Loopbaangesprek

Expertisepunt LOB

LOB-begeleiding

De begeleider (slb-er, coach, mentor, docent) begeleidt jongeren en voert het LOB-programma uit. Om de kwaliteit van de LOB-begeleiding  te borgen wordt jaarlijks de PDCA-cyclus doorlopen.
Meer weten over hoe je LOB-begeleiding kunt vormgeven en de kwaliteit kunt borgen? Bekijk dan onderstaande infographics, wegwijzers en tools.

 

 

Inspiratie uit praktijk, onderzoek en het nieuws

LOB-onderzoek
Een goed gesprek over de toekomst. Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes op het vmbo en het mbo

Petit, R., Brouwer, P. & Meijer, J. (2018)

Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes blijkt effectief te versterken met kleine, gerichte interventies in plaats van grote programma’s.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat eenvoudige thuisopdrachten leerlingen en ouders stimuleren om samen in gesprek te gaan over studiekeuzes. Deze gesprekken worden als waardevol ervaren en dragen bij aan meer inzicht in kwaliteiten en keuzes, al zijn de effecten op andere aspecten beperkt. Grootschalige en tijdrovende vormen van ouderbetrokkenheid blijken minder haalbaar, terwijl kleine, laagdrempelige opdrachten juist goed werken. Daarbij is een goede implementatie en samenwerking binnen het schoolteam essentieel om het succes te vergroten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Scholen voor vmbo en mbo ontwikkelden samen met onderzoekers een programma om ouders te betrekken bij de studie-en beroepskeuze van hun kind. Via huiswerkopdrachten die leerlingen met ouders thuis maken wordt het gesprek over loopbaankeuzes gestimuleerd. Het onderzoek laat bescheiden positieve effecten zien. 
Scholen voor vmbo en mbo in de regio Utrecht namen deel aan praktijkgericht onderzoek. De vraag van de scholen stond centraal: het ontwerpen en onderzoeken van een programma om ouders te betrekken bij de studie- en beroepskeuze van hun kind. Het consortium heeft drie op het LOBcurriculum aansluitende huiswerkopdrachten ontwikkeld.
Zowel leraren, ouders als leerlingen hebben het programma aardig positief gewaardeerd. Leerlingen en ouders voerden goede gesprekken thuis over de studie- en beroepskeuze. Leerlingen vonden het prettig om de mening van ouders te horen over hun kwaliteiten. Er waren ook leerlingen voor wie de betrokkenheid van ouders weinig meerwaarde had, bijvoorbeeld omdat het programma van start ging nadat zij al keuzes hadden gemaakt. Voor mbo opleidingen die heel specifiek opleiden voor een beroep was het programma soms te algemeen en te weinig gericht op het verder verfijnen van de keuze binnen de al gekozen beroepsrichting.
De invoering van het programma verliep wel moeizaam, onder andere door vele personele wisselingen binnen de scholen. Dit onderstreept het belang om bij een dergelijke vernieuwing het hele team te betrekken en niet slechts enkele enthousiaste individuen. Korte (minder tijdrovende) en weinig talige opdrachten werkten goed. Het gaat er vooral om dat de opdrachten stimuleren dat leerlingen thuis met ouders gesprekken voeren over loopbaankeuzes. Met herhaalde metingen is de effectiviteit onderzocht van het programma op de attitude van leerlingen ten aanzien van de studie- en beroepskeuze, de activiteiten die zij hebben ondernomen, loopbaancompetenties en de mate waarin zij zeker zijn over hun beroepskeuze. Er bleek een effect te zijn op het vermogen om sturing te geven aan de eigen loopbaan (één van de loopbaancompetenties). Bij de overige onderzochte variabelen is er geen aanwijzing gevonden voor een effect. Wel bleek het verband tussen de invloed van de omgeving (waaronder ouders) en de loopbaancompetenties bij leerlingen die hebben deelgenomen aan het programma, na het programma sterker te zijn geworden. Of dit een gevolg is van het programma kunnen we niet met zekerheid zeggen, maar dit resultaat in combinatie met de uitkomst van de gesprekken stemt wel hoopvol dat de doelstelling is bereikt om de rol van ouders bij de studie- en beroepskeuze te versterken.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Een belangrijk inzicht uit het onderzoek is dat ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes niet groots en tijdrovend hoeft te zijn voor scholen.  Kleine opdrachten die leerlingen thuis met ouders uitvoeren brengen gesprekken thuis op gang die veel kunnen opleveren in het loopbaankeuzeproces. Ook voor ouders is tijd een factor van belang. Deelnemen aan meerdere bijeenkomsten op school bleek voor ouders te tijdrovend te zijn en ook docenten kregen dit organisatorisch moeilijk geregeld. Een beperkte tijdsinvestering en laagdrempelige deelname door ouders met thuisopdrachten bleek wel goed haalbaar en bovendien nuttig te zijn.

In het project zijn drie thuisopdrachten ontwikkeld, onderzocht en beschikbaar gemaakt voor het vmbo en mbo. Deze opdrachten kunnen scholen gebruiken en eventueel aanpassen aan de eigen leerling populatie en context. Zeker voor het mbo is het aan te raden om de opdrachten toe te spitsen op de gekozen beroepsrichting en de fase waarin studenten zich bevinden in het beroepskeuzeproces. Voor het vmbo lijken de opdrachten in huidige vorm te volstaan, maar is wel het moment waarop deze worden ingezet van belang. Of dit het beste past in het derde of vierde leerjaar of verspreid over alle leerjaren hangt af van het LOB-curriculum en dit verschilt dit per school.  

Een ander inzicht is dat veel tijd nodig is om een nieuw programma te implementeren in het onderwijs zodat dit een samenhangend geheel vormt met LOB-lessen en docenten het zichzelf eigen kunnen maken. Experimenteren en evalueren zijn hierbij van belang.  Een aanbeveling voor scholen is om vroeg genoeg te starten en met het hele team zodat teamleden meedenken en mee ontwikkelen aan het programma in het belang van een goed resultaat en eigenaarschap.

Tot slot is goed te bedenken dat de bijdrage die ouders kunnen leveren aan het studie- en beroepskeuzeproces van hun kind enorm kan verschillen. Als ouders weinig kunnen bijdragen, is het des te belangrijker dat de school goede loopbaanoriëntatie en -begeleiding biedt. En zo mogelijk voor deze leerlingen nog iets meer. 

Loopbaangesprekken met passie voor techniek

Mittendorff, K., Brouwer-Truijen, K., Huizinga, T., Staman, L., & Bisschop, C. (2017)

Effectieve loopbaangesprekken zijn cruciaal voor goede studiekeuzes, maar wat maakt zo’n gesprek nu echt krachtig?

____________________________

Dit onderzoek richt zich op het verbeteren van loopbaangesprekken binnen scholen door inzicht te krijgen in wat werkt. Op basis van grootschalig vragenlijstonderzoek en analyse van opgenomen gesprekken zijn belangrijke kenmerken van effectieve gesprekken in kaart gebracht. Deze gesprekken stimuleren reflectie en helpen leerlingen hun talenten en keuzes beter te begrijpen. De resultaten bieden concrete aanknopingspunten om loopbaangesprekken in de praktijk doelgerichter en betekenisvoller te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Om leerlingen betere studiekeuzes te laten maken is het cruciaal dat er in het onderwijs goede loopbaangesprekken met leerlingen gevoerd worden waarin reflectie een plek krijgt en leerlingen worden aangesproken op hun talenten. Maar wat maakt een loopbaangesprek nu echt effectief? In samenwerking met mentoren en decanen van verschillende vo-scholen is binnen dit onderzoek een methodiek ontwikkeld voor het verbeteren van loopbaangesprekken binnen de school. Door middel van kwantitatief onderzoek (vragenlijst n = 3192 leerlingen) is onderzocht welke factoren in de ontwikkelde methodiek belangrijk zijn voor effectieve loopbaangesprekken. Aanvullend is kwalitatief onderzoek uitgevoerd waarbij 15 loopbaangesprekken (mentor – leerling) op video zijn opgenomen en geanalyseerd.   

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De resultaten bieden inzicht in effectieve kenmerken van loopbaangesprekken die ingezet kunnen worden in de onderwijspraktijk. 

Career conversations in senior secondary vocational education

Mittendorff, K. (2010)

Portfolio’s en ontwikkelingsplannen zijn pas effectief binnen LOB als ze onderdeel zijn van een echte dialoog met leerlingen.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat instrumenten zoals portfolio’s en POP’s veel worden gebruikt binnen loopbaanbegeleiding, maar niet altijd het gewenste effect hebben. Studenten ervaren deze tools pas als waardevol wanneer ze worden ingezet binnen gesprekken waarin reflectie en betekenis centraal staan. Zonder die dialoog worden ze vaak als verplichting gezien en gebruiken studenten ze oppervlakkig of alleen voor studiepunten. Het voeren van goede loopbaangesprekken is daarmee bepalend voor het succes van deze instrumenten binnen LOB.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

In Nederland groeit het aantal beroepsonderwijsinstellingen en -opleidingsinstituten dat competentiegerichte leerbenaderingen implementeert, hieronder valt ook een nieuwe benadering van loopbaanbegeleiding. Deze benaderingen hebben vaak betrekking op instrumenten zoals portfolio's of persoonlijke ontwikkelingsplannen, en zijn bedoeld om studenten te ondersteunen bij hun zoektocht naar een richtingsgevoel, beroepskeuze en het ontwikkelen van hun identiteit. In deze studie werden percepties van leraren, loopbaanbegeleiders en studenten over portfolio’s en persoonlijke ontwikkelingsplannen voor loopbaanontwikkeling onderzocht op twee MBO scholen en één vmbo school. De resultaten suggereren dat deze instrumenten als nuttig worden beschouwd in een dialoogcontext. Indien gebruikt in een context zonder reflexieve dialogen tussen docenten en studenten, beschouwden studenten de instrumenten als niet nuttig en vertoonden ze coping-gedrag, zoals zich niet inzetten voor de daadwerkelijke doelen of de instrumenten alleen voltooien voor externe doeleinden / studiepunten.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek geeft met name inzichten in de wijze waarop loopbaangesprekken worden gevoerd, maar ook welke aspecten daarbij van belang zijn om in te zetten als het gaat om loopbaangesprekken voeren met leerlingen. Ook geeft het onderzoek inzicht in de wijze waarop je bijvoorbeeld een pop of portfolio effectief kan inzetten binnen een loopbaanbegeleidingscontext. 

Loopbaanleren als (dialogisch) probleem: een introductie. Wiens verhaal telt?

Meijers, F. (2012)

Een echte loopbaandialoog vraagt om een fundamentele verandering in de rol en identiteit van docenten.

____________________________

Het artikel laat zien dat dialoog essentieel is voor het ontwikkelen van zelfsturing bij leerlingen, maar in het onderwijs nog weinig plaats krijgt. Dit komt vooral doordat de traditionele rol van docenten gericht is op kennisoverdracht in plaats van betekenisvolle gesprekken over ervaringen. Om ruimte te maken voor loopbaandialoog, moeten docenten hun professionele identiteit ontwikkelen richting een meer begeleidende en reflectieve rol. Dit vraagt om een langdurig veranderproces binnen scholen, waarbij samenwerking, ruimte voor emoties en ondersteuning vanuit de schoolleiding belangrijke voorwaarden zijn.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De dialoog is essentieel voor het stimuleren van zelfsturing bij en door leerlingen/studenten. Toch ontbreekt deze in het Nederlandse onderwijs vrijwel geheel. Het realiseren van een loopbaandialoog is blijkbaar moeilijk. Dit heeft vooral te maken met de professionele identiteit van docenten. De organisatieonderzoeker Quinn (1991) heeft aangetoond dat in organisaties die lange tijd stabiel blijven, een cultuur ontstaat die erg aantrekkelijk is voor mensen die veel waarde hechten aan output, controle en beheer. De onderwijscultuur is tussen 1920 en 2012 qua missie, organisatie en cultuur nauwelijks veranderd: alles was en is gericht op een efficiënte overdracht van vaststaande kennis in een vaststaand curriculum. Daarmee stond en staat een docent centraal die op basis van nauwkeurig gedefinieerde vakbekwaamheid enthousiast vertelt over haar of zijn vak tegen leerlingen of studenten. Nu is echter een docent nodig die enthousiast wordt wanneer zij of hij met leerlingen/studenten kan spreken over de zin en betekenis van hun ervaringen in het praktijkgestuurde onderwijs en op basis daarvan ‘just in time’ en ‘just enough’ theorie aanlevert. Docenten zullen hun professionele identiteit moeten veranderen om meer gericht te zijn op dialoog met leerlingen. Een identiteit (dus ook een professionele identiteit) verandert men echter niet zomaar. Het is een langdurig en intensief leerproces dat eenzelfde leeromgeving vereist als nodig is om leerlingen tot meer zelfsturing te brengen (Hensel, 2010). De omgeving zal praktijkgestuurd en dialogisch moeten zijn en de docenten de kans moeten geven gaandeweg meer controle uit te oefenen over hun eigen leertraject. Dat wil zeggen dat ingezet moet worden op concrete veranderprojecten, waarbij uitgebreid gesproken kan worden over de persoonlijke zin en de betekenis voor de school/leerling/samenleving van de ervaringen die docenten in deze projecten opdoen. Concreet betekent dit dat het in het onderwijs dominante perspectief verlaten moet worden dat leren (ook van docenten) een individuele activiteit is. De nadruk moet niet meer liggen op het leren binnen maar op leren door organisaties. De vorm van dialoog die hiervoor nodig is omschrijft Shotter (1993, p. 20) als “a socially constructed myriad of spontaneous, responsive, practical, unselfconscious, but contested interactions”, een vorm die haaks staat op “the apparent representation of dialogue as converging upon a single ultimate ‘Truth’”. Een dergelijke dialoog zoekt niet a priori naar consensus maar gaat in eerste instantie uit van pluralisme en zelfs conflict. De gezamenlijkheid die ten grondslag ligt aan collectief leren is daarom geen uitonderhandelde waarheid, maar een rijke, gedeelde betekenis gefundeerd in de ideeën van alle betrokkenen. Om een dergelijke leeromgeving te realiseren moet de schoolleiding ook daadwerkelijk leidinggeven (Geijsel, Meijers & Wardekker, 2007): zij moet er niet alleen voor zorgen dat er een strategische visie is maar ook dat er sprake is van een realistische (en vooral: een niet te volle) innovatieagenda. Werkelijke veranderingen kosten immers veel tijd en energie. Tenslotte moet er ruimte zijn voor emoties. Verandering van professionele identiteit roept veel onzekerheid op. En de ‘natuurlijke’ reactie op onzekerheid is – zoals de moderne hersenwetenschappen aantonen – primair een vluchtreactie, daarna een aanvalsreactie en tenslotte een bevriesreactie. Pas nadat deze natuurlijke reacties zijn gepasseerd, is het mogelijk een echte dialoog te starten. Daarom is ruimte voor emoties en – in het verlengde daarvan – emotioneel leiderschap (de term is van Leithwood & Beatty, 2008) essentieel. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het artikel geeft aan wat de kenmerken zijn van het verandertraject op scholen, noodzakelijk om te komen tot een verandering van de professionele identiteit van docenten. Het streven is dat docenten meer gericht zijn op de dialoog met jongeren. Dat ze naast het overdragen van kennis enthousiast worden van het gesprek met leerlingen/studenten over de zin en betekenis van hun praktijkervaringen. 

Gluren bij onze noorderburen: Een nieuwe toolkit voor onderwijsloopbaanbegeleiding uit Nederland

Luken, T. & De Folter, A. (2017)

De toolkit ACT in LOB biedt een vernieuwende aanpak om leerlingen beter te ondersteunen bij het maken van studiekeuzes.

____________________________

In het artikel wordt uitgelegd waarom vernieuwing van LOB nodig is en hoe ACT (Acceptance and Commitment Therapy) daarbij kan helpen. De toolkit bevat 25 praktische tools die gericht zijn op het omgaan met onzekerheid, het verhelderen van waarden en het loslaten van belemmerende gedachten. Met behulp van de CDDQ-test krijgen begeleiders inzicht in de keuzeproblemen van leerlingen en kunnen zij passende interventies kiezen. Voorbeelden uit de praktijk laten zien hoe deze tools ingezet worden door decanen en loopbaanbegeleiders.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel biedt een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling en inhoud van de toolkit ‘ACT in LOB’. Eerst wordt uitgelegd waarom innovatie van LOB noodzakelijk wordt geacht. Vervolgens worden achtergrond en inhoud van ACT (Acceptatie en Commitment Therapie) uiteengezet en wordt verduidelijkt waarom ACT gekozen is als basis voor de ontwikkeling van een innovatieve toolkit voor LOB. Tot slot komen de 25 tools van de toolkit en de CDDQ test aan de orde. Deze test biedt inzicht in de problemen die leerlingen ervaren met de studiekeuze en biedt een basis voor het kiezen van tools voor de begeleiding. Doelen van de tools zijn onder meer acceptatie van onzekerheid, mindfulness, verheldering van waarden en het loslaten van belemmerende overtuigingen. Enkele voorbeelden uit praktijken van schooldecanen en loopbaanadviseurs verhelderen het gebruik van de tools. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De beschreven toolkit is kosteloos toegankelijk. Het artikel biedt de lezer een ingang tot de tools, die gebruikt kunnen worden als aanvulling op bestaande LOB programma's. 

Easy does it: An Innovative View on Developing Career Identity and Self-direction

Luken, T. (2020)

Dit artikel zet vraagtekens bij gangbare uitgangspunten in loopbaanontwikkeling en pleit voor een fundamenteel andere benadering van LOB.

____________________________

Het artikel stelt de aanname ter discussie dat loopbaancompetenties vooral via cognitieve onderwijsprogramma’s ontwikkeld kunnen worden.
Op basis van inzichten uit neurowetenschappen en psychologie wordt een alternatieve, meer systemische benadering voorgesteld.
Huidige LOB‑praktijken sluiten volgens de auteurs onvoldoende aan bij hoe mensen zich daadwerkelijk ontwikkelen, wat risico’s met zich meebrengt voor identiteit en besluitvorming.
De auteurs bepleiten meer ruimte voor exploratie, ervaring en begeleiding, met minder nadruk op reflectie en rationele keuzes.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Een algemeen aanvaard uitgangspunt op het gebied van loopbaanontwikkeling is dat loopbaanattitudes en -vaardigheden, waaronder identiteit en zelfsturing, kunnen worden ontwikkeld door middel van onderwijsprogramma's met een cognitieve focus. Het eerste doel van dit artikel is dit uitgangspunt ter discussie te stellen. Een tweede doel is het bieden van een nieuw, innovatief perspectief op loopbaanontwikkeling. 
Enkele specifieke vragen worden geformuleerd en beantwoord op basis van bronnen die voornamelijk afkomstig zijn uit neurowetenschappen en verschillende subdisciplines van de psychologie. Op basis van een systeemtheorie wordt een nieuwe aanpak voorgesteld. Een conclusie is dat huidige benaderingen in de loopbaanbegeleiding op gespannen voet staan met bevindingen en inzichten van ontwikkelingswetenschappen en hersenonderzoek. Dit brengt verschillende risico's met zich mee. Eén risico is een voortijdig afgesloten identiteitsontwikkeling. Een ander risico betreft de ontwikkeling van ineffectieve manieren van denken en beslissen. Een controletheorie die voortkomt uit de cybernetica wordt voorgesteld voor een alternatieve kijk op loopbaanontwikkeling.
De belangrijkste implicatie voor loopbaanpraktijken en -beleid is dat zelfsturing en identiteit voor de meeste leerlingen geen realistische doelen zijn. In plaats daarvan wordt aanbevolen de druk die gepaard gaat met loopbaankeuzes voor jongeren te verlichten. Meer tijd, ruimte, stimulatie en begeleiding voor exploreren en heroverweging zou moeten worden geboden, ook aan volwassenen. Begeleiding moet bestaan uit het aanbieden van voldoende gevarieerde werkervaringen en coaching wanneer mensen conflicten ervaren die het vinden van een richting belemmeren. Niet te veel nadruk moet worden gelegd op reflectie en rationeel denken. Een Acceptatie- en Commitment benadering wordt aanbevolen. Deze biedt veel nuttige inzichten en instrumenten die loopbaanprofessionals kunnen inspireren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit Engelstalige artikel, dat gepubliceerd is in een peer-reviewed internationaal tijdschrift, kan discussies voeden over fundamentele vragen rond doelen en opzet van LOB programma's.

Loopbaanreflectie en onze hersenen

Luken, T. (2017)

Inzichten uit de hersenwetenschap bieden nieuwe perspectieven op hoe jongeren leren reflecteren en keuzes maken.

____________________________

Het hoofdstuk beschrijft hoe de ontwikkeling van de hersenen in de adolescentie invloed heeft op reflecteren en kiezen.
Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen bewuste en onbewuste denkprocessen die een rol spelen bij loopbaanbeslissingen.
Deze inzichten maken duidelijk dat het begeleiden van keuzes complexer is dan vaak wordt aangenomen.
Het hoofdstuk biedt handvatten voor professionals om reflectie en zelfsturing bij jongeren realistischer en effectiever te ondersteunen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit hoofdstuk biedt de lezer een overzicht van bevindingen van hersenwetenschappers, die betrekking hebben op reflecteren en kiezen in het kader van loopbaanontwikkeling.
Het eerste deel gaat over de ontwikkeling van de hersenen en enkele specifieke hersendelen in de adolescentie, met name de (ventromediale) prefrontale cortex. Wat betekent dit voor (leren) reflecteren en kiezen?
Het tweede deel beschrijft enkele deelsystemen in ons denken, met name systemen waarmee we bewust en onbewust nadenken.
Tot slot wordt de vraag gesteld wat een en ander betekent - of zou kunnen betekenen - voor professionals op het gebied van loopbaanontwikkeling, met name als het gaat om het stimuleren van reflectie en begeleiden bij kiezen. Enkele problemen die zich hierbij kunnen voordoen, worden geanalyseerd. Uit het hoofdstuk vloeien aanbevelingen voort die vooral gericht zijn op de ontwikkeling van zelfsturing op de langere termijn. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit hoofdstuk biedt discussiestof over de haalbaarheid en zinvolheid van doelen van LOB en reflectie rond zelfsturing. Het biedt bouwstenen voor visieontwikkeling en een innovatief perspectief op de praktijk. 

Eigen regie biedt vrijheid en autonomie. Of vergroot het de sociale verschillen?

Luken, T. (2017)

Zelfsturing wordt steeds belangrijker in een veranderende samenleving en vraagt om een andere kijk op loopbaanontwikkeling.

____________________________

Het artikel laat zien dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in loopbanen noodzakelijk maken.
Zelfsturing draait niet alleen om rationele keuzes, maar juist om het benutten van ervaringen, gevoelens en waarden.
Daarbij is zelfsturing voor alle opleidingsniveaus relevant en niet alleen voor hoger opgeleiden.
Loopbaanbegeleiders spelen een belangrijke rol door mensen te ondersteunen bij reflectie, het verhelderen van keuzes en het ontwikkelen van zelfregie.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel verdedigt de stelling dat zelfsturing vrijheid en autonomie met zich meebrengt. En dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in de toekomst steeds meer noodzakelijk maken. 
Het artikel start met een inventarisatie van waarschijnlijke toekomstige ontwikkelingen. Deze verduidelijken waarom zelfsturing steeds meer noodzakelijk wordt. Vervolgens komen de vragen aan de orde wat zelfsturing is en hoe het zich ontwikkelt. Een vaak voorkomend misverstand is dat een bewust denkend ik het zelf zou moeten sturen. Daarmee samenhangend bestaan andere misverstanden. Bijvoorbeeld dat zelfsturing vooral iets zou zijn voor hoger opgeleiden. Of dat het bij zelfsturing vooral gaat om informatievoorziening. De auteur stelt daartegenover dat ons denken niet een leidende, maar een adviserende of assisterende rol zou moeten spelen, in dienst van een ervarend lichaam.  Vanuit dat perspectief is zelfsturing voor lager opgeleiden minstens evenzeer aan de orde als voor hoger opgeleiden. Loopbaanbegeleiders kunnen een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van zelfsturing door op het juiste moment te helpen bij het verwerken van ervaringen, het verhelderen van waarden en het ontwikkelen en affectief met elkaar vergelijken van toekomstperspectieven. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit artikel gaat over het wat en waarom van zelfsturing: Wat is het? Waarom is het nodig? Hoe ontwikkelt het zich? En hoe kun je daarbij helpen? De inhoud kan input bieden voor visieontwikkeling en kan ertoe bijdragen met zelfsturing aan de slag te gaan en daarbij een goede insteek te kiezen. 

Loopbaanleren: LOB schiet de leerling voorbij

Luken, T. (2012)

Ondanks de groeiende aandacht voor LOB blijven de resultaten achter door fundamentele problemen in de onderliggende aanpak.

____________________________

Hoewel de aandacht voor LOB sterk is toegenomen, blijven uitval en switchgedrag onder leerlingen gelijk.
Het artikel laat zien dat de oorzaken deels liggen in de theorie achter LOB en de manier waarop deze wordt toegepast.
Met name het beeld van loopbaanontwikkeling en de rol van reflectie sluiten onvoldoende aan bij wat jongeren nodig hebben.
Het artikel pleit daarom voor aanpassing van de LOB‑benadering en biedt handvatten voor verdere ontwikkeling van beleid en praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) is in de afgelopen tien jaar explosief toegenomen. Helaas vallen de resultaten vooralsnog tegen. Veel leerlingen zijn ontevreden over LOB en nomadisch switchgedrag tussen opleidingen en uitval uit het onderwijs blijven ongeveer op hetzelfde niveau.
In dit artikel worden verklaringen gezocht op het niveau van de theorie die ten grondslag ligt aan LOB. Er worden vraagtekens gesteld bij het begrip arbeidsidentiteit, bij de kenmerken van de gewenste leeromgeving en bij praktijken op het gebied van loopbaanreflectie. Geconcludeerd wordt dat de dominante benadering van LOB weinig realistisch is en onvoldoende aansluit bij wat wij weten over wat jongeren wel en niet kunnen. Een mogelijk gevolg zou kunnen zijn dat jongeren zich suboptimaal ontwikkelen. Het artikel besluit met een aantal aanbevelingen voor aanpassingen van het onderwijsbestel en LOB.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit artikel stelt kritische vragen bij de dominante benadering van LOB en de onderliggende theorie. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's. 

Het dwaalspoor van de goede keuze: Naar een effectiever model van (studie)loopbaanontwikkeling

Luken, T. (2009)

Goede loopbaanbegeleiding is essentieel, maar blijkt in de praktijk lastig effectief vorm te geven.

____________________________

In onderwijs en arbeidsorganisaties bestaan veel problemen rondom loopbaanontwikkeling, zoals uitval en ontevredenheid in werk. Hoewel loopbaanbegeleiding kan helpen deze problemen te voorkomen, komt goede begeleiding nog weinig voor. Dit komt onder meer door versnippering van het vakgebied en hardnekkige denkbeelden over het maken van ‘de juiste keuze’. Het artikel pleit voor een bredere benadering van loopbaanontwikkeling, waarin reflectie en keuzebegeleiding anders worden ingevuld.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In onderwijs- en arbeidsorganisaties bestaan grote problemen op het gebied van loopbaanontwikkeling. Veel scholieren en studenten vallen uit of switchen vroeg of vaak van opleiding. Veel arbeidsrelaties zijn voor werknemer of werkgever onbevredigend, maar duren toch voort.
Uit onderzoek blijkt dat goede loopbaanbegeleiding helpt om dergelijke problemen te voorkomen of op te lossen. Hoewel hiermee in materiële en immateriële zin veel te verdienen valt, is goede loopbaanbegeleiding zeldzaam.
Hoe komt dit? Er zijn de laatste jaren in het beroepsonderwijs grote investeringen in studieloopbaanbegeleiding gedaan. Waarom leveren deze inspanningen niet meer op? Waarom wordt in arbeidsorganisaties niet meer aan loopbaanbegeleiding gedaan? Hoe kan het beter? Dit zijn enkele van de vragen die in deze oratie aan de orde komen. Voor een deel wordt de stagnatie verklaard door de versnippering van het vakgebied. Daarnaast speelt het voortbestaan van hardnekkige, inadequate, maar dominante beelden een rol, zoals het beeld van ‘de goede keuze’, die het individu moet maken door informatie te verzamelen en na te denken. Wat is daar misleidend aan? Wat zijn de consequenties? Hoe kunnen we dit beeld bijstellen? Onder meer de risico’s van reflectie komen aan de orde. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Deze oratie plaatst de studiekeuze in een breder kader van loopbaanontwikkeling. Vragen worden gesteld over gangbare benaderingen die te veel gericht zijn op het maken van "de goede keuze" en waarin reflecteren een te grote rol speelt. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's. 

Leren luisteren en loopbaanleren

Kuijpers, M. & Meijers, F. (2012)

Reflectieve en activerende loopbaangesprekken dragen bij aan de ontwikkeling van studenten, maar laten ook zien waar nog verbetering nodig is.

____________________________

Studenten ervaren dat begeleidingsgesprekken door training van docenten meer reflectief en activerend zijn geworden. Ze denken vaker na over hun kwaliteiten en praten meer over passende vervolgopleidingen en werk. Tegelijk blijft verdieping op toekomstdromen, persoonlijke waarden en talentbenoeming nog beperkt. Het onderzoek laat zien dat professionalisering van docenten bijdraagt aan betere loopbaangesprekken, maar ook verdere ontwikkeling vraagt.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Studenten uit de experimentele groep geven significant méér dan studenten uit de controlegroep aan dat de gesprekken met hun begeleiders reflectiever en activerender zijn geworden. Ze worden méér aangezet om zelf dingen te onderzoeken en om na te denken waar ze goed in zijn. Maar tegelijkertijd zijn de meeste studenten van mening dat ze nog weinig aan het denken worden gezet over hun toekomst, dat ze niet diep kunnen ingaan op dingen die zij belangrijk vinden en dat ze nog onvoldoende worden geholpen om hun talenten onder woorden te brengen. De meeste studenten uit de experimentele groep voelen zich begrepen door hun begeleider. Ze geven aan dat ze complimenten krijgen, dat hun begeleider laat merken dat ze wat kunnen en dat hun begeleider echt luistert naar wat ze zeggen.  De studenten van de experimentele groep zijn significant méér gaan praten over het werk dat bij hen past en hoe ze een vervolgopleiding kunnen kiezen dan studenten van de controlegroep. Wat betreft hun zelfbeeld komen vooral hun sterke kanten aan bod in de gesprekken. Weinig wordt nog gesproken over hun toekomstdroom, waarom ze iets willen leren, waar ze trots op zijn of wat ze belangrijk vinden.  Studenten die begeleid worden door een docent die aan de training heeft deelgenomen, geven aan dat ze méér zijn gaan nadenken over hun kwaliteiten en motieven en ook méér door hun begeleider worden aangezet om op onderzoek uit te gaan wat betreft werk en werken. Studenten die aangeven dat de begeleidingsgesprekken meer loopbaangericht zijn (geworden), zijn hun loopbaancompetenties gaan ontwikkelen. Naarmate studenten meer praten over hun zelfbeeld met hun begeleiders, ontwikkelen ze een sterkere arbeidsidentiteit.  Studenten die meer waarderende gesprekken voeren, ervaren meer loopbaaninvloed, -vertrouwen en -belangstelling. Van studenten die meer reflectieve en activerende gesprekken voeren is het gevoel van invloed juist afgenomen.  Het méér gebruiken van loopbaancompetenties maakt dat studenten een sterkere arbeidsidentiteit, loopbaaninvloed en loopbaanvertrouwen ervaren.  Docenten die het gehele professionaliseringtraject hebben gevolgd, ervaren een grotere toename in draagvlak (i.e. ondersteuning in hun werk) dan degenen die het traject niet hebben gevolgd. Maar tegelijkertijd zijn ze ook onzekerder geworden wat betreft hun begeleidingsgesprekken. Docenten die het professionaliseringstraject volledig hebben gevolgd, zijn naar hun mening deskundiger geworden in het achterhalen van waarden en normen, het leren netwerken en het zelfsturend laten worden van studenten.  Docenten die het professionaliseringstraject hebben gevolgd, geven aan dat ze veel hebben geleerd tijdens het traject. Meer dan 90 procent van de begeleiders zegt (veel) geleerd te hebben over (a) welke vragen zij kunnen stellen om begeleidingsgesprekken meer loopbaangericht te maken, (b) hoe zij zich meer kunnen richten op sterke kanten van de student, (c) hoe zij studenten kunnen helpen reflecteren en (d) hoe zij de studenten meer invloed/zelfsturing kunnen geven in de loopbaan. Meer dan 80 procent zegt (veel) geleerd te hebben over loopbaancompetenties en over hoe studenten keuzes kunnen maken. Ruim 70 procent heeft (veel) geleerd over hoe zij de studenten kunnen helpen een netwerk te gebruiken. In het onderzoek is niet aangetoond dat docenten die de training hebben gevolgd hun studenten méér aanzetten tot loopbaansturing of netwerken.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit onderzoek geeft richting aan de vorm van professionalisering van docenten op het gebied van het voeren van loopbaangesprekken. 

LOB in het havo en vwo: Vijf uitgangspunten voor de eerste stappen

In een snel veranderende arbeidsmarkt verschuift de focus van kiezen naar het leren maken van loopbaankeuzes.

____________________________

Door veranderingen op de arbeidsmarkt worden jongeren voorbereid op beroepen die mogelijk verdwijnen, waardoor voortdurende loopbaankeuzes noodzakelijk zijn. LOB richt zich daarom op het leren ontdekken, ontwikkelen en benutten van kwaliteiten en interesses. Belangrijke elementen daarbij zijn zelfinzicht, reflectie, ervaring en het opbouwen van een netwerk. Het onderwijs speelt een cruciale rol door LOB te integreren in het curriculum en zo de zelfregie en ontwikkeling van leerlingen te versterken.

____________________________

Kuijpers, M. (2018)

Samenvatting van het onderzoek 

Volgens onderzoek van Deloitte in 2016 worden vier op de tien mbo-studenten opgeleid voor werk dat over tien tot twintig jaar mogelijk niet meer bestaat. In het hbo geldt dit voor twee op de tien en in het wo voor een op de tien studenten. Doordat werk verandert of verdwijnt, zullen werknemers hun eigen loopbaan moeten vormgeven om werk te kunnen krijgen en te behouden. Het onderwijs bereidt jongeren voor op de maatschappij. Als de maatschappij verandert, betekent dit dat het onderwijs een nieuwe opdracht krijgt. Het gaat er niet alleen om dat we jongeren laten kiezen voor een vervolgopleiding. We hebben ook de taak om jongeren te leren kiezen. Zo kunnen ze, eenmaal op de arbeidsmarkt, ook in hun verdere loopbaan keuzes blijven maken. 

  • Uitgangspunt 1: LOB is niet weten wat je kunt en wat je wilt worden, maar leren hoe je dat kunt ontdekken, ontwikkelen en benutten.
  • Uitgangspunt 2: Jongeren zouden een beter beeld van het toekomstige werk kunnen krijgen, door zich te verdiepen in werk waar hun interesse ligt en dat te verbreden door de interessante aspecten in dat werk te onderzoeken in andere beroepen.
  • Uitgangspunt 3: Loopbaanontwikkeling doe je met je hart, hoofd en voeten. Door te ervaren en te voelen wat bij je past, door reflectie en door onderzoek te doen naar een zelfbeeld en stappen te zetten om te ontwikkelen.
  • Uitgangspunt 4: Loopbaanreflectie is persoonsreflectie, geen taakreflectie, loopbaansturing is wél zelf regie nemen, maar dat niet per se alleen willen doen.
  • Uitgangspunt 5: Leer netwerken en gebruik dat netwerk om kansen te vergroten. Loopbaanontwikkeling is belangrijker nu de arbeidsmarkt veranderlijk is. Alles wat iemand leert over zichzelf, kan hij meenemen in de keuzes die hij maakt. Alles wat iemand doet wat lastig of eng is, leert diegene om stappen te zetten in het leven. Als leraar kun je het zelfbeeld, zelfvertrouwen en de zelfregie van leerlingen bevorderen. Door te kijken naar wat leerlingen kunnen en willen leren, door leerlingen te laten ervaren, door leerlingen na te laten denken en stappen te laten zetten. LOB kan in het gehele curriculum worden geïntegreerd en begint met kleine interventies in de les.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit artikel kan helpen bij de beeldvorming en de dialoog over LOB: wat doen we al en waar zouden we nog een stap in willen maken? 

Talentgerichte loopbaangesprekken

Huizinga, T., Woudt-Mittendorff, K. (2017)

Wat maakt een loopbaangesprek voor leerlingen echt leerzaam en stimulerend?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat loopbaangesprekken bijdragen aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties wanneer ze gericht zijn op reflectie, talenten en betekenisvolle ervaringen van leerlingen. Voor effectieve LOB‑gesprekken is het cruciaal dat mentoren starten vanuit de ervaringen van de leerling, goed doorvragen en beschikken over sterke gespreksvaardigheden zoals actief luisteren en oogcontact.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Om loopbaancompetenties te ontwikkelen is het van groot belang dat er in het onderwijs goede loopbaangesprekken met leerlingen gevoerd worden waarin reflectie een plek krijgt, waarin leerlingen worden aangesproken op hun talenten en waarin we leerlingen kunnen stimuleren meer actie te ondernemen en meer onderzoek te doen. Docenten en mentoren worden ook steeds meer gevraagd om leerlingen te begeleiden rondom deze aspecten (studiekeuze, loopbaanontwikkeling) maar onderzoek wijst uit dat dit nog niet altijd leidt tot de gewenste praktijken (Kuijpers, Meijers & Bakker, 2006).  

Verscheidene onderwijsinstellingen in het VO geven daarbij aan dat ze te maken hebben met groepen docenten die deze slag graag willen maken maar nog niet de juiste handvatten hebben om dit te doen. In het bijzonder gaat het dan om het voeren van deze gesprekken met leerlingen over hun loopbaan en toekomst. Om deze redenen is in het project ‘Talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek’ samen met scholen een methodiek ontwikkeld voor het voeren van goede loopbaangesprekken.  

Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de wijze waarop mentoren loopbaangesprekken nu daadwerkelijk voeren en welke werkzame principes we daaruit kunnen destilleren als het gaat om het voeren van goede gesprekken met leerlingen. Aan deze doelen zijn de volgende onderzoeksvragen gekoppeld:  

  1. Hoe kunnen we de inhoud, vorm en relatie van loopbaangesprekken kenmerken?
  2. Hoe ervaren leerlingen deze gesprekken, ten aanzien van de inhoud, vorm en relatie?
  3. Wat zijn werkzame principes van goede loopbaangesprekken?  

Om antwoord te geven op deze vragen is een kwalitatieve studie uitgevoerd (Yin, 2003).  

Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat mentoren de methodiek deels in de gesprekken toepassen. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat de insteek van het gesprek ook loopbaanoriëntatie en begeleiding is. In dit type gesprekken bespreken de mentoren, waar mogelijk, de talenten en kwaliteiten van de leerlingen of proberen koppelingen te maken met de ingebrachte betekenisvolle ervaringen, zodat de leerling nieuwe talenten en kwaliteiten ontdekt. Het starten vanuit een betekenisvolle ervaring van de leerling zelf zou nog meer ingezet kunnen worden. Hierbij is vooral de start van het gesprek van belang, aangezien daar de basis voor de vervolgstappen en bijbehorende acties worden bepaald.  

In de voorliggende rapportage doen we verslag van deze kwantitatieve studie. Naast dit kwalitatieve onderzoek is binnen het project ook kwantitatief onderzoek uitgevoerd door middel van vragenlijstonderzoek, zie hiervoor het rapport van Truijen, Woudt-Mittendorff en Pullen (2017). 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOBpraktijk?

Op basis van de inzichten wordt aanbevolen om tijdens loopbaangesprekken veel sterker in te zetten op het starten vanuit de betekenisvolle ervaring of de talenten van de leerling, aangezien hierdoor meer mogelijkheden worden geboden voor reflectie.  De analyses van de loopbaangesprekken tonen aan dat ook de reguliere gespreksvaardigheden van de mentoren extra getraind dienen te worden in de ontwerpsessies. Vooral het doorvragen en het oogcontact tussen mentor en leerling zijn hierin aandachtspunten. Het doorvragen draagt bij aan de reflectie, maar zorgt er ook voor dat de leerling ervaart dat de mentor actief luistert naar hetgeen er verteld wordt. Het oogcontact tussen mentor en leerling tijdens het gesprek zorgt ook dat non-verbale uitingen van de leerlingen meegenomen kunnen worden in het gesprek (bijv. vragend gezicht of enthousiasme). 

Kiezen van een opleiding. Van ervaring naar zelfsturing. Can it be done?

Den Boer, P.R. (2009)

Wat betekent arbeidsidentiteitsontwikkeling voor LOB en hoe kan het onderwijs dit gericht ondersteunen?

____________________________

Het onderzoek presenteert een model waarin arbeidsidentiteit ontstaat door een combinatie van relevante praktijkervaringen en reflectie, die samen leiden tot zelfkennis en loopbaanontwikkeling. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat scholen ervaringsleren centraal moeten stellen en onderwijs praktijk‑, dialoog‑ en vraaggericht moeten inrichten, met ruimte voor eigen vragen en ambities van leerlingen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek is opgebouwd in een viertal hoofdstukken waarin wordt beschreven wat het belang en de context is van keuzeprocessen, wat – gezien de kennis uit empirie en theorie – een goed model kan zijn om deze keuzeprocessen te beschouwen en wat dit denkkader betekent voor de onderwijspraktijk.  

Inhoudelijk wordt op grond van empirische kennis en theoretische overwegingen, een model gepresenteerd voor arbeidsidentiteitsontwikkeling (zelfkennis gerelateerd aan arbeid). Deze kennis, zo laat de auteur uit eigen onderzoek zien, wordt ontwikkeld door het opdoen van relevantie praktijkervaring in combinatie met de verwerking daarvan (reflectie). Elk afzonderlijk hebben ervaring noch reflectie effect op de ontwikkeling van deze zelfkennis. Voor onderwijs betekent dit dat er voor leerlingen gelegenheid georganiseerd moet worden om ervaring op te doen en die ervaring door middel van reflectie te verwerken. Dat vereist van onderwijs dat het praktijkgericht, dialooggericht en vraaggericht is.

Elk van deze elementen wordt uitgewerkt. Met name vraaggerichtheid vinden veel scholen een lastig onderwerp. De auteur stelt dat het onderwijs hier aan de hand van twee leidende vragen mee om zou kunnen gaan, namelijk: 1. Wat wil je hier halen? En 2. Hoe kunnen wij jou daar zo goed mogelijk bij helpen? Hierbij hoort dat de leerlingen en studenten worden ondersteund in het zicht krijgen op de eigen wensen en ambities en dat hiervoor (voldoende) ruimte beschikbaar wordt gesteld in het curriculum. Het advies dat hier wordt gegeven is om vroeg te beginnen. Na de basisvorming moet een kind eigenlijk al in aanraking worden gebracht met minimaal twee bedrijfstakken. Door inzicht te geven in de beroepsdilemma’s, wordt direct appel gedaan op de vraag wat het individu zou doen als hij/zij wordt geconfronteerd met dit dilemma. De ontwikkeling van de arbeidsidentiteit stopt dus zeker niet bij de start van een beroepsopleiding, maar hoort daar verder te worden ontwikkeld. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

LOB is ervaringsleren. Dat wil zeggen dat lerenden in staat gesteld moeten worden relevante praktijkervaring op te doen en die (door middel van reflectie) te verwerken. Van een school vraagt dat praktijkgerichtheid, dialooggerichtheid en vraaggerichtheid. 

“Verander SLC. Maak het nuttig, maak het persoonlijk!”

Commissie Kuijpers (2015)

Wat betekent een onvoorspelbare arbeidsmarkt voor studiekeuzes en de rol van loopbaanontwikkeling in het onderwijs?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat traditionele, rationele studiekeuze‑modellen onvoldoende passen bij een arbeidsmarkt die steeds dynamischer en onzekerder wordt. Daarom krijgt het onderwijs de opdracht om studenten actief te leren hun loopbaan te ontwikkelen via reflectie, ervaring, maatwerk en loopbaancompetenties, zodat zij zelf regie kunnen nemen over leren en werken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De arbeidsmarkt is sinds enkele decennia sterk aan verandering onderhevig onder invloed van technologisering, globalisering en individualisering. Doordat de arbeidsmarkt continu en onvoorspelbaar verandert, wordt volgens verschillende wetenschappers de traditionele loopbaan vervangen door een ‘boundaryless career’ waarin mensen van werk en werkplek veranderen (DeFillippi & Arthur, 1994), en een ‘protean career’, een loopbaan die flexibel, veelzijdig en aangepast is (Hall, 1996). Loopbanen van werknemers hebben niet langer het verloop zoals dit op een stabiele arbeidsmarkt het geval is. Complexiteit, dynamiek, kans en constructie van de eigen loopbaan zijn termen die in wetenschappelijke loopbaantheorieën naar voren komen, en die niet eerder werden gebruikt als kenmerken van een loopbaan (McKay, Bright & Pryor, 2005). Werknemers moeten flexibel inzetbaar zijn en een leven lang leren om werk te kunnen krijgen en behouden. Kiezen voor een beroep met vaste taken en verantwoordelijkheden voor het gehele leven is niet langer afdoende. Mensen moeten zelf vorm en betekenis geven aan hun loopbaan en zijn genoodzaakt voortdurend keuzes te maken in werk en leren. Als fundamenteel andere eisen aan werknemers worden gesteld, heeft het onderwijs een taak studenten hierop voor te bereiden – naast de verantwoordelijkheid studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt.
Opleiden voor een beroep met vaste taken, zoals wij het beroep op dit moment kennen, moet worden uitgebreid met de opdracht studenten hun loopbaan te leren ontwikkelen, zodat zij keuzes kunnen maken in het combineren van leren en werk, wat hun carrière ten goede zal komen. In het onderwijs wordt er vooral vanuitgegaan dat studenten op rationele gronden loopbaankeuzes en -plannen maken. Echter, voor een rationele keuze moeten de alternatieven en de consequenties van de keuze bekend zijn. De kiezer moet over een methode beschikken om de voor- en nadelen van de keuze af te wegen en een duidelijk doel voor ogen hebben om te kunnen bepalen wat het beste alternatief is (Taborsky, 1992).
In de hedendaagse praktijk zijn deze voorwaarden moeilijk te realiseren. Informatie is kwalitatief onvoldoende, kwantitatief te omvangrijk en te veranderlijk om een goed beeld te krijgen (Dols, 2008). Jongeren blijken maar beperkt in staat om keuzes op langere termijn te maken (Dijksterhuis & Meurs, 2006), en bovendien maakt de onvoorspelbaarheid van de toekomst als gevolg van moderniserings- en globaliseringsprocessen dat het weinig zin heeft een gedetailleerd plan te maken van de gewenste loopbaan (Mitchell, Levin & Krumboltz, 1999). Onderzoek wijst uit dat begeleiding op basis van het geven van informatie en advies bij het maken van keuzes onvoldoende effectief is. Studenten maken veelal keuzes op basis van onbewuste en ondoordachte redenen; zij hebben geen realistisch zelf- en beroepsbeeld en vertonen korte termijn gedrag als het gaat om keuzes. Kortom, zij blijken slecht in staat om hun loopbaan te ontwikkelen in een richting en op een wijze die bij hen past.
In toenemende mate wordt gepleit voor een benadering waarin de student niet als passief (informatieverwerkend), maar als actief (lerend) subject centraal staat (Blustein, 2006; Baert, Dekeyser en Sterck, 2002). Een manier om zelf vorm te leren geven aan de persoonlijke loopbaan is door het inzetten van loopbaancompetenties (Kuijpers 2003, & 2012). Kuijpers en Meijers hebben in 2009 onderzocht in hoeverre loopbaancompetenties in het hbo ontwikkeld worden en welke leeromgeving de loopbaanontwikkeling van studenten kan bevorderen. Het is de taak van het onderwijs om de ‘loopbaanontwikkelcapaciteit’ van studenten te vergroten.  

In de discussienotitie ‘Onderwijskwaliteit en kwaliteitscultuur’, onderdeel van de ‘Conferentiebundel Slotconferentie HO-tour’ (2015) wordt gesteld dat het onderwijs niet alleen de taak heeft studenten voor te bereiden op de arbeidsmarkt door kwalificatie, maar eveneens wordt uitgedaagd talenten, behoeften en ambities van individuele studenten meer centraal te stellen. Om dat te bereiken moet een reflectieve houding van studenten worden gestimuleerd, zodat zij het uiterste uit zichzelf kunnen halen en zelf meer de verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen voor hun leerproces. Dit sluit aan bij de in de vorige paragraaf genoemde loopbaancompetenties.
Goed onderwijs verschilt per student en hiervoor is maatwerk nodig. Voor docenten betekent dit permanente professionalisering volgens de discussienotitie. De kwaliteit van het onderwijs zou alleen studiesucces op kunnen leveren als de leeromgeving studenten, docenten en bestuurders motiveert om het beste uit zichzelf en uit elkaar te halen. Maatschappelijke ontwikkelingen noodzaken hogescholen om expliciet strategische keuzes te maken “in wat onderwezen wordt, hoe het onderwezen wordt, wie onderwijst, wat geleerd wordt, hoe geleerd wordt, wie leert, en waarom het geleerd wordt”. Minister Jet Bussemaker van OCW schrijft in haar voorwoord in de conferentiebundel: “In het onderwijs in de 21ste eeuw staat talentontwikkeling centraal. Studenten zullen ook zelf meer regie over hun eigen opleidingstraject willen krijgen. Dit betekent dat er op opleidingen een goede balans moet zijn tussen de vakinhoudelijke basis en ruimte voor persoonlijke keuze. Uit de HO-tour komt naar voren dat de keuzeruimte binnen en buiten de opleiding nog aanzienlijk kan worden vergroot.” Volgens Bussemaker kan de ruimte worden benut door het opdoen van ervaringen en moet keuzeruimte gepaard gaan met goede persoonlijke begeleiding; een loopbaangerichte leeromgeving. Zij geeft aan dat personalisatie van het leren permanente professionalisering van de docent vergt. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De uitkomsten van het onderzoek geven richting aan het vormgeven van studieloopbaancoaching in hbo en mbo.

Talentgerichte loopbaangesprekken

Brouwer-Truijen, K., Woudt-Mittendorff, K. & Pullen, A. (2017)

Hoe kunnen loopbaangesprekken bijdragen aan betere studiekeuzes en meer interesse in techniek?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat onvoldoende begeleiding bij studiekeuzes bijdraagt aan uitval en het tekort aan leerlingen die voor bèta‑opleidingen kiezen. Talentgerichte loopbaangesprekken, gecombineerd met praktijkervaringen in techniek en een actieve luisterhouding van de mentor, versterken loopbaancompetenties en helpen leerlingen betere en bewustere keuzes te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderwijs worstelt al jaren met problemen rondom studiekeuzes van leerlingen. Het voortijdig schoolverlaten en het veelvuldig switchen worden gekoppeld aan het feit dat zij geen goede keuze zouden maken. Ook is er een groot tekort aan jongeren die kiezen voor een bèta-opleiding. Een belangrijke oorzaak van deze problemen is onvoldoende begeleiding van jongeren bij het maken van hun studiekeuze. Goede loopbaangesprekken stimuleren hen tot reflectie en spreken hen aan op hun talenten. Jongeren kunnen er zo beter achter komen wie ze zelf zijn en wat ze in de toekomst willen. Veel docenten willen hier graag een rol in spelen, maar hebben nog te weinig handvatten. Docenten, mentoren en decanen kunnen loopbaangesprekken gebruiken om leerlingen te enthousiasmeren voor bèta. Daarnaast is het nuttig om hen ervaringen in de technische beroepspraktijk aan te bieden. Juist de combinatie met loopbaangesprekken kan jongeren helpen bij het maken van een goede studiekeuze.  

Samen met docenten is een methodiek voor het voeren van talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek ontworpen. Daarbij zijn docenten geprofessionaliseerd op dat gebied. Vervolgens is de methodiek ingevoerd en zijn de resultaten gemeten.  

De resultaten van het onderzoek laten zien dat in de verschillende VO-scholen er in het algemeen weinig aandacht wordt besteed aan het bespreken van 'betekenisvolle ervaringen en emoties' en 'techniek'. Leerlingen geven aan dat er vooral aandacht wordt besteed aan 'reflecteren en activeren' en het 'bespreken van de toekomst'. Leerlingen geven aan dat ze in redelijke mate over loopbaancompetenties beschikken, maar in mindere mate bezig zijn met het opbouwen en onderhouden van contacten (netwerken) en dat ze op pro-actieve wijze studie- en werkmogelijkheden (loopbaanvorming) kunnen onderzoeken.  De ontwikkelde methodiek, met meer aandacht in het loopbaangesprek voor betekenisvolle ervaringen, emoties, reflecteren, activeren, bespreken van de toekomst en techniek, draagt positief bij aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties van leerlingen.  

De insteek van het gesprek is een belangrijke voorwaarde voor de mate waarin gesproken wordt over talenten en kwaliteiten. Wanneer de loopbaanactiviteit centraal staat, wordt er nauwelijks een koppeling gemaakt met de talenten en kwaliteiten van de leerlingen. Wanneer het gesprek over hobby's of een bijbaan gaat, staat dit meer centraal. De mentoren passen de methodiek van talentgerichte loopbaangesprekken gedeeltelijk toe. Tijdens goede loopbaangesprekken heeft de mentor een actieve luisterhouding, stelt verdiepingsvragen en vat samen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Uit het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen voor mentoren en decanen gedestilleerd worden:

  • Probeer vaker met leerlingen in gesprek te gaan over betekenisvolle ervaringen of emoties.
  • Laat mentoren meer kennis maken met de achtergronden van techniek, mogelijke stereotyperingen en mindsets van leerlingen.
  • Probeer ook in de lagere klassen van vmbo, havo en vwo te reflecteren op talenten, interesses en activiteiten aan bod te laten komen.
  • Probeer in het gesprek minder leidend en helpend te zijn, en te laveren tussen enerzijds streng (confronterend) en anderzijds ruimte gevend. 
Vijf jaar werken aan keuzeprocessen. Opbrengsten en bottle necks.

Boer, P.R. den & Kuijpers, M. (2014)

Wat levert langdurig en regionaal samenwerken aan LOB nu écht op voor leerlingen en scholen?

____________________________

Het vijfjarige project Keuzeprocessen in West‑Brabant laat zien dat scholen concreet werk hebben gemaakt van praktijkervaring, reflectie en loopbaansturing, vooral in het vmbo. Hoewel er duidelijke vooruitgang is geboekt in aandacht voor LOB en arbeidsidentiteit, vraagt duurzame opbrengst om langdurige inzet, vasthoudendheid en verdere doorontwikkeling - met name in het mbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In deze publicatie worden de opbrengsten en knelpunten weergegeven als gevolg van een vijf jaar durend project van keuzeprocessen dat is uitgevoerd in de regio West-Brabant. 21 scholen zijn dit project gestart met als doel schooluitval te verminderen, leerlingen te motiveren en een betere aansluiting in de beroepskolom te realiseren.   Hiervoor zijn een aantal projecten gestart. Ter begeleiding van dit proces is door ROC West-Brabant een lector keuzeprocessen aangesteld. Bovendien hebben de scholen drie jaar geparticipeerd in een landelijk onderzoek. In deze publicatie kijken we terug op de periode van 2009 tot en met 2013 waarin gewerkt is aan keuzeprocessen. Daarbij staan twee vragen centraal:

  • Was het mogelijk om binnen vmbo en mbo concreet vorm te geven aan het opdoen van praktijkervaring, de verwerking daarvan en enige vorm van (geleide) zelfsturing en zo ja, hoe zag dat eruit?
  • Leidden de gekozen vormen van ervaring opdoen, verwerking daarvan en zelfsturing tot een toename bij leerlingen van hun loopbaancompetenties en hun arbeidsidentiteit?

Het theoretische kader van keuzeprocessen wordt toegelicht, alsmede de ontwikkeling van het zelfbeeld (en dus arbeidsidentiteit) via het werken aan de loopbaancompetenties. De centrale vraag tijdens het onderzoek luidt: In hoeverre hangen door de scholen ontwikkelde interventies gericht op het opdoen van ervaring, de verwerking van die ervaring en omgaan met de vragen die dat bij leerlingen oproept samen met de loopbaancompetenties en arbeidsidentiteit van de leerlingen? 
Er is gekozen voor een gedecentraliseerde aanpak met richtlijnen om het project zo laagdrempelig mogelijk te laten verlopen.  Vandaar dat is geïnventariseerd welke interventies de verschillende scholen gebruiken; in het kader van het opdoen van (werk) ervaring, de verwerking daarvan en de vraaggerichtheid van de vmbo-scholen in hun onderwijsaanbod. 

Als conclusie van het onderzoeksproject is geformuleerd dat er verschillende activiteiten zijn ontwikkeld in het vmbo. De meeste basis- en kaderberoepsgerichte opleidingen hadden al aardig wat materiaal liggen, maar vooral de theoretische leerweg heeft een vernieuwing doorgemaakt tijdens het project. Met name de loopbaanreflectie heeft een kwalitatieve slag gemaakt.
Scholen hebben ervaren dat deelname aan het project ervoor heeft gezorgd dat er intensiever is gewerkt aan een loopbaangerichte leeromgeving. Scholen die veel praktijk binnen en buiten de school hebben aangeboden zijn kwalitatief (volgens de leerlingen) het meest gegroeid in het werken aan arbeidsidentiteit van leerlingen. Een individuele aanpak hierbij levert meer op dan een groepsaanpak. De conclusies vanuit het mbo zijn vanwege te geringe input niet goed en kwalitatief te duiden. Er zijn dus minder bevindingen te vermelden, maar de resultaten lijken erop te wijzen dat door de opleidingen meer vraaggericht aan te bieden de verwerving van loopbaancompetentie en arbeidsidentiteit meer wordt gestimuleerd.
De belangrijkste conclusie bij alle deelnemende scholen is dat er meer aandacht voor LOB is gekomen en meer mensen weten dat het gaat om het opdoen van arbeidservaring en het hebben van een goed loopbaangesprek daarover. De resultaten en conclusies roepen ook vragen op met betrekking tot de geslaagdheid van het project. Is het dat wel met deze opbrengsten? Waarom lijkt het succes op het vmbo hoger te zijn dan in het mbo?  Is dit nu voldoende basis om door te gaan op de ingeslagen weg? En hoe moet die weg er dan uit zien? Kernvraag blijft uiteraard: is de vernieuwing nu geslaagd? 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Als je als school begint aan LOB of dit element intensiveert, wees je er dan van bewust dat dit een langdurig proces is dat veel vasthoudendheid en geduld vraagt. Vijf jaar is zo voorbij en als het daarbij blijft zijn alle behaalde resultaten binnen de kortste keren weer verdwenen. 

Beroepsdilemma’s als sleutel tot betekenisvol leren

Boer, P. den, A. K. Jager & H. R. M. Smulders (2003)

Hoe kunnen jongeren leren om zelf richting te geven aan hun loopbaan in een onzekere en veranderende toekomst?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat beroepsidentiteitsontwikkeling ontstaat door het opdoen én verwerken van betekenisvolle (grens)ervaringen en samenhangt met het vermogen tot zelfsturing in de loopbaan. Voor LOB betekent dit dat onderwijs minder moet focussen op oriënteren en meer op confronteren met beroepsdilemma’s, maatwerk biedt en ruimte creëert voor goede gesprekken die leiden tot zelfinzicht.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek gaat in op de manier waarop leerlingen hun beroepsidentiteit ontwikkelen en of en hoe zich dat verhoudt tot het vermogen om sturing te geven aan hun verdere loopbaan. Het onderzoek had als hoofdvraag: hoe bereiden we jongeren zo goed mogelijk voor op een toekomst die in toenemende mate gekenmerkt wordt door onzekerheid?  

Het onderzoeksrapport schetst de maatschappelijke en onderwijskundige context waarin het onderzoek geplaatst moet worden. Daarna volgt de onderzoeksopzet, operationalisering en instrumentering van het onderzoek. Verder worden de gegevens op zowel opleidings- als leerlingniveau beschreven en geanalyseerd. Ook de verbanden tussen opleiding/school en identiteitsontwikkeling worden onderzocht met als doel tot een conclusie te komen waarin aanbevelingen worden geformuleerd voor verder onderzoek en onderwijsontwikkeling.  

De context is dat we in een overgang van de kenniseconomie zitten waarin meer kennis wordt geproduceerd en kennis korter zal worden gebruikt. Dit leidt ertoe dat het leren voor een beroep van zeker naar onzeker verschuift. De onderzoekers stellen dat dit resulteert in de paradigmashift dat leerlingen niet moeten aanpassen aan de arbeidsmarkt, maar dat leerlingen moeten worden voorzien van instrumenten omsturing te nemen en houden op hun loopbaan(ontwikkeling).  

In het rapport wordt uitgebreid ingegaan op verschillende benaderingen van het thema identiteitsontwikkeling. Op basis daarvan wordt gekozen voor een procesgericht model (hoe ontwikkelt zich een identiteit?), omdat dit het best past bij de onderzoeksvraag. Op grond van theoretische inzichten wordt gekozen voor een model waarbij mensen door het opdoen van (grens)ervaringen en de verwerking daarvan een identiteit ontwikkelen en dat die identiteit van invloed is op het vorm kunnen geven aan de verdere loopbaan. Daarbij wordt opgemerkt dat het proces van beroepsidentiteitsontwikkeling cyclisch is.  

Belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn:

  1. Beroepsidentiteitsontwikkeling wordt geoperationaliseerd door de mate waarin leerlingen met beroepsdillema’s zijn geconfronteerd.
  2. Dat deze ontwikkeling ontstaat onder invloed van de aard van de opgedane ervaring (hoe heftiger hoe beter) en de mate waarin die verwerkt is (veel gesprekken erover).
  3. Dat de intensiteit van de ervaring en de mate van verwerking alleen samen een effect hebben op de ontwikkeling van de beroepsidentiteit. Er is een relatie tussen de mate van ontwikkelding van de identiteit en de mate waarin de onderzochten een beeld hebben wat ze verder willen met hun loopbaan (aanzetten tot zelfsturing).  

Waar beroepsdilemma’s als een mooie leer- en ontwikkelingskans voor leerlingen wordt gezien, is er ook discussie over. De manier waarop een beroepsdilemma wordt aangevlogen is erg persoonlijk en daarmee geen vast gegeven voor beroepsidentiteitsontwikkeling. Uit het onderzoek komen ook aanbevelingen voor de onderwijsinstellingen. Zo wordt gesteld dat men beter kan werken met confronteren in plaats van oriënteren (stuur op kennismaking met beroepsdilemma’s). Ook is duidelijk geworden dat bescheidenheid in het didactische zal leiden tot meer zelfexploratie. Dat wil zeggen dat docenten minder kennis overdragen, met als doel zelfexploratie te stimuleren. Het derde advies is om maatwerk te leveren, omdat een loopbaanontwikkeling nu eenmaal niet uniform is.  

Er wordt ook een advies gedaan om verder onderzoek te gaan uitvoeren op het gebied van concepten, instrumenten en relaties rond identiteitsontwikkeling en om praktijk- of actieonderzoek te doen naar de effectiviteit van maatwerk en de manier om dat te realiseren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Als je er als onderwijsinstelling op uit bent om scholieren te helpen zelf (mede) richting te geven aan hun loopbaan, is het zaak omstandigheden te creëren waarin die lerenden relevante (grens)ervaringen op kunnen doen en die goed kunnen verwerken (met gesprekken erover die leiden tot betekenisverlening). 

LOB-praktijkvoorbeelden
Op verhaal komen, medialeren LOB

Je toekomstplannen verbeelden

____________________________

LOB Medialeren is een vmbo‑lesprogramma waarin leerlingen hun loopbaanontwikkeling verkennen door het maken van korte filmverhalen. Door film te gebruiken als reflectie‑instrument krijgen leerlingen meer kansen om te laten zien wie ze zijn, wat ze kunnen en wat ze willen.

____________________________

“De film op zich is niet het eindproduct, maar een instrument om te reflecteren en in gesprek te gaan.”

LOB Medialeren is ontwikkeld in een samenwerking van Rotterdam Vakmanstad, SKVR en het Rotterdams Vakcollege De Hef. Het programma combineert het maken van filmverhalen met het ontwikkelen van een loopbaanperspectief.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

LOB Medialeren is een nieuw lesprogramma voor de onderbouw van het vmbo, ontwikkeld in een samenwerking van Rotterdam Vakmanstad, SKVR en het  Rotterdams Vakcollege de Hef.
LOB Medialeren worden het maken van filmverhalen en het ontwikkelen van een loopbaanperspectief gecombineerd. Tijdens LOB-activiteiten van de school maken leerlingen in leerjaar 1 en leerjaar 2 van het vmbo zeven korte filmverhalen. Hierin laten ze zien wie ze zijn, waar ze goed in zijn en wat ze in de toekomst willen. Voor het maken van de filmverhalen staat een mediavakdocent voor de klas. De mediavakdocent instrueert en begeleidt de leerlingen bij het voorbereiden, filmen en monteren van hun film. Het maken van de filmverhalen geeft de leerlingen van RVC de Hef veel meer mogelijkheden om te reflecteren op loopbaankeuzes. Van hen vragen dit alleen te doen met pen en papier leidt niet tot het ontwikkelen van het gewenste niveau van reflectie. Juist door het maken van filmverhalen kunnen de leerlingen veel meer over zichzelf kwijt. De film op zich is niet het eindproduct, maar een instrument om te reflecteren en in gesprek te gaan met mentoren, docenten, medeleerlingen en ouders.

 ‘Het gaat om filmpjes in verschillende vormen’, vertelt Suzanne Hijstek van Rotterdam Vakmanstad. ‘Het filmpje over “Wie ben ik?” is bijvoorbeeld in de vorm van een documentaire. En de film over “Wat kan ik?”, is een instructievideo.’

De leerlingen hebben over het algemeen veel plezier bij het maken van de filmpjes en zeggen er veel aan te hebben gehad.‘Ik wist lang niet wat ik wilde. Eerst wilde ik architect worden, daarna stewardess... Maar nu denk ik toch dat ik in de jeugdzorg wil. Mijn ouders zijn niet zo dat ze vaak aan mij vragen wat ik wil. Het is daarom goed dat er op school veel aandacht voor is. Het heeft me meer aan het denken gezet en ervoor gezorgd dat ik beter om mij heen ging kijken.’

_____________________________________________________

Tips

De rol van mentoren, medeleerlingen, docenten en ouders is essentieel bij het verdiepen en verbreden van het verhaal van de leerling. Ouders die niet vanzelfsprekend met hun kind praten over loopbaanontwikkeling, raken door samen met hun kind naar de filmpjes te kijken meer betrokken. LOB filmleren geeft ook wat minder talige leerlingen de mogelijkheid zich te uiten en te onderzoeken waar ze goed in zijn en wat ze belangrijk vinden door het in beeld brengen van hun verhaal.

_____________________________________________________

Haags mentorprogramma

Aandacht voor en door studenten

____________________________

In het Haags Mentorprogramma worden derdejaars havo‑leerlingen gekoppeld aan studenten van Universiteit Leiden of de Haagse Hogeschool. Deze studenten fungeren als mentor en bieden één‑op‑één begeleiding bij studiekeuze, talentontwikkeling en schoolplanning. Het programma is ingebed in het curriculum van het hoger onderwijs en wordt ondersteund met training, intervisie en reflectie. De aanpak versterkt het zelfbeeld van leerlingen, vergroot netwerken en biedt studenten waardevolle praktijkervaring.

____________________________

“Studenten staan dichter bij de belevingswereld van havo‑leerlingen dan een volwassene.”

Bij het Haags Mentorprogramma (HMP) staat aandacht voor en door studenten centraal. Derdejaars havo-leerlingen worden gekoppeld aan een student van Universiteit Leiden of de Haagse Hogeschool. Deze studenten vervullen de rol van mentor en geven de leerlingen extra één-op-één aandacht bij het kiezen van een vervolgstudie, bij het ontdekken van hun talent of bij het maken van huiswerk. Tenslotte staan studenten dichter bij de belevingswereld van havo-leerlingen dan een volwassene.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Bij het Haags Mentorprogramma (HMP) staat aandacht voor en door studenten centraal. Derdejaars havo-leerlingen worden gekoppeld aan een student van Universiteit Leiden of de Haagse Hogeschool. Deze studenten vervullen de rol van mentor en geven de leerlingen extra één-op-één aandacht bij het kiezen van een vervolgstudie, bij het ontdekken van hun talent of bij het maken van huiswerk. Tenslotte staan studenten dichter bij de belevingswereld van havo-leerlingen dan een volwassene.
Het HMP is een samenwerkingsverband tussen de Johan de Witt Scholengroep, het Zuid-West College, de Haagse Hogeschool, Universiteit Leiden en Durf te dromen. HMP koppelt studenten van de Universiteit Leiden aan leerlingen van de Johan de Witt Scholengroep en studenten van De Haagse Hogeschool aan leerlingen van het Wateringse Veld College.
Het HMP wordt gefinancierd door de gemeente Den Haag en is onderdeel van het curriculum van de hoger onderwijsinstellingen; de deelnemende studenten ontvangen bij deelname studiepunten. De studenten gaan wekelijks naar de school van de havo-leerlingen voor één-op-één mentoring. Ze hebben een gesprek van een uur over studiekeuzes of andere zaken die met een vervolgstudie te maken hebben. In de praktijk gaat het ook over het maken van een goede planning bij het leren en over alle studierichtingen die er zijn. Het draagt allemaal bij aan een beter beeld van een vervolgstudie. Voorafgaand aan en gedurende het mentorprogramma volgen de studenten een training over coaching, pubers en diversiteit. Ook hebben ze gezamenlijke intervisie onder begeleiding van een docent. Ter afsluiting schrijven de studenten een reflectieverslag.
Deze vorm van onderwijs is geïnspireerd op het mentorprogramma in Rotterdam-Zuid (Mentoren op Zuid), waar inmiddels duizenden scholieren aan het programma deelnemen.


Samengevat:

  • Leerlingen krijgen een beter beeld van wie ze zijn, wat ze kunnen, wat studeren inhoudt en studiemogelijkheden.
  • Scholieren en studenten vergroten hun netwerk.
  • De studenten van de Haagse Hogeschool en de Universiteit van Leiden leren in de praktijk. Door de gesprekken met de scholieren en tijdens de intervisie en training koppelen ze theorie aan de praktijk leren ze veel over coaching, begeleiding en het onderwijs.
  • De studenten hebben het gevoel iets te kunnen betekenen voor een ander.

_____________________________________________________

Tips

Deze werkwijze valt of staat met een succesvolle koppeling van scholieren aan studenten. Dit project is geïnspireerd op het mentorprogramma Rotterdam Zuid. Uit dit programma bleek dat matching plaats moet vinden op basis van interesses en niet op basis van kennisbehoefte. Ook moet de hele klas gematched worden, zodat elke leerling een eigen mentor heeft. De deelnemende studenten moeten wel  flexibel zijn, want scholieren hebben niet altijd evenveel zin of komen te laat.
Tot slot moet er commitment zijn van alle betrokken partijen, zodat alle praktische & logistieke randvoorwaarden goed op orde zijn.

_____________________________________________________