Effectieve loopbaanoriëntatie en loopbaanbegeleiding (LOB) in het vmbo: een overzichtsstudie
Korpershoek, H. Karssen, M. Spijkerboer, A. Petit, R. Hermans, A. (2022)
Effectieve LOB vraagt om een samenhangende en praktijkgerichte aanpak waarin leerlingen actief leren en ondersteund worden in hun loopbaanontwikkeling.
____________________________
De studie laat zien dat verschillende elementen bijdragen aan effectieve LOB, zoals praktijkervaring, actieve leerrollen en een samenhangend programma. Leerlingen ontwikkelen zich beter wanneer zij zelf ervaringen opdoen, reflecteren in gesprek en zicht krijgen op werk en vervolgopleidingen. Ook de betrokkenheid van ouders en het omgaan met verwachtingen en belemmeringen spelen een belangrijke rol. Daarnaast is aandacht voor zelfvertrouwen, kennis over mogelijkheden en een realistisch toekomstbeeld essentieel voor het maken van passende keuzes.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Deze literatuurstudie heeft als doel een systematische analyse en synthese te maken van effectieve elementen in LOB-aanbod in binnen- en buitenland. In deze literatuurstudie is onderzocht welke aanpakken voor LOB effectief kunnen zijn voor leerlingen, met waar mogelijk ook specifiek aandacht voor ‘wat werkt’ voor jongeren uit gezinnen met een migratieachtergrond, zodat evidence-informed beslissingen over de invulling van LOB genomen kunnen worden.
De onderzoeksvraag luidt: Wat zijn effectieve aanpakken voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding van jongeren (al dan niet uit gezinnen met een migratieachtergrond) in het vmbo, op basis van de nationale en internationale literatuur? Uit onze literatuurstudie komen in grote lijnen zeven elementen naar voren die bij kunnen dragen aan effectieve LOB en het studie- en beroepskeuzeproces van vmbo-leerlingen (waaronder voor leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond). Het LOB-aanbod (of vergelijkbaar aanbod in het buitenland) beschouwen we als effectief wanneer het de loopbaanontwikkeling van leerlingen positief beïnvloedt, bijvoorbeeld beter ontwikkelde loopbaancompetenties, meer zelfvertrouwen in het maken van studiekeuzes of bijvoorbeeld beter inzicht in eigen interesses en capaciteiten als gevolg van de beter ontwikkelde loopbaancompetenties.
- Verbinding leggen met de praktijk
Leerlingen verdiepen zich aan de hand van informatie in beroepen en vervolgopleidingen, maar contact met de praktijk en ervaringen opdoen is onontbeerlijk bij het maken van weloverwogen loopbaankeuzes. Scholen en bedrijven werken samen in het organiseren van LOB-activiteiten zodat leerlingen beroepsbeoefenaren ontmoeten en kennis maken met de beroepspraktijk, al dan niet in samenwerking met externe aanbieders. Voorbeelden van zogenoemde werkexploratieactiviteiten zijn bedrijfsbezoeken, snuffelstages, gastlessen door beroepsbeoefenaren maar ook door school en het werkveld of het mbo zelf georganiseerde activiteiten, zoals meeloopdagen in het mbo. Bij activiteiten in de beroepspraktijk is belangrijk gebleken dat leerlingen keuzemogelijkheid hebben in het bedrijf/beroep waar zij zich in gaan verdiepen en dat vooraf het doel en de aard van de activiteit voor alle betrokkenen duidelijk is en hoe activiteiten passen in het grotere geheel van LOB. Er zijn ook vakinhoudelijke activiteiten zoals workshops, praktijkopdrachten, summer schools, al dan niet in samenwerking met scholen. Het doel van deze activiteiten is om jongeren in het algemeen of bepaalde groepen, zoals meisjes of jongeren uit gezinnen met een migratieachtergrond, te interesseren voor wetenschap, technologie en wiskunde. Deze voorbeelden uit internationaal