur-bestuurder Maryse Knook. “Praat met leerlingen over hun dromen en ambities. Laat zien dat de wereld ook voor hén open ligt.”

Toen Maryse Knook haar team een YouTube-filmpje doorstuurde over bouwplannen in Amsterdam Zuidoost, maakte een docente er meteen een opdracht van voor haar leerlingen: ‘Welke beroepen kom je allemaal tegen in dit filmpje?’ Architect, die was gemakkelijk, die had iedereen. Maar er kwamen nog veel meer banen langs: beroepen in de bouw, een secretaresse, een stadsdeelbestuurder, gemeenteambtenaren, er was een school waar natuurlijk docenten werkten, maar ook een conciërge… Leerlingen reageerden verrast: waren er zóveel beroepen?

“Je hoorde hun hersens kraken,” zegt Maryse Knook. “Ze zagen ineens zoveel mogelijkheden.” Knook is directeur-bestuurder van de Open Schoolgemeenschap Bijlmer, een school met zo’n 1400 leerlingen in de richtingen vmbo (basis, kader en TL), havo en vwo. LOB ligt haar al langer aan het hart: eerder in haar loopbaan was ze loopbaanadviseur.

De wereld van de leerlingen groter maken en dromen naar boven halen, daar gaat het om bij LOB, zegt ze. “En vervolgens: aangeven dat het kán. Dat de wereld voor je open ligt. Oók als je uit Amsterdam Zuidoost komt. Dus perspectief bieden, dat is echt het belangrijkste.”

Waarom is dat perspectief zo belangrijk?

Maryse Knook: “Omdat het iets heel essentieels is voor leerlingen, zeker voor leerlingen uit dit stadsdeel. Zij krijgen dat perspectief namelijk niet vanzelfsprekend aangereikt. Voor veel van onze leerlingen is de wereld beperkt. Ze komen het stadsdeel niet uit, ook niet in de vakantie. Bovendien, ze verdienen het ook – ze hebben zoveel kwaliteiten, maar die komen minder snel naar boven dan in een gezinssituatie met hoogopgeleide ouders en voldoende geld voor bijlessen. Het is mooi dat je als school kunt helpen hun wereld te vergroten en het belangrijk om dat ook uit te stralen: ‘Ik zie je, je hebt talent. Die wereld ligt ook open voor jóu’.”

De OSB werkt met een tweejarige brugklas met heterogene groepen. Pas aan het begin van jaar drie is er een splitsing tussen vmbo en havo/vwo. Maakt dat uit voor LOB?

“Nee, in de klassen een en twee is LOB voor alle leerlingen hetzelfde. In het tweede jaar gaat LOB vooral over het onderzoeken wat bij je past en wat je talenten zijn. Of je luchtverkeersleider of timmerman wilt worden, maakt daarbij niet zoveel uit.

Wat wel ontzettend belangrijk is, is dat leerlingen sámen ontdekken wat er te koop is en wat bij hen past. Dat gebeurt in de les en in projecten binnen en buiten de school. De leerlingen kunnen elkaar daarbij ook prima bevragen. Veel leerlingen weten helemaal nog niet wat ze willen worden, hun toekomstdromen gaan niet verder dan voetballer, advocaat of arts. We hébben een paar voetballers op school, vanochtend sprak ik toevallig nog een leerlinge die al meedeed met de selectie van Ajax onder de zeventien. Maar dat is niet voor alle leerlingen weggelegd, dus we helpen leerlingen om na te denken over de toekomst.

Overigens: LOB is niet alleen een apart vak, het zit bij ons ook echt in de haarvaten van de school. We beginnen bijvoorbeeld alle lessen met een kringgesprek, en sluiten de lessen ook af met een kringgesprek. Daarbij gaat het over de inhoud van de les, over het bepalen van je leerdoelen, maar ook over hoe het met leerlingen gaat en wat hun interesses zijn. Ze leren daarin bijvoorbeeld ook al feedback geven.”

Een voorbeeld van een LOB-project is de Week van de Ambitie die jullie organiseerden. Wat hield die precies in?

“Het was een superintensieve week: leerlingen bepaalden hun eigen leerdoelen, brachten hun netwerk in kaart, ontwierpen hun eigen visitekaartjes en volgden workshops over onder meer beleggen, zelfrijdende auto’s of forensische opsporing. Ook waren er speeddates waarbij leerlingen professionals interviewden. We hadden daarvoor zo’n zeventig ouders en mensen uit de buurt gevraagd om mee te werken, dat ging van stewardess en piloot tot arts en dj. Vooraf hadden de leerlingen al nagedacht over vragen die ze konden stellen. Alleen al een vraag als ‘Waarom bent u dit vak gaan doen?’ of ‘Wist u op uw zestiende al wat u wilde worden?’, leidde tot boeiende gesprekken.

De week werd afgesloten met presentaties aan de eigen klas, waarin leerlingen aan elkaar vertelden wat ze hadden geleerd. Het trof me hoe makkelijk ze dat deden en hoe goed ze elkaar feedback gaven – dat is echt de invloed van de oefening die ze in de kringgesprekken hebben gehad.”

Nog een bijzonder project: vlak voor de coronaperiode liepen twintig leerlingen van de OSB mee op de redactie van het Nederlandse tijdschrift Vogue.

“Ze werden geïnterviewd en er was een fotoshoot waarin leerlingen gefotografeerd werden in hun favoriete outfit. Drie van onze leerlingen stonden op de cover van het oktobernummer 2020. Dit project kwam tot stand via de schoonzus van een van onze docenten, die bij Vogue werkte. Het tijdschrift wilde meer diversiteit laten zien en zo kwamen we met elkaar in contact. Dit was ook echt een voorbeeld van hoe de wereld van leerlingen plotseling veel groter kan worden. Het gevoel bij de leerlingen achteraf was ‘Wow, ik dóe ertoe, ik mag er zijn!’ Dat is waar het om gaat.”

Welke rol speel jij als schoolleider bij LOB?

“Het belangrijkste is dat ik mijn netwerk inzet voor mijn leerlingen. Ik heb een behoorlijk netwerk met bedrijven en instellingen in Amsterdam Zuidoost en daarbuiten. Daardoor kan ik samen met decanen lijnen uitzetten, bijvoorbeeld als het gaat om stages – de decanen richten zich op de uitvoering, ik leg de contacten op bestuursniveau.

Mijn netwerk schakel ik ook in voor individuele leerlingen. Bij de laatste diploma-uitreiking vertelde een leerling dat hij sportanalist wilde worden. Ik heb hem gevraagd of hij al iemand kende in de sportwereld. Want we hébben die contacten, bijvoorbeeld bij de Arena, Ajax of bij AT5. Dus: ’Stuur maar een mailtje, jij bent aan zet!’ Dat blijft wel een stap voor een leerling, maar op die manier kan ik wel helpen om de drempel te verlagen. Verder word ik natuurlijk regelmatig geïnterviewd door leerlingen en binnenkort loopt een leerling een dag met me mee. Ik maak graag een praatje met leerlingen, en dan gaat het ook al snel over dromen en ambities.”

Heb je een voorbeeld van hoe een gesprek een LOB-gesprek kan worden?

“Een tijdje geleden boog onze jongerenrechtbank zich over het geval van een leerling die een mes had meegenomen naar school. Een ernstige zaak, maar de leerlingen in de rechtbank snapten zijn verdediging wel: dat hij het had gedaan omdat hij eigenlijk zelf bang was op straat. Uiteindelijk werd besloten dat hij met mij in gesprek zou gaan over hoe we de veiligheid op school nog verder zouden kunnen verbeteren. Dat werd een ongelofelijk leuk en zinvol gesprek, over zaken als: Wat gebeurt er als je een mes zou moeten gebruiken, wat kunnen we doen als school? Het was voor mij ook leerzaam, maar ook hier weer vond ik het vooral belangrijk om de leerling perspectief te bieden: wat zijn jouw dromen, wat wil jij doen, hoe koppel je dat aan veiligheid? Uiteindelijk was het ook echt een LOB-gesprek.”

Je bent ook een afwisselende loopbaan gehad, je was onder meer loopbaancoach. Wat geef je leerlingen mee?

“Vooral: wees niet bang om in je opleiding een verkeerde keuze te maken. Mensen van mijn generatie dachten altijd dat we op ons 65ste met pensioen zouden gaan en vaak bij hetzelfde bedrijf zouden blijven. Leerlingen nu weten niet op welke leeftijd ze later kunnen stoppen met werken en ze weten ook niet wat voor banen er in de toekomst zijn. Mijn advies aan hen is daarom: ‘Ga iets doen dat nú bij je past, iets dat je leuk vindt en waar je energie uit haalt. Je kunt altijd iets anders gaan doen.’

Mijn tweede advies is: ‘Zet altijd zo hoog mogelijk in’. Dat geldt voor zowel docenten als leerlingen. Lef is de eerste stap. Wil je bij een bedrijf een dag meelopen, vraag dan of je met de directeur mee kunt lopen. Heb je geen naam, typ dan op LinkedIn de naam in van het bedrijf en ‘directeur’, en benader die gewoon. Want echt: íedereen zegt ja. Ze vinden het allemaal veel te leuk! En de leerlingen groeien drie meter, door zo’n ervaring. Het geeft ze de boodschap dat ze ertoe doen. Ze krijgen het gevoel dat alles kan, en dat de wereld voor hen open ligt.”

 

Drie LOB-tips van Maryse Knook:

1 Schroom niet om je schooldirecteur in te zetten voor je netwerk. Dat geldt voor docenten én voor leerlingen.

2 Zet zo hoog mogelijk in. Wil je bij een bedrijf een dag meelopen, vraag dan of je met de directeur mee mag lopen.

3 Wees niet bang om een verkeerde studiekeuze te maken. Ga iets doen wat nú bij je past en waar je energie uit haalt – je kunt altijd iets anders gaan doen. 

 

Tekst: Anne Wesseling Fotografie: Hetty van Oijen

>

Gilde: super trots op de route praktijkleren met praktijkverklaring in het mbo

Omdat mensen zonder startkwalificatie een relatief kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben, ontwikkelde SBB in samenwerking met een aantal partners en in opdracht van de ministeries van OCW en SZW een pilot praktijkleren mét praktijkverklaring in het mbo.

Het is een scholingstraject op maat dat past zowel bij de deelnemer als bij het bedrijf. Deze nieuwe leerroute is bedoeld voor mensen voor wie het behalen van een mbo-diploma (inclusief entree) of mbo-certificaat (nog) niet haalbaar is. Met een praktijkverklaring kun je laten zien wat je kunt en wat je hebt geleerd in de praktijk. Hierdoor neemt het zelfvertrouwen toe en wordt de kans op het vinden van duurzaam werk vergroot.

De leerroute is op maat en bestaat uit van tevoren afgesproken werkprocessen van een mbo-opleiding (kwalificatiedossier) die studenten moeten doorlopen.

>

LOB op het Grafisch Lyceum Rotterdam

Wees creatief en kies een vorm die past bij je school en je studenten

Creatief, innovatief en eigenwijs. Dat is hoe het Grafisch Lyceum Rotterdam zichzelf omschrijft. En ja, dat heeft ook invloed op de aanpak van LOB. Sectordirecteur Ron van As en bestuurder Rianne van der Meij vertellen waarom ze kozen voor de term ‘profiel’ in plaats van ‘LOB’, en waarom opleidingen en docenten ruimte moeten krijgen om het traject op eigen wijze in te vullen. “Voor studenten Audiovisueel is een filmpje veel logischer dan een schriftelijk verslag.”

Waar gebeurd: in het trappenhuis van het Grafisch Lyceum Rotterdam stond een studente te huilen, want ze moest een stageadres bellen en had geen idee wat ze moest zeggen. Een klasgenoot sprak haar moed in: ‘Je moet gewoon zeggen waar je goed in bent!’ “Het is mooi hoe ze elkaar dan coachen”, zegt Rianne van der Meij, bestuurder van het Grafisch Lyceum Rotterdam (GLR). ‘Maar het is jammer dat ze niet al twee jaar eerder in de les hiermee bezig zijn geweest. Daar kunnen we in het onderwijs écht meer in doen.”

LOB was daarbij belangrijk, dat besef was er wel, een paar jaar geleden op het GLR (500 vmbo- en 3600 mbo-studenten). Maar hoe het vorm te geven in de praktijk? Met die vraag gingen Rianne van der Meij en sectordirecteur/projectleider Ron van As aan de slag.

Eerst door ‘in het land’ te informeren bij andere scholen en docentennetwerken naar voorbeelden, en toen dat niet veel opleverde (“Iedereen was ermee aan het stoeien”) door binnen de eigen school onderzoek te doen. Ron van As: “Er waren al veel LOB-activiteiten, maar er was geen samenhang. Diverse opleidingen hadden al LOB-methoden. Die hebben we naast elkaar gelegd en de gemeenschappelijke factor gezocht: waar vinden we elkaar? Wat is de rode draad?” Rianne van der Meij: “Vorig jaar waren er zoveel ideeën dat we zeiden: nú willen we het totale verhaal voor deze school formuleren in een visie en duidelijke kaders.” Die documenten liggen er nu. De visie berust op twee pijlers. Om te beginnen moeten álle studenten met LOB in aanraking komen – dus niet alleen de studenten met wie het tijdens de studie heel goed of juist minder gaat. In de tweede plaats moet het beleid niet dwingend worden. “We hebben veel opleidingen, op verschillende niveaus. Er moet binnen die opleidingen ruimte zijn om een eigen contextrijke invulling aan LOB te geven.”

Elke mbo-student gaat tijdens zijn of haar opleiding in elk geval twaalf ‘profielgesprekken’ voeren. Wat meteen opvalt: jullie kiezen voor het woord ‘profiel’ in plaats van ‘LOB’.

Ron: “Op het portal ‘Mijn GLR’ heet het ook ‘Mijn profiel’. Het zijn ‘profielgesprekken’ en we hebben het over een ‘profielcoach’. We kozen hiervoor omdat we het uit de categorie ‘vaag’ wilden halen, waar LOB voor veel docenten toch een beetje in zit. Voor studenten is het ook duidelijker. Het woord ‘profiel’ raakt meer aan zaken als je CV en je profiel op LinkedIn. We maken nu een onderscheid tussen de ‘warme’ en de ‘koude’ kant. De warme kant zit in het mentoraat; de mentor is sociaal-emotioneel betrokken. De profielcoach zit aan de koude kant en heeft een meer zakelijke rol.

Die verschillende rollen willen we eerst duidelijk hebben. Die zachte kant, het zorgen, dat doen we al heel goed. Als er problemen zijn, zíjn we er voor onze studenten. Maar LOB gaat over bewustwording, dat is iets anders. Bij de eerste evaluatie van de profielgesprekken zei een docent: ‘Ik begon al meteen met de verkeerde vraag. ‘Hoe voel je je?’ Maar dat is een vraag voor de mentor, niet voor de profielcoach’.”

Hoe gaat het traject de komende tijd vorm krijgen?

Ron: “We hebben om te beginnen een vakgroep ingesteld met uit elk docententeam een vertegenwoordiging. Dat zijn de ambassadeurs, die echt het belang hiervan inzien en meegaan in het idee dat onderwijs meer is dan alleen opleiden, dat het ook gaat om persoonsvorming. Die early adopters gaan we omarmen. De visie en de kaders helpen al enorm, de vakgroepen hebben nu houvast als het gaat om de koers. De profielcoaches krijgen handvatten voor een goed profielgesprek. Dat zijn we nu aan het optuigen. Maar in de formatie moet er ook rekening mee gehouden worden, en er moeten uren voor beschikbaar zijn. Dat worden onze aandachtspunten voor de komende tijd. Het uiteindelijke doel is om LOB te integreren in het beroepsonderwijs. Maar dan moeten alle docenten daarin mee willen, en de doelstelling met het belang van LOB moet voor iedereen duidelijk zijn, zo ver zijn we nu nog niet. Daarom hebben we het voorlopig naast de beroepsvakken gezet, als aparte leerlijn in een eigen traject.”

Jullie laten ruimte voor individuele invulling bij de studies. Heb je een voorbeeld van hoe dat eruit kan zien?

Ron: “Denk aan opdrachten die qua vorm passen bij onze studenten. Onze studenten zijn geen schrijvers, een filmpje maken ligt meer voor de hand dan een geschreven verslag. Bij Audiovisuele Media maken studenten bijvoorbeeld een visuele learning map. Een vraag daarbij is: ‘Wat heeft gezorgd dat je enthousiast werd voor deze opleiding? Was er bijvoorbeeld een filmpje of een beeld dat voor jou de doorslag gaf? Sluit dat inderdaad aan bij deze opleiding?’ Dan maak je iets concreet van wat de studenten echt zoeken in de opleiding. ‘Wat wil je later worden?’ is wat dat betreft een veel te brede vraag.”

Denk je dat studenten door de profielgesprekken minder gaan switchen tussen opleidingen?

Rianne: “Het zal ertoe bijdragen dat ze zich sneller bewust worden van wat de opleiding van ze vraagt en of een beroep echt bij ze past. Het kan ook eerder evident maken dat ze bij een opleiding niet goed zitten. Ik ben niet benauwd dat er veel studenten verdwijnen. Ik denk wel dat we bewustere studenten krijgen, en dat ze er bijvoorbeeld niet pas tijdens hun stage achterkomen dat dit niet hun studie is.”

Ron: “Veertig procent van de studenten gaat overigens na de studie al iets anders doen.” Rianne: “Als je dat bewust doet, is daar niets mis mee. Je hebt nog steeds een mbo-diploma, je hebt veel geleerd over jezelf. Je bent een wijzer mens, op je twintigste.” Ron: “De profielgesprekken helpen ook bij die persoonsvorming. Het gaat ook over hoe je omgaat met boosheid en stress, en over vragen als ‘Hoe ben ik als medewerker? Hoe word ik een prettig mens om mee te werken – ook voor mezelf?’ Het is bijna ‘leren leven’.”

Je zei net al: onderwijs gaat over méér dan alleen opleiden, het gaat ook over persoonsvorming. In hoeverre is dat een taak van het onderwijs?

Rianne: “Het onderwijs draait volgens mij om drie dingen: het leren van een beroep, opgroeien als mens én het vinden van je plek in de samenleving. Het gaat erom dat we mooie volwassenen afleveren en ik zie mezelf daarbij ook als opvoeder. LOB is ook verbonden met burgerschap. Hoe sta je in de wereld, welke plek in de maatschappij past bij jou? Wil je bijvoorbeeld liever in vaste dienst, of ben je echt op je plek als ZZP’er? Dat zijn hele relevante vragen, zeker binnen de grafische sector.”

Ron: “Wat mij triggerde waren gesprekken met bedrijven over wat ze daar belangrijk vinden. Dat is altijd persoonsgebonden, het zit minder direct in kennis en vaardigheden. Bedrijven zoeken in de eerste plaats mensen met een open houding, die nieuwsgierig, enthousiast en betrokken zijn en zich willen ontwikkelen. Ze willen iemand die de mores en sores van het bedrijf aanvoelt. Ze beginnen nooit over computerprogramma’s waar studenten mee kunnen werken – maar in het onderwijs hebben we ons tot nu toe juist dáárop gericht. Op de machines, de techniek en de software. De rest moeten studenten dan maar zelf ontdekken.” Rianne: ‘Na een pilot zeiden studenten: ‘LOB, ik snapte eerst niet waar het om ging, maar het was zó waardevol, zulke gesprekken heb ik thuis niet eens!’”

Dan voldoet LOB wel aan een behoefte.

Rianne: “We gaan er te gemakkelijk van uit dat er thuis ondersteuning is, maar voor veel studenten is die er niet. Daar komt bij: het idee is altijd ‘Als je maar hard genoeg werkt, kun je álles bereiken’. Maar studenten staan van alle kanten onder druk, van ouders, vrienden, van zichzelf. Als iedereen iets anders vindt, zit je klem. Daarom is het zo belangrijk om te ontdekken wat echt bij jóu past.”

