LOB-programma

Expertisepunt LOB


De decaan/ LOB-coördinator coördineert en organiseert het LOB-programma. Om de kwaliteit van het LOB-programma te borgen wordt jaarlijks de PDCA-cyclus doorlopen. 

Meer weten over hoe je LOB-beleid kunt vormgeven en de kwaliteit kunt borgen? Bekijk dan onderstaande infographics, wegwijzers en tools

 

 

Film
LOB-leeromgeving
Film
LOB-leeromgeving

Inspiratie uit praktijk, onderzoek en het nieuws

LOB-onderzoek
LOB en studiesucces. Onderzoek naar de opbrengsten van LOB op basis van de startmonitor 2012-2013

Warps, J. (2013)

Gerichte loopbaanoriëntatie en -begeleiding kan een belangrijke bijdrage leveren aan studiesucces, maar vraagt om een doordachte en samenhangende aanpak.

____________________________

Onderzoek laat zien dat LOB‑activiteiten positief samenhangen met tevredenheid over keuzebegeleiding en het gevoel van ondersteuning bij studenten. Het effect op binding met de opleiding en studiesucces is minder sterk en verschilt per activiteit. Vooral een combinatie van vroeg beginnen, persoonlijke begeleiding, ouderbetrokkenheid en actieve oriëntatie draagt bij aan betere keuzes. Hoewel LOB geen garantie biedt, kan een goed samengesteld programma de uitval aanzienlijk verminderen.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Op verzoek van de VO-Raad heeft ResearchNed een onderzoek uitgevoerd naar de stand van zaken en naar de effecten van loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) in havo en vwo. Daartoe is een serie vragen over LOB toegevoegd aan de Startmonitor, het landelijke eerstejaarsonderzoek in hbo en wo.

In de eerste plaats is in kaart gebracht welke LOB-activiteiten leerlingen in het vo krijgen aangeboden. In de tweede plaats is de opbrengst van LOB onderzocht door na te gaan of er een samenhang bestaat tussen enerzijds de aangeboden LOB-activiteiten en anderzijds de tevredenheid van studenten over hun keuzebegeleiding, het als intensief ervaren van de keuzebegeleiding, de 'binding' van studenten met hun gekozen opleiding en tenslotte het studiesucces in de gekozen opleiding.  

Voor de meeste LOB-activiteiten en -accenten in dit onderzoek geldt dat ze positief samenhangen met de tevredenheid van leerlingen over hun keuzebegeleiding en met het zich intensief begeleid voelen. Een positief verband met de binding van studenten met hun nieuwe opleiding en met studiesucces in de opleiding wordt bij minder LOB-activiteiten gevonden.  

Indien we ons beperken tot de LOB-activiteiten die daadwerkelijk samenhangen met een succesvolle studiekeuze, dan levert het onderzoek de volgende aanbevelingen op.  

  • Begin op tijd met het aanbieden van LOB-activiteiten, dat wil zeggen niet pas in de laatste twee leerjaren maar één of twee jaar daarvoor.  
  • Bied leerlingen individuele gesprekken aan in het kader van de studiekeuzebegeleiding – bij voorkeur meerdere gesprekken door de jaren heen. Deze gesprekken kunnen door de decaan of mentor worden gevoerd.  
  • Een vast onderdeel van de LOB is in ieder geval algemene voorlichting over het hoger onderwijs, studiefinanciering, opleidingen en beroepen. Het is aan te bevelen daar ook gastsprekers voor uit te nodigen.
  • Betrek de ouders bij de studiekeuzebegeleiding, minimaal voor een informatiebijeenkomst.
  • Laat leerlingen aan het eind van havo of vwo hun motivatie voor hun studiekeuze op school toelichten.
  • Besteed in de keuzebegeleiding aandacht aan vervolgacties die leerlingen kunnen ondernemen om zich zelfstandig verder te oriënteren.  

Het verschil tussen het wel en niet aanbieden van deze afzonderlijke LOB-componenten blijkt telkens meerdere procenten in uitval te schelen. Bovendien blijkt uit het onderzoek dat het aanbieden van een combinatie van deze activiteiten nog grotere winst in studiesucces kan opleveren. De uitval in de totale onderzoeksgroep is 28 procent – ook bij leerlingen van scholen die al een deel van de LOBactiviteiten aanbieden. Door een weloverwogen breder pakket samen te stellen van meerdere LOBactiviteiten is het mogelijk die reguliere uitval met bijna een derde te verminderen.  

Hieruit blijkt enerzijds dat een complete LOB geen garantie kan zijn voor een succesvolle studiekeuze, want zelfs in het ideale geval valt nog steeds een vijfde van alle nieuwe studenten in het eerste jaar uit. Het maken van een succesvolle studiekeuze is natuurlijk ook een proces waarin veel meer factoren een rol spelen dan alleen de LOB. Maar anderzijds blijkt uit de afname van de uitval met een derde dat ook voor scholen die al het een en ander doen aan LOB, het duidelijk loont om er toch nog een schepje bovenop te doen. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Enerzijds levert het onderzoek concrete handvatten voor het kiezen van LOB-activiteiten die bijdragen aan een overtuigde studiekeuze en studiesucces; anderzijds kan het voor betrokken docenten en coördinatoren binnen de scholen onderbouwing bieden voor het (aan)vragen van voldoende aandacht en middelen voor een gedegen LOB. 

Thuisopdrachten als middel voor samenwerking met ouders bij LOB. Het hoe, wat en waarom

Strijk, M., Lusse, M., & Kuijpers, M. (2018)

Thuisopdrachten bieden een krachtige, maar nog weinig benutte manier om ouders actief te betrekken bij loopbaanontwikkeling van hun kind.

____________________________
 

Scholen zetten thuisopdrachten nog beperkt in, terwijl deze de kwaliteit van gesprekken tussen ouder en kind vergroten en ouderbetrokkenheid versterken. Ouders ervaren deze opdrachten als waardevol, omdat ze beter inzicht krijgen in de loopbaanmogelijkheden van hun kind en hier actief over in gesprek gaan. Leerlingen en docenten zijn kritischer, maar zien wel dat de opdrachten bijdragen aan reflectie en betrokkenheid. Succesvolle inzet vraagt om goede inbedding in het LOB‑programma, duidelijke opdrachten en behoud van regie bij de leerling.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Scholen gebruiken thuisopdrachten nog weinig in het samenwerken met ouders rondom LOB. Terwijl ze juist de kwaliteitsgesprekken tussen ouder en kind thuis vergroten, ouders een reëler beeld van het loopbaanperspectief van hun kind geven en de betrokkenheid van ouders bij het LOB -programma van de school stimuleren. Voorwaarde is wel dat de leerling de regie houdt en zijn of haar ouders d.m.v. de thuisopdracht zelf betrekt. Daarnaast moeten thuisopdrachten alle ouders de mogelijkheid bieden om thuis bij de loopbaan van hun kind betrokken te zijn, ongeacht hun vertrouwdheid met het onderwerp. Ook zijn er een aantal voorwaarden voor de inhoud en vormgeving van de thuisopdrachten die het succes van de opdracht vergroten. Deze voorwaarden zijn ontleend  aan het interactieve huiswerkprogramma TIPS dat is ontwikkeld door Joyce Epstein waar internationaal veel ervaring mee is opgedaan. Op basis van het onderzoek dat we hebben gedaan naar de bijdrage van thuisopdrachten blijken van alle betrokkenen de ouders het meest positief over de thuisopdracht. Zij gaan graag met hun kind in gesprek, kunnen door de opdrachten hun kind helpen reflecteren en krijgen een beter zicht op de keuzemogelijkheden op het gebied van bijvoorbeeld stages, keuzevakken, profielen opleidingen of beroepen. Leerlingen zijn kritischer over de thuisopdrachten, maar geven ook terug dat de opdrachten van meerwaarde zijn. Daar waar goede opdrachten ingebed zijn uitgezet zijn leraren positief verrast door de bijdrage van de opdracht en ervaren zij meer betrokkenheid bij ouders door de opdrachten . In het artikel worden aan het eind aandachtspunten voor het ontwikkelen en uitzetten van thuisopdrachten beschreven.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Heel concreet waar je een thuisopdracht voor in kunt zetten en waar je op moet letten bij het ontwikkelen en uitzetten van thuisopdrachten. Ook wordt verwezen naar de ‘Handreiking Ouders en LOB’ waarin de thuisopdracht en twee andere loopbaangerichte ouderactiviteiten uitgebreid staan beschreven, met voorbeelden en praktische tips voor de uitvoering. 

Toekomstbestendige LOB: opleiden voor een loopbaan

Slijper, J., Biemans, P., Sjoer, E. (2019)

Voor een goede studiekeuze is het belangrijk dat leerlingen niet alleen informatie verzamelen, maar vooral realistische ervaringen opdoen met opleidingen en beroepen.