onderzoek worden ook in Nederland wel toegepast, maar specifieke aandacht voor het begeleiden van loopbaankeuzes van leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond ontbreekt hier veelal. Door kennis te maken met het vervolgonderwijs en de beroepspraktijk, kan de kennis over beroepsmogelijkheden worden vergroot en kan interesse worden gewekt voor beroepsrichtingen waar grote tekorten zijn. Daarnaast kunnen eventuele vooroordelen worden weggenomen en verkeerde beeldvorming over beroepen en vervolgopleidingen worden rechtgezet. - De leerling heeft een actieve rol
Voor bedrijven ligt het vaak voor de hand om iets te vertellen over het bedrijf en een rondleiding te geven als leerlingen op bezoek komen. Een werkbezoek is doorgaans effectiever als een leerling zelf ook een actieve rol heeft, bijvoorbeeld door een opdracht uit te voeren waardoor de leerling zelf iets ervaart van het vakgebied. Andere voorbeelden van een actieve rol van leerlingen betreft een excursie of workshops waarin leerlingen een reeks activiteiten met actieve werkvormen doorlopen, van zelfanalyse tot en met het maken van een plan om een bepaald beroep te bereiken. LOBactiviteiten op school zijn effectiever wanneer hier actieve werkvormen voor gebruikt worden en de leerling dus een actieve rol speelt, zoals hands-on activiteiten, presenteren aan medeleerlingen, of werken volgens principes van problem-based, project-based of inquiry-based learning. Verschillende onderzoeken laten zien dat het actief werken aan loopbaancompetenties, zoals motieven/kwaliteitenreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken, leerlingen kan helpen bij het studiekeuzeproces. Ook hierbij is het belangrijk dat leerlingen actief aan de slag gaan om de loopbaancompetenties verder te kunnen ontwikkelen. - Samenhangend traject met betrokkenheid van de school
LOB-activiteiten staan vaak los van elkaar maar het is effectiever als er een samenhangend traject is met verschillende op elkaar aansluitende activiteiten. In de Nederlandse context is de school doorgaans de factor die voor deze samenhang kan zorgen door activiteiten te integreren in het grotere geheel van het LOB-curriculum. Mentoren, docenten en andere begeleiders vervullen een belangrijke rol in het studie- en beroepskeuzeproces van vmbo-leerlingen. Zij kunnen leerlingen enthousiasmeren, bijvoorbeeld door ervaringen en interesses van leerlingen buiten de school (bijbaan, hobby) bij LOB te betrekken, en kunnen de verbinding tussen LOB activiteiten expliciet maken, zodat leerlingen ook de samenhang in de activiteiten zien. Ook zijn er effectieve samenhangende LOB-trajecten en peer counseling programma’s waarbij de betrokkenheid van de school niet expliciet wordt genoemd. Toch kunnen dit soort programma’s en activiteiten, dus zonder actieve betrokkenheid van bijvoorbeeld docenten en mentoren op school, effectief zijn. Een aantal mooie voorbeelden vinden we in programma’s buiten Nederland die veelal bestaan uit een reeks activiteiten en spelvormen, georganiseerd en begeleid door bijvoorbeeld studenten, docenten of onderzoekers uit het tertiair onderwijs. - Reflectie
Zinvolle reflectie kan bestaan uit een reflectiegesprek met bijvoorbeeld activerende werkvormen die leerlingen aan het denken zetten. De docent of loopbaancoach stelt vragen, vraagt door en zet de leerling aan het denken over wat bij de leerling past en waarom. De leerling wordt hierdoor aangemoedigd om zowel vooraf als na bijvoorbeeld werkexploratie activiteiten, na te denken over keuzemogelijkheden en een beargumenteerde loopbaankeuze te maken. Een creatief voorbeeld hiervan is het gebruiken van een stripverhaal gevolgd door een gesprek. Reflectie die uitsluitend schriftelijk plaatsvindt met een reflectieverslag of formulier lijkt weinig op te leveren en dit wordt door leerlingen nutteloos gevonden. Vooral gesprekken waar de leerling eigen ervaringen inbrengt en de mentor de relatie legt met kwaliteiten, mogelijke toekomstige beroepen en vervolgopleidingen, leiden tot nieuwe inzichten. Verder bespreekt de mentor hoe de leerling de nieuwe inzichten kan benutten en maakt concrete afspraken over vervolgactiviteiten. Het bespreken en vastleggen van loopbaandoelen (wat gaat de leerling doen om zich verder te oriënteren) kan een concreet handvat zijn in dit proces. Van belang is dat de mentor oprecht geïnteresseerd is in de leerling en zich inleeft in het verhaal dat de leerling vertelt. Een portfolio of persoonlijk ontwikkelingsplan kan een hulpmiddel zijn bij reflectie op motieven, ambities en kwaliteiten en eigen verantwoordelijkheid en zelfsturing bevorderen, mits er wel gesprekken plaatsvinden met de docent of mentor over het portfolio. - Ouders zijn betrokken
Ouders spelen een belangrijke rol in het keuzeproces van hun kinderen, ook al is dat niet altijd zichtbaar voor de school. Zij blijken de belangrijkste beïnvloeders en gesprekspartners te zijn bij de studie- en beroepskeuze, maar zij zijn zich daar vaak niet van bewust. In het basis- en voortgezet onderwijs is van belang dat de school samenwerkt met ouders rond het opvoeden, leren en de loopbaankeuzes van leerlingen. In vervolgopleidingen gaat het vooral om de rol van ouders als gesprekspartner bij belangrijke keuzes voor de toekomst, zoals de profielkeuze en de keuze voor studie- en beroep, kansen op de arbeidsmarkt. Om een goede gesprekspartner te zijn voor zoiets complex als de studie- en beroepskeuze is enige kennis over het onderwijs en de arbeidsmarkt noodzakelijk. Of in elk geval is het belangrijk het kind hierin te stimuleren en te ondersteunen, en het aangrijpen van mogelijkheden om hier meer over te weten te komen en – samen met het kind – op onderzoek uit te gaan. Ouders die weinig zicht hebben op de onderwijs en arbeidsmarkt, voelen zich hiervoor vaak onvoldoende toegerust. Zo ontbreekt het ouders van leerlingen in het vmbo en mbo veelal aan basale informatie over de opleiding van hun kind. Ouders vinden dat zij weinig betrokken worden bij loopbaankeuzes van hun kinderen en hebben behoefte aan informatie over schoolloopbaankeuzes. Vooral daarom is het van belang dat scholen ouders meenemen in het keuzeproces en bevorderen dat ook thuis gesprekken plaatsvinden over de studie- en beroepskeuze. - Omgaan met verwachtingspatronen
Voor leerlingen in het algemeen – en voor leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond mogelijk nog meer – kan omgaan met verwachtingspatronen of verschillen tussen de schoolcultuur en de thuiscultuur moeilijk zijn. Het kunnen verwachtingspatronen zijn van ouders over welke beroepen geschikt zijn voor ‘ons soort mensen’, vakgebieden of beroepen die typisch voor jongens of meisjes zouden zijn, beroepen met een lage of hoge status. Ouders kunnen soms weinig ruimte geven voor eigen keuzes en wensen van hun kinderen. Ook kunnen het verwachtingen zijn van leraren die de capaciteiten van specifieke leerlingen of leerlinggroepen onderschatten en hen afraden een technische opleiding te kiezen omdat deze te moeilijk zou zijn. Dit kan ertoe leiden dat leerlingen te weinig vertrouwen op hun eigen capaciteiten, hun zelfvertrouwen afneemt en zij niet hun intrinsieke motivatie en interesses volgen maar aan de verwachtingen van anderen voldoen en dus bepaalde beroepsrichtingen als mogelijkheid uitsluiten. Ook een (stage)bedrijf kan bepaalde verwachtingen of vooroordelen hebben over bepaalde leerlingen of leerlinggroepen. In verschillende buitenlandse onderzoeken zien we dat specifieke aandacht voor het omgaan met verwachtingspatronen van anderen effectief kan zijn, zoals gesprekken over genderrollen en succesvolle voorbeelden van meisjes in traditionele ‘jongensberoepen’ en vice versa. Ook een georganiseerde Girls Day over engineering, leidde ertoe dat de perceptie over engineering iets positiever was geworden. In Nederland kennen we deze activiteiten ook, zo organiseert het VHTO Girls Days waar meisjes kennismaken met bèta, techniek en IT. In een ander, omvangrijk project werd in spelvorm aandacht besteed aan barrières die leerlingen kunnen ervaren om te kiezen voor een opleiding in de gezondheidszorg en in bèta/techniek. Studenten van deze opleidingen werden als rolmodel uitgenodigd om te vertellen over hun eigen schoolloopbaan vanaf de middelbare school, omgang met culturele verwachtingspatronen, discriminatie, stereotypering, invloed van peers en familie en welke activiteiten hen verder hebben geholpen. Tot slot had een training in het omgaan met discriminatie een positieve uitwerking op verwachtingen over het vinden van een baan. In de training werd gebrainstormd over mogelijke reacties en een goede aanpak bij discriminatie, in rollenspellen werden strategieën geoefend. Voor jongeren uit gezinnen met een migratieachtergrond zouden dit soort activiteiten bij kunnen dragen aan hun vaardigheden om goed met verwachtingen van anderen om te gaan. - Vergroten van self-efficacy en beroepsinteresse via kennisverwerving
Tot slot is voldoende geïnformeerd zijn over beroepsrichtingen, beroepen en opleidingen die nodig zijn om die beroepen te bereiken een noodzakelijke voorwaarde om een goede keuze te maken. De rol van de school hierbij is nog groter voor leerlingen van ouders met weinig kennis over het Nederlandse onderwijssysteem en beroepenveld. Activiteiten gericht op het vergroten van kennis over sectoren, over vervolgonderwijs, ondernemerschap of over solliciteren, bleken niet alleen kennis te vergroten maar ook positief uit te werken op het zelfvertrouwen om goede (loopbaan)keuzes te kunnen maken en op positieve beeldvorming over de beroepspraktijk. Er zijn ook online programma’s die de interesse in techniek hebben vergroot of een gebrek aan informatie, inconsistente informatie en belemmeringen voor de beroepskeuze bij jongeren kunnen verminderen. In Nederland lijkt een vakinhoudelijk summer school programma voor leerlingen in het voortgezet onderwijs niet veel voor te komen maar in de VS zijn deze er wel voor jongeren in het algemeen maar ook specifiek voor risicojongeren, jongens uit minderheidsgroepen en voor meisjes. Deze hebben bijvoorbeeld als doel om self-efficacy en de interesse te vergroten in meestal STEM (Science, Technology, Engineering, Mathematics) maar ook in de zorgsector. Leerlingen leren bijvoorbeeld programmeren, robots maken, 3d-design of apps ontwikkelen of onderzoek doen, maar er is vaak ook aandacht voor LOB. Deze programma’s blijken positief uit te werken op kennis en interesse in het vakgebied en op selfefficacy of loopbaanontwikkeling. Daar waar expliciet is gekeken naar verschillen tussen etnische groepen bleken geen noemenswaardige verschillen te zijn gevonden. Programma’s hadden wel een positief effect voor leerlingen in het algemeen. Specifiek voor jongeren met een migratieachtergrond en meisjes gold in een van deze studies dat zij de rol die mentoren vervulden en de langdurige relatie met de mentoren in een zomerkamp heel positief waardeerden en dat dit bijdroeg aan hun interesse in STEM.
Concluderend kunnen we stellen dat de zeven bovenstaande elementen kunnen bijdragen aan effectieve LOB. We hebben hiervoor ondersteuning gevonden in de nationale en internationale literatuur. De duur van de interventies leek geen duidelijke rol te spelen. De korte, lange en intensieve interventies waren ongeveer even vaak effectief. Daarnaast zijn er geen opvallende verschillen ten aanzien van de leeftijd van de leerlingen. Ook was er geen duidelijk patroon in de effectiviteit van de interventies wat betreft de begeleiding van de activiteiten (onderzoeker, career/school counselor, leraren, veldexperts, rolmodellen). Over het algemeen werden geen differentiële effecten gerapporteerd, bijvoorbeeld voor leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond. De meeste interventies bleken voor verschillende leerlinggroepen even effectief (er waren hooguit kleine verschillen).
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Op grond van de conclusies en bevindingen zijn een aantal aanbevelingen geformuleerd:
- Aanbeveling 1: Zorg voor een samenhangend traject voor onder- en bovenbouw met een breed en activerend aanbod aan LOB-activiteiten. Een effectief LOB-aanbod legt een verbinding met de praktijk, laat leerlingen kennismaken met het vervolgopleidingen (bv. mbo), sluit aan bij de fase in het keuzeproces waarin leerlingen zich bevinden en geeft leerlingen concrete, bruikbare informatie over de studie- en beroepskeuzemogelijkheden. De leerling heeft hierin een actieve rol en er worden activerende werkvormen gebruikt.
- Aanbeveling 2: Ontwikkel (en evalueer de effectiviteit van) LOB-activiteiten die leerlingen (in het bijzonder leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond) helpen om te gaan met verwachtingspatronen, loopbaanbarrières en stereotypering, die passen bij de Nederlandse context en de ondersteuningsbehoeften van vmbo-leerlingen en die geïntegreerd kunnen worden in het huidige LOB-aanbod van vmbo-scholen.
- Aanbeveling 3: Besteed in extracurriculaire en buitenschoolse activiteiten (zoals summer schools) expliciet aandacht aan LOB, zodat leerlingen actief gestimuleerd worden om na te denken over hun talenten en interesses voor vervolgopleidingen.
- Aanbeveling 4: Besteed in het LOB-aanbod structureel aandacht aan beroepsrichtingen met veel werkgelegenheid en een gunstig toekomstperspectief.
- Aanbeveling 5: Mbo-instellingen kunnen effectieve LOB-activiteiten organiseren door vmboleerlingen de mbo-instelling te laten bezoeken, leerlingen actief kennis te laten maken met de verschillende opleidingen, en mbo-studenten in te zetten als informanten en rolmodellen.
- Aanbeveling 6: Neem activiteiten om ouders te betrekken op in het reguliere LOB-aanbod, zodat de leerling, de school én de ouders betrokken zijn bij LOB.
- Aanbeveling 7: Stimuleer en faciliteer vmbo-scholen om een samenhangend traject voor onderen bovenbouw met een breed en activerend aanbod aan LOB-activiteiten samen te stellen en aan te bieden aan hun leerlingen.
- Aanbeveling 8: Stimuleer vmbo-scholen om naast aandacht voor de loopbaancompetenties kwaliteitenreflectie, motievenreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken (Meijers e.a., 2006) ook aandacht te besteden aan de loopbaancompetentie “omgaan met verwachtingspatronen, loopbaanbarrières en stereotypering” (in het bijzonder voor leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond).
- Aanbeveling 9: Laat gedegen effectonderzoek uit te voeren naar LOB-activiteiten in zowel de onder- als bovenbouw, met aandacht voor zowel generieke effecten (geldend voor alle leerlingen) als differentiële effecten (geldend voor bepaalde leerlinggroepen, zoals leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond).