Ron: “Er wordt veel van jongeren gevraagd, zeker van de 16- tot 19-jarigen. Ze moeten zoveel keuzes maken. We gaan er gemakkelijk van uit dat ze hun weg wel vinden. We merken dat ze bijvoorbeeld moeite hebben om hun tijd in te delen, en om keuzes te maken over geld. Veel studenten zitten krap, ook dat geeft stress. We zien het in de toename van zorgvragen. Maar bij LOB gaat het ook gewoon om vaardigheden. Studenten zijn zo gewend om via beeldschermen te werken, dat het soms al een enorme barricade is als ze moeten opbellen naar een stageplek, en vertellen waar ze goed in zijn. Terwijl: ontdekken waar je goed in bent, en dat ook tegenover anderen durven erkennen, dat kun je gewoon oefenen. Bijvoorbeeld tijdens de profielgesprekken en in de les.”

Verandert door dit traject ook de taak van de docent?

Rianne: “Het vraagt meer van het docentschap. Eigenlijk komt er een heel vakgebied bij. Het vraagt dat je op de hoogte bent van wat de student tijdens de studie meemaakt, dat je kunt spiegelen op het onderwijstraject. Het gaat over timing: welke loopbaanvraag stel je in welke fase van de studie?” R

on: “Een belangrijk punt is wel dat hier in de werving van docenten nog geen aandacht voor is. We vragen van nieuwe docenten wel praktijkervaring, maar we vragen nog niet dat ze gemakkelijk contact maken met studenten.”

Rianne: “Terwijl, je beroep is ‘docent’, niet ‘cameraman’. Je zou trouwens verwachten dat LOB inmiddels op de lerarenopleiding ook aan bod komt, maar daar zit het niet in het curriculum. Dat vind ik een gemis. Studenten op lerarenopleidingen leren wel om oudergesprekken te voeren, en mentorgesprekken met studenten. Burgerschap en LOB horen daar ook bij. Ik zou er voor willen pleiten dat studenten op lerarenopleiding er ook mee in aanraking komen.”

Wat wordt de eerstvolgende stap?

Ron: ‘De LOB-ambassadeurs en de vakgroep moeten stevig staan en daarna gaan we het beleid verankeren in projecten voor volgend schooljaar. We gaan ons nu eerst richten op de communicatie. Er komt op school een campagne over het profielgedeelte, en we gaan het idee verspreiden binnen de studies, het team en het management. Ik denk aan het opnemen van een filmpje, van pakweg anderhalve minuut.”

Rianne: “Onze studenten zijn geen schrijvers, maar onze docenten zijn ook geen lezers. We kiezen bij de voorlichting in ieder geval een vorm die past bij onze school!”

LOB Tips van Rianne van der Meij: 

Maak gebruik van wat er al is en vertaal dat naar je school”

“Mijn rol als bestuurder is enthousiasmeren en faciliteren. Ik zie om me heen dat bestuurders LOB wel belangrijk vinden, maar niet zo urgent dat er heel actief op wordt gestuurd. Het helpt als het College van Bestuur het belang van LOB niet alleen uitdraagt maar er ook echt werk van maakt. Zorg om te beginnen voor een projectgroep die goede doorsnede is van je school, en maak samen een kader en een visie. Net als bij een vakgroep Nederlands moet er ook voor LOB een groep docenten zijn die de scholingen doet, ideeën uitwisselt en plannen maakt. Zorg ook voor ruimte in het programma, zodat docenten en teamleiders het kunnen vertalen naar de school en naar de opleiding. Maak vooral gebruik van wat er al is. Je hoeft het wiel niet uit te vinden. Maar je wilt het wel vertalen naar je school en naar je opleiding.”

 

LOB Tips van Ron van As: 

Begin met een LOB-scan”

““Haal LOB uit de ‘mistige’ hoek, maak het concreet en laat het gaan over wat voor studenten op dát moment gaande is. Profielcoaches moeten goed op de hoogte zijn van opdrachten en de context van de studie. Sluit in de gesprekken bijvoorbeeld ook aan bij de stage. Betrek de stagebegeleiders erbij, die voeren die gesprekken vaak al. Verder: wees creatief in de vorm die je aan LOB geeft. Kijk naar je studenten en laat ruimte voor een eigen invulling. Laat ze liever geen ellenlange verslagen maken, het is al heel wat als ze kunnen reflecteren. Is er op school nog geen LOB-beleid, begin dan met een LOB-scan, die maakt snel duidelijk waar de aandachtspunten liggen.””

Tekst: Anne Wesseling, Fotografie: Hetty van Oijen

>

Durf hoge verwachtingen te hebben van een leerling

Louise Elffers over LOB en kansengelijkheid in het onderwijs

Docenten adviseren aan het eind van groep 8 vaak te voorzichtig. Met goede bedoelingen, ze willen leerlingen behoeden voor een faalervaring. Maar juist leerlingen met een achterstand hebben baat bij hoge verwachtingen, betoogt Louise Elffers, directeur van het Kenniscentrum Ongelijkheid.

Ze maakt het regelmatig mee, als ze ergens spreekt over kansengelijkheid in het onderwijs: dat een leraar of schooldirecteur zegt: “Die cijfers over onderadvisering zullen wel kloppen, maar wij geloven op onze school heel erg in kansengelijkheid en wíj maken altijd een zorgvuldige afweging.’ Dat er goede bedoelingen zijn, gelooft ze graag; niemand zit met valse bedoelingen leerlingen tegen te houden. ‘Maar goede bedoelingen zijn niet genoeg’, zegt Louise Elffers, directeur van het Kenniscentrum Ongelijkheid. ‘Het punt is: juist als je heel erg gelooft dat je bezig bent met gelijke kansen, doe je onbewust soms juist het tegenovergestelde. Bijvoorbeeld doordat je te beschermend bent of je verwachtingen naar beneden bijstelt, en daarmee bepaalde leerlingen onbedoeld tegenhoudt.’

Het pijnlijke gevolg: juist op scholen met kinderen van minder of niet in Nederland geschoolde ouders, komt vaker onderadvisering voor.

Wat is daaraan te doen? En hoe kan LOB helpen om kansengelijkheid in het onderwijs te bevorderen?

 

Er zijn, is je stelling, in het onderwijs mechanismen die zorgen voor kansenongelijkheid. Klopt het dat dat ook met name zit in de overstap van basisonderwijs naar de middelbare school?

‘Niet alleen daar, maar het is wel een brandpunt van ongelijkheid. Daar gaan schoolloopbanen verder uit elkaar lopen naar sociale achtergrond. Kinderen gaan in Nederland relatief laat naar school en we selecteren ze vroeg, dus hebben ze maar een paar jaar de tijd om zich aan de hand van het onderwijs te ontwikkelen. Dat is relatief kort, vooral voor leerlingen die meer van de school afhankelijk zijn voor de ontwikkeling van hun leerpotentieel, omdat ze van huis uit niet zoveel meekrijgen als andere kinderen. Daar zit dus al een verschil in kansen.

Maar we zien daarnaast dat leerlingen die in groep 8 op gelijk niveau presteren, tóch ongelijk geselecteerd worden voor het vervolgonderwijs. Als de ene leerling anderstalige ouders heeft, is de neiging bijvoorbeeld om wat voorzichter te adviseren. Leraren zitten echt niet bewust te discrimineren, het gebeurt met de beste bedoelingen. Maar als je een kind op basis van zijn achtergrond vooral ziet als een kwetsbare leerling, worden we snel te voorzichtig: “Jij presteert weliswaar op vwo-niveau, maar ik zie jou toch niet zo erg op dat gymnasium. Doe maar niet.” Door corona kwamen die ongelijkheden nog scherper in beeld. Leerlingen die te maken kregen met onderadvisering, hadden niet de mogelijkheid om aan de hand van de eindtoets alsnog een hoger advies te krijgen. We zien dat er lager is geadviseerd in het jaar dat er geen eindtoets is gegeven en dat de sociale ongelijkheid in de adviezen weer toenam. Dat liet weer zien: hoe minder gestandaardiseerde toetsen, hoe meer die ongelijkheid erin komt. Vandaar mijn pleidooi: pin leerlingen alsjeblieft niet te vroeg vast op een niveau, maar zorg juist dat ze in het voortgezet onderwijs ruimte hebben om alsnog te groeien en te laten zien dat ze misschien meer in hun mars hebben.’

 

Jouw oplossing is om later te selecteren.

‘Ja, maar niet om later te differentiëren, dat is een belangrijke nuance. Ik zeg niet dat alle leerlingen op de middelbare school drie jaar lang hetzelfde onderwijs moeten krijgen. Dat is vaak de eerste paniek: “Maar kinderen die goed kunnen leren worden daarmee tegengehouden!” Nee. Het gaat erom dat de definitieve selectie wordt uitgesteld.

Leerlingen die zich in groep 7 en 8 al dood vervelen op de basisschool, kunnen prima op een hoger niveau instromen, en op het hoogste niveau wiskunde volgen, bijvoorbeeld. Net zo krijgen leerlingen die veel extra begeleiding nodig hebben, ook op hún eigen niveau les. Waar het om gaat is dat er binnen de school ruimte is voor leerlingen om dat instroomniveau te ontstijgen of juist een stapje terug te doen Er zit tussen leerlingen op de verschillende niveaus een veel grotere overlap in vaardigheidsniveau dan vaak gedacht. Zeker voor leerlingen voor wie het niveau zich nog niet volledig heeft uitgekristalliseerd, is het gunstig als ze de ruimte krijgen om een hoger niveau te proberen als het lekker gaat, of juist een stapje terug te doen als dat hogere niveau toch te pittig blijkt. Zonder dat dat betekent dat een leerling van school af moet, of dat het negatieve consequenties heeft voor een school als het gaat om de rendementsberekening. Die flexibiliteit zit leerlingen voor wie het wél al heel duidelijk is op welk niveau ze functioneren niet in de weg.

Ik denk dat zo’n brede scholengemeenschap bovendien voor leerlingen op alle niveaus een interessant aanbod kan geven, omdat je kunt verbreden, verdiepen, versnellen, vertragen, en ook je breder kunt oriënteren. Op het gymnasium krijg je nooit de kans om een keer met je handen te werken, of om te ontdekken dat meubelmaker iets voor je kan zijn. Waarom eigenlijk niet? En misschien zijn er ook wel havisten die het leuk vinden om Grieks en Latijn te leren.’

Welke rol zou LOB spelen, als je het onderwijs op deze manier organiseert?

‘LOB is daarbij de centrale motor. Om te beginnen omdat er meer overstapmomenten zijn, en ook meer verbredings-, verdiepings- en versnellingsmogelijkheden, zodat je eigenlijk continu met zo’n leerling in gesprek bent over hoe het gaat: “Waar wil je uiteindelijk naar toe, waar sta je nu, wat zou je nodig hebben om daarnaartoe te gaan, wat is er nu mogelijk?” En bij elke stap samen te evalueren: “Hoe ging het?”

De tweede reden is dat, zodra je leerlingen meer ruimte geeft om keuzes te maken, het extra belangrijk is dat ze weten wat de consequenties van bepaalde keuzes zijn voor hun vervolgmogelijkheden. Leerlingen moeten kunnen reflecteren op hun loopbaan en weten wat er in het onderwijs te koop is, om goede afwegingen te maken over wat hun volgende stap wordt. Daarbij speelt LOB een belangrijke rol.

Zodra het over ambities van leerlingen gaat, wordt er vaak grappend gedaan. “Oh ja, ze willen allemaal arts en advocaat worden”. Maar als je twaalf bent, wat weet je dan over wat er allemaal te koop is? Als je weinig kennis hebt van het systeem, zijn arts en advocaat de enige beroepen die je kent.’

 

Hoe zou je daar als LOB-coach op in kunnen spelen?

‘Die wens om arts of advocaat te worden, kan juist een prima basis zijn voor een loopbaangesprek: “Oké je zit nu op vmbo-kader en je hebt medische interesse, wat zou voor jou een volgende stap kunnen zijn?”

Ik begeleidde leerlingen in een brugklas vmbo/havo. Die kinderen stonden vaak onder een enorme druk dat ze door moesten stromen naar de havo. Hun ouders hadden zelf geen onderwijs in Nederland gevolgd en wisten maar één ding: vermijd het vmbo.

Die kinderen wilden allemaal iets medisch worden, en kenden daarvoor uitsluitend de route via de universiteit. Die leerlingen waren zó blij als ik vertelde: “Weet je dat je na het vmbo bijvoorbeeld ook een mbo-opleiding voor operatiekamer-assistent kan doen? En dat je dus nog steeds in een ziekenhuis kan gaan werken als je nu niet door mag naar de havo? En vanuit het mbo kun je verder naar hbo, of zelfs door naar de universiteit…”

Het gaat er niet om of ze dat uiteindelijk gaan doen, maar dat ze weten dat het kán. Het gaat om horizonverbreding: zorgen dat leerlingen weten wat er te koop is en daar hun eigen plek in kunnen vinden.’

 

Nog even terug naar de huidige kansenongelijkheid. Hoe erg is het eigenlijk als leerlingen een voorzichtig advies krijgen?

‘Ik doe onderzoek naar studenten die aan het eind van groep 8 een laag advies kregen en uiteindelijk van het vmbo via het mbo naar het hbo zijn gegaan. Die zeggen “Ik heb me acht jaar lang dood verveeld op school.” Die leerlingen raken gedemotiveerd en gaan steeds minder hard werken, omdat ze denken “Wat zit ik hier nou helemaal te doen?”. Die hebben steeds het gevoel “Ik kan meer en ik wil meer, en het wordt niet gezíen”.

Het schooladvies is steeds bepalender geworden voor het verdere verloop van de schoolloopbaan. Dit gaat over de kansen van leerlingen. Ik zie de cijfers over onderadvisering, en ik schrik me elke keer een hoedje. We doen het gewoon echt niet goed bij de overgang naar het voortgezet onderwijs: een deel van de kansenongelijkheid in het onderwijs wordt daar gecreëerd.’

 

Waar schrik je het meest van?

‘Van de ontkenning. Dat leraren zeggen: “Bij ons gebeurt dat niet”. Want we zien het elke keer in de cijfers: het gebeurt overal en juist vaker op scholen die zich met hart en ziel inzetten voor kansengelijkheid. Je ziet daar leraren met een enorm hart voor hun leerlingen, en tegelijkertijd de neiging om de verwachtingen van hun leerlingen naar beneden bij te stellen en dus lager te adviseren dan gelijkpresterende leerlingen op andere scholen.’

 

Heel concreet: wat kun je als docent doen, als je die voorzichtigheid herkent?

‘‘Wees jezelf er echt van bewust dat we allemaal geneigd zijn in stereotypen te denken. Het willen voorkomen dat er teveel geëist wordt van leerlingen, ze beschermen tegen mogelijk falen: het gebeurt écht met goede bedoelingen. Maar er zit ook paternalisme in. Leraren zeggen dan “Ik kan al heel snel zien of het wat gaat worden met die leerling”. Dat geloof ik graag. Maar geef die leerling altijd de ruimte om jouw verwachting te ontstijgen.

Blijf ook altijd checken of je echt het individuele kind nog ziet, of dat je onbewust afgaat op een beeld over een groep. Op het moment dat je denkt “Ik zal maar niet teveel van deze leerling vragen, want deze ouders kunnen hem misschien niet altijd goed ondersteunen”, zou je dat beeld eigenlijk moeten omdraaien: kennelijk presteert die leerling ondanks die mogelijk beperkte ondersteuning op dit niveau, dus dat zegt juist veel over wat dit kind in z’n mars heeft. Durf hoge verwachtingen te hebben, niet alleen in groep 8, maar bijvoorbeeld ook als een leerling na de TL naar de havo wil. Laat dat risicomijdende los. Zeg liever “Laat het maar zien! Je krijgt van ons de kans en we stimuleren je om het te proberen”.

Die uitnodigende houding zie ik nog te weinig en dat is jammer. Want wat is nou erger: de leerling een kans geven met het risico dat hij het niet redt, of een leerling tegenhouden het te proberen? Natuurlijk, afstroom is vervelend, zeker wanneer dat betekent dat een leerling van school af moet. Juist daarom ben ik zo’n voorstander van brede schoolgemeenschap. Maar ook als je het uiteindelijk niet redt, heb je het tenminste wél mogen proberen. De massale onderbenutting van potentieel, met name onder bepaalde groepen leerlingen, is minstens zo frustrerend. En daar kunnen we echt iets aan doen.’

Meer informatie: 

Het volgende boek van Louise Elffers, over kansenongelijkheid in het onderwijs, verschijnt bij AUP/Walburg Pers.

Tekst: Anne Wesseling, Fotografie: Hetty van Oijen

>

‘Opleiden doe je voor het leven’

Docent van het Jaar Amin Asad

Als docent ben je een verbinder. Je belangrijkste taak is om je studenten echt te zíen en talent te herkennen. Amin Asad is Docent van het Jaar, binnenkort verschijnt zijn boek ‘Alles voor jullie’. Leerdoelen? Daar doet hij weinig aan. Toch heeft hij hoge slagingspercentages. Hoe doet hij dat?

Onlangs nog kreeg Amin Asad een mailtje van een oud-student. Die wilde hem bedanken voor de lessen, en vertelde dat hij zijn droom had waargemaakt: hij was advocaat geworden. Amin Asad krijgt dat soort mailtjes vaker en hij is elke keer geraakt. ’Dat ze de moeite nemen om me na tien jaar te schrijven en te zeggen “Meneer, dank u wel, uw lessen zijn me altijd bijgebleven”, dat doet me wel wat’, zegt hij.

Asad is docent Strafrecht aan de Hogeschool Utrecht, en docent Recht bij ROC Midden Nederland. Hij is Docent van het Jaar 2021, coördinator doorstroom mbo-hbo en binnenkort verschijnt zijn boek ‘Alles voor jullie’, over de geschiedenis van zijn familie én over zijn visie op het onderwijs. Zijn belangrijkste missie: de docent weer zien als verbinder, die de studenten voorbereidt op het leven.

 

Je studenten zijn zo blij met je. Wat is het precies dat je lessen hen zo bijblijven?

‘Soms snap ik het zelf ook niet: andere docenten geven dezelfde Powerpoint-presentatie, ze gebruiken dezelfde woorden als ik. Toch hoor ik van studenten: “Amin kan zo goed uitleggen”. Ze gunnen mij hun aandacht en dat heeft echt te maken met de relatie die ik met ze opbouw. Met het willen weten wie ze zijn. Het is een standaardriedel: “De relatie gaat voor de prestatie”, maar het is wèl zo. Het gaat erom dat je elkaar zíet. Van daaruit kun je het onderwijs vorm geven.

In het onderwijs gaat het nu om diploma’s en theorie, de taak van de docent is kennisoverdracht. Maar volgens mij is de docent in de eerste plaats een verbinder. Iemand die studenten zíet en hen verbindt met hun dromen én met het geloof dat ze het kunnen. Onderwijs gaat over studenten weerbaar maken, over opleiden voor het leven. Het gaat om zelfvertrouwen, geloof, hoop. Dat zijn onmeetbare dingen waar ik op inzet, en waar studenten mee weglopen.

Ik heb weinig met leerdoelen. Collega’s begrijpen er soms niks van: “Amin doet het minste aan leerdoelen, en hij heeft hele hoge slagingspercentages!” Maar als studenten het gevoel hebben dat ze gezien worden, raken ze intrinsiek gemotiveerd.’

 

Dat klinkt gemakkelijker dan het is. Hoe doe jij dat in de les?

‘Het is niet één ding, het gebeurt op heel veel momenten. Ik begin de les bijvoorbeeld vaak met een stelling waar we dan even over discussiëren, of ik vraag wat studenten op Netflix hebben gekeken. Mijn lessen zijn persoonlijk. Ik praat met studenten over hun dromen en ik vertel over mijn eigen situatie, dat is ook een uitnodiging voor hen om dingen met mij te delen. We hebben in Utrecht veel studenten uit families met een migratie-achtergrond, die kunnen zich met mij identificeren. Maar je kunt mij op een gymnasium in Oost-Groningen neerzetten en dan voelen studenten zich ook gezien. Wat ik doe, kunnen andere docenten ook, maar ik zeg niet dat het gemakkelijk is. Ik vraag studenten ook feedback, na elke les: “Hoe vind je het gaan, hoe wil je dat ik jullie benader?”’

De titel van je boek is ‘Alles voor jullie’. Dat verwijst onder meer naar je familiegeschiedenis. Kun je daar iets over vertellen?

‘Mijn ouders moesten Irak verlaten op straffe van executie, omdat mijn vader oorspronkelijk uit Iran kwam. Ze vluchtten eerst naar Iran, daarna naar Syrië en in 1988 naar Nederland. Dat was het jaar dat Nederland het EK voetbal won, de sfeer was euforisch, we waren welkom. We hebben tot mijn vierde in Middelstum gewoond, maar omdat mijn ouders stadsmensen waren, zijn we naar Nieuwegein verhuisd, waar ik nu nog woon, mijn ouders en broers wonen in de buurt. Het geluk viert nu hoogtij, bij ons, maar de familiegeschiedenis heeft me wel gevormd. Ik heb de verhalen van mijn ouders gehoord, hun pijn en verdriet meegemaakt. Zij deden alles voor mijn broers en mij. Ik ben enorm dankbaar voor wat ik heb, en ik besef héél goed hoe het anders kan. Die dankbaarheid voor de mogelijkheden die je hebt, dat wil ik mijn studenten ook meegeven.’

 

In je boek beschrijf je ook hoe je aan het eind van groep 8 maar nét een mavo/havo-advies kreeg. In de brugklas ging het vervolgens zo goed dat je overging naar 2 vwo en uiteindelijk een vwo-diploma haalde. Wat gebeurde er?

‘Ik was als kind ‘niet talig’. Maar op de middelbare school ging het licht aan. Ik begon de vakken interessant te vinden en ik merkte dat ik kon scoren met hoge cijfers. Maar ik had vooral een paar docenten die telkens zeiden dat ik het kón. Ik weet nog zo goed dat de docent Frans tegen me zei: “Jij bent een slimme jongen, ik zíe dat jij het kan”. Joh, ik haalde meteen een tien voor Frans! Ik ben heel competitief, dus ik wilde de beste zijn. Mijn laagste rapportcijfer aan het eind van de brugklas was een 9,3.’

 

Waar kwam dan dat mavo/havo-advies vandaan?

‘Ik heb die leraar die het advies gaf later nog gesproken, mijn dochters zitten nu op dezelfde basisschool. Hij zei: “Wat moest ik? Je cito-score was medium, je was nergens mee bezig”. Mijn ouders konden me ook niet ondersteunen, bij oudergesprekken schoof mijn broer aan om te tolken. Zij waren allang blij dat er geen bom op de school viel, dat was hún referentie.

Ergens valt het dus wel te begrijpen. Maar toch: die docent Frans in de brugklas zag meteen dat ik het eigenlijk heel goed kon. Dat talent had je dan toch ook kunnen ontdekken op de basisschool? Die onderadvisering, daar moeten we iets aan doen, want het is een probleem waar leerlingen en studenten met een migratie-achtergrond vaker mee te maken hebben. Ook hier weer: het gaat erom dat je een leerling zíet en talent herkent. Docenten beseffen niet dat je zo’n advies meeneemt. Het onbevangene gaat eraf. Zelfs nu ik een boek heb geschreven, denk ik nog: “Maar éigenlijk ben ik misschien niet zo talig”. Het heeft echt invloed.’

 

Jij bent LOB-begeleider. Hoe zorg je dat studenten zich daarbij gezien voelen?

‘Tijdens corona zette ik in op de frequentie: ik sprak studenten maar vijf minuten, maar wel regelmatig. Gewoon even checken: “Hoe gaat het daar bij jou, is er iets waarmee ik je kan helpen?”

Ik hoop als LOB-begeleider door individueel met studenten te praten te ontdekken waar hun passie ligt. Ik wil ze laten zien dat er keuzes zijn die ze zèlf maken, en ze inzicht geven in waarom ze die keuzes maken. Op zestienjarige leeftijd willen veel leerlingen en studenten bijvoorbeeld advocaat worden. Dat is in veel families een beroep met status. Ik ging zelf ook rechten studeren met het idee om advocaat te worden. Mijn vader zegt nog steeds trots: “Dit is mijn zoon, hij is advocaat”, als ik even niet oplet. Maar er zijn natuurlijk nog veel meer mogelijkheden. Ik wil studenten verbinden met hun droom.’

 

Je eigen passie lag uiteindelijk niet in de advocatuur. Hoe ben je in het onderwijs terecht gekomen?

‘Ik begon als bancair jurist. Een mooie baan, maar ik vond het de saaiste baan van de wereld. Ik had niet het idee dat ik iemand hielp of iets bijdroeg aan de maatschappij. Op een dag liep ik het roc aan de overkant binnen en vroeg of ik daar misschien een keer vrijwillig mocht lesgeven, gewoon om te onderzoeken of het onderwijs iets voor me was. Die eerste keer stond ik echt met trillende knieën voor de klas, maar na afloop kreeg ik een applausje van de studenten. Ze waren zo enthousiast: "Meneer, volgend week weer, hè!”

De week erna kon ik invallen en daarna kwam de vraag of ik het vak Inleiding Strafrecht kon geven aan mbo niveau 4. Mijn onderwijsbevoegdheid heb ik naast het lesgeven behaald. Ik ging in salaris achteruit, maar ik ga sindsdien alleen nog maar met plezier naar mijn werk. In het onderwijs kun je echt iets voor studenten betekenen. Ik voel ook een enorme verantwoordelijkheid om me volledig in te zetten. Zeker nu ik me twee dagen per week bezig houd met de doorstroom mbo-hbo. Ik hoor ook wel dat mensen dat jammer vinden: “Amin, je moet voor de klas!” Maar een docent is iemand die de studenten voorbereidt op hun vervolgstap, ik denk dat ik hier nu veel kan betekenen.’

 

De doorstroom mbo-hbo is voor veel studenten lastig. Waar ligt dat aan, volgens jou, en wat is eraan te doen?

‘De kloof is te groot. Het idee is dat het mbo een beroepsopleiding is, maar de realiteit is: we leiden op voor doorstroom, niet voor een beroep. Tachtig procent van de mbo-studenten stroomt door naar het hbo, maar in het hbo valt vervolgens de helft uit. Het zijn toppers, dat verdienen ze niet. Het heeft niets te maken met cognitie, we moeten vooral iets doen aan verwachtingsmanagement. Het hbo is vergeleken bij het mbo heel hard: heb je een onvoldoende, dan ga je eruit. Wij werken nu met peer coaching: hbo-studenten die de overstap succesvol hebben gemaakt, zijn coach voor de mbo’ers. Ze trainen met hen bijvoorbeeld de executieve vaardigheden, zoals plannen, organiseren en schrijven, en vertellen ook over hun eigen studie. Dat werkt goed, de mbo’ers nemen van hbo-studenten vaak veel meer aan dan van docenten.

Het is ook belangrijk dat er meer aandacht komt voor taal. Het hbo is een talige opleiding. We geven studenten op het mbo een uurtje per week Nederlands, dat is te weinig. Ik begin nu elke les met tien minuten lezen. Als je dat bij élke les doet, dan lees je zo een boek weg. Dat soort kleine tools helpt echt.

In de derde plaats: gooi de deuren open op het hbo, zodat mbo-studenten het hele jaar door langs kunnen komen om rond te kijken of een les bij te wonen, zodat ze beter weten wat ze kunnen verwachten.’

 

Nog even je boek: de titel ‘Alles voor jullie’ verwijst ook naar je opvatting over onderwijs: alles voor de studenten.

‘Mijn boek is een pleidooi. Het onderwijs is nu zó gericht op kennisoverdracht en op toetsen en lesdoelen. Daar moeten we vanaf. Mijn liefste wens is dat we als docenten de focus terugkrijgen op waar we het voor doen: studenten opleiden voor het leven. Bij de competenties van docenten moet bovenaan staan “De docent is een verbinder, ziet de student en herkent talent”.

Het ultieme antwoord heb ik niet, maar we moeten in ieder geval het gesprek erover aangaan. Verleg je prioriteiten. Reserveer meer tijd voor de student. Zet ook in op talenten van docenten. Is een van de docenten goed in de verbinding met studenten, zet die dáár dan op in.

Maar weet je, dit verhaal is niet nieuw hè? Ik sta dit verhaal elke dag te vertellen en iedereen is het met me eens. Iedereen vindt dat het om de student moet gaan. We moeten er alleen naar gaan handelen. De student echt zíen, daar begint alles mee.’
 

 

 

 


Docent van het Jaar Verkiezingen: Amin Asad

Meer informatie: 

Amin Asad, ‘Alles voor jullie’ (Uitgeverij Deviant)

www.allesvoorjullie.nl

 

6 Tips voor (LO B)docenten van Docent van het Jaar Amin Asad 

FOCUS OP DE BAND MET JE STUDENTEN

1.  Breek het ijs:
begin de les eens met een stelling ‘Bijvoorbeeld “Wie zou voor een miljoen euro een jaar vast willen zitten?” Discussieer daarover, dan is het ijs gebroken.’

2.  Zoek de verbinding
‘Alle studenten hebben hun eigen belevingswereld. Probeer te achterhalen wat de verbindende factor is. Door bijvoorbeeld eens te vragen: “Wat heb je gekeken op Netflix gisteren?” of “Heb je de wedstrijd van Ajax gisteren gezien?”’  

3. Koester het een op een contact
‘In de coronaperiode had ik veel individueel contact met mijn studenten. Dat ging prima, via Teams kun je ook korte momenten inplannen. Even vijf minuten een op een: “Hoe gaat het thuis? Wat heb je nodig?”’

4.  Trek een parallel met je eigen verhaal
‘Maak je lessen persoonlijk Durf je kwetsbaar op te stellen. Vertel over jezelf, over wat jóu bezig houdt. Collega’s zeggen soms “Maar Amin, ik héb geen verhaal!”! Onzin. Iedereen heeft een verhaal.’ 

5. Vergeet de leerdoelen
‘Ga met je studenten praten over mógelijkheden. “Wat zou je willen, wat wil je leren van dit vak? Wat wil je in het leven?’

6. Betrek ook ouders bij de LOB-gesprekken
‘Ouders zijn soms best streng, ze vinden bijvoorbeeld dat hun kind per se moet door studeren. Het is fijn als ook ouders beseffen dat er nog veel meer mogelijk is.

Tekst: Anne Wesseling
Fotografie: Hetty van Oijen

>

Keuzedeel ‘Voorbereiding hbo’ bij ROC Mondriaan en mboRijnland

Rondkijken, sfeerproeven, reflecteren: past een hbo-studie echt bij mij?

Ga ik na het mbo verder met een hbo-studie, of ga ik toch liever werken? Het is een belangrijke vraag voor mbo-studenten. Tijdens het keuzedeel ‘Voorbereiding hbo’ werken ze een week op het hbo in groepjes aan een adviesopdracht, onder leiding van hbo-docenten. Zo ontdekken ze of een hbo-studie echt bij hen past, én werken ze alvast aan hun competenties.

Het keuzedeel ‘Voorbereiding hbo’ werd in de regio Haaglanden/Rijnstreek ontwikkeld door zeven mbo- en hbo-scholen. Jaarlijks volgen zo’n 750 mbo-studenten dit keuzedeel (30 groepen van gemiddeld 25 studenten). Ze zijn afkomstig van ROC Mondriaan en mboRijnland en volgen met name opleidingen in de zakelijke dienstverlening. Het keuzedeel is een belangrijke LOB-tool, zegt projectleider Liesbeth van der Meer. ‘Veel van deze mbo-studenten zien het mbo als een tussenstap – eigenlijk willen ze naar het hbo. Dat is een vaste gedachte die ze vaak al hebben op het vmbo, maar tijdens hun mbo-opleiding begint dat idee te wankelen. Ze komen jong binnen, en als ze na een tijdje stage gaan lopen, bevalt dat van beide kanten vaak zo goed dat ze door de bedrijven al gevraagd worden om daar na hun studie te komen werken. Wat doe je dan? Toch doorstuderen? Of liever werken? Wat past bij jou, wat wil je écht? Dat is wat ze bij dit keuzedeel onderzoeken.’

 

Hoe is het keuzedeel ‘Voorbereiding hbo’ precies opgebouwd?

’Het keuzedeel omvat vier werkprocessen. Het eerste werkproces is een oriëntatie op hbo-opleidingen en -beroepen. Het draait om de student zelf: Wie ben ik, wat past bij mij, wat is er te koop? Werkprocessen twee en drie gaan over het werken aan een studieopdracht en het samenwerken in projectgroepen. Hiervoor volgen de studenten een week lang lessen op een hbo-school. In de ochtend krijgen ze colleges, vervolgens werken ze in groepen aan een deelopdracht. Aan het eind van de week presenteren ze een adviesrapport, waarin ze voor een groot bedrijf aangeven wat het moet doen om over vijf jaar nog succesvol te zijn.

Werkproces vier draait om reflectie op gedrag en resultaten. Studenten houden een logboek bij en werken aan een portfolio. Ze sluiten het keuzedeel af met een mondeling examen, met het logboek als uitgangspunt.’

 

De studenten worden echt ondergedompeld in het hbo.

‘Ja, het belangrijkste is dat ze een week los zijn van hun eigen school. Door het programma in één week te gieten, gaan ze mee in de stroom van het hbo. Ze komen meer in contact met hbo-studenten en de kans is ook groter dat ze iemand tegenkomen die ze al kennen, bijvoorbeeld van een sportclub. Ze kunnen vragen stellen en echt ervaren hoe het is om aan een hbo te studeren. Toen we begonnen met dit keuzedeel, was de opzet overigens nog anders. Toen volgden de studenten tien weken lang één dagdeel per week het keuzedeel Voorbereiding hbo. Dat had als nadeel dat ze dan elke keer weer opnieuw moesten opstarten. De huidige opzet is een ‘snelkookpan’ van vijf volle dagen les op het hbo, dat werkt beter. Ze leren nu in korte tijd heel veel. Een ontwikkelproces kun je natuurlijk niet in een week persen, maar toch kiezen we er bewust voor. De voordelen wegen zwaarder dan de nadelen. En we zien ook dat wat de studenten leren op het hbo ze daarna toepassen als ze weer terug zijn op hun eigen school.’

 

Het keuzedeel is een samenwerking tussen twee roc’s en vijf hogescholen. Hoe is deze samenwerking tot stand gekomen?

‘Het initiatief ging uit van onze onderwijsdirecteur Marie-Claire Gambon. Zij vond dat we iets moesten doen aan de overstap naar het hbo, want we zagen daar te vaak studenten vastlopen of van studie switchen. Ze heeft een rondje ‘langs de velden’ gemaakt om het onderwerp bespreekbaar te maken en te onderzoeken of de scholen gezamenlijk zouden kunnen optrekken. Al snel bleek dat iedereen achter dit idee stond, er was meteen een goede chemie. Er werd een convenant gesloten en er werden werkafspraken gemaakt.

Vanuit de directie werd dus een goede basis gelegd. In maart 2018 werd ik projectleider voor de scholengroep Economie/Retail, dit keuzedeel is een van mijn projecten. Jaarlijks evalueren we met docenten, coördinatoren, studenten van de verschillende scholen hoe het gaat en wat er beter kan.’

 

Is de opzet van het keuzedeel veranderd de afgelopen jaren? ‘

De grootste aanpassing noemde ik al: van tien weken één dagdeel per week gingen we over naar een week voltijd op het hbo, voor werkprocessen 2 en 3. Verder hebben we toegevoegd dat de studenten in de projectweek dagelijks pitchen. Aanvankelijk hielden de studenten alleen aan het eind van de week een presentatie. Ze kregen dus ook maar één keer feedback van de hbo-docent. Nu krijgen ze elke dag feedback en handvatten voor de volgende stappen in het proces. Dat werkt beter, de docent kan ook beter bijsturen. Die dagelijkse pitch geeft bovendien een stok achter de deur. Dat is extra belangrijk nu de studenten veel online les krijgen. Als je aan het eind van de dag echt iets moet afleveren geeft dat nét een duwtje om actief bij de les te blijven.’

 

De studenten houden tijdens dit keuzedeel een logboek bij en werken aan een portfolio. Het portfolio is ook de basis voor het mondelinge examen. Ze worden niet beoordeeld op het adviesrapport en de presentaties. Waarom hebben jullie daarvoor gekozen?

‘Het examineren met een logboek en mondeling examen doet meer recht aan het keuzedeel. Het doel is om studenten te helpen bij hun keuze of ze na het mbo verder willen studeren op het hbo. Als een student na afloop tot de conclusie komt dat hij of zij na het mbo liever wil gaan werken, is dat ook prima. Je hebt voor dit vak allerlei hbo-vaardigheden ingezet, als je aan het eind besluit dat een hbo-studie niet is wat je wilt, heb je nog wel alle stappen gezet. De vraag ‘Wil je verder studeren of werken?’, kun je dan gefundeerd beantwoorden. Daar gaat het om. Het zou oneerlijk zijn om een laag cijfer te geven omdat de gemaakte opdrachten naar hbo-maatstaven nog niet voldoende zijn.’

 

Elke groep mbo-studenten krijgt begeleiding van een of twee hbo-studentassistenten. Wat is hun rol?

‘Zij zijn ervaringsdeskundigen. Ze helpen bij de projectopdrachten, maar ze kunnen daarnaast antwoord geven op álle vragen. “Waar liep jij tegenaan bij de overstap naar het hbo?”, “Heb ik op het hbo nog tijd voor mijn bijbaantje?” “Kan ik drie keer per week blijven voetballen?” Dat soort vragen stellen mbo-studenten veel gemakkelijker aan een hbo-student dan aan een docent. De hbo-studenten laten tussendoor ook vaak zien waar ze op dat moment zelf voor hun studie mee bezig zijn, dat helpt de mbo-studenten ook bij het beantwoorden van de vraag “Wil ik dit?” We proberen dus vooral hbo’ers met een mbo-achtergrond in te zetten. Die weten ook waar je als mbo’er tegenaan kunt lopen na de overstap naar het hbo. De mbo-studenten hoeven geen ideaalplaatje te krijgen, het gaat erom dat ze de échte hbo-wereld ervaren en een realistisch beeld krijgen van wat een hbo-studie inhoudt.

Die hbo’ers vinden het trouwens ook vaak erg leuk om zo’n groep te begeleiden. Ze krijgen studiepunten en soms een kleine vergoeding, maar er zijn er die al voor de derde keer meedoen. Ze zijn ook ambassadeurs voor hun studie.’

 

Wat zijn in jullie ervaring de dingen waar mbo’ers in het hbo vooral tegenaan lopen?

‘Wat ik van hbo-docenten hoor is: “Die vakinhoud leren we ze wel. Maar de studievaardigheden is een veel grotere uitdaging.” Het is natuurlijk deels afhankelijk van de studie: studenten die bij Marketing en Events vandaan komen, hebben al ervaring met presenteren. Maar plannen is bijvoorbeeld voor alle studenten belangrijk. In het mbo nemen we de studenten meer aan de hand, op het hbo moeten ze gelijk zelfstandig hun weg vinden. Ze moeten vaak meteen planmatig en in een groep aan de slag, en als ze iets niet snappen, moeten ze er zélf mee komen.