____________________________

Leerlingen bereiden hun studiekeuze voor via open dagen, proeflessen en LOB‑activiteiten. Hun beroepsbeelden blijken echter vaak verouderd en oppervlakkig. Omdat werk voortdurend verandert, is een eenmalige keuze onvoldoende voorbereid op de toekomst. Het onderzoek benadrukt daarom het belang van exploratie en het opdoen van realistische ervaringen met opleidingen en beroepspraktijken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Leerlingen bereiden hun studiekeuze op verschillende manieren voor. Door open dagen en proeflessen en door allerlei LOB-activiteiten die de school verzorgt. Bij de keuze voor een vervolgopleiding speelt het beroep ('wat kan/wil ik worden?') een belangrijke rol. Jongeren blijken echter vaak een verouderd én weinig overdacht beeld te hebben. Bovendien verandert het werk voortdurend en kan een beroep tegen de tijd dat een leerling de arbeidsmarkt betreedt er alweer anders uitzien.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Om toekomstbestendige keuzes te kunnen maken is het belangrijk dat leerlingen worden voorbereid op een leven lang ontwikkelen. Voor een meer overdachte keuze speelt exploratie een belangrijke rol: ervaren hoe een opleiding er echt uitziet en een realistisch beeld krijgen van verschillende beroepscontexten door concrete opdrachten in samenwerking met de beroepspraktijk. Daardoor is de leerling in staat te ervaren hoe een beroepscontext eruit ziet, en welke taken daarbij horen. Met andere woorden: het ervaren van een studie en beroepen op basis van realistische beelden. 

De Rotterdamse Aanpak

Slijper, J. (2020)

In de Rotterdamse Aanpak wordt onderzocht in hoeverre gerichte voorbereiding studenten helpt bij een succesvolle overstap van mbo naar hbo.

____________________________

Het keuzedeel 'Voorbereiding hbo' is ontwikkeld om mbo‑studenten beter voor te bereiden op een doorstroom naar het hbo. Uit onderzoek blijkt dat veel studenten weinig exploreren en nog geen duidelijke studiekeuze maken. Het keuzedeel wordt door studenten niet altijd herkend als oriëntatie-instrument, mede door het verplichte karakter. De resultaten benadrukken het belang van meer ruimte voor verkennen, motivatie en samenwerking tussen mbo en hbo bij studiekeuzeprocessen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Drie Rotterdamse roc’s en twee hogescholen geven vanaf cohort 2018/2019 gezamenlijk invulling aan het Keuzedeel Voorbereiding Hbo (K0125), ten behoeve van doorstroom in het economisch domein. Het integrale programma ter bevordering van de aansluiting in het economische domein is gedefinieerd onder de titel ‘De Rotterdamse Aanpak’. De lectoraten van Hogeschool Inholland en Hogeschool Rotterdam hebben gezamenlijk in een monitoring onderzoek onderzocht in hoeverre dit keuzedeel bijdraagt aan de kwaliteit van studiekeuzeprocessen en de ontwikkeling van studievaardigheden, ten gunste van de doorstroom naar het hbo. Deze leespresentatie betreft het studiekeuzeproces van mbo’ers. Het longitudinale onderzoek naar het eerste cohort 2018/2019 heeft het volgende laten zien: 

  • Veel mbo-studenten (71,1%) blijken voorafgaand maar ook na het keuzedeel een zogenoemde diffusion status te vertonen. Dit betekent dat ze niet of weinig exploreren – uitzoeken wat bij hen past qua studie/toekomst – en evenmin tot commitment komen t.a.v. de te kiezen /gekozen studie. De onderzochte groep, bestaande uit mbo’ers vanuit de economische sector, heeft een significant hoog aantal participanten met deze status. Een mogelijke verklaring ligt bij het domein waaruit deze leerlingen afkomstig zijn. Het economische domein is ‘breed’, ook om die reden vaak gekozen door personen die het 'echt niet weten maar zo nog alle kanten uit kunnen’. De juridische hbo’ers verschillen significant van andere economische hbo’ers door hun bovengemiddelde commitment t.a.v. de gekozen opleiding. 
  • Als participanten rapporteren over oriëntatie / voorbereiding op de studiekeuze wordt van alles genoemd: open dagen, proefstuderen. Echter, het Keuzedeel Voorbereiding HBO (K0125) wordt door mbo’ers niet ervaren als een oriëntatie of voorbereidingsinterventie en wordt als zodanig niet benoemd. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat K0125 een verplicht onderdeel is binnen het mbo-curriculum, en studenten dit ervaren als ‘iets wat moet voor school’.  
  • Beroepsbeelden die mbo-studenten naar voren brengen in de open vragen zijn onbereflecteerd: gebaseerd op niet realistische of achterhaalde beelden.
  • Bij beide afnames op het mbo worden onderwijskwaliteit en randvoorwaarden in het onderwijs het meest benoemd als ‘belangrijk in een opleiding.   

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Doorstroomtrajecten zijn gebaat bij een intensieve samenwerking tussen mbo en hbo, waarbij mbo’ers voldoende exploratiemogelijkheden krijgen om te komen tot een goede studiekeuze en waarin aandacht is voor het andere studieklimaat in het hbo. De eerste resultaten uit dit onderzoek geven voor de praktijk een aantal belangrijke inzichten:

  • Het keuzedeel heeft de mbo studenten inzicht gegeven in hoe het eraan toegaat op het hbo.
  • Het keuzedeel zoals in cohort 2018/2019 uitgevoerd op het mbo blijkt in de praktijk bij twee van de drie deelnemende Rotterdamse roc’s geen echte keuze. Ook blijken veel onderdelen zoals gepland (rekenen, taal) niet terug te komen in het daadwerkelijke programma. Het is tevens de vraag welke invloed het verplichtende karakter heeft gehad op de effecten van het keuzedeel:
    • waar het gaat om motivatie van zowel betrokken docenten als studenten;
    • gezien het hoge percentage studenten dat een diffusion status vertoont.
Op weg naar een toekomst. Werkexploratie in het vmbo

Petit, R., Meijer, J., Karssen, M. & Kuijpers, M. (2019)

Werkexploratie helpt leerlingen om een realistischer beeld van beroepen te krijgen, maar vraagt om een zorgvuldige invoering in het onderwijs.

____________________________

Uit het onderzoek blijkt dat leerlingen en mentoren positief zijn over werkexploratie, omdat het leerlingen helpt beroepen beter te begrijpen. Tegelijkertijd laten de resultaten zien dat de effecten nog beperkt zijn, vooral doordat programma’s vaak nog niet volledig zijn ingevoerd. Wel blijkt dat meer en actievere werkexploratie samenhangt met meer motivatie, betere loopbaancompetenties en grotere keuzezekerheid. Het succes hangt daarom sterk af van een goede opbouw, actieve betrokkenheid van leerlingen en een zorgvuldige implementatie binnen de school.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Veel jongeren hebben moeite om zich een beeld te vormen van beroepen die zij kunnen kiezen. Wat hierbij helpt is zelf zien en ervaren hoe het ertoe gaat in de praktijk; ook wel ‘werkexploratie’ genoemd. Voorbeelden zijn een werkbezoek of praktijkopdracht in een bedrijf. Werkexploratie is een van de vijf ‘loopbaancompetenties’ waaraan vmbo-scholen aandacht besteden in het onderwijs en die sinds kort ook geëxamineerd worden. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunde tien scholen in een aantal grote steden bij het maken van een goed werkexploratieprogramma. De opbrengsten hiervan zijn onderzocht door herhaald vragenlijsten af te nemen bij leerlingen en door groepsinterviews af te nemen bij leerlingen en hun mentoren.

De bevindingen van de leerlingen en hun mentoren zijn overwegend positief. De meeste leerlingen hebben naar eigen zeggen een duidelijker beeld gekregen van beroepen en de mentoren zijn eveneens positief. Zij vinden het werkexploratieprogramma een eerste stap in de goede richting. Uit het vragenlijstonderzoek blijkt echter geen significant effect van de ontwikkelde werkexploratieprogramma’s op de scholen. Een voor de hand liggende verklaring is dat de scholen meer tijd nodig hadden om de programma’s overal goed te kunnen implementeren. Bij geen van de scholen is het gelukt om het gehele werkexploratieprogramma uit te voeren zoals het is bedoeld. De meeste scholen zetten het programma dan ook voort, vaak na wat verbeteringen te hebben aangebracht door de nieuwe inzichten gedurende dit project. Wel bleek - los van de werkexploratieprogramma’s - dat een groter aanbod aan werkexploratie-activiteiten vanuit school en meer ondernomen activiteiten op dit gebied door leerlingen, samen te gaan met hogere scores op attitude t.a.v. de loopbaan, loopbaancompetenties, keuzezekerheid en een groter –voor beroepskeuze relevant – netwerk.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Vmbo-scholen die een werkexploratie-programma willen inzetten in het onderwijs, kunnen gebruik maken van de ontwikkelde materialen in dit project. Deze zijn beschikbaar in de vorm van een Handreiking Werkexploratie.