In dit keuzedeel proberen we een mix te vinden. De eindopdracht hebben we in delen opgesplitst, waarbij ze elke dag een deel doen. Ze krijgen ’s ochtends een college over marketing, en werken daarna in groepjes aan de deelopdracht. Aan het einde van de dag komt de hbo-docent terug en pitchen ze wat ze hebben gedaan. Ze krijgen dan meteen feedback, maar ook feed forward: handvatten voor de volgende stappen.’

 

Merk je dat het keuzedeel effect heeft? Wordt de overstap er gemakkelijker door?

‘Dat is op basis van cijfers nog moeilijk te zeggen. In het eerste jaar dat we dit programma aanboden, schooljaar 2017-2018, volgden vooral tweedejaars mbo-studenten dit keuzedeel. Die gingen pas in schooljaar 2019-2020 naar het hbo. Maar toen kwam corona, dat was natuurlijk niet ideaal.

Ik denk zelf dat de studenten er veel aan hebben, ook al zijn ze zich er misschien niet eens zo van bewust. We zien het echt aan ze, als ze na de hbo-week terug komen op het mbo. Er worden in die week hoge eisen aan ze gesteld, ze hebben een adviesrapport gemaakt en presentaties gegeven, ze hebben feedback gekregen. Het vormt ze. Je merkt het aan hoe ze dingen aanpakken. Ze gaan weg als mbo-studenten, na afloop zijn het pré-hbo-studenten. Dat geldt ook voor de studenten die er aanvankelijk niet veel zin in hebben of die het lastig vinden. Bij hen zien we vaak halverwege de week een kentering. Ze weten: op vrijdag moet ik deze opdracht afleveren. Dat levert een andere mindset op. Voorheen maakte dit keuzedeel geen onderdeel uit van de zak/slaag-regeling. Nu wel. De vrijblijvendheid is eraf.

Studenten zelf zeggen na afloop: het heeft me geholpen in mijn ideevorming, maar ik weet nog niet wát ik wil studeren. Daarom adviseren we ze ook om de zoektocht voort te zetten in het derde jaar, bij de LOB-lessen.’

 

Je zei dat jullie jaarlijks evalueren en kijken wat er beter kan. Zijn er nog dingen die jullie aan dit keuzedeel willen toevoegen of veranderen?

‘We hebben doorstroomlessen ontwikkeld om de overstap naar het hbo te vergemakkelijken. Met name voor Nederlands, Engels en wiskunde, omdat daar voor studenten vaak inhoudelijk nog een flinke stap te overbruggen is.

Komend jaar gaan we daarnaast een pilot draaien waarbij werkproces 1 van het keuzedeel, de oriëntatiefase, deel uit gaat maken van LOB. De mbo-studenten die daarna al zeker weten dat ze niet naar het hbo willen, kunnen dat andere stappen nemen en zich oriënteren op de uitstroom naar werk. Want de overstap van mbo naar passend werk in de regio moet óók aandacht krijgen. Daarvoor gaan we met het bedrijfsleven aan de slag.

Onze toekomstvisie is dat studenten de hbo-oriëntatie in leerjaar 2 doen. Studenten die door willen studeren op het hbo, kunnen dan in het derde studiejaar kiezen voor extra doorstroomlessen, en voor verdiepende keuzedelen met de focus op hun vervolgstudie.’


Vijf LOB-tips om de doorstroom mbo-hbo te verbeteren

1.     Betrek hbo-studenten erbij

’‘Peer-to-peer coaching werkt het beste. Q&A-sessies met hbo-studenten werken bijvoorbeeld heel goed, ook online. Ook na corona-tijd houden we dat erin.’

2.     ‘Zet in op studievaardigheden
‘’‘Ook dit kan in samenwerking met hbo-studenten. Zij geven bij ons bijvoorbeeld workshops over studievaardigheden, zoals zelfstandig werken, plannen, het lezen van een artikel of het analyseren van gegevens. De workshops werken goed bij onze mbo-studenten, want ze zijn laagdrempelig en de studenten krijgen handvatten om beter te studeren.’’’

3.     Breng componenten in in je LOB
‘‘‘Het hoeft niet zo groot als een heel keuzedeel. We hadden een online hbo-dag, waarbij studenten twee mini-colleges volgden bij Hogeschool Inholland en de Haagse Hogeschool. De mbo-studenten maakten daarna een opdracht en aan het eind van de dag was er een Q&A met de twee instellingen.’

4.     Investeer in de relatie
‘Wij werken ook met de zelfdeterminatie theorie van Deci & Ryan: je kunt de intrinsieke motivatie van studenten verhogen door in te spelen op gevoelens van competentie, autonomie en relatie. De laatste is voor ons een hele belangrijke! Je bouwt als Pitstop-docent echt een relatie op met de studen-ten. Daardoor accepteren ze meer, durven ze meer en doen ze ook meer.’ ’

4.     Maak goede werkafspraken

‘‘Zorg voor een levendige samenwerking met andere scholen en hóu dat zo. Maak goede werkafspraken en formeer een vaste club. Het is fijn als er een projectleider is, die kan de samenwerking aanjagen en is het aanspreekpunt. Wij hebben met de zeven deelnemende scholen een regiegroep die regelmatig bij elkaar komt en de bakens uitzet.’

5.     Betrokkenheid moet groeien

‘‘We hebben bij de hbo-scholen een vaste groep van docenten die dit keuzedeel geven. We organiseren werksessies, bijvoorbeeld bij het schrijven van de lessen, en evalueren jaarlijks met elkaar. Zo’n vaste club voelt zich meer betrokken en er is veel interactie. Zet een mbo- en hbo-docent naast elkaar, en ze vinden elkaar heel snel.’

 
Tekst: Anne Wesseling
Fotografie: Hetty van Oijen
>

Pitstop MBO: een tussenjaar voor je persoonlijke ontwikkeling

Als je een duidelijk plan hebt voor je leven, is de studiekeuze een inkopper. Dat is de gedachte achter Pitstop MBO, een eenjarig programma speciaal voor leerlingen die hun vmbo-diploma hebben, maar nog geen keuze kunnen maken voor een vervolgopleiding. Het belangrijkste vak: IK-ologie.

De oefening uit het programma Pitstop MBO waar leerlingen het meeste van leren?
Lastig kiezen, maar Daniëlle Meijer en René Hendrikx kiezen voor ‘levend Mastermind’, een spel waarbij de studenten in groepen tegen elkaar strijden en onder tijdsdruk lastige opdrachten moeten maken terwijl er knetterharde heavymetalmuziek opstaat. Doel: aan den lijve ervaren wat stress met je doet. ‘Dan zie je hoe verschillend studenten op stress reageren’, legt René Hendrikx uit. ‘Sommigen worden bloedfanatiek, compleet met schreeuwen tegen de andere groep, anderen staan perplex te kijken – ‘Wat gebéurt hier?’ – en nog weer anderen trekken zich terug en verlaten hun groepje.’ ’Een betere illustratie kun je je niet indenken van hoe mensen onder druk terugvallen op het ‘reptielenbrein’, de oerinstincten vluchten, vechten of bevriezen’, vult Daniëlle Meijer aan. ’Vervolgens leggen wij ze uit: als jij dus straks met iemand samenwerkt en diegene staat onder druk, snáp je dat mensen op een van die drie manieren gaan reageren. Omdat ze het echt hebben ervaren, vergeten ze het nooit meer.’

Daniëlle Meijer en René Hendrikx zijn docenten van Pitstop MBO, een programma van een jaar dat de afgelopen twee jaar als pilot draaide bij Gilde Opleidingen in Roermond. Pitstop MBO werd speciaal ontwikkeld voor leerlingen die hun vmbo-diploma hebben, maar niet weten welke vervolgopleiding ze willen kiezen. Tijdens hun Pitstop-tussenjaar volgen ze vijf dagen per week in de ochtend generieke vakken (Nederlands, Engels, sport, keuzedelen) en werken ze in de middag aan hun persoonlijke ontwikkeling, afgewisseld met workshops en bezoeken aan bedrijven. Belangrijke vakken in het middagprogramma zijn ‘IK-ologie’, ‘WIJ – de psychologie van het gunnen’ en ‘Verbaal meesterschap’. Deze vakken zijn gebaseerd op het gedachtengoed van Remco Claassen, management-trainer op het gebied van persoonlijk leiderschap en communicatie.

 

Wat was de aanleiding om Pitstop MBO te ontwikkelen?

René: ‘Daniëlle en ik waren allebei docent binnen de sector Economie van Gilde Opleidingen, en we zagen vaak dat studenten na een paar maanden al aangaven: “Deze opleiding gaat hem niet worden, want het is niet wat ik dacht”. Als ik vroeg wat ze dan wél wilden, zeiden negen van de tien studenten “Dat weet ik eigenlijk niet”. “Waar ben je goed in?” “Dat weet ik óók niet.” We vonden dat we er iets mee moesten doen.’

Daniëlle: ‘We hadden contact met Remco Claassen, die het idee van een ‘Pitstop’ rond persoonlijk leiderschap ontwikkelde. Hij kreeg tijdens trainingen vaak van managers de vraag waarom de stof die hij behandelt nog nooit in het onderwijs behandeld was. Wij hebben toen de materie van Remco Claassen vertaald naar een eenjarige opleiding voor het mbo.’ René: ‘Mick Wauthers was op dat moment directeur van de sector economie bij Gilde Opleidingen. Hij bood ons de mogelijkheid om tijdens een tweejarige pilot te onderzoeken hoe het programma zich in de praktijk zou bewijzen. In 2019 volgden vijftien studenten de eerste Pitstop MBO, dit studiejaar zijn er twee klassen van negentien studenten. Overigens geeft Remco zelf geen les op Pitstop, maar hij is natuurlijk wel eigenaar en geestelijk vader van het programma.’

 

Het belangrijkste vak is ‘IK-ologie’. Wat houdt dat precies in?

Daniëlle: ‘IK-ologie is een vak dat echt over ‘ik’ gaat, over de student zelf. Het gaat niet alleen over motieven en kwaliteiten, maar ook over inzicht: wat is mijn gebruiksaanwijzing en waarom functioneer ik zoals ik functioneer? Remco Claassen heeft in zijn Pitstop-programma de belangrijkste inzichten op het gebied van persoonlijk leiderschap samengebracht en gecombineerd in dit vak.’ René: 'IK-ologie bestaat uit drie delen. Eerst het ‘Ik’-verhaal: wie ben ik wat wil ik, wat zijn mijn passies en talenten, hoe zit ik zelf in elkaar? Dan het ‘Wij’-stuk: als je weet wat je stip op de horizon is, hoe kun je dan andere mensen in zetten om je doelen te bereiken? Het derde onderdeel is ‘Verbaal meesterschap’, waarbij de studenten onder meer leren om te spreken met impact, dus op zo’n manier dat mensen écht naar ze luisteren. Dat is lastig, maar we merken dat ze daar op sociaal gebied enorm veel aan hebben.’ Daniëlle: ‘Tijdens een dagdeel IK-ologie ligt de nadruk op doen, we werken zo min mogelijk met vragenlijstjes en geschreven opdrachten. De studenten gaan echt met elkaar aan de slag, ze krijgen inzichten doordat ze samen dingen ervaren.’

IK-ologie gaat dus verder dan LOB?

Daniëlle: ‘Het heeft wel veel raakvlakken, maar het is niet helemaal hetzelfde. Alle dingen die je bij LOB doet, zitten er bij ons wel in. ‘IK-ologie’ gaat over motieven- en kwaliteitenreflectie. ‘WIJ’ gaat erg over netwerken en over hoe je anderen in kunt zetten om je ambities waar te maken. De loopbaan- en werkexploratie zit in de stages en de bezoeken aan opleidingen en bedrijven. Maar bij IK-ologie krijgen de studenten daarnaast ook alle managementtools om de regie te pakken over hun eigen leven. We behandelen bijvoorbeeld ook de inzichten van Robert Cialdini, de ‘zeven gewoonten’ van Stephen Covey en het ‘begin met waarom’ van Simon Sinek. Dat is ook wat dit programma zo bijzonder maakt. Normaalgesproken moet je eerst een burn-out krijgen, of een zescijferig salaris verdienen om echt iets te leren over persoonlijk leiderschap. Wij leren de studenten dat nú al en daar hebben ze de rest van hun leven profijt van.’

 

In het eerste jaar hadden jullie 15 studenten en in tweede jaar meteen 38. Dat ging snel!

Daniëlle: ‘Het probleem van studenten die moeite hebben met hun studiekeuze is redelijk huge.’ René: ‘Dit was zonder reclame te maken. De angst van Gilde Opleidingen was: als je het meteen helemaal open gaat gooien, heb je straks acht klassen gevuld. Dan krijg je ook studenten die denken: “Ik ga daar een jaar zitten en lekker niks doen”.’ Daniëlle: ‘Zo werkt het niet, dat maken we van tevoren ook wel duidelijk. We voeren met alle studenten intake-gesprekken, met de ouders erbij. Daarin geven we aan dat er hier flinke eisen gesteld worden. Als studenten op zoek zijn naar een chilljaar, moeten ze niet bij ons komen. Het is hier iedere dag een feestje, maar wel een ‘hard werken’-feestje.’ René: ‘Het draait om persoonlijke groei, dus ze lopen ook tegen dingen aan die niet altijd prettig zijn en die ze wel moeten veranderen. Ze worden continu aangesproken op gedrag dat in onze ogen anders zou moeten. Altijd een weerwoord hebben, bijvoorbeeld. Er zijn studenten die altijd “Ja maar” zeggen, tegen ons of collega-studenten. We behandelen dan de theorie daarover en we spreken ze erop aan.’

Bij Pitstop moeten studenten dus best hard werken. Hoe zit het met de motivatie?

René: ‘Het belangrijkste is dat ze een plan maken voor hun leven. Als studenten dan ook nog een studierichting hebben gevonden die echt bij ze past, gaan ze echt ‘aan’. Een voorbeeld: Pitstop is bedoeld voor leerlingen van vmbo-kader en tl, maar we hadden vorig jaar twee jongens van basis die dit programma zó graag wilden volgen, dat we ze toch hebben toegelaten – het was niet voor niets een pilot. Een van die jongens besloot tijdens Pitstop dat hij de sportkant op wilde, een niveau 4-opleiding. Dat ging eigenlijk niet, maar hij mocht toch bij de opleiding op gesprek komen en dat ging zó goed dat hij werd toegelaten, op de capaciteitstest scoorde hij bovengemiddeld. Hij is tijdens Pitstop hard gaan werken aan rekenen en Nederlands. Hij heeft zijn richting bepaald, hij heeft z’n focus. Hij weet dat hij rekenen moet halen om die opleiding te volgen, dus hij werkt er keihard voor.’

 

Pitstop MBO is een tussenjaar, maar leerlingen volgen wel generieke vakken. Hoe is daarna de aansluiting bij vervolgopleidingen?

René: ‘Als studenten hard werken, mogen ze bij ons gewoon verder met de stof van de generieke vakken. Dat motiveert zo dat ze soms echt snel door de stof gaan. Ik denk dat over vier jaar de Pit-stop-studenten in veel gevallen kunnen instromen in het tweede jaar van een opleiding. Soms gebeurt dat nu al: een studente van vorig jaar had tijdens Pitstop rekenen en Nederlands al op het hoogste niveau afgerond, dus zij gaat nu de opleiding voor onderwijsassistente in 2,5 jaar doen, in plaats van in 3,5 jaar. Maar nog niet alle opleidingen zijn al zover. In dat geval starten studenten na Pitstop gewoon in het eerste jaar van de opleiding, en krijgen dan bijvoorbeeld in plaats van rekenen extra opdrachten. Tegen ouders en studenten zeggen we: “Hou er rekening mee dat je na Pitstop gewoon instroomt in het eerste jaar van je opleiding. Alles wat je inhaalt, is meegenomen”.

 

Hoe reageren ouders daarop? Het kost toch een extra jaar.

René: ‘We hebben nog geen ouder gehad die daar moeite mee had. Integendeel. Elke ouder zegt: “Geweldig! Laat ‘m maar lekker groeien, zich ontwikkelen en z’n richting bepalen, dan fluit-ie dadelijk door alles heen en heeft er z’n hele leven plezier van.” Ze zien tijdens Pitstop ook dat hun kind er sterker uit komt.

Dat zien wij hier ook voor onze ogen gebeuren. We hadden in het eerste jaar een student die op de middelbare school altijd spijbelde en problemen had, maar die door Pitstop echt z’n richting en z’n vervolgopleiding heeft gevonden. Hij vindt school nu leuk. Hij heeft nooit meer ruzie met zijn ouders, hij heeft een bijbaantje, een nieuwe vriendin… Hij is echt ‘aangegaan’. Nog een voorbeeld: we hadden een jongen in de Pitstop-groep die best moeite had met sociale vaardigheden, en zijn moeder vroeg me na een tijdje: “Wat heb je met mijn zoon gedaan? Hij begint te práten, over de opleiding en over wat-ie wil!” Dat soort verhalen, daar krijg je kippenvel van.’

 

Na dit jaar gaat Pitstop MBO een vaste richting worden op Gilde Opleidingen. Hoe gaat het verder en wat is jullie ambitie?

Daniëlle: ‘Uiteindelijk willen we met dit programma Nederland veroveren. Er zijn al veel scholen die belangstelling hebben. Als Remco Claassen ergens op een podium zijn verhaal heeft gedaan, stroomt meteen onze LinkedIn vol. Het gaat echt snel!’ René: ‘We willen om te beginnen in iedere provincie een of twee mbo’s vinden waar we Pitstop MBO kunnen opzetten, zodat studenten door heel Nederland dit tussenjaar kunnen doen. Er worden al gesprekken gevoerd om mensen op te gaan leiden in het gedachtengoed van Remco Claassen en IK-ologie. De docenten die Pitstop MBO mogen gaan geven, krijgen vervolgens een gedegen opleiding, deels van Remco en deels van ons, om de kwaliteit te waarborgen.’ Daniëlle: ‘Er is al een format voor hoe we het willen gaan inrichten. Als een school zegt: “We willen graag én we hebben docenten om op te leiden”, dan kan er vrij snel gestart worden.’ René: ‘Daarnaast is er belangstelling om een deel van het programma als keuzedeel op te nemen in het curriculum van het mbo, zodat ook studenten van andere opleidingen het kunnen volgen. Met een tal hbo- en vo-scholen scholen voeren we gesprekken om te kijken hoe we Pitstop zouden kunnen inpassen in die onderwijsvormen. Het vak IK-ologie betekent zoveel voor je persoonlijke ontwikkeling en voor hoe je levensdoelen gaat bereiken. We gunnen het iedere student in Nederland!’


Vijf LOB-tips uit de praktijk van pitstop mbo van René Henrikx en Daniëlle Meijer

1.     Hang posters op

’We hebben twee vaste lokalen en in beide hangen posters en flip-overvellen met uitleg bij theorieën die we hebben behandeld. Dat doen we in steekwoorden, of in de vorm van een tekening. Zo kunnen we er direct naar verwijzen als die situatie zich voordoet die aansluit bij de theorie. We hebben hier bijvoorbeeld een tekening van een bruine broek hangen waar een verhaal bij hoort over dat je risico moet nemen. Op die manier vergeten ze de theorie nooit meer.’’

2.     ‘Eigenaarschap’ is meer dan een multomap met opdrachten
‘’Een opdrachtenklapper is geen ‘regie over het leerproces’. Eigenaarschap houdt in dat je jezelf verantwoordelijk voelt om de regie te pakken op je eigen leerproces. Als leerlingen bijvoorbeeld bij docenten tegen dingen aanlopen, moeten ze van ons eerst zelf formuleren wat ze anders willen en dat bij de docent aankaarten, pas als ze er met de docent zelf niet uitkomen, komen ze terug bij ons. Op die manier laat je ze zien dat ze zélf kunnen sturen en zijn ze echt met hun eigen leerproces bezig.’’

3.     Investeer in een gevoel van veiligheid in de groep
‘‘Wij besteden in de eerste helft van het schooljaar veel tijd en energie aan het creëren van veiligheid in de groep. We stellen studenten de vraag: “Wat heb jij nodig om veilig te kunnen groeien?” Vervolgens bedenken ze samen de tien geboden voor de klas. Die veiligheid moet er zijn zodat studenten ook de dingen durven te doen die spannend zijn. Bij ons doen alle studenten met álles mee, dat spreken we ook af tijdens de intake.’

4.     Investeer in de relatie
‘Wij werken ook met de zelfdeterminatie theorie van Deci & Ryan: je kunt de intrinsieke motivatie van studenten verhogen door in te spelen op gevoelens van competentie, autonomie en relatie. De laatste is voor ons een hele belangrijke! Je bouwt als Pitstop-docent echt een relatie op met de studen-ten. Daardoor accepteren ze meer, durven ze meer en doen ze ook meer.’ ’

4.     LOB hoort bij elk vak

‘In de praktijk is het voor docenten in het vo vaak lastig om voldoende tijd voor LOB te vinden. In het vierde jaar ben je vooral met de examens bezig. Er zijn al zoveel dingen die docenten moeten doen en LOB is dan nog een vak erbij en wordt dan in een uurtje even gedaan. Een oplossing is om LOB een onderdeel te laten zijn van alle vakken: solliciteren moet bij Nederlands, netwerken bij de stage, en een stukje werkexploratie bij de praktijkvakken. Of maak een taakverdeling samen met het mbo. Focus in het vmbo dan op de kwaliteiten- en motievenreflectie, zodat leerlingen een gedegen keuze voor een vervolgopleiding te maken, en ga op het mbo vooral aan de slag met netwerken, werkex-ploratie en loopbaansturing.

 
 

‘Ik geef al ruim 25 jaar training aan hoofdzakelijk hoogopgeleide professionals in het bedrijfsleven en ze vragen mij steevast “Waarom heb ik deze stof niet twintig jaar geleden gehad?!” Vandaar mijn passie om het beste wat de managementgoeroes te bieden hebben ook toegankelijk te maken bin-nen het onderwijs. Dat begon tien jaar geleden met een droom en is nu werkelijkheid geworden met de Pitstop MBO!’

Remco Claassen

M-Jaar Pitstop is niet het enige tussenjaarprogramma voor leerlingen die hun vmbo-diploma hebben be-haald. Aan ROC TOP in Amsterdam kunnen studenten zich inschrijven voor M-jaar en sinds kort ook voor het H-jaar. Lees het praktijkvoorbeeld over het H-jaar!’

Tekst Anne Wesseling
Fotografie Hetty van Oijen

>

Studenten inzetten op school

Landelijk platform om examenleerlingen te ondersteunen en visie op een duurzame aanpak van het lerarentekort

Studenteninzetopschool.nl is een landelijk platform van initiatieven waarbij studenten uit het hoger onderwijs worden ingezet om leerlingen (van de eindexamenklassen) in het voortgezet onderwijs te ondersteunen. Het platform (not-for-profit ) bundelt de krachten en wil de negatieve gevolgen van de coronacrisis minimaliseren door vo-leerlingen te helpen bij bijvoorbeeld de voorbereiding op hun examens en door docenten uit het vo een steuntje in de rug te geven.

De ondersteuning van leerlingen heeft meestal de vorm van één-op-één bijles die in principe zowel online als offline te organiseren is. Maar ook andere vormen van ondersteuning, zoals groepslessen, zijn bespreekbaar. De studenten geven aan in welke vakken ze ondersteuning kunnen geven. De school geeft aan welke leerlingen ondersteuning nodig hebben en waarin. Daarna wordt er gezocht naar een match.

De studenten krijgen een door een lerarenopleiding verzorgde cursus over de meest adequate begeleiding richting het eindexamen. Deze cursus wordt aangevuld met terugkombijeenkomsten en webinars om van elkaar te leren. Zo kan een kwalitatief hoogstaande begeleiding worden gegarandeerd. Voor de studenten is deze ondersteuning een leuke bijbaan met maatschappelijke impact. Voor sommige leerlingen is het misschien wel het verschil tussen zakken of slagen in 2021!

>

Een stage moet echt de blik van de leerling verruimen

Hoe maak je van een stage een echte LOB-stage? Vooral door buiten de kaders te kijken, zegt Cristel van Doorn van het Stagebureau in Meppel. Kies voor een stage dus in elk geval een nieuwe omgeving, niet de plek waar de leerling al een bijbaantje heeft. Dat is misschien niet de gemakkelijkste optie en soms schuurt dat. ‘Maar is het zó waardevol.’

Een leerlinge met het profiel Zorg & Welzijn kon wegens corona moeilijk een stage vinden, en ging uiteindelijk stage lopen op een melkveebedrijf. Je zou denken: dat past niet. Maar volgens de boerin die de leerlinge zou begeleiden, paste het juist prima. ‘Als ze hier met de kalfjes werkt, moet ze die de fles geven, ze moet zorgen voor de medicatie en de gezondheid monitoren. Dat is óók zorg!’

Het is een voorbeeld dat Cristel van Doorn, hoofd van het Stagebureau in Meppel, gebruikt om aan te geven dat stages buiten de geijkte kaders heel waardevol kunnen zijn. ’Deze stage was zelfs zo’n succes dat de leerlinge nu denkt aan een vervolgopleiding op het gebied van veehouderij.’

Cristel van Doorn is hoofd van het Stagebureau in Meppel. Het Stagebureau is onderdeel van Stad en Esch, een scholengemeenschap met ruim 2000 leerlingen verdeeld over vier scholen voor vmbo, praktijkonderwijs, vso, havo en vwo. De stages variëren van een schaduwstage in het eerste jaar tot en met beroepsgerichte stages van twee dagen per week waarna leerlingen doorstromen naar een baan. De drie medewerkers van het Stagebureau onderhouden onder meer de contacten met ruim 800 bedrijven waar leerlingen stages lopen en regelen de stagecontracten. ‘Het Stagebureau ontzorgt’, zegt Cristel van Doorn. ‘Daarnaast regelen we ook gastlessen en excursies, letten we op de verbinding met LOB en zetten we projecten op.’

 

Wat is eigenlijk een goede stage, als je het vanuit LOB bekijkt?

’Eigenlijk is een stage al heel gauw goed. Omdat kinderen nog niet zoveel referentiekaders hebben, is vrijwel elke ervaring nieuw. Ook als de stage niet leuk is, of niet goed gaat, leer je in elk geval wat níet bij je past, dus vanuit LOB gezien is het dan een hele goede stage. Waar we hier vooral naar streven, is dat de stage de blik van de leerling verruimt. Dus wil een leerling stage lopen bij de supermarkt van zijn zaterdagbaantje, dan zegt een docent toch: ‘Je mag daar best heen als je het kunt motiveren, maar als je daar al werkt, is het handiger als je dan bij een ándere supermarkt je stage gaat lopen’. Dat roept soms weerstand op want het is niet de gemakkelijkste weg, het schuurt en het wringt. Maar je helpt ze ook om boven zichzelf uit te stijgen en dat is zo waardevol.’

 

Een stage hoeft niet per se aan te sluiten bij het profiel?

‘Nee, dat hoeft niet per se. We hebben nu bijvoorbeeld een leerling Mobiliteit die stage loopt bij een herenmodezaak. Prima! De stage is er voor LOB, en als je weet dat je niet verder wilt in de motor-techniek, dan moet je een stage kunnen lopen in een ander vakgebied om te onderzoeken of dat beter bij je past. Overigens sprak ik een PIE-docent die zei: ‘Ik vind dat mijn leerlingen hun eerste stage in elk geval wel in de richting PIE moeten doen’. Daar heeft hij een punt, want je moet toch eerst ontdekken of het inderdaad iets voor je is of niet. Ik vind het leuk dat we dit soort gesprekken voeren. Het geeft ook een ontwikkeling aan: een paar jaar geleden was een stage buiten het profiel nog niet bespreekbaar geweest.’

 

Het Stagebureau ging vier jaar geleden van start. Hoe reageerden docenten erop dat jullie een deel van de taken overnamen?

‘In eerste instantie was er weerstand. Veel docenten vinden een stage regelen juist léuk, en nu was er ineens iemand die het anders deed en beter wist. Maar inmiddels is die weerstand wel weg, want docenten merken dat ik helemaal niets overneem, ik ben er voor de ondersteuning. Ik schrijf de brieven, regel de stage-contracten en zorg dat de stageboekjes er goed uitzien. Ik faciliteer en informeer en ik kan helpen om LOB op een hoger plan te brengen, bijvoorbeeld door te zorgen dat leerlingen van verschillende profielen in hun stageboekjes vergelijkbare opdrachten krijgen, die volgens dezelfde normen worden beoordeeld.

Maar de uitvoering en begeleiding van de stages ligt nog steeds bij de docenten. De rol van de mentor/coach ligt in de voorbespreking: wat ga je doen, waarom? En in het samen reflecteren: wat vond je leuk en wat niet? Daarmee verbind je de stage met LOB.’

 

Jullie werken met het CRM-systeem Teamspot. Hoe bevalt dat?

‘Teamspot is voor ons echt de rode draad. De leerlingen kunnen inloggen, ze vinden er bedrijven waar ze stage kunnen lopen, maar ook lesmateriaal. Wat ik vooral fijn vind aan Teamspot, is dat je het langzaam uit kunt bouwen. Teamspot had aanvankelijk een beperkte functionaliteit, dat is inmiddels enorm uitgebreid. De procedures zijn bijvoorbeeld gestroomlijnd: als een stage is goedgekeurd, wordt er automatisch een stagecontract gegenereerd.

We hebben inmiddels ook icoontjes voor de loopbaancompetenties bij de opdrachten gezet, zodat leerlingen zien wat de link is met de vijf loopbaancompetenties van Marinka Kuijpers. Leerlingen kunnen nu ook filmpjes toevoegen en als de stageboekjes klaar zijn, kunnen ze die uploaden in hun LOB-dossier. Het implementeren van het CRM-systeem was in het begin een uitdaging, maar we hebben er nu veel plezier van. We hebben een database met 800 bedrijven waar leerlingen de afgelopen vier jaar stage hebben gelopen, en heel belangrijk: alle gegevens zijn up-to-date. Onze STO-bedrijven zitten er bijvoorbeeld ook in, met de contactpersonen en de activiteiten of gastlessen die ze kunnen verzorgen. We zijn nu een keuzemodule ‘Maritiem’ aan het ontwikkelen, en in ons systeem kan ik snel en gemakkelijk en aantal bedrijven zoeken die daarbij passen. Geweldig, echt zo fijn!’

 

Het Stagebureau bestaat nu vier jaar. Wat is het belangrijkste dat je hebt geleerd?

‘Dat je hele grote stappen kunt zetten als je gewoon begint. Ga van start met een klein clubje enthousiaste mensen, dan kun je daarna gaandeweg uitbreiden en verbeteren. Het voordeel is dat je veel sneller kunt werken dan wanneer alles eerst uitgebreid door het management beoordeeld en goedgekeurd moet worden.

Die aanpak past ook bij de visie van Stad en Esch. We werken met zelfsturende teams en er is veel ruimte voor eigen initiatief en ideeën. ‘De zeven eigenschappen van effectief leiderschap’, van Steven Covey, hebben we hier omarmd: proactief zijn, werk met het doel in gedachten. We bedenken iets en dan gaan we het dóen. En dan voeren we stapje voor stapje verbeteringen door. Zo worden bijvoorbeeld de Stageboekjes elk jaar beter. Dit jaar zijn er ook Stageboekjes voor de havo en het valt me op dat de havo-docenten heel kritisch zijn op het taalgebruik in de opdrachten. Daar komt weer een nieuwe verbeteringsslag uit voort, zo houden we elkaar scherp.’

 

Geldt dat ook voor de projecten die jullie vanuit het Stagebureau opzetten?

‘Zeker! Ik heb dit schooljaar bijvoorbeeld de cyclus ‘Solliciteren kun je leren’ ontwikkeld, samen met een van onze docenten Nederlands. Het is een serie lessen voor de derde klassen vmbo, waarbij leerlingen onder meer op een fictieve vacature solliciteren. Ze schrijven een sollicitatiebrief en voeren via Zoom een sollicitatiegesprek. We hadden mensen uit ons netwerk erbij betrokken, zodat de leerlingen echt in een realistische setting konden oefenen.

Ook hier was onze aanpak: bedenken, snel beginnen, en gaandeweg verbeteren. We begonnen met 100 leerlingen en 25 begeleiders en we hebben van tevoren duidelijk gezegd: ‘Dit is de eerste keer dat we dit doen, dus misschien gaan er dingen niet helemaal goed, we zijn blij met jullie feedback!’ Op zo’n manier is het niet erg als het niet meteen vlekkeloos verloopt. Maar het was echt een succes, de reacties waren heel positief. Een moeder vertelde: ‘Mijn zoon is niet zo’n prater dus hij was zó zenuwachtig voor het sollicitatiegesprek, maar hij heeft wel een uur gezoomd en hij had een tien voor zijn gesprek, hij was zo blij!’ Het leuke is dat deze leerling had gesproken met een student HRM, die op deze manier ook kon oefenen met het voeren van een sollicitatiegesprek. Ik wil nu graag dat alle leerlingen in de derde dit vak kunnen volgen, ook op de havo en het vwo. Daarvoor moeten we opschalen. Dat kan bijvoorbeeld door samen te werken met een opleiding HRM. Dan heb je een hartstikke mooie win-winsituatie, want de studenten kunnen dan oefenen met het voeren van sollicitatiegesprekken. Ik heb net een mailtje gestuurd naar de Regiocampus, de bemiddelaar tussen bedrijfsleven en onderwijs, om dit groter te maken.’

 

Wat zijn verder jullie plannen voor de toekomst?

‘We streven ernaar dat binnenkort ook vwo-leerlingen een stage gaan lopen. We willen meer gaan samenwerken met andere scholen, ook vanuit het programma Sterk Techniekonderwijs. Daarnaast willen we de gastlessen en excursies verder professionaliseren en ook de professionalisering van docenten blijft belangrijk, bijvoorbeeld als het gaat om de LOB-cyclus en het voeren van LOB-gesprekken. Het is ook een cultuurverandering, dat gaat niet zo snel, je moet het de organisatie indruppelen. Maar ook hier geldt: het beste is om gewoon te beginnen, met elkaar in gesprek te gaan en te zorgen voor mooie voorbeelden. En dan gaandeweg verbeteren.’

 

Nog een laatste vraag: klopt het dat bij jullie de leraren voor LOB ook stage lopen?

‘Ja, een keer per twee jaar lopen onze docenten een dag stage. Dat mag bij een andere school zijn of bij een bedrijf. Voor die stages geldt hetzelfde als voor de leerlingen: het doel is om je horizon te verbreden. Ik vind het mooi dat dezelfde visie erachter zit niet alleen de leerlingen, maar óók de docenten worden gestimuleerd om zich in de breedte te ontwikkelen!’

 


Drie kenmerken van een goede LOB-stage

1.     Een stage verruimt de wereld van de leerling

Cristel van Doorn: ’In de eerste plaats is het belangrijk dat leerlingen op een voor hen vreemde, nieuwe plek komen. Ga niet te snel voor het gemak van, bijvoorbeeld, het bedrijf waar de leerling al een bijbaantje heeft. Vraag altijd: waarom deze stageplek? Wat wil je hier leren? In het eerste jaar is het prima om een korte stage te doen bij ouders of familie, maar bij een serieuze stage gaat het er-om dat de leerlingen echt onbekend terrein betreden.’

2.     De stagebegeleider geeft feedback
‘Tijdens hun stage hebben de leerlingen een andere rol dan ze gewend zijn: niet kind of leerling, maar een meer volwassen rol, waarbij ander gedrag hoort. De leerling leert bijvoorbeeld van alles over omgangsvormen, samenwerken en organiseren. De stagebegeleider begeleidt de leerlingen in die nieuwe rol.’

3.     Gesprek met de LOB coach
‘Het is belangrijk dat er na de stage op school een gesprek plaatsvindt tussen de LOB-coach en de leerling. Onderwerp: hoe heb je de stage ervaren en wat betekent het voor je toekomst? Is deze rich-ting iets wat jij je past, waarom wel om waarom niet? Op deze wijze verbind je stage en LOB.’

 

 


Informatie

Teamspot,  www.teamspot.nl

Stad en Esch, www.stadenesch.nl

De schoolwiki van het Stagebureau, https://stadenesch.schoolwiki.nl/stagebureau Waar willen de leerlingen van Stad en Esch zijn over vijftien jaar?

Over 15 jaar - Meppel from Stad & Esch on Vimeo.

Tekst Anne Wesseling
Fotografie Hetty van Oijen

>

‘De manier waarop je LOB optuigt, is bepalend voor het succes’

In Zeeland is Mayke de Jong Florisse een van de aanjagers van de regionale LOB-website én van het LOB-programma binnen haar eigen school, vmbo gl/tl CS Walcheren Van de Perre in Middelburg. Haar visie: LOB moet door álle medewerkers in de school gedragen worden om het te laten slagen. Hoe bereikt ze dat?

 

Decaan/LOB-coördinator Mayke de Jong Florisse kreeg net een mailtje van iemand van het Maritiem College in Vlissingen: ‘Wij willen best wel eens een vakles wiskunde bij jullie geven, om uit te leggen hoe je met een zeekaart kunt navigeren.’ Een aanbod waar ze blij van wordt, want het is precies een voorbeeld van waar het volgens haar bij LOB om gaat: de leerlingen een idee geven van hoe de kennis die ze op school opdoen écht van pas komt in de praktijk. Niet alleen tijdens de lessen over LOB, maar in alle lessen, dus ook bij wiskunde. ’Zo’n praktische les is leuk voor de docent wiskunde, maar natuurlijk vooral voor de leerlingen,’ zegt ze. ‘Op deze manier gaat de stof leven.’

 

LOB is dus niet alleen een zaak voor decanen en mentoren?

‘Het doel is dat LOB vanaf leerjaar één ondersteund wordt. Dat lukt niet als een decaan of mentor het in z’n eentje doet, je hebt iedereen in de organisatie nodig. Op alle niveaus en in alle lessen kun je de praktijk meer de school in halen, en de nadruk meer leggen op ‘leren door ervaren’. Het is ook helemaal niet zo ingewikkeld. Vaak zijn de opdrachten er al, en hoef je ze alleen te herschrijven om er een LOB-perspectief in te brengen. Moeten de leerlingen bij Engels of Frans een zakelijke mail schrijven? Maak er dan bijvoorbeeld van dat de leerling stage wil lopen bij een bedrijf. Of koppel de opdracht aan een bezoek aan een camping, waar veel Duits gesproken wordt. De kennis koppelen aan een praktische situatie, dat gaat eigenlijk om een verandering van mindset.’

 

Hoe krijg je alle docenten daarin mee?

‘Dat ‘omdenken’ is in het begin best lastig. Je wilt ook niet dat collega-docenten het gevoel hebben dat ze iets opgelegd krijgen, dat dit weer iets is dat móet. De insteek is juist positief: ‘Je dóet al veel, het is alleen even een vertaalslag om te maken. Je kunt eruit filteren wat goed werkt voor jezelf, maar ook voor de leerlingen’.

Die positieve insteek is belangrijk, want hebt het draagvlak onder alle docenten wel echt nodig. De leerlingen krijgen het vak LOB en de verantwoordelijkheid voor de LOB-leerlijn ligt bij de vakdocent. Maar als de mentor LOB niks vindt, krijg je de leerlingen ook niet mee. In het begin is denk ik een derde van de docenten meteen enthousiast is over LOB, en op den duur is dat twee derde. Een aantal leraren zal er misschien nooit enthousiast over worden, maar op termijn worden die wel meegenomen door de rest.

Je moet dus best een lange adem hebben. Daarom is het ook zo belangrijk dat je wat je als decaan doet, in de visie van de school past. Dat je gesteund voelt en dat je de tijd krijgt om het LOB-programma uit te rollen. Hier op school wordt het belang van LOB gelukkig heel erg gezien: de directie steunt mij en het LOB-beleid wordt schoolbreed opgepakt. Ook mijn collega’s van havo en vwo zijn er actief mee bezig, en waar mogelijk werken we nauw samen. Dat is zó belangrijk. Je krijgt alleen dingen voor elkaar door het samen te doen.’

 

Hoe betrekken jullie de ouders bij LOB?

‘Ouderbetrokkenheid is echt een onderdeel van LOB. Op de LOB-website staan ook opdrachten waarbij de ouders meedoen, bijvoorbeeld bij opdrachten waarin leerlingen ontdekken wat voor soorten vervolgopleidingen er zijn.

De ouderavonden zijn bij ons ook altijd samen met de kinderen. Zo’n driehoeksgesprek is per leerjaar anders, we behandelen andere vragen en de leerlingen bereiden die vragen thuis voor, samen met hun ouders. Het is gekoppeld aan opdrachten in de LOB-website: hoe gaat het met de leerling? Wat gaat goed, wat is nog moeilijk? Waarmee zouden we kunnen helpen? Die voorbereiding hoort echt bij LOB. Pas daarná heb je het gesprek.

Wat trouwen ook echt bij LOB hoort, is dat je na altijd na afloop altijd zegt: hoe is het gegaan, welke afspraken zijn gemaakt? Zodat je daar bij een volgend gesprek weer op in kunt gaan.’

 

Jullie hebben het profielwerkstuk gekoppeld aan LOB-opdrachten. Hoe ziet dat er precies uit?

‘De leerlingen maken om te beginnen een loopbaanblog. Daarmee beginnen ze al in leerjaar 1. Het loopbaanblog is gekoppeld aan de loopbaancompetenties. Er komt bijvoorbeeld aan de orde: wie ben ik, wat wordt mijn vervolgstap, waar wil ik zijn over vijf jaar, welke meeloopdagen heb ik bijgewoond? Dat loopbaanblog is onderdeel van het profielwerkstuk dat de leerlingen maken in leerjaar drie en vier. Dat profielwerkstuk bevat onder meer ook de uitslagen van de interessetest en een sterkte/zwakte analyse en de leerlingen maken een presentatie over zichzelf, in de vorm van een YouTube-filmpje waarin ze laten zien wie ze zijn, welke ervaringen ze hebben en wat hun motivatie is voor hun vervolgopleiding. Het profielwerkstuk bevat ook een verslag van een gesprek met een beroepsbeoefenaar, en een motivatiebrief, die ook meetelt als opdracht voor het vak Nederlands. Er zitten opdrachten in voor de intake van het mbo, en ook een evaluatieopdracht over hoe de leerling het maken van het profielwerkstuk heeft ervaren.

De afronding van het profielwerkstuk is een voorwaarde om examen te kunnen doen. Het is ook het uitgangspunt bij het intakegesprek voor een vervolgopleiding. De intakers gebruiken bijvoorbeeld het loopbaanblog om met de leerlingen over de vervolgstappen te praten.’

 

Alle vo- en mbo-scholen in Zeeland werken met hetzelfde LOB-programma, Intergrip. Wat is het voordeel?

‘Zo’n LOB-programma is natuurlijk een middel, geen doel, maar het is wel helpend. We willen dat alle middelen op één plek staan, zodat er ook voor de kinderen een overzicht is. Via de site kan ik een loopbaangesprek inplannen, de leerling kan ook zelf een gesprek met mij inplannen. Je kunt er aan de hand van vragen gesprekken voorbereiden en achteraf verslagen vastleggen. Het voordeel van de samenwerking is dat we nu met z’n allen de site kunnen verbeteren en dat alle scholen opdrachten kunnen aanleveren voor de opdrachtenbank.

Het is ook heel fijn om samen op te trekken met de mbo-opleidingen. Bijvoorbeeld bij meeloopdagen. Leerlingen krijgen eerst een LOB-opdracht: welke beroepen zijn er, welke competenties heb je daarvoor nodig en welke opleidingen kun je daarvoor volgen? Aan de hand van die opdracht leiden we de leerlingen eigenlijk naar een keuze voor een opleiding waar ze graag een dag mee willen lopen. Vervolgens kunnen ze zich ook via de LOB-site rechtstreeks inschrijven voor een meeloopdag op een van de Zeeuwse mbo-scholen. Ze krijgen dan automatisch een aantal daaraan gekoppelde LOB-opdrachten. Ze schrijven bijvoorbeeld een zakelijke e-mail: ‘Ik wil bij u graag een meeloopdag meemaken, is dat mogelijk?’ Vooraf krijgen leerlingen de opdracht alvast de website van de opleiding te bekijken, en om tien vragen te bedenken die ze tijdens de meeloopdag kunnen stellen aan studenten en docenten. Na afloop is er ook een reflectieopdracht. Nu maak ik die opdrachten nog vanuit de school, de bedoeling is dat de mbo-opleidingen ook opdrachten aan gaan leveren; zij weten natuurlijk het beste welke competenties ze verwachten van hun toekomstige studenten.

De site geeft trouwens ook voor mij veel overzicht, dat is prettig. Bij ons heeft, zie ik, al 97% van de leerlingen een keuze voor een vervolgstudie ingevuld, drie zijn in behandeling. Je zou het tussen scholen bijna als een soort wedstrijdje kunnen gaan zien, misschien is het een extra stimulans om goed te monitoren.’

 

Zo’n netwerk in de provincie Zeeland opbouwen, dat is best een klus!

‘Zeker. Nu moet ik zeggen: het is voor ons relatief gemakkelijk. We hebben in de hele regio te maken met dertien vmbo- en mbo-scholen, in een regio als Rotterdam of Den Haag zal het lastiger zijn. Evengoed is het best een hele weg geweest. Dat is gelukt doordat we het samen hebben gedaan, en dankzij Bianca van der Meijden, zij werkt nu voor het Expertisepunt LOB. Bianca is een echte netwerker. Scalda en het Expertisepunt LOB faciliteren haar. We werken veel samen met Iris Verbruggen van Scalda, die tussenpersoon is voor Intergrip. Daarnaast zijn er werkgroepen van decanen, bijvoorbeeld over de warme overdracht – wat vooral belangrijk is voor kwetsbare leerlingen. De Zeeuwse vmbo- en mbo-scholen hebben ook samen de student journey in kaart gebracht. Het was een initiatief van Scalda, met het doel om de activiteiten meer op elkaar af te stemmen.’

 

Die student journey, wat houdt die precies in?

‘In de student journey staat wat we aan LOB-activiteiten en opdrachten aanbieden en hoe dat aansluit op waar de leerlingen op dat moment mee bezig zijn. We brengen de hele route van de leerlingen in kaart, met de LOB-activiteiten: wie biedt wat aan, met welk doel, en doen we het op de juiste plek, in welk leerjaar?

Om zo’n student journey te maken, moet je denken in het belang van de leerling op een bepaalde leeftijd. Als je van het vmbo wilt doorstromen naar de havo, wat voor competenties heb je dan nodig? Als je vanaf mavo 2 naar kader 3 wilt: welke profielen zijn er? Dat soort opdrachten wil je aanbieden op momenten dat leerlingen ermee te maken hebben.

Bijvoorbeeld ook bij de profielkeuze. Leerlingen gaan al in de tweede klas naar een meeloopdag. Ze moeten dan eigenlijk al kiezen voor een meeloopdag, bijvoorbeeld verpleegkunde, terwijl ze nog niet eens weten welke profielen ze in de derde kunnen kiezen. Daarom heb ik opdrachten gemaakt naar aanleiding van de website KiesMBO.nl, zodat de leerlingen in de tweede eerst rustig kunnen rondsnuffelen en, bijvoorbeeld, ontdekken dat je na de mavo een mbo-niveau 4 opleiding kunt doen.’

 

Wat wordt in Zeeland de volgende stap?

‘We zijn nu ook bezig Zeeuwsbreed speeddates op te zetten, waarbij mbo-leerlingen op een vaste dag in het jaar op bezoek bij hun oude vo-school, om voorlichting te geven over hun opleiding aan leerlingen die een vervolgopleiding gaan kiezen. Daar willen we een gezamenlijk evenement van maken.

Verder willen we ons meer gaan richten op de samenwerken met bedrijven. De mbo-student blijft na de studie meestal in Zeeland wonen, en Zeeland is daar ook bij gebaat, vanwege de werkgelegenheid. Daarom willen we binnen LOB meer gaan inzoomen op de regionale werkgelegenheid. De sector maritiem is bijvoorbeeld echt een verbindende factor in Zeeland, met de visserij en de loodsboten. Maar ook in de sectoren groen en technologie zijn veel banen. Er zijn straks gigantisch veel mensen nodig om windmolenparken op zee aan te leggen, daar start binnenkort een mbo-opleiding voor.’

 

Best een leuk vak, decaan en LOB-coördinator!

‘Ik vind het het mooiste vak dat er is. De functienaam is natuurlijk van oorsprong ‘decaan’, maar sinds de invoering van LOB ben ik me meer LOB-coördinator gaan voelen. Ik ben trouwens ook nog steeds mentor en gymleraar. Er zijn raakvlakken: je ziet een kind voor wie het is en wat het kan. Je kunt leerlingen daardoor ook helpen, als ze niet lekker in hun vel zitten en niks leuk vinden. Door het om te draaien: wat vind je wél leuk? Wat heb je nodig? Je ziet leerlingen soms in hun onhandigheid, maar je ziet ze ook groeien. Een leerling die heel graag archeoloog wil worden en die aardrijkskunde stom vindt, raakt intrinsiek gemotiveerd als hij ziet dat aardrijkskunde nuttig en belangrijk is voor wat hij later wil gaan doen. Dát vuurtje, dat moeten we met z’n allen aan krijgen.’

 


3 tips van LOB-coördinator Mayke de Jong Florisse

1.     Zorg dat je zelf enthousiast bent en erin gelooft

‘Het begint bij jou. Dat jij als LOB-coördinator echt enthousiast bent en gelooft in LOB, is een voorwaarde om het een succes te maken.’

2.     Zorg dat je de schoolleiding mee krijgt

‘Om LOB door de hele school uit te rollen is het echt een voorwaarde dat de directie erachter staat en het faciliteert.’

3.     Maak een plan van aanpak

‘Zomaar aan opdrachten werken is leuk, maar wat is je doelstelling en wat is je visie? Het is belangrijk om daarover na te denken. De manier waarop je LOB vervolgens optuigt, is bepalend voor het succes.’

 

 


Contactpersoon:

Mayke de Jong Florisse, JGM@cswalcheren.nl

Informatie:

 

Tekst Anne Wesseling
Fotografie Hetty van Oijen

>

De reflectietoolbox

Inzetten op diversiteit en creativiteit

Omdat iedere leerling anders is, heeft een team van ROC de Leijgraaf (en als onderdeel van het desginteam Niveau2Plus), de Reflectietoolbox ontworpen.

In een digitale leeromgeving worden studenten door middel van verschillende werkvormen uitgedaagd te reflecteren op (bpv-)ervaringen, situaties, competenties, activiteiten en andere zaken die te maken hebben met de ontwikkeling van hun loopbaancompetenties. De opdrachten zijn zeer divers en sluiten daarmee aan bij verschillende leervoorkeuren en leerstijlen.

Op deze manier kan iedere student zo optimaal mogelijk leren en gestimuleerd worden om zijn/haar competenties verder te ontwikkelen. Zo kunnen studenten bijvoorbeeld kiezen uit beschrijvende opdrachten, presentaties, video en vlogs, werken met tools als Scrumbler of CANVA, audio, fotografie, pitchen, het maken van een stripverhaal, song, rap of gedicht.

>

Hoe zorg je ervoor dat LOB bij studenten echt gaat leven?

Studieloopbaanbegeleiding 2.0

Aeres Hogeschool Wageningen ging dit jaar van start met een innovatief en toekomstgericht programma voor studieloopbaanbegeleiding (SLB), gericht op de studenten van de opleidingen ‘Docent en kennismanager in de groene sector’. Vooral de samenhang tussen SLB en de rest van de opleiding is belangrijk, aldus lerarenopleiders Ineke Beumer en Manon Bouwman. ‘Als studenten merken dat ze er echt iets aan hebben, gaat het leven.’

Ze noemen het de ‘lightbulb-momentjes’. De momenten waarop bij studenten ‘het licht aangaat’ en ze plotseling uitroepen: ‘Oh, nú snap ik het!’ of ‘Nú begrijp ik waarom ik zo reageer!’ Lerarenopleiders Ineke Beumer en Manon Bouwman van Aeres Hogeschool Wageningen (AHW) zijn dol op die momenten en ze zien ze vaker sinds AHW een vernieuwd SLB-programma ontwierp voor studenten van de bachelor opleidingen ‘Docent en kennismanager Groene sector’, ‘Docent en kennismanager Consumptieve techniek’ en ‘Docent en kennismanager D&P’. De belangrijkste kenmerken: studenten komen wekelijks bijeen in een vaste groep van vijftien studenten, met een eigen begeleider. Voor de bijeenkomsten wordt een duidelijke agenda vastgesteld en het programma is zoveel mogelijk verweven met de rest van de opleiding. De aanpak is afgestemd op de specifieke behoeften van voltijd- en deeltijdstudenten en ook het SLB-portfolio waar de studenten aan werken, ‘ademt mee’ met de opleiding. Ineke Beumer en Manon Bouwman maakten deel uit van de ontwikkelgroep die het SLB-programma vormgaf en gebruiken het nu bij de begeleiding van hun studenten. Hoe is het om met het nieuwe programma te werken, en hebben zij tips voor andere studieloopbaanbegeleiders?

Groepsgesprekken voerden jullie al langer bij Aeres Hogeschool Wageningen. Wat is er nu nieuw?

Ineke: ‘SLB is verdeeld in drie invalshoeken: studievoortgang, loopbaanbegeleiding en begeleiding bij professionele ontwikkeling. Bij loopbaanbegeleiding behandelen we de vijf loopbaancompetenties, zoals kwaliteitenreflectie en netwerken, en bij professionele ontwikkeling kijken we samen met de studenten hoe ver ze zijn in de ontwikkeling van hun bekwaamheden. Dit is de kern van het programma en daar werken we al een aantal jaren mee. De belangrijkste vernieuwing is de samenhang die we hebben aangebracht in de hele SLB-lijn. Dat doen we bijvoorbeeld door de thema’s te laten aansluiten bij waar studenten op dat moment mee bezig zijn. Als ze op zoek gaan naar een stage spelen we daar op dát moment op in tijdens de SLB-gesprekken: wat gaat je volgende stageplek worden, wat wordt de volgende module die je kiest, waarom kies je daarvoor? Zo merken de studenten dat de studieloopbaanbegeleiding echt rechtstreeks verband houdt met hun hele studie en daardoor gaat SLB meer leven. Ons uitgangspunt bij het vernieuwde programma was het model van Kariene Mittendorff, lector aan Hogeschool Saxion.’

De groepen blijven gedurende hun hele studie zoveel mogelijk bij elkaar.

Waarom is dat belangrijk? Manon: ‘SLB helpt enorm om de groepsbinding tussen studenten te versterken. Het sluit aan bij de psychologische basisbehoefte ‘relatie’: studenten gaan binding met elkaar voelen en krijgen het gevoel ‘we doen dit sámen’. Van daaruit ga je echt bouwen aan de professionele ontwikkeling, en vervolgens kijk je naar je studievoortgang en loopbaan. Dan gaat het ook om de twee andere basisbehoeften, competentie en autonomie. Het begint allemaal bij een gevoel van veiligheid, dat is essentieel.’

Ineke: ‘Je ziet dat studenten door het werken met een vaste groep meer gaan samenwerken en dat ze elkaar steunen. Ik had bijvoorbeeld een SLB-groep met studenten die wat achterliepen. Die hadden zichzelf ‘het Motivatieteam’ genoemd, en ook een eigen app gemaakt. Die steunden elkaar echt, ze wisten elkaar te motiveren. Daar vond ik echt mooi om te zien.’

Jullie hanteren bij SLB voor voltijd- en deeltijdstudenten een andere aanpak. Wat is het verschil?

Manon: ‘In grote lijnen gaat het om hetzelfde, maar de invalshoek is anders en sluit beter aan bij de ontwikkeling van de student. Een voltijdstudent komt vaak van de havo of uit het mbo, een deeltijdstudent heeft misschien een gezin op de achtergrond, of een eigen bedrijf. Het verschil bij SLB zit vooral in de manier waarop we het aanbieden. Bij het onderwerp ‘Timemanagement’ gaat Ineke bijvoorbeeld met haar voltijdstudenten met een bepaalde opdracht aan de slag, ik doe met mijn deeltijdstudenten meer met intervisie. We wisselen dan vooral ervaringen uit: waar ben jij mee bezig, waar loop jij tegenaan? Hoe hou jij alle ballen in de lucht, als je een deeltijdstudie doet en je hebt een gezin? Heb je misschien tools op het gebied van timemanagement waar de anderen wat aan kunnen hebben?’

Kwaliteitenreflectie en motievenreflectie zijn belangrijke loopbaancompetenties. Hoe behandelen jullie die?

Ineke: ‘De studenten doen gedurende de hele opleiding aan ‘werkplekleren’, zo heet bij ons de stage. Dat is in het kader van SLB prettig, want we kunnen ze echt een praktijkgerichte leeromgeving aanbieden. We hebben bijvoorbeeld een module ‘activerende didactiek’ en dan kijken we hoe ze een activerende didactiek kunnen toepassen in de klas. Daarbij reflecteren ze op hun didactische en pedagogische bekwaamheden. We hebben er overigens voor gekozen om het in het eerste half jaar niet over ‘reflectie’ te hebben. Reflecteren, daar hebben studenten in het begin niet zoveel mee. Maar als je het hebt over ‘samen terugkijken op onze stage-ervaringen’ gaat het wél leven.’

Manon: ‘Eigenlijk zijn de studenten bij de opleidingen Docent en kennismanager continu bezig met kijken naar zichzelf: wie ben ik, wat kan ik, waar sta ik voor? Ik geef een lesonderdeel over pedagogiek en adolescentenontwikkeling. Dan gaat het ook over vragen als: wie bén jij, als pedagoog? Waar ligt jouw grens? Wat vind jij wel en niet kunnen? Ga eerst eens bij jezelf kijken: wat zijn jouw normen en waarden, waar kom jij vandaan? Maar ook: leer je van successen of juist wanneer iets verkeerd gaat? En hoe vertaal je dat dan weer naar je eigen leerlingen?’

Gaat het bij SLB eigenlijk meer om het leren van successen of om leren van fouten?

Ineke: ‘Wij blikken bij SLB vooral terug op succeservaringen: wat heb je goed gedaan en wat zegt dat over je kwaliteiten? Waarom vind je die ervaring belangrijk en wat zegt dat over je motieven? Ik benoem het ook als studenten goeie, constructieve bijdragen leveren aan hun eigen SLB-groep.’ Manon: ‘Of als ze een goed cijfer hebben. Ik zeg wel eens: “Geniet ervan, bestel wat lekkers te eten en maak er een klein feestje van! Je hebt die toets gehaald en dat is een succes!” En we kijken ook meteen: wat heb je ervoor gedaan, hoe kun je die succesmomenten naar een volgend moment tillen, en kun je je medestudenten helpen door dit te delen?’

Ineke: ‘Natuurlijk leer je ervan als je ergens tegenaan loopt en vervolgens bedenkt hoe je dat anders kunt doen. Maar tegelijkertijd denk ik dat je ook veel leert door je kwaliteiten verder te ontwikkelen. Als jij weet wat je kwaliteiten zijn, en je kunt dat op je werkplek benutten en verder uitbouwen, dan is dat volgens mij heel leerzaam. Zelf vind ik het trouwens ook fijn om te kijken welke positieve ontwikkeling we de afgelopen jaren met het team hebben meegemaakt. En we vragen onze collega’s bijvoorbeeld ook naar materialen waarmee ze goede ervaringen hebben, zodat we die in kunnen zetten. Die waarderende, positieve benadering is echt kenmerkend voor SLB.’

De studenten bouwen ook een SLB-portfolio op. Hoe gaat dat precies?

Ineke: ‘Het portfolio bestaat uit twee onderdelen. Een gedeelte gaat over de loopbaancompetenties en bevat bijvoorbeeld opdrachten die ze hebben gedaan over kwaliteiten- en motievenreflectie. Dit gedeelte wordt alleen gebruikt binnen SLB. Daarnaast verzamelen ze in hun portfolio ook feedback van hun werkplekbegeleiders en andere betrokkenen. We werken met een semestersysteem, de studenten sluiten elk half jaar twee modules af. Dan kijken ze, met behulp van die feedback, op welk niveau ze zitten als het gaat om hun bekwaamheden. De uitkomsten van hun halfjaarlijkse ontwikkelgesprekken stoppen ze ook in hun portfolio.

Dat tweede deel van hun portfolio, met de zelfevaluaties en de feedback, gebruiken ze voor een ‘etalagemap’ en die is weer de basis van de assessments die ze doen na de propedeuse, de hoofdfase en de afstudeerfase. Het portfolio en de assessments zijn dus echt verweven. Dat portfolio is overigens nog niet digitaal. De inhoudsopgave en ook alle opdrachten zitten al wel in de digitale onderwijsomgeving, dus het is voor de studenten al heel makkelijk om dat allemaal in een map te stoppen. We willen in de komende tijd wel een digitaal portfolio maken, dat ze eventueel ook mee kunnen nemen naar stageplekken en werkgevers.’

Naast de studieloopbaanbegeleiding geven jullie ook het vak LOB. Voltijdstudenten hebben daarmee op de middelbare school misschien al ervaring, maar deeltijdstudenten niet. Hoe reageren die daarop?

Manon: ‘De deeltijdstudenten variëren in leeftijd van eind twintig tot begin zestig. De meeste hebben op school nooit LOB gehad, dus die zegt het aanvankelijk weinig. Maar ze zien wel veel kansen voor zichzelf. Ze krijgen het vak LOB, maar ze gaan zelf als docent óók die LOB-gesprekken voeren. Dat zijn niet zomaar gesprekken, het vraagt van hen als docent veel kennis en inzicht. Waar moet ik verstand van hebben, welke koers wil zo’n leerling op, wat is realistisch en niet realistisch, ken ik de netwerken, ken ik de sectoren, ken ik mijn eigen normen en waarden, wat straal ik daarin uit, hoe vertel ik zoiets en hoe draag ik dat dan over? LOB is leerzaam voor de leerlingen die ze straks bedienen, maar ook voor henzelf. Er gaat echt een nieuwe wereld voor ze open.’

Je noemt de LOB-gesprekken die studenten leren voeren. Kan iedereen dat eigenlijk leren?

Ineke: ‘Volgens mij kan elke student en docent leren om ontwikkelgesprekken te voeren. Het verschil met een gezellig praatje is dat een ontwikkelgesprek echt een doel heeft: als het goed is, levert het de student of leerling inzicht op, én een actiestap. De kunst is om vragen te stellen die een student of leerling aan het denken zetten, zelfinzicht opleveren en aanzetten tot actie.’ Manon: ‘Eigenlijk zijn we bij dat vak ook samen op zoek naar het antwoord op de vraag ‘Hoe leer ik luisteren?’ En dan op zo’n manier dat je niet na de eerste zin zelf al een oplossing voor de leerling bedenkt. Dat is enorm lastig. We zijn allemaal gek op de leerlingen en we willen ze graag helpen, maar vervolgens zijn we geneigd om ze op ónze manier te willen helpen. Goed luisteren, ook naar wat er onder de vraag ligt, is echt een kwestie van veel oefenen. Onze studenten filmen zichzelf ook tijdens LOB-gesprekken, die opnamen kijken we tijdens intervisies samen terug. Dat is ongemakkelijk, studenten vinden het in het begin héél lastig, maar het levert veel heldere momenten op: “Oh, nú zie ik dat ik dingen zelf ga invullen”, of “Ik ga nu al door met mijn volgende vraag, terwijl die leerling net iets essentieels vertelt”.’

Leren jullie daar zelf ook van?

Manon: ‘Ja, zeker! De opleiding is zo’n levend studietraject, je blijft continu in ontwikkeling, ook als opleider. De ene keer leer ik van een student die een goed gesprek heeft gevoerd met intervisie, de andere keer leer ik iets over een nieuwe werkvorm die ze hebben uitgeprobeerd. Of bijvoorbeeld wanneer we het hebben over sociale media: wat moet je als docent daarvan weten, hoe ga je daarmee om, hoe integreer je Snapchat of TikTok in je lessen? De studenten leren van mij, maar ik ook van hen, die wederkerigheid zit er heel erg in.’

Ineke: ‘Ik vind het ook knap hoe studenten op stages als jonge, aankomende docenten veranderingen weten te realiseren binnen hun team. Ze gaan bijvoorbeeld ook tijdens de gewone praktijklessen aan LOB doen, door op een informele manier aandacht te geven aan kwaliteiten en motieven van leerlingen. Gewoon door tussendoor even te vragen: “Wat vond je nou echt leuk aan deze les?” Of: “Ik zag dat je dit echt goed deed!” Daar leer ik ook weer van.’

Wat zijn voor jullie nog stippen aan de horizon?

Ineke: ‘In ieder geval dat digitale portfolio. Wat ik zelf belangrijk vind is dat er meer aandacht komt voor deskundigheidsbevordering van studieloopbaanbegeleiders, en dat we intervisie binnen het team ook wat gestructureerder gaan oppakken.’ Manon: ‘We willen ook graag nog meer maatwerk kunnen leveren voor de studenten. En, maar nu trek ik het breder: wat mij bij de deeltijders steeds weer treft en verrast is de inzet, de liefde en de betrokkenheid die zij laten zien ten aanzien van hun studie en hun leerlingen.

Er zit nog zo’n grote groep mensen in de maatschappij die zich zó hard willen maken voor de ontwikkeling van jonge mensen. Ik hoop echt dat ze niet alleen maatschappelijk gezien waardering krijgen, maar ook meer gefaciliteerd gaan worden. Hetzij door de overheid, als het gaat om de kosten van de studie, hetzij door een werkgever die studietijd kan reserveren. Want er is gewoon behoefte aan goeie mensen in onderwijsland.’


5 Tips voor SLB-bijeenkomsten

  1. Werk met een vaste groep Door met een vaste groep te werken en begeleider te werken, ontstaat er een ‘wij-gevoel’. Studenten kennen en steunen elkaar en krijgen het gevoel het echt sámen te doen.
  2. Zorg voor een duidelijke agenda Zorg dat er bij de bijeenkomsten ook echt iets op het programma staat, zodat studenten weten wat het doel is van de bijeenkomst is en wat ze eraan hebben.
  3. Hanteer een positieve en waarderende benadering Benoem de successen, of het nu gaat om kwaliteiten, een goed cijfer of een opdracht die op tijd is ingeleverd. Het verhoogt de motivatie en studenten vinden het leuk om successen met elkaar uit te wisselen.
  4. Verweef SLB met de rest van de opleiding Laat het thema van SLB-bijeenkomsten aansluiten bij waar de studenten op dat moment behoefte aan hebben en hou rekening met het jaarrooster, bijvoorbeeld door ontwikkelgesprekken in te plannen nádat studenten vakken hebben afgerond en opdrachten hebben ingeleverd.
  5. ‘Reflectie’? Liever ‘leren van ervaringen’ Met ‘reflecteren’ hebben studenten in het begin vaak niet zoveel, maar ‘samen terugkijken op onze stage-ervaringen’ spreekt ze wél aan.
Informatie:
Aeres Hogeschool Wageningen 
Het SLB-programma is ontworpen op basis van een model/schema dat is ontwikkeld door Kariene Mittendorff, lector Studieloopbaanbegeleiding binnen het lectoraat Innovatief en Effectief Onderwijs van hogeschool Saxion.

 


Wat zijn de kenmerken van een goede studieloopbaanbegeleider?

Ineke Beumer vroeg een van haar studenten onderzoek te doen naar wat studenten verwachten van een goede studieloopbaanbegeleider. De belangrijkste kenmerken:

  • De SLB’er toont oprechte interesse in de student;
  • De SLB'er neemt de tijd voor persoonlijke gesprekken;
  • De SLB'er is goed en gemakkelijk benaderbaar (reageert bijvoorbeeld snel op mails);
  • De SLB'er geeft studenten de ruimte hun eigen keuzes te maken;
  • De SLB'er kan goed en duidelijk advies geven over hoe studenten dat
  • vervolgens kunnen aanpakken.

Ineke Beumer: ‘Een goede studieloopbaanbegeleider is dus iemand die aan de ene kant zorgt voor eigenaarschap bij de student en de student in zijn of haar waarde laat, maar aan de andere kant ook weet: dít is het moment dat ik even moet adviseren.’ 
 

Tekst Anne Wesseling
Fotografie Hetty van Oijen
>

LOB als pijler van het onderwijs

Montessori Lyceum Oostpoort in Amsterdam is dit jaar begonnen met een praktische havo-afdeling. LOB is een van de pijlers van het onderwijs. Teamleider Anita Alsemgeest en decaan Claudia van der Heijden leggen uit waarom LOB zo belangrijk is en hoe dat op de praktische havo wordt vormgegeven.

Interview met Anita Alsemgeest en Claudia van der Heijden, teamleider en decaan bij Montessori Lyceum Oostpoort

Een voorbeeld van hoe praktische kennismaking meer inzicht geeft dan alleen theorie? Decaan Claudia van der Heijden hoeft er niet lang over na te denken: een bezoek aan de rechtbank, vorig schooljaar. ’Een van onze leerlingen wilde advocaat worden. We hebben met haar klas als LOB-activiteit een bezoek gebracht aan de rechtbank om een zitting bij te wonen. Toen ze buitenkwam, zei ze: “Is dát wat een advocaat doet? Dan hoef ik het niet meer!” Haar idee van wat een advocaat doet, was gebaseerd op het geromantiseerde beeld dat je ziet in Amerikaanse televisieseries. Het bijwonen van een rechtbankzitting liet zien hoe het écht was, daar kon geen gesprek tegenop. Het fijne is dat de weg daarna ook meteen open was om het over allerlei andere beroepen te hebben. Want soms zijn leerlingen zo gefixeerd op wat ze willen, dat er over iets anders gewoon niet valt te praten.’

Die praktische kennismaking met werk en beroepen en het opdoen van vaardigheden is precies wat voorop staat bij de nieuwe praktische havo op Montessori Lyceum Oostpoort in Amsterdam, die dit jaar van start ging met 20 leerlingen in de eerste klas en 23 in de vierde. De onderbouw werkt met dagdelen en domeinen, zoals Mens en maatschappij, Mens en natuur, Sport en bewegen en Kunst en cultuur. In de ochtend krijgen de leerlingen instructiemomenten en uitleg. In de middag wordt er vakoverstijgend gewerkt, aan de hand van projectlijnen en thema’s. De vierdeklassers krijgen instructie in dagdelen.

De praktische havo ging dit jaar van start met een eerste klas en een vierde klas. Wat was precies de aanleiding?

Anita Alsemgeest, teamleider: ‘Het Montessori Lyceum Oostpoort is een brede vmbo-school en heeft daarnaast Internationale Schakel Klassen voor alle niveaus. We raken dus de leerlingen kwijt die na hun vmbo-diploma naar de havo willen, en ook de ISK-leerlingen die naar de havo uitstro-men. Die leerlingen wilden we graag binnenhouden en daarom wilden we een havo/vwo opstarten. We kozen ervoor om te beginnen met een eerste en vierde klas: de eerste voor nieuwe leerlingen, en de vierde voor onze eigen leerlingen die doorstromen vanuit het vmbo en vanuit de ISK.

Dat het een praktische havo werd, lag voor de hand, omdat we vanuit het vmbo al prachtige praktijk-lokalen hebben en ook de kennis al in huis is. Het paste bovendien goed binnen het Amsterdamse scholenlandschap. Maar we hebben natuurlijk ook naar de leerlingen gekeken. We zien dat de havo-leerlingen het fijn vinden om praktisch aan het werk te gaan, in plaats van alleen maar te leren en te reproduceren. De leerlingen die het op de havo nét niet redden, hebben in de onderbouw vaak moeite met stilzitten en om zich te concentreren. Daarvoor is hier wél ruimte.’

Decaan Claudia van der Heijden: ‘Wat ik bijzonder vind, is dat we op de praktische havo de leerlingen een kans geven om na het vmbo nog twee jaar een algemeen vormende opleiding te doen. Dat gaat om ISK-leerlingen, maar ook om de mavo-leerlingen die wel een vaag plan hebben van wat ze zouden willen gaan doen, maar die zich nog breder willen oriënteren. Die bieden wij nu via de havo de kans en ruimte om te ontdekken wat voor hen de juiste weg is.’

LOB is een grote pijler van de praktische havo

Anita: ‘Het is vooral een geïntegreerde pijler. In de brugklas is LOB nog vrij algemeen. Het gaat dan echt om de basis: Wie ben ik, wat kan ik, wat vind ik leuk? Bij alles wat de leerlingen doen, leren we ze om zich constant af te vragen wat er goed en niet goed ging, wat ze leuk vinden en wat juist niet. Alle leerlingen beginnen de dag met het maken van een planning en sluiten af met een moment voor reflectie over wat ze die dag gedaan hebben en waar ze de komende dagen aan gaan werken. Omdat LOB geïntegreerd is, zijn ze zich er overigens vaak niet echt bewust van dat activiteiten onder LOB vallen.’

Claudia: ‘We zeggen in de bovenbouw ook niet: “Je gaat nu LOB doen”, maar eerder: “Je bent nu in gesprek over je toekomst”. De leerlingen ervaren het niet bewust als LOB, maar dat vind ik eerlijk gezegd niet erg. Ik denk namelijk dat het resultaat er wél is. Het gaat erom dat ze zichzelf leren kennen en steeds beter weten wat ze later willen gaan doen.’

Anita: ‘We werken met vijf periodes per jaar, elk met een thema, bijvoorbeeld ‘Wie ben ik?’ Of ’Ik en de ander’. In de onderbouw maakten de leerlingen een drieluik, waarbij ze in allerlei talen dingen over zichzelf vertelden. In de bovenbouw zijn ze met elkaar mee naar huis gegaan om een cultureel portret van de ander te maken. De uitwerking zit bij CKV, maar maatschappijleer en Nederlands zijn helemaal geïntegreerd. Een leerling heeft bijvoorbeeld een fotoserie gemaakt, er zitten prachtige portretten tussen. En natuurlijk heeft het alles te maken met LOB, want het draait om vragen als: wat is je identiteit, waar kom je vandaan, wat heb je meegemaakt dat maakt dat je bent wie je bent?’

De nadruk op de praktische havo ligt op context gericht onderwijs

Hoe sluit het aan bij LOB? Anita: ‘Het doel van zulke vakoverstijgende, contextuele onderwerpen is dat dat beter inzicht geeft in wat je met de theoretische vakken kunt doen. Een goed voorbeeld is het slaapkamerproject, waar de eerste klas nu mee bezig is. Daarbij maken de leerlingen een maquette van hun droomslaapkamer, met als uitgangspunt hun kamer thuis. In de ochtend krijgen ze instructies: bij Mens en natuur gaat het bijvoorbeeld over technisch tekenen, bij wiskunde over schaalmodellen en bij de talen zit thematische woordenschat. In de middag gaan ze praktisch aan het werk: ontwerpen, een plan van aanpak maken, een maquette bouwen. Ze presenteren dat aan de docenten en de groep, dus ze pakken ook meteen presentatievaardigheden mee.’

Claudia: ‘Het mooie is ook dat leerlingen op die manier al in de praktijk ervaren wat beroepen inhouden en wat ze leuk vinden of juist niet. Een van onze ISK-leerlingen wil nu bijvoorbeeld allround timmerman worden óf bouwkundig tekenaar. Ze spreekt nauwelijks Nederlands en heeft nog niet echt een beeld van wat een timmerman of bouwkundig tekenaar doet. Als leerlingen in 1 havo al met technisch tekenen bezig zijn, kunnen we daar later naar verwijzen. En als docententeam krijgen we ook meer zicht op de talenten van de leerlingen.’

Alle 4 havo-leerlingen hebben individuele mentoren en voeren ook gesprekken met de decaan, wat zijn daarbij de  belangrijkste onderwerpen?

Claudia: ’Ze willen vooral weten of ze wel het juiste profiel hebben voor wat ze hierna willen gaan doen, of ze nog iets kunnen veranderen en of wat ze willen ook reëel is. Een aantal wil geneeskunde gaan doen, dan zoeken we samen uit wat de weg daarnaartoe is. De ene leerling denkt dan “Dat duurt me te lang, laat maar!” Maar de ander wil er echt voor gaan. Als een leerling chirurg wil worden, leg ik ook uit dat er tegen de tijd dat ze zich gaan specialiseren wel een opleidingsplaats moet zijn. Als die er niet is, kan het zomaar zijn dat je oogarts wordt, in plaats van chirurg. Het is best lastig, vind ik, want aan de ene kant wil je een kind niet demotiveren, maar aan de andere kant vind ik wel dat ze dat moeten weten.’

Anita: ‘Ze geven ook aan dat ze zich serieus genomen voelen. Onze 4 havo-leerlingen zijn een of twee jaar ouder dan de gemiddelde leerling en dan moet je ze ook behandelen als jongvolwassenen. We laten ze veel reflecteren en terugkijken op wat ze hebben gedaan. Dat is vanaf de start onze instelling geweest: laten we op zoek gaan naar waar je goed in bent, wat je kunt en wat je wilt. Wat je níet wilt en níet kunt is daar een onderdeel van, maar de insteek is zo positief mogelijk.’

Hebben ISK-leerlingen eigenlijk behoefte aan andere LOB-activiteiten dan leerlingen die in Nederland geboren en getogen zijn?

Claudia: ‘Ze hebben geen behoefte aan ándere activiteiten, maar ze hebben wel meer uitleg nodig. Ik heb ook veel gesprekken met ouders, want die snappen gewoon het hele onderwijssysteem in Nederland niet. Ze hebben bijvoorbeeld geen idee dat het mbo verschillende niveaus heeft. Een belangrijk punt is ook de aansluiting met het Nederlandse onderwijs, die is vaak lastig. Een leerling die bijvoorbeeld in Suriname naar mulo 4 zou gaan, kan hier niet naar mavo 4, omdat er in de derde al schoolexamens worden gedaan. Zo’n leerling moet dan opnieuw naar de derde en die vindt dat natuurlijk niet leuk. Als ouders uit Suriname bellen, adviseer ik dan ook om liever eerst dáár de mulo af te maken, en daarna hier naar het mbo te gaan.’

Anita: ‘Leerlingen hebben soms het gevoel dat ze overnieuw moeten beginnen en soms ís dat ook zo. De taalachterstand speelt daarbij ook mee. Er zijn ISK-leerlingen die moeiteloos een vwo-opleiding hadden kunnen doen. Maar als je zestien bent als je in Nederland komt en je moet eerst de taal leren, ben je te laat om die aansluiting naadloos te kunnen maken, dus dan ga je eerst naar een vmbo-opleiding of een mbo-opleiding. Uiteindelijk kom je heus wel waar je terecht moet komen, het duurt alleen langer.’

Claudia: ‘Als ze eenmaal een richting hebben, is het LOB-programma bij ons voor alle leerlingen hetzelfde: vanaf leerjaar 2 in het vmbo gaan we bijvoorbeeld bij verschillende profielen kijken en bedrijven bezoeken. Daarbij maakt het niet uit of een leerling nu wel of niet in Nederland geboren is.’

Wat zou er volgens jullie verbeterd kunnen worden op het gebied van LOB?

Claudia: ‘Het zou vooral fijn zijn LOB-portfolio’s makkelijker uitgewisseld konden worden. Toen we hier het LOB-dossier wilden invoeren, hebben we een stuk of zes mensen laten komen van verschil-lende LOB-programma’s. Vanuit allerlei disciplines hebben er mensen meegekeken: mentoren, do-centen, systeembeheerders, roostermakers, de medezeggenschapsraad, de leerlingen. Zo kwam er voor ons een LOB-programma uit waarin je een portfolio kunt opbouwen, opdrachten kunt uitvoeren en testen kunt doen.

Maar in feite kiest iedere school dus op die manier zijn eigen LOB-portfolio. Dat is logisch, want het moet ook bij type school en leerlingen passen. Maar als leerlingen overstappen naar een andere school, kunnen ze na een tijdje dat portfolio online niet meer in. Dat zijn ze dan dus kwijt. Terwijl de bedoeling was, en zo is het ons ook gepresenteerd, dat leerlingen het LOB-portfolio mee konden nemen naar hun vervolgopleiding. Het zou zo mooi zijn als dat opgelost werd, zodat LOB echt een doorlopende leerlijn kan worden. En dat vervolgopleidingen daar dan ook echt naar kijken, zodat niet, zoals nu wel gebeurt, een leerling op het mbo opnieuw een persoonlijkheidstest doet die ze bij ons ook al gedaan hebben.’

Hoe gaat het verder na dit eerste jaar?

Anita: ‘Wij hebben een vmbo-t en we blijven de ISK-leerlingen houden, dus die aparte instroom aan de bovenkant van de havo blijft. Ook als de praktische havo van onderaf volloopt, blijven die twee stromen hier waarschijnlijk naast elkaar bestaan.

Het leuke is trouwens dat we nu al projecten hebben waarbij de eersteklassers en de vierdeklassers samenwerken. Dan organiseert de bovenbouw iets voor de eersteklassers. Laatst moest ik even uit een les weg en vroeg aan een van de meiden van de bovenbouw of ze even op kon letten. Toen ik terugkwam had ze de leerlingen, omdat ze hun taak af hadden, uit eigen initiatief een vervolgopdracht laten doen. Dat was echt leuk om te zien. De eersteklassers nemen de oudere leerlingen ook onmiddellijk aan als autoriteit. Ze zijn echt met elkaar verbonden.’

Scholenmarkt online? Laptop mee naar school!

De Amsterdamse scholenmarkt voor havo- en vwo-leerlingen vindt dit jaar online plaats. Montessori Lyceum Oostpoort organiseert dan op school een speciale avond voor de leerlingen van 4 havo. De leerlingen nemen hun laptops mee en er zijn docenten aanwezig om de avond te begeleiden. ‘De leerlingen hóeven voor zo’n online informatiemarkt niet naar school,’ zegt teamleider Anita Alsemgeest, ‘maar thuis zitten ze in hun eentje achter de computer. Op deze manier kunnen ze hun ervaringen direct met elkaar delen en met hun docenten bespreken. Het heeft echt meerwaarde.’

 

Meer Informatie: Montessori Lyceum Oostpoort www.oostpoort.nl

 

>

Neem ook je eigen ervaringen mee in een LOB-gesprek

Rijn IJssel ontwikkelt een LOB-werkwijze waarmee studenten snel inzicht krijgen in de LOB-competenties en hoe ze die kunnen verbeteren. 

Interview met Pascal Mariany, LOB-intermediair

ICT-docent Pascal Mariany ontwikkelde samen met collega’s voor de studenten Software Developer op Rijn IJssel een LOB-werkwijze waarmee ze snel inzicht hebben in de LOB-competenties en hoe ze die kunnen verbeteren. De pilot verliep zo succesvol dat hij de komende jaren wordt uitgerold over de andere opleidingen van Rijn IJssel. Wat houdt de werkwijze in, hoe verliep de pilot en heeft hij tips voor collega’s op andere scholen?

De favoriete LOB-activiteit van Pascal Mariany? Dat is de opdracht ‘Terugblikken op een bepaalde periode’. ’Bij die oefening krijg je een aantal vragen om terug te blikken, maar ook om alvast vooruit te kijken,’ zegt Mariany, ICT docent en LOB Intermediair op Rijn IJssel. ‘Zo ervaren de studenten hoe zelfreflectie werkt. Ontzettend leerzaam!’ Dat komt goed uit: we blikken met Mariany terug op de LOB-pilot die de afgelopen twee jaar op Rijn IJssel draaide voor studenten Software Developer. Mariany ontwierp een ‘LOB-Rubric’ samen met collega Marjon Dullenmond van de opleiding laboratoriumtechniek, een beoordelingsmatrix die aansluiten bij de vijf LOB competenties. Rita Sessink, een beleidsmedewerker met de portefeuille loopbaancoaching, heeft hier ook in meegedacht. Studenten kunnen nu met behulp van een meetinstrument (De Peilstok) voor elke LOB-competentie bepalen op welk niveau ze zitten, ‘Oriëntatie’, ‘Ontwikkel’ of ‘Expert’. Vervolgens kunnen ze LOB-activiteiten uitkiezen die daarbij aansluiten, met het doel om voor alle competenties het niveau ‘Expert’ te halen. De activiteiten en resultaten houden ze bij in hun digitale LOB Portfolio.

LOB werd bij Rijn IJssel zo’n twee jaar geleden op de agenda gezet. Waar begin je dan?

’Met inventariseren. LOB voelde in eerste instantie als iets dat er extra bij kwam, maar we ontdekten dat we eigenlijk al best veel deden. We hadden het alleen niet inzichtelijk, waardoor we ons er niet zo van bewust van waren. De eerste stap was dus om te onderzoeken wat we al aan LOB deden en waar nog hiaten zaten. Die gaten hebben we vervolgens opgevuld met LOB-activiteiten, die we onder meer vonden in de database van het Expertisepunt LOB. Vervolgens hebben we er een programma omheen gemaakt. Twee jaar geleden hebben we met een stuk of acht studenten een pilot gedraaid. Daar kregen we positieve reacties op. Na overleg met het docententeam van Software Developer hebben we hetzelfde programma vorig jaar met alle zestig eerstejaars gedraaid.’

Hoe hebben jullie LOB ingebed in het normale onderwijs?

‘Bij Rijn IJssel liep de introductie van LOB bijna gelijk op met de omslag naar een vorm van onderwijs die we RIJK noemen: Rijn IJssel Kwalitatief onderwijs. We willen studenten stimuleren om steeds meer zelf de regie te nemen over hun ontwikkeling, en de docent heeft meer een coachende rol. Onze docenten krijgen daarvoor ook trainingen, bijvoorbeeld hoe je een coachend gesprek voert. LOB was een soort katalysator, het werkte ontzettend goed om die twee lijnen tegelijk te hebben. Daarnaast kregen we een nieuw online systeem, SBIS. We werken bij RIJK onderwijs met leereenheden van vijf of tien weken, daarbinnen valt dan een aantal leeractiviteiten rond een praktijkgericht doel. LOB is ook zo’n leereenheid, de werkwijze is ontwikkeld op basis van het sjabloon ‘Leeractiviteiten’ in het online systeem. Voor de studiebelasting staat in dit geval 750 minuten. Dat is trouwens wel een beetje natte vingerwerk, ook afhankelijk van of een student een opdracht alleen of in een groepje doet. Sommige activiteiten, zoals de Belbin teamroltest, heb ik zelf doorlopen, dat duurt ongeveer een kwartier en dat is ook wat we terughoren dat een student er mee bezig is.’

Studenten werken voor een flink deel zelfstandig aan hun LOB-activiteiten. Hoe verliep dat tijdens de pilot?

‘Het viel me op dat het verschilt per leeftijdsgroep: de studenten jonger dan achttien zijn er wat minder zelfstandig in, die moet je af en toe sturen, bijvoorbeeld door te zeggen ‘Ik verwacht dat je volgende week die-en-die activiteit hebt gedaan. Onder de studenten van achttien plus pikt het gros het zelfstandig op. Ik vroeg dan tussendoor aan een student ‘Hoe gaat het met je LOB?’ en dan was het antwoord ‘Goed, kijk maar in mijn portfolio, ik heb al drie opdrachten gedaan!’ Een toevoeging van mijn collega-docent Luuk Burgers is dat we twee keer LOB-dag hebben georganiseerd, waarop studenten aan elkaar presenteren wat ze aan LOB hebben gedaan. Dat werkt heel goed, het is een beetje een stok achter de deur.’

Zijn er onderdelen die je op basis van die pilot hebt bijgesteld?

‘Sommige LOB-activiteiten zijn inhoudelijk en tekstueel wat verduidelijkt of aangepast. Soms was niet duidelijk hoe een student het moest vastleggen, of was de tekst te moeilijk. Daarnaast hebben we feedback gevraagd aan een handvol studenten: wat vonden jullie ervan? Sommigen zeiden eerlijk dat ze LOB wel een beetje een ‘moetje’ vonden, al snapten ze wel de beweegredenen erachter. Maar de meeste studenten waren en zijn echt positief en ook intrinsiek gemotiveerd. Omdat ze begrijpen ‘Oké, dit is een proces, uiteindelijk is er een gevuld portfolio, dat ik mee kan nemen naar een vervolgopleiding of werkgever.’

Merk je dat de studenten door de LOB-activiteiten ècht meer inzicht krijgen in wat ze willen en hoe ze zich ontwikkelen?

‘Ik wil dat graag gaan onderzoeken zodat ik het met grafieken kan aantonen, maar als ik studenten ernaar vraag zijn ze er in elk geval positief over. Een heel concreet voorbeeld: een student had twee keer een Belbin teamroltest gedaan en merkte dat er de tweede keer een andere rol uitkwam: van ‘Plant’ was hij nu meer een ‘Groepswerker’. Hij vond dat fijn om terug te zien, want dat was ook echt wat hij wilde. Hij zit nu net een paar dagen op stage en ik ben benieuwd hoe hij het ervaart, of het klopt. Studenten kunnen in overleg trouwens ook zelf LOB-activiteiten toevoegen. Een student was bij zijn middelbare school gevraagd om een presentatie te geven over de studie Software developer, om leerlingen te inspireren. Dat heeft hij gedaan en daarmee heeft hij meerdere LOB-competenties in één klap geslagen, want het viel behalve onder kwaliteitenreflectie ook onder netwerken.’

Nog even over de docent als coach. Voor veel docenten is zo’n coachende rol best een verandering!

‘Ik vind het zelf echt mooi dat de het traject met loopbaancoaching erbij is gekomen, het was voor mij ook een reden om bij Rijn IJssel te willen werken. Ik zie wel dat het voor sommige docenten een omslag is, die voelen zich comfortabeler in de rol van traditionele docent die informatie overdraagt en halen het meeste plezier uit het geven van hun vak. Je kunt het natuurlijk best combineren. In een team is er altijd wel íemand die LOB erg leuk vindt of er affiniteit mee heeft, of die het op natuurlijke wijze al doet. Juist diegene zou voorloper of ambassadeur van LOB kunnen zijn. Ik heb zelf gemerkt dat LOB na een tijdje steeds meer gedragen wordt door de rest van het team. Het besef dringt steeds meer door dat ‘Een leven lang leren en ontwikkelen’ niet alleen voor de studenten geldt, maar ook voor ons.’

Hoe zijn eigenlijk jouw eigen ervaringen met loopbaanbegeleiding? Neem je die ook mee in je gesprekken?

‘Ik kom uit een gezin waar aan de opvoeding niet echt veel aandacht werd besteed, ik was zo’n jongetje dat altijd lief met z’n autootjes zat te spelen, het idee was ‘Pascal redt zich wel’. Ik wil niet alle ouders over een kam scheren, maar alle ouders zijn druk en ik herken mezelf in de studenten van nu: ze zijn een beetje lost, ze zijn verloren in de keuzes die ze moeten maken. Dat is niet erg, dat hoort ook gewoon bij hun ontwikkeling. Maar wat mij motiveert, is dat wij op school daarbij ook een soort kompas kunnen bieden en dat af en toe kunnen helpen bijsturen. Gewoon door te zeggen ‘Kom er even bij, dan kijken we samen naar je loopbaan’.’

Bij zo’n LOB-gesprek horen ook persoonlijke vragen: Hoe gaat het thuis, hoe zit je in je vel, voel je je hier op je plek? We hebben als docent allemaal een loopbaan achter de rug, je hebt een rugzak vol ervaringen. Het is mooi als je daar bij een LOB-gesprek af en toe iets uit kunt halen dat misschien kan helpen. ‘Dit is mijn ervaring, hoe kijk jij ertegenaan, misschien heb je er iets aan?’ Je moet natuurlijk altijd even checken of studenten daarvoor open staan, als het niet zo is, dan is het ook prima. Maar mijn ervaring is dat studenten er zeker voor open staan.’ Deze LOB-werkwijze wordt nu standaard opgenomen in de opleiding Software Developer. Hoe gaat het verder?

‘Ik heb inmiddels de taak en de uren gekregen om LOB op eenzelfde manier op te pakken voor het hele cluster Techniek/ICT, dat zijn meer dan dertig teams. De stip aan de horizon is dat in schooljaar 2022/2023 álle teams LOB hebben opgenomen in de online leeromgeving van hun opleidingen. Dat wordt een hele klus, want bij sommige opleidingen hebben nog niet alle studenten een laptop. Misschien moet je dan focussen op de LOB-gesprekken en op het portfolio en is dat voor die opleiding voldoende. Het begint in elk geval altijd met contact leggen en inventariseren: wat wordt er al aan LOB gedaan, waar zitten de hiaten en hoe kun je die invullen op een manier die past bij de opleiding?’

Tot slot: heb je tips voor collega-docenten die LOB ontwikkelen?

‘Ik zou zeggen: ga als team eerst na wie de kartrekker kan zijn voor wat betreft LOB. Misschien kan hij of zij samenwerken met iemand die alles coördineert. Verder is het belangrijk om ‘de broodjes warm te houden’. Ook in de plenaire overleggen met de docenten. Zet LOB gewoon op de agenda! Ook al heb je niks bedacht, er komt vanzelf een gesprek en dat kan uitmonden in een intervisiemoment, een evaluatiemoment of nieuwe ideeën.

Als docent: kijk ook eens naar hoe je je eigen loopbaan hebt ervaren en hoe je je hebt ontwikkeld, en neem die ervaring mee in je gesprekken met studenten. Zoek de verbinding. Juist vanuit je eigen levenservaring kun je iets bijdragen waar een student wat aan heeft.’

Tekst: Anne Wesseling 
Fotografie: Hetty van Oijen

 

 

 


 

Meer weten?

LOB als doorlopende leerlijn

Binnen de LOB-werkwijze die Pascal Mariany ontwierp is het voor de student gemakkelijk om het LOB Portfolio bij te werken en actueel te houden: activiteiten worden eenvoudig toegevoegd, metingen van de Peilstok worden automatisch bewaard en wanneer studenten met hun loopbaancoach hun voortgang evalueren, maken ze een LOB-reflectie en slaan die ook op in hun LOB Portfolio. Zo’n actueel Portfolio heeft meerdere pluspunten. ’In het examenplan is een inspanningsverplichting LOB opgenomen en het LOB-portfolio is een prachtige manier om het traject te stroomlijnen en aantoonbaar te maken. Daarnaast willen we dat studenten aan het eind van hun opleiding hun LOB-portfolio als pdf kunnen downloaden, zodat ze het kunnen meenemen naar een vervolgopleiding, of naar een sollicitatie.’

Het portfolio kan ook daarbij helpen bij het ontwikkelen van een doorlopende leerlijn. ‘In het voortgezet onderwijs zijn ze al langer met LOB bezig, dus veel leerlingen zijn er al mee in aanraking geweest. Ik wil ervoor pleiten om dat ook mee te nemen in de intake. Misschien hebben de studenten zelfs al een LOB-portfolio gemaakt, en kun je dat aan laten sluiten. Het gaat bij LOB immers om een blijvende persoonlijke ontwikkeling. Daar past ook een doorlopende leerlijn bij.’ Bekijk de uitleg van Pascal Mariany over een doorlopende leerlijn LOB


 

Wat is een rubric?

Een rubric is een beoordelingsmatrix die snel duidelijk welke niveaus er zijn en volgens welke criteria een prestatie wordt beoordeeld. Bij de LOB-Rubric van Rijn IJssel is voor elk van de vijf loopbaancompetenties (motievenreflectie, kwaliteitenreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken) aangegeven wat de drie niveaus zijn: ‘Oriëntatie’, ‘Ontwikkel’ of ‘Expert’. Met behulp van een online test (De Peilstok) kunnen studenten voor elke competentie hun huidige niveau bepalen. Vervolgens kiezen ze bijpassende LOB-activiteiten waarmee ze hun niveau kunnen te verbeteren. Doel is om voor alle competenties het niveau ‘Expert’ te bereiken.

Tijdens LOB-gesprekken met hun docent/coach evalueren ze hun voortgang. Groot voordeel van een rubric is dat studenten snel inzicht hebben in waar ze nu staan, wat het einddoel is, en wat ze moeten of kunnen doen om het doel te bereiken. Bekijk de uitleg van Pascal Mariany over de rubric


 

>

Leren kiezen voor de toekomst

Tips en opdrachten via YouTube

Errol Hogenkamp en Els Dillerop, decanen op het Montessori College in Arnhem startten een eigen YouTubekanaal en maakten een studiekeuzechallenge van 30 filmpjes om leerlingen aan het denken te zetten over hun loopbaankeuzes. Daarnaast voerden zij interviews met beroepsbeoefenaren om hun leerlingen te inspireren en aan te zetten tot zelf interviews houden.

>

Een padlet bij de doorstroom mbo-hbo

Een padlet met veel informatie en inspiratie voor een soepele doorstroom van mbo naar hbo!

De afgelopen 2 jaar heeft de projectgroep doorstroom mbo-hbo, met daarin 6 docenten die betrokken zijn bij de overstap naar het hbo, gewerkt aan het versterken van het doorstroomrendement van studenten niveau 4 die de overstap naar het hbo maken. Doel van het project is studenten nieuwe leerervaringen laten opdoen en ze in contact brengen met mhbo-ambassadeurs (ervaringsdeskundigen die de overstap zelf al hebben gemaakt). Om te zien wat er is gemaakt en opgeleverd vanuit de projectgroep zijn een aantal van de producten verzameld op een padlet. In één oogopslag kun je naar keuze producten terugvinden waar jij binnen je team en met je studenten direct mee aan de slag kunt.

>

TL-profielwerkstuk samen met mbo

Kennis maken met de dagelijkse praktijk op het mbo

Op het mbo, onder leiding van mbo-docenten en studenten, werken Twentse vierdejaars TL-leerlingen twee tot drie dagdelen aan hun profielwerkstuk. Leerlingen maken zo kennis met de dagelijkse praktijk op het mbo en kunnen ervaren of de gekozen opleiding bij hem/haar past. Het profielwerkstuk, dat onderdeel is van hun examen, krijgt op deze manier een beroeps- en opleidingsoriënterend karakter.

>

Studiekeuze stripboek

Op een luchtige en toegankelijke manier uitleggen waar studiekeuze over gaat!

Decanenkring Arnhem en Wageningen University ontwikkelden samen het Studiekeuze Stripboek over de stappen die je moet zetten om een hbo- of wo-studie te kiezen. Bij elke stap in het proces horen een striptekening en vijf tips. Het stripboek helpt jongeren en ouders op een luchtige manier over studiekeuze te praten. Ook ouders die zelf niet gestudeerd hebben of uit een ander land komen, kunnen de strips en tips lezen. Voor mensen die meer willen weten is er bij elke strip een verdiepend artikel.

>