Geleerde lessen die vmbo-scholen mee kunnen nemen in hun praktijk zijn:

  • Begin klein en overzichtelijk, breid pas uit na succes.
  • Neem voldoende tijd voor experimenteren en implementeren.
  • Betrek het hele team vanaf de ontwikkeling zodat het werkexploratieprogramma ook van hen is (en zich niet beperkt tot enkele enthousiaste individuen).
  • Start het programma vroeg, bijvoorbeeld in het tweede leerjaar, op een moment dat leerlingen nog keuzes moeten maken.
  • Een opbouw van brede oriëntatie in de onderbouw en meer focus op beroepen in de bovenbouw voorkomt dat het voor leerlingen te snel over specifieke beroepen gaat en het daardoor minder aansluit bij de fase waarin zij zich bevinden.
  • Zorg ervoor dat leerlingen bij een stage of werkbezoek een actieve rol hebben; iets mogen doen dat met het werk in het bedrijf te maken heeft.
  • Vermijd schriftelijke opdrachten zonder gespreksvoering. Dit komt vooral voor bij reflectieopdrachten. Invulformulieren en reflectieverslagen vinden leerlingen saai en nutteloos, zeker als daar door de mentor niet op wordt teruggekomen.
  • Maak verwachtingen van het programma duidelijk, zowel aan leerlingen als aan mentoren.
Een goed gesprek over de toekomst. Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes op het vmbo en het mbo

Petit, R., Brouwer, P. & Meijer, J. (2018)

Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes blijkt effectief te versterken met kleine, gerichte interventies in plaats van grote programma’s.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat eenvoudige thuisopdrachten leerlingen en ouders stimuleren om samen in gesprek te gaan over studiekeuzes. Deze gesprekken worden als waardevol ervaren en dragen bij aan meer inzicht in kwaliteiten en keuzes, al zijn de effecten op andere aspecten beperkt. Grootschalige en tijdrovende vormen van ouderbetrokkenheid blijken minder haalbaar, terwijl kleine, laagdrempelige opdrachten juist goed werken. Daarbij is een goede implementatie en samenwerking binnen het schoolteam essentieel om het succes te vergroten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Scholen voor vmbo en mbo ontwikkelden samen met onderzoekers een programma om ouders te betrekken bij de studie-en beroepskeuze van hun kind. Via huiswerkopdrachten die leerlingen met ouders thuis maken wordt het gesprek over loopbaankeuzes gestimuleerd. Het onderzoek laat bescheiden positieve effecten zien. 
Scholen voor vmbo en mbo in de regio Utrecht namen deel aan praktijkgericht onderzoek. De vraag van de scholen stond centraal: het ontwerpen en onderzoeken van een programma om ouders te betrekken bij de studie- en beroepskeuze van hun kind. Het consortium heeft drie op het LOBcurriculum aansluitende huiswerkopdrachten ontwikkeld.
Zowel leraren, ouders als leerlingen hebben het programma aardig positief gewaardeerd. Leerlingen en ouders voerden goede gesprekken thuis over de studie- en beroepskeuze. Leerlingen vonden het prettig om de mening van ouders te horen over hun kwaliteiten. Er waren ook leerlingen voor wie de betrokkenheid van ouders weinig meerwaarde had, bijvoorbeeld omdat het programma van start ging nadat zij al keuzes hadden gemaakt. Voor mbo opleidingen die heel specifiek opleiden voor een beroep was het programma soms te algemeen en te weinig gericht op het verder verfijnen van de keuze binnen de al gekozen beroepsrichting.
De invoering van het programma verliep wel moeizaam, onder andere door vele personele wisselingen binnen de scholen. Dit onderstreept het belang om bij een dergelijke vernieuwing het hele team te betrekken en niet slechts enkele enthousiaste individuen. Korte (minder tijdrovende) en weinig talige opdrachten werkten goed. Het gaat er vooral om dat de opdrachten stimuleren dat leerlingen thuis met ouders gesprekken voeren over loopbaankeuzes. Met herhaalde metingen is de effectiviteit onderzocht van het programma op de attitude van leerlingen ten aanzien van de studie- en beroepskeuze, de activiteiten die zij hebben ondernomen, loopbaancompetenties en de mate waarin zij zeker zijn over hun beroepskeuze. Er bleek een effect te zijn op het vermogen om sturing te geven aan de eigen loopbaan (één van de loopbaancompetenties). Bij de overige onderzochte variabelen is er geen aanwijzing gevonden voor een effect. Wel bleek het verband tussen de invloed van de omgeving (waaronder ouders) en de loopbaancompetenties bij leerlingen die hebben deelgenomen aan het programma, na het programma sterker te zijn geworden. Of dit een gevolg is van het programma kunnen we niet met zekerheid zeggen, maar dit resultaat in combinatie met de uitkomst van de gesprekken stemt wel hoopvol dat de doelstelling is bereikt om de rol van ouders bij de studie- en beroepskeuze te versterken.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Een belangrijk inzicht uit het onderzoek is dat ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes niet groots en tijdrovend hoeft te zijn voor scholen.  Kleine opdrachten die leerlingen thuis met ouders uitvoeren brengen gesprekken thuis op gang die veel kunnen opleveren in het loopbaankeuzeproces. Ook voor ouders is tijd een factor van belang. Deelnemen aan meerdere bijeenkomsten op school bleek voor ouders te tijdrovend te zijn en ook docenten kregen dit organisatorisch moeilijk geregeld. Een beperkte tijdsinvestering en laagdrempelige deelname door ouders met thuisopdrachten bleek wel goed haalbaar en bovendien nuttig te zijn.

In het project zijn drie thuisopdrachten ontwikkeld, onderzocht en beschikbaar gemaakt voor het vmbo en mbo. Deze opdrachten kunnen scholen gebruiken en eventueel aanpassen aan de eigen leerling populatie en context. Zeker voor het mbo is het aan te raden om de opdrachten toe te spitsen op de gekozen beroepsrichting en de fase waarin studenten zich bevinden in het beroepskeuzeproces. Voor het vmbo lijken de opdrachten in huidige vorm te volstaan, maar is wel het moment waarop deze worden ingezet van belang. Of dit het beste past in het derde of vierde leerjaar of verspreid over alle leerjaren hangt af van het LOB-curriculum en dit verschilt dit per school.  

Een ander inzicht is dat veel tijd nodig is om een nieuw programma te implementeren in het onderwijs zodat dit een samenhangend geheel vormt met LOB-lessen en docenten het zichzelf eigen kunnen maken. Experimenteren en evalueren zijn hierbij van belang.  Een aanbeveling voor scholen is om vroeg genoeg te starten en met het hele team zodat teamleden meedenken en mee ontwikkelen aan het programma in het belang van een goed resultaat en eigenaarschap.

Tot slot is goed te bedenken dat de bijdrage die ouders kunnen leveren aan het studie- en beroepskeuzeproces van hun kind enorm kan verschillen. Als ouders weinig kunnen bijdragen, is het des te belangrijker dat de school goede loopbaanoriëntatie en -begeleiding biedt. En zo mogelijk voor deze leerlingen nog iets meer. 

Can career teachers/leaders support parents in helping their child?

Oomen, Annemarie (2016)

Samenvatting van het onderzoek 

Bij het R&D project ‘Ouders aan Zet’ ontwikkelden zes schooldecanen van HAVO-scholen een LOB interventie van vier sessies (tien uur totaal) voor ouders en hun kind in 3HAVO of 5HAVO. Twee van de onderzoeksvragen voor dit R&D project waren: 1) Hoe verschilt deze LOB-interventie ten opzichte van je huidige praktijk als schooldecaan in jouw school? En 2) Indien ja, welke aanvullende competenties zijn nodig voor een schooldecaan?  Kwalitatieve data zijn verzameld tijdens het uitvoeren van de LOB-interventie eind 2012. Iedere decaan leverde een kleur-gecodeeerd script in na het uitvoeren van elke sessie; het delen van ervaringen en mondelinge zelfevaluatie vond plaats in drie focus groep sessies met de decanen; en met elke schooldecaan vond een individueel gesprek van 30 minuten plaats na de laatste uitvoering van de LOB-interventie. 
De nieuwe praktijk vergeleken met de bestaande praktijk van de schooldecanen aan hun school verschilde op verschillende manieren. Zo bleken de schooldecanen geen inzicht te hebben in de vragen die ouders hebben rond het moment dat hun kind een keuze ging maken. Wat ouders geboden wordt is aanbodgericht met een nadruk op het geven van informatie. Ongebruikelijk is het om –voor welk onderwerp dan ook- vraag-gerichte sessies aan te bieden, voor kind en ouder samen, interactief, een serie van sessies en ook met een aantal van tussen de 15 en 45 ouder-kind paren.  
Voor het ontwerpen van een dergelijke LOB-interventie hebben decanen up-to-date kennis nodig over de ontwikkelingen in het (hoger)onderwijs, informatiebronnen, arbeidsmarkt en de wereld van werk; kennis over het ontwikkelen van dergelijke sessies en de rol en invloed van ouders in loopbaanprocessen. Ook zijn aanvullende vaardigheden nodig zoals het kunnen peilen van de behoeften van ouders; het ontwerpen van een draaiboek met een proces dat de inhoud ondersteunt en een afwisseling van individuele en plenaire activiteiten.; helderheid verschaffen over de wederzijdse rolverwachting schoolpersoneel/ouders; en het organiseren, communiceren en voorbereiden van eenieder binnen de school. Het aanbieden van een dergelijke LOB-interventie vraagt van de schooldecaan moed en overtuigingskracht; openheid en open staan naar ouders en aandacht voor de initiële verschillen tussen ouders wat informatie en de relatie ouder-kind betreft.  Overigens observeerden de schooldecanen ook dat mede-uitvoerende mentoren en docenten kennis, vaardigheden en attitudes misten.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek toont aan dat een school resp. schooldecaan er niet van kan uitgaan de kennis, vaardigheden en attitudes in huis te hebben om ouders te kunnen ondersteunen die hun kind willen helpen bij het maken van keuzes. Specifieke kennis en vaardigheden zijn nodig en speciaal de attitude om zich actief te kunnen en willen verdiepen in de onbekende behoeften van ouders. Bij ouder-betrokken-LOB interventies waarbij schoolstaf zoals mentoren betrokken zijn als mede uitvoerders, zijn ook voor hen aanvullende competenties nodig. 

Van vmbo naar mbo: doorstroom en loopbaankeuzes Monitor doorstroom vmbo-mbo: cohort 4 en cohort 5

Neuvel, J., Esch, W.van. (2010)

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderzoek richt zich op de doorstroom van vmbo naar mbo. Leerlingen moeten een keuze maken uit het grote aanbod van mbo-opleidingen. Daarbij moeten ze rekening houden met de opleidingsniveaus en met hun eigen beroepsinteresse. Een goede keuze is van groot belang, omdat voor veel leerlingen het mbo immers de opstap naar de arbeidsmarkt is.

Bij de niveau-afstemming gaat het om de optimale aansluiting van het kennisniveau en het vaardigheidsniveau van een leerling bij het opleidingsniveau in het mbo. Bij de inhoudelijke afstemming gaat het om het zoeken naar een beroepsopleiding waarin een leerling in voldoende mate zijn/haar (beroeps)interesses en ambities herkent.  Zo’n keuze veronderstelt dat leerlingen een voldoende beeld hebben van wat ze in hun latere arbeidsleven willen worden. Lang niet alle leerlingen blijken dat aan het eind van het vmbo goed te weten. Uit de analyse blijkt dat naarmate het beroepsbeeld van leerlingen diffuser is, het risico op allerlei negatieve effecten voor de schoolloopbaan toeneemt. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Bijna een vijfde van de vmbo’ers weet aan het eind van het vmbo niet goed wat ze willen worden, waardoor hun verdere schoolloopbaan in gevaar komt. Een deel van de vmbo’ers heeft kennelijk meer tijd en ondersteuning nodig bij het zoeken van een antwoord op de vraag wat ze willen worden. Het is nuttig om door middel van populatieonderzoek na te blijven gaan of leerlingen in het vmbo en in het mbo een beroepsinteresse ontwikkelen. Deze keuze is namelijk een intrinsiek motiverende kracht en een bijna noodzakelijke voorwaarde voor de loopbaanontwikkeling van leerlingen.

Evaluatieonderzoek studieloopbaanbegeleiding

Mittendorff, K., Staman, L., Kienhuis, M., Nije Bijvank, M. & Winters, N. (2016)

Goede studieloopbaanbegeleiding vraagt niet alleen om beleid, maar vooral om een sterke vertaling naar de praktijk binnen opleidingen.

____________________________

Het artikel beschrijft dat SLB steeds belangrijker wordt door de focus op studiesucces, maar dat de uitvoering nog niet overal op niveau is. Studenten ervaren verschillen in begeleiding en missen soms voldoende contact en aandacht voor hun loopbaanontwikkeling. Saxion heeft daarom een duidelijke visie en basiseisen opgesteld om SLB te verbeteren en te uniformeren. Het evaluatieonderzoek laat zien hoe dit beleid in de praktijk uitpakt en waar nog verbeteringen nodig zijn binnen opleidingen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Mede door het belang van het thema ‘studiesucces’ lijkt studieloopbaanbegeleiding (SLB) de laatste jaren steviger op de agenda van hogescholen te staan. De ontwikkelingen op verschillende beleidsterreinen zoals de studiekeuzecheck en het verbeteren van bachelorrendement, vragen ook om investeringen in en herziening van SLB beleid. De roep om betere SLB blijkt vanuit verschillende kanten te ontstaan. Ook studenten waren ontevreden over hun begeleiding, met name de ouderejaars. Sommige studenten zagen hun SLB’ers niet of nauwelijks, er werd te weinig initiatief genomen vanuit de opleiding en was er te weinig aandacht voor loopbaanbegeleiding. Hierin waren ook verschillen tussen maar ook binnen opleidingen te zien. 

Een goede invulling van SLB is een speerpunt voor Saxion. Het belang ervan wordt benadrukt in zowel de Strategische Agenda als de onderwijsvisie. Begin 2014 is er binnen Saxion, op vraag van het CvB, door een werkgroep een visiedocument inclusief basiseisen opgesteld over SLB. De werkgroep bestond uit experts op het gebied van SLB. Deze werkgroep heeft, naar aanleiding van een aantal klankbordsessies met SLB coördinatoren van de opleidingen, ‘Visie en Eisen voor Studieloopbaanbegeleiding’ ontwikkeld en vastgelegd in een document. Hierin is beschreven op welke manier Saxion wil werken aan SLB en er zijn bepaalde eisen gesteld aan de uitvoering van SLB binnen de opleidingen. Alle opleidingen van Saxion worden geacht aan deze ‘basis’ eisen voor SLB te voldoen. Verder zijn ze vrij in de vormgeving van SLB voor de eigen opleiding.

Op verzoek van de Vereniging Hogescholen heeft Saxion een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar deze maatregel. Doel van het onderzoek is inzicht verkrijgen hoe de maatregel is geïmplementeerd, wat de resultaten zijn en welke invloed structuur- en cultuurfactoren van Saxion hebben gehad op de ontwikkeling en implementatie van dit beleid binnen Saxion. Met het evaluatieonderzoek wordt antwoord gegeven op de vragen: Waarom heeft Saxion dit op deze manier gedaan? Wat heeft het Saxion opgeleverd? Wat zou Saxion in een vergelijkbaar proces weer doen en wat anders? In dit rapport wordt verslag gedaan van dit evaluatieonderzoek. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het rapport biedt inzicht in hoe SLB in de praktijk is vormgegeven en geeft daarmee ook inzichten in waar nog acties op nodig zijn.  
Deze inzichten zijn niet alleen zinvol voor Saxion, maar bieden ook voor andere hogescholen concrete aandachtspunten.

Bouwstenen voor SLB 2.0: een toekomstgericht ontwerp

Woudt-Mittendorff, K. (2010)

Nieuwe onderwijsvormen vragen om een vernieuwde en meer geïntegreerde aanpak van studieloopbaanbegeleiding.

____________________________

Het artikel beschrijft eerste inzichten voor een toekomstbestendig ontwerp van SLB, waarin aandacht is voor studiesucces, binding en persoonlijke ontwikkeling. In deze nieuwe aanpak speelt samenwerking en reflectie in groepen een grotere rol. Ook komt de ontwikkeling van professionele identiteit nadrukkelijker centraal te staan. De voorgestelde ontwerpcriteria bieden een richting voor het doorontwikkelen van SLB die beter aansluit bij moderne onderwijsvormen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Door nieuwe onderwijsvormen neemt ook de vraag naar een nieuw ontwerp voor studieloopbaanbegeleiding (SLB) toe. Dit artikel beschrijft de eerste inzichten voor ‘SLB 2.0’, waarin ontwerpcriteria worden geformuleerd voor een toekomstbestendige en meer geïntegreerde vorm van SLB. Dit artikel gaat in op nieuwe inzichten gericht op studiesucces, binding, reflectie en persoonlijke, professionele ontwikkeling. Zo is er in het nieuwe ontwerp voor SLB meer aandacht voor groepen studenten, en reflectie met elkaar. Ook staat het thema professionele identiteit duidelijker centraal. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit artikel biedt een eerste blik op een meer toekomstbestendig ontwerp voor SLB, passend bij vernieuwende onderwijsvormen in het hbo. Inzichten over belangrijke ontwerpcriteria voor een SLB 2.0 versie worden gedeeld. 

Gluren bij onze noorderburen: Een nieuwe toolkit voor onderwijsloopbaanbegeleiding uit Nederland

Luken, T. & De Folter, A. (2017)

De toolkit ACT in LOB biedt een vernieuwende aanpak om leerlingen beter te ondersteunen bij het maken van studiekeuzes.

____________________________

In het artikel wordt uitgelegd waarom vernieuwing van LOB nodig is en hoe ACT (Acceptance and Commitment Therapy) daarbij kan helpen. De toolkit bevat 25 praktische tools die gericht zijn op het omgaan met onzekerheid, het verhelderen van waarden en het loslaten van belemmerende gedachten. Met behulp van de CDDQ-test krijgen begeleiders inzicht in de keuzeproblemen van leerlingen en kunnen zij passende interventies kiezen. Voorbeelden uit de praktijk laten zien hoe deze tools ingezet worden door decanen en loopbaanbegeleiders.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel biedt een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling en inhoud van de toolkit ‘ACT in LOB’. Eerst wordt uitgelegd waarom innovatie van LOB noodzakelijk wordt geacht. Vervolgens worden achtergrond en inhoud van ACT (Acceptatie en Commitment Therapie) uiteengezet en wordt verduidelijkt waarom ACT gekozen is als basis voor de ontwikkeling van een innovatieve toolkit voor LOB. Tot slot komen de 25 tools van de toolkit en de CDDQ test aan de orde. Deze test biedt inzicht in de problemen die leerlingen ervaren met de studiekeuze en biedt een basis voor het kiezen van tools voor de begeleiding. Doelen van de tools zijn onder meer acceptatie van onzekerheid, mindfulness, verheldering van waarden en het loslaten van belemmerende overtuigingen. Enkele voorbeelden uit praktijken van schooldecanen en loopbaanadviseurs verhelderen het gebruik van de tools. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De beschreven toolkit is kosteloos toegankelijk. Het artikel biedt de lezer een ingang tot de tools, die gebruikt kunnen worden als aanvulling op bestaande LOB programma's. 

Easy does it: An Innovative View on Developing Career Identity and Self-direction

Luken, T. (2020)

Dit artikel zet vraagtekens bij gangbare uitgangspunten in loopbaanontwikkeling en pleit voor een fundamenteel andere benadering van LOB.

____________________________

Het artikel stelt de aanname ter discussie dat loopbaancompetenties vooral via cognitieve onderwijsprogramma’s ontwikkeld kunnen worden.
Op basis van inzichten uit neurowetenschappen en psychologie wordt een alternatieve, meer systemische benadering voorgesteld.
Huidige LOB‑praktijken sluiten volgens de auteurs onvoldoende aan bij hoe mensen zich daadwerkelijk ontwikkelen, wat risico’s met zich meebrengt voor identiteit en besluitvorming.
De auteurs bepleiten meer ruimte voor exploratie, ervaring en begeleiding, met minder nadruk op reflectie en rationele keuzes.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Een algemeen aanvaard uitgangspunt op het gebied van loopbaanontwikkeling is dat loopbaanattitudes en -vaardigheden, waaronder identiteit en zelfsturing, kunnen worden ontwikkeld door middel van onderwijsprogramma's met een cognitieve focus. Het eerste doel van dit artikel is dit uitgangspunt ter discussie te stellen. Een tweede doel is het bieden van een nieuw, innovatief perspectief op loopbaanontwikkeling. 
Enkele specifieke vragen worden geformuleerd en beantwoord op basis van bronnen die voornamelijk afkomstig zijn uit neurowetenschappen en verschillende subdisciplines van de psychologie. Op basis van een systeemtheorie wordt een nieuwe aanpak voorgesteld. Een conclusie is dat huidige benaderingen in de loopbaanbegeleiding op gespannen voet staan met bevindingen en inzichten van ontwikkelingswetenschappen en hersenonderzoek. Dit brengt verschillende risico's met zich mee. Eén risico is een voortijdig afgesloten identiteitsontwikkeling. Een ander risico betreft de ontwikkeling van ineffectieve manieren van denken en beslissen. Een controletheorie die voortkomt uit de cybernetica wordt voorgesteld voor een alternatieve kijk op loopbaanontwikkeling.
De belangrijkste implicatie voor loopbaanpraktijken en -beleid is dat zelfsturing en identiteit voor de meeste leerlingen geen realistische doelen zijn. In plaats daarvan wordt aanbevolen de druk die gepaard gaat met loopbaankeuzes voor jongeren te verlichten. Meer tijd, ruimte, stimulatie en begeleiding voor exploreren en heroverweging zou moeten worden geboden, ook aan volwassenen. Begeleiding moet bestaan uit het aanbieden van voldoende gevarieerde werkervaringen en coaching wanneer mensen conflicten ervaren die het vinden van een richting belemmeren. Niet te veel nadruk moet worden gelegd op reflectie en rationeel denken. Een Acceptatie- en Commitment benadering wordt aanbevolen. Deze biedt veel nuttige inzichten en instrumenten die loopbaanprofessionals kunnen inspireren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit Engelstalige artikel, dat gepubliceerd is in een peer-reviewed internationaal tijdschrift, kan discussies voeden over fundamentele vragen rond doelen en opzet van LOB programma's.

Loopbaanreflectie en onze hersenen

Luken, T. (2017)

Inzichten uit de hersenwetenschap bieden nieuwe perspectieven op hoe jongeren leren reflecteren en keuzes maken.

____________________________

Het hoofdstuk beschrijft hoe de ontwikkeling van de hersenen in de adolescentie invloed heeft op reflecteren en kiezen.
Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen bewuste en onbewuste denkprocessen die een rol spelen bij loopbaanbeslissingen.
Deze inzichten maken duidelijk dat het begeleiden van keuzes complexer is dan vaak wordt aangenomen.
Het hoofdstuk biedt handvatten voor professionals om reflectie en zelfsturing bij jongeren realistischer en effectiever te ondersteunen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit hoofdstuk biedt de lezer een overzicht van bevindingen van hersenwetenschappers, die betrekking hebben op reflecteren en kiezen in het kader van loopbaanontwikkeling.
Het eerste deel gaat over de ontwikkeling van de hersenen en enkele specifieke hersendelen in de adolescentie, met name de (ventromediale) prefrontale cortex. Wat betekent dit voor (leren) reflecteren en kiezen?
Het tweede deel beschrijft enkele deelsystemen in ons denken, met name systemen waarmee we bewust en onbewust nadenken.
Tot slot wordt de vraag gesteld wat een en ander betekent - of zou kunnen betekenen - voor professionals op het gebied van loopbaanontwikkeling, met name als het gaat om het stimuleren van reflectie en begeleiden bij kiezen. Enkele problemen die zich hierbij kunnen voordoen, worden geanalyseerd. Uit het hoofdstuk vloeien aanbevelingen voort die vooral gericht zijn op de ontwikkeling van zelfsturing op de langere termijn. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit hoofdstuk biedt discussiestof over de haalbaarheid en zinvolheid van doelen van LOB en reflectie rond zelfsturing. Het biedt bouwstenen voor visieontwikkeling en een innovatief perspectief op de praktijk. 

Eigen regie biedt vrijheid en autonomie. Of vergroot het de sociale verschillen?

Luken, T. (2017)

Zelfsturing wordt steeds belangrijker in een veranderende samenleving en vraagt om een andere kijk op loopbaanontwikkeling.

____________________________

Het artikel laat zien dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in loopbanen noodzakelijk maken.
Zelfsturing draait niet alleen om rationele keuzes, maar juist om het benutten van ervaringen, gevoelens en waarden.
Daarbij is zelfsturing voor alle opleidingsniveaus relevant en niet alleen voor hoger opgeleiden.
Loopbaanbegeleiders spelen een belangrijke rol door mensen te ondersteunen bij reflectie, het verhelderen van keuzes en het ontwikkelen van zelfregie.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel verdedigt de stelling dat zelfsturing vrijheid en autonomie met zich meebrengt. En dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in de toekomst steeds meer noodzakelijk maken. 
Het artikel start met een inventarisatie van waarschijnlijke toekomstige ontwikkelingen. Deze verduidelijken waarom zelfsturing steeds meer noodzakelijk wordt. Vervolgens komen de vragen aan de orde wat zelfsturing is en hoe het zich ontwikkelt. Een vaak voorkomend misverstand is dat een bewust denkend ik het zelf zou moeten sturen. Daarmee samenhangend bestaan andere misverstanden. Bijvoorbeeld dat zelfsturing vooral iets zou zijn voor hoger opgeleiden. Of dat het bij zelfsturing vooral gaat om informatievoorziening. De auteur stelt daartegenover dat ons denken niet een leidende, maar een adviserende of assisterende rol zou moeten spelen, in dienst van een ervarend lichaam.  Vanuit dat perspectief is zelfsturing voor lager opgeleiden minstens evenzeer aan de orde als voor hoger opgeleiden. Loopbaanbegeleiders kunnen een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van zelfsturing door op het juiste moment te helpen bij het verwerken van ervaringen, het verhelderen van waarden en het ontwikkelen en affectief met elkaar vergelijken van toekomstperspectieven. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit artikel gaat over het wat en waarom van zelfsturing: Wat is het? Waarom is het nodig? Hoe ontwikkelt het zich? En hoe kun je daarbij helpen? De inhoud kan input bieden voor visieontwikkeling en kan ertoe bijdragen met zelfsturing aan de slag te gaan en daarbij een goede insteek te kiezen. 

Loopbaanleren: LOB schiet de leerling voorbij

Luken, T. (2012)

Ondanks de groeiende aandacht voor LOB blijven de resultaten achter door fundamentele problemen in de onderliggende aanpak.

____________________________

Hoewel de aandacht voor LOB sterk is toegenomen, blijven uitval en switchgedrag onder leerlingen gelijk.
Het artikel laat zien dat de oorzaken deels liggen in de theorie achter LOB en de manier waarop deze wordt toegepast.
Met name het beeld van loopbaanontwikkeling en de rol van reflectie sluiten onvoldoende aan bij wat jongeren nodig hebben.
Het artikel pleit daarom voor aanpassing van de LOB‑benadering en biedt handvatten voor verdere ontwikkeling van beleid en praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) is in de afgelopen tien jaar explosief toegenomen. Helaas vallen de resultaten vooralsnog tegen. Veel leerlingen zijn ontevreden over LOB en nomadisch switchgedrag tussen opleidingen en uitval uit het onderwijs blijven ongeveer op hetzelfde niveau.
In dit artikel worden verklaringen gezocht op het niveau van de theorie die ten grondslag ligt aan LOB. Er worden vraagtekens gesteld bij het begrip arbeidsidentiteit, bij de kenmerken van de gewenste leeromgeving en bij praktijken op het gebied van loopbaanreflectie. Geconcludeerd wordt dat de dominante benadering van LOB weinig realistisch is en onvoldoende aansluit bij wat wij weten over wat jongeren wel en niet kunnen. Een mogelijk gevolg zou kunnen zijn dat jongeren zich suboptimaal ontwikkelen. Het artikel besluit met een aantal aanbevelingen voor aanpassingen van het onderwijsbestel en LOB.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit artikel stelt kritische vragen bij de dominante benadering van LOB en de onderliggende theorie. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's. 

Het dwaalspoor van de goede keuze: Naar een effectiever model van (studie)loopbaanontwikkeling

Luken, T. (2009)

Goede loopbaanbegeleiding is essentieel, maar blijkt in de praktijk lastig effectief vorm te geven.

____________________________

In onderwijs en arbeidsorganisaties bestaan veel problemen rondom loopbaanontwikkeling, zoals uitval en ontevredenheid in werk. Hoewel loopbaanbegeleiding kan helpen deze problemen te voorkomen, komt goede begeleiding nog weinig voor. Dit komt onder meer door versnippering van het vakgebied en hardnekkige denkbeelden over het maken van ‘de juiste keuze’. Het artikel pleit voor een bredere benadering van loopbaanontwikkeling, waarin reflectie en keuzebegeleiding anders worden ingevuld.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In onderwijs- en arbeidsorganisaties bestaan grote problemen op het gebied van loopbaanontwikkeling. Veel scholieren en studenten vallen uit of switchen vroeg of vaak van opleiding. Veel arbeidsrelaties zijn voor werknemer of werkgever onbevredigend, maar duren toch voort.
Uit onderzoek blijkt dat goede loopbaanbegeleiding helpt om dergelijke problemen te voorkomen of op te lossen. Hoewel hiermee in materiële en immateriële zin veel te verdienen valt, is goede loopbaanbegeleiding zeldzaam.
Hoe komt dit? Er zijn de laatste jaren in het beroepsonderwijs grote investeringen in studieloopbaanbegeleiding gedaan. Waarom leveren deze inspanningen niet meer op? Waarom wordt in arbeidsorganisaties niet meer aan loopbaanbegeleiding gedaan? Hoe kan het beter? Dit zijn enkele van de vragen die in deze oratie aan de orde komen. Voor een deel wordt de stagnatie verklaard door de versnippering van het vakgebied. Daarnaast speelt het voortbestaan van hardnekkige, inadequate, maar dominante beelden een rol, zoals het beeld van ‘de goede keuze’, die het individu moet maken door informatie te verzamelen en na te denken. Wat is daar misleidend aan? Wat zijn de consequenties? Hoe kunnen we dit beeld bijstellen? Onder meer de risico’s van reflectie komen aan de orde. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Deze oratie plaatst de studiekeuze in een breder kader van loopbaanontwikkeling. Vragen worden gesteld over gangbare benaderingen die te veel gericht zijn op het maken van "de goede keuze" en waarin reflecteren een te grote rol speelt. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's. 

Kiezen van een opleiding. Van ervaring naar zelfsturing. Can it be done?

Den Boer, P.R. (2009)

Wat betekent arbeidsidentiteitsontwikkeling voor LOB en hoe kan het onderwijs dit gericht ondersteunen?

____________________________

Het onderzoek presenteert een model waarin arbeidsidentiteit ontstaat door een combinatie van relevante praktijkervaringen en reflectie, die samen leiden tot zelfkennis en loopbaanontwikkeling. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat scholen ervaringsleren centraal moeten stellen en onderwijs praktijk‑, dialoog‑ en vraaggericht moeten inrichten, met ruimte voor eigen vragen en ambities van leerlingen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek is opgebouwd in een viertal hoofdstukken waarin wordt beschreven wat het belang en de context is van keuzeprocessen, wat – gezien de kennis uit empirie en theorie – een goed model kan zijn om deze keuzeprocessen te beschouwen en wat dit denkkader betekent voor de onderwijspraktijk.  

Inhoudelijk wordt op grond van empirische kennis en theoretische overwegingen, een model gepresenteerd voor arbeidsidentiteitsontwikkeling (zelfkennis gerelateerd aan arbeid). Deze kennis, zo laat de auteur uit eigen onderzoek zien, wordt ontwikkeld door het opdoen van relevantie praktijkervaring in combinatie met de verwerking daarvan (reflectie). Elk afzonderlijk hebben ervaring noch reflectie effect op de ontwikkeling van deze zelfkennis. Voor onderwijs betekent dit dat er voor leerlingen gelegenheid georganiseerd moet worden om ervaring op te doen en die ervaring door middel van reflectie te verwerken. Dat vereist van onderwijs dat het praktijkgericht, dialooggericht en vraaggericht is.

Elk van deze elementen wordt uitgewerkt. Met name vraaggerichtheid vinden veel scholen een lastig onderwerp. De auteur stelt dat het onderwijs hier aan de hand van twee leidende vragen mee om zou kunnen gaan, namelijk: 1. Wat wil je hier halen? En 2. Hoe kunnen wij jou daar zo goed mogelijk bij helpen? Hierbij hoort dat de leerlingen en studenten worden ondersteund in het zicht krijgen op de eigen wensen en ambities en dat hiervoor (voldoende) ruimte beschikbaar wordt gesteld in het curriculum. Het advies dat hier wordt gegeven is om vroeg te beginnen. Na de basisvorming moet een kind eigenlijk al in aanraking worden gebracht met minimaal twee bedrijfstakken. Door inzicht te geven in de beroepsdilemma’s, wordt direct appel gedaan op de vraag wat het individu zou doen als hij/zij wordt geconfronteerd met dit dilemma. De ontwikkeling van de arbeidsidentiteit stopt dus zeker niet bij de start van een beroepsopleiding, maar hoort daar verder te worden ontwikkeld. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

LOB is ervaringsleren. Dat wil zeggen dat lerenden in staat gesteld moeten worden relevante praktijkervaring op te doen en die (door middel van reflectie) te verwerken. Van een school vraagt dat praktijkgerichtheid, dialooggerichtheid en vraaggerichtheid. 

Talentgerichte loopbaangesprekken

Brouwer-Truijen, K., Woudt-Mittendorff, K. & Pullen, A. (2017)

Hoe kunnen loopbaangesprekken bijdragen aan betere studiekeuzes en meer interesse in techniek?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat onvoldoende begeleiding bij studiekeuzes bijdraagt aan uitval en het tekort aan leerlingen die voor bèta‑opleidingen kiezen. Talentgerichte loopbaangesprekken, gecombineerd met praktijkervaringen in techniek en een actieve luisterhouding van de mentor, versterken loopbaancompetenties en helpen leerlingen betere en bewustere keuzes te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderwijs worstelt al jaren met problemen rondom studiekeuzes van leerlingen. Het voortijdig schoolverlaten en het veelvuldig switchen worden gekoppeld aan het feit dat zij geen goede keuze zouden maken. Ook is er een groot tekort aan jongeren die kiezen voor een bèta-opleiding. Een belangrijke oorzaak van deze problemen is onvoldoende begeleiding van jongeren bij het maken van hun studiekeuze. Goede loopbaangesprekken stimuleren hen tot reflectie en spreken hen aan op hun talenten. Jongeren kunnen er zo beter achter komen wie ze zelf zijn en wat ze in de toekomst willen. Veel docenten willen hier graag een rol in spelen, maar hebben nog te weinig handvatten. Docenten, mentoren en decanen kunnen loopbaangesprekken gebruiken om leerlingen te enthousiasmeren voor bèta. Daarnaast is het nuttig om hen ervaringen in de technische beroepspraktijk aan te bieden. Juist de combinatie met loopbaangesprekken kan jongeren helpen bij het maken van een goede studiekeuze.  

Samen met docenten is een methodiek voor het voeren van talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek ontworpen. Daarbij zijn docenten geprofessionaliseerd op dat gebied. Vervolgens is de methodiek ingevoerd en zijn de resultaten gemeten.  

De resultaten van het onderzoek laten zien dat in de verschillende VO-scholen er in het algemeen weinig aandacht wordt besteed aan het bespreken van 'betekenisvolle ervaringen en emoties' en 'techniek'. Leerlingen geven aan dat er vooral aandacht wordt besteed aan 'reflecteren en activeren' en het 'bespreken van de toekomst'. Leerlingen geven aan dat ze in redelijke mate over loopbaancompetenties beschikken, maar in mindere mate bezig zijn met het opbouwen en onderhouden van contacten (netwerken) en dat ze op pro-actieve wijze studie- en werkmogelijkheden (loopbaanvorming) kunnen onderzoeken.  De ontwikkelde methodiek, met meer aandacht in het loopbaangesprek voor betekenisvolle ervaringen, emoties, reflecteren, activeren, bespreken van de toekomst en techniek, draagt positief bij aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties van leerlingen.  

De insteek van het gesprek is een belangrijke voorwaarde voor de mate waarin gesproken wordt over talenten en kwaliteiten. Wanneer de loopbaanactiviteit centraal staat, wordt er nauwelijks een koppeling gemaakt met de talenten en kwaliteiten van de leerlingen. Wanneer het gesprek over hobby's of een bijbaan gaat, staat dit meer centraal. De mentoren passen de methodiek van talentgerichte loopbaangesprekken gedeeltelijk toe. Tijdens goede loopbaangesprekken heeft de mentor een actieve luisterhouding, stelt verdiepingsvragen en vat samen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Uit het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen voor mentoren en decanen gedestilleerd worden:

  • Probeer vaker met leerlingen in gesprek te gaan over betekenisvolle ervaringen of emoties.
  • Laat mentoren meer kennis maken met de achtergronden van techniek, mogelijke stereotyperingen en mindsets van leerlingen.
  • Probeer ook in de lagere klassen van vmbo, havo en vwo te reflecteren op talenten, interesses en activiteiten aan bod te laten komen.
  • Probeer in het gesprek minder leidend en helpend te zijn, en te laveren tussen enerzijds streng (confronterend) en anderzijds ruimte gevend. 
Vijf jaar werken aan keuzeprocessen. Opbrengsten en bottle necks.

Boer, P.R. den & Kuijpers, M. (2014)

Wat levert langdurig en regionaal samenwerken aan LOB nu écht op voor leerlingen en scholen?

____________________________

Het vijfjarige project Keuzeprocessen in West‑Brabant laat zien dat scholen concreet werk hebben gemaakt van praktijkervaring, reflectie en loopbaansturing, vooral in het vmbo. Hoewel er duidelijke vooruitgang is geboekt in aandacht voor LOB en arbeidsidentiteit, vraagt duurzame opbrengst om langdurige inzet, vasthoudendheid en verdere doorontwikkeling - met name in het mbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In deze publicatie worden de opbrengsten en knelpunten weergegeven als gevolg van een vijf jaar durend project van keuzeprocessen dat is uitgevoerd in de regio West-Brabant. 21 scholen zijn dit project gestart met als doel schooluitval te verminderen, leerlingen te motiveren en een betere aansluiting in de beroepskolom te realiseren.   Hiervoor zijn een aantal projecten gestart. Ter begeleiding van dit proces is door ROC West-Brabant een lector keuzeprocessen aangesteld. Bovendien hebben de scholen drie jaar geparticipeerd in een landelijk onderzoek. In deze publicatie kijken we terug op de periode van 2009 tot en met 2013 waarin gewerkt is aan keuzeprocessen. Daarbij staan twee vragen centraal:

  • Was het mogelijk om binnen vmbo en mbo concreet vorm te geven aan het opdoen van praktijkervaring, de verwerking daarvan en enige vorm van (geleide) zelfsturing en zo ja, hoe zag dat eruit?
  • Leidden de gekozen vormen van ervaring opdoen, verwerking daarvan en zelfsturing tot een toename bij leerlingen van hun loopbaancompetenties en hun arbeidsidentiteit?

Het theoretische kader van keuzeprocessen wordt toegelicht, alsmede de ontwikkeling van het zelfbeeld (en dus arbeidsidentiteit) via het werken aan de loopbaancompetenties. De centrale vraag tijdens het onderzoek luidt: In hoeverre hangen door de scholen ontwikkelde interventies gericht op het opdoen van ervaring, de verwerking van die ervaring en omgaan met de vragen die dat bij leerlingen oproept samen met de loopbaancompetenties en arbeidsidentiteit van de leerlingen? 
Er is gekozen voor een gedecentraliseerde aanpak met richtlijnen om het project zo laagdrempelig mogelijk te laten verlopen.  Vandaar dat is geïnventariseerd welke interventies de verschillende scholen gebruiken; in het kader van het opdoen van (werk) ervaring, de verwerking daarvan en de vraaggerichtheid van de vmbo-scholen in hun onderwijsaanbod. 

Als conclusie van het onderzoeksproject is geformuleerd dat er verschillende activiteiten zijn ontwikkeld in het vmbo. De meeste basis- en kaderberoepsgerichte opleidingen hadden al aardig wat materiaal liggen, maar vooral de theoretische leerweg heeft een vernieuwing doorgemaakt tijdens het project. Met name de loopbaanreflectie heeft een kwalitatieve slag gemaakt.
Scholen hebben ervaren dat deelname aan het project ervoor heeft gezorgd dat er intensiever is gewerkt aan een loopbaangerichte leeromgeving. Scholen die veel praktijk binnen en buiten de school hebben aangeboden zijn kwalitatief (volgens de leerlingen) het meest gegroeid in het werken aan arbeidsidentiteit van leerlingen. Een individuele aanpak hierbij levert meer op dan een groepsaanpak. De conclusies vanuit het mbo zijn vanwege te geringe input niet goed en kwalitatief te duiden. Er zijn dus minder bevindingen te vermelden, maar de resultaten lijken erop te wijzen dat door de opleidingen meer vraaggericht aan te bieden de verwerving van loopbaancompetentie en arbeidsidentiteit meer wordt gestimuleerd.
De belangrijkste conclusie bij alle deelnemende scholen is dat er meer aandacht voor LOB is gekomen en meer mensen weten dat het gaat om het opdoen van arbeidservaring en het hebben van een goed loopbaangesprek daarover. De resultaten en conclusies roepen ook vragen op met betrekking tot de geslaagdheid van het project. Is het dat wel met deze opbrengsten? Waarom lijkt het succes op het vmbo hoger te zijn dan in het mbo?  Is dit nu voldoende basis om door te gaan op de ingeslagen weg? En hoe moet die weg er dan uit zien? Kernvraag blijft uiteraard: is de vernieuwing nu geslaagd? 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Als je als school begint aan LOB of dit element intensiveert, wees je er dan van bewust dat dit een langdurig proces is dat veel vasthoudendheid en geduld vraagt. Vijf jaar is zo voorbij en als het daarbij blijft zijn alle behaalde resultaten binnen de kortste keren weer verdwenen. 

Loopbaancompetenties voor loopbaansucces: realiteit of verbeelding?

Boer, P. den & Meijers, F. (2019)

Wat vraagt het ontwikkelen van loopbaancompetenties werkelijk van leerlingen én van LOB‑gesprekken?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat het concept loopbaancompetentie vaak te instrumenteel wordt toegepast, doordat een stevige theoretische en empirische basis ontbreekt. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat reflectiegesprekken zich moeten richten op betekenisgeving van praktijkervaringen, via doelgerichte gespreksvoering die bijdraagt aan de ontwikkeling van een arbeidsidentiteit.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het concept ‘loopbaancompetentie’ mist vooral een theoretische basis. Ook de empirische basis laat te wensen over. Het gevolg van het ontbreken van een goede theorie in het onderwijs, is dat loopbaancompetenties voornamelijk instrumenteel worden ingezet, waardoor leerlingen uiteindelijk geen vaardigheden leren om hun eigen loopbaan succesvol te managen. We bieden een alternatief, dat wel gebaseerd is op theorie. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het is van belang zich bewust te zijn van de leerprocessen die ten grondslag liggen aan het verwerven van een arbeidsidentiteit. De loopbaancompetenties suggereren dat die allemaal hetzelfde zijn en dat is nadrukkelijk niet het geval. Reflectiegesprekken dienen erop gericht te zijn lerenden te helpen betekenis te geven aan opgedane praktijkervaringen. Daarvoor is specifieke gespreksvoering nodig.  

Beroepsdilemma’s als sleutel tot betekenisvol leren

Boer, P. den, A. K. Jager & H. R. M. Smulders (2003)

Hoe kunnen jongeren leren om zelf richting te geven aan hun loopbaan in een onzekere en veranderende toekomst?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat beroepsidentiteitsontwikkeling ontstaat door het opdoen én verwerken van betekenisvolle (grens)ervaringen en samenhangt met het vermogen tot zelfsturing in de loopbaan. Voor LOB betekent dit dat onderwijs minder moet focussen op oriënteren en meer op confronteren met beroepsdilemma’s, maatwerk biedt en ruimte creëert voor goede gesprekken die leiden tot zelfinzicht.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek gaat in op de manier waarop leerlingen hun beroepsidentiteit ontwikkelen en of en hoe zich dat verhoudt tot het vermogen om sturing te geven aan hun verdere loopbaan. Het onderzoek had als hoofdvraag: hoe bereiden we jongeren zo goed mogelijk voor op een toekomst die in toenemende mate gekenmerkt wordt door onzekerheid?  

Het onderzoeksrapport schetst de maatschappelijke en onderwijskundige context waarin het onderzoek geplaatst moet worden. Daarna volgt de onderzoeksopzet, operationalisering en instrumentering van het onderzoek. Verder worden de gegevens op zowel opleidings- als leerlingniveau beschreven en geanalyseerd. Ook de verbanden tussen opleiding/school en identiteitsontwikkeling worden onderzocht met als doel tot een conclusie te komen waarin aanbevelingen worden geformuleerd voor verder onderzoek en onderwijsontwikkeling.  

De context is dat we in een overgang van de kenniseconomie zitten waarin meer kennis wordt geproduceerd en kennis korter zal worden gebruikt. Dit leidt ertoe dat het leren voor een beroep van zeker naar onzeker verschuift. De onderzoekers stellen dat dit resulteert in de paradigmashift dat leerlingen niet moeten aanpassen aan de arbeidsmarkt, maar dat leerlingen moeten worden voorzien van instrumenten omsturing te nemen en houden op hun loopbaan(ontwikkeling).  

In het rapport wordt uitgebreid ingegaan op verschillende benaderingen van het thema identiteitsontwikkeling. Op basis daarvan wordt gekozen voor een procesgericht model (hoe ontwikkelt zich een identiteit?), omdat dit het best past bij de onderzoeksvraag. Op grond van theoretische inzichten wordt gekozen voor een model waarbij mensen door het opdoen van (grens)ervaringen en de verwerking daarvan een identiteit ontwikkelen en dat die identiteit van invloed is op het vorm kunnen geven aan de verdere loopbaan. Daarbij wordt opgemerkt dat het proces van beroepsidentiteitsontwikkeling cyclisch is.  

Belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn:

  1. Beroepsidentiteitsontwikkeling wordt geoperationaliseerd door de mate waarin leerlingen met beroepsdillema’s zijn geconfronteerd.
  2. Dat deze ontwikkeling ontstaat onder invloed van de aard van de opgedane ervaring (hoe heftiger hoe beter) en de mate waarin die verwerkt is (veel gesprekken erover).
  3. Dat de intensiteit van de ervaring en de mate van verwerking alleen samen een effect hebben op de ontwikkeling van de beroepsidentiteit. Er is een relatie tussen de mate van ontwikkelding van de identiteit en de mate waarin de onderzochten een beeld hebben wat ze verder willen met hun loopbaan (aanzetten tot zelfsturing).  

Waar beroepsdilemma’s als een mooie leer- en ontwikkelingskans voor leerlingen wordt gezien, is er ook discussie over. De manier waarop een beroepsdilemma wordt aangevlogen is erg persoonlijk en daarmee geen vast gegeven voor beroepsidentiteitsontwikkeling. Uit het onderzoek komen ook aanbevelingen voor de onderwijsinstellingen. Zo wordt gesteld dat men beter kan werken met confronteren in plaats van oriënteren (stuur op kennismaking met beroepsdilemma’s). Ook is duidelijk geworden dat bescheidenheid in het didactische zal leiden tot meer zelfexploratie. Dat wil zeggen dat docenten minder kennis overdragen, met als doel zelfexploratie te stimuleren. Het derde advies is om maatwerk te leveren, omdat een loopbaanontwikkeling nu eenmaal niet uniform is.  

Er wordt ook een advies gedaan om verder onderzoek te gaan uitvoeren op het gebied van concepten, instrumenten en relaties rond identiteitsontwikkeling en om praktijk- of actieonderzoek te doen naar de effectiviteit van maatwerk en de manier om dat te realiseren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Als je er als onderwijsinstelling op uit bent om scholieren te helpen zelf (mede) richting te geven aan hun loopbaan, is het zaak omstandigheden te creëren waarin die lerenden relevante (grens)ervaringen op kunnen doen en die goed kunnen verwerken (met gesprekken erover die leiden tot betekenisverlening). 

LOB-Kompas voor de 21e eeuw

Slijper, J., Sjoer, E., Biemans, P., van Harn, R. (2020)

Hoe kun je jongeren op een eigentijdse manier begeleiden bij studiekeuzes in een snel veranderende arbeidsmarkt?

____________________________

Het LOB‑Kompas voor de 21e eeuw is ontwikkeld om leerlingen, docenten en ouders op een vernieuwende manier kennis te laten maken met de toekomst van werk en loopbanen. Door ervaringsgerichte en exploratieve activiteiten leren leerlingen zichzelf beter kennen en maken zij meer onderbouwde profiel‑ en studiekeuzes op basis van realistische beroepsbeelden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dat LOB anders moet lijkt evident, maar hoe kunnen we op een stimulerende manier jongeren helpen te navigeren in de richting die henzelf vooruitbrengt en tegelijkertijd rekening houdt met de veranderingen op de arbeidsmarkt? Deze lastige vraag was de aanleiding om dit LOB-Kompas voor de 21e eeuw te schrijven. Dit LOB-Kompas is een eerste aanzet om leerlingen, docenten én ouders op een andere manier te laten kennismaken met veranderingen in de beroepspraktijk. Het doel van deze LOB 2.0. methode is te worden ingezet als aanvullende module op de ‘traditionele’ LOB-methodes, zodat keuzebegeleiding toekomstbestendig wordt ingestoken en deze de leerling optimaal voorbereidt op een loopbaan die bij hem/haar past. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het uitgangspunt van dit toekomstbestendige LOB-kompas is ervaringsgerichte activiteiten die kunnen helpen een leerling inzicht te geven in wat hem of haar drijft. Je kunt pas iets kiezen van een menukaart als je weet hoe de gerechten smaken, en gerechten die niet op de menukaart van een jongere voorkomen, zullen ook niet gekozen worden. De exploratieopdrachten hebben een duidelijke focus op de beroepsbeelden: Welke nieuwe beroepen zijn er, wat is het beeld dat leerlingen hebben van traditionele beroepen en wat moet je ervoor kennen en kunnen? De opdrachten moedigen aan te exploreren in de breedte, d.w.z. kennismaken met sectoren of beroepen waarvan leerlingen nog geen beeld hebben en tot exploreren in de diepte naar beroepen of sectoren waarvan het beeld nog onvolledig of mogelijk niet realistisch is. Juist door hiermee aan de slag te gaan kan dit jongeren helpen inzicht te krijgen in: wie ben ik, wat wil ik en wat kan ik? Dit LOB-Kompas voor de 21e eeuw beoogt zo jongeren verder op weg te helpen met het maken van een meer gefundeerde profiel- of studiekeuze, gebaseerd op ervaringen en realistische beroepsbeelden. Daarnaast wordt ingegaan op de rol van ouders en hoe deze meer te betrekken bij LOB.

Doelgroep en opzet

Dit 'LOB-kompas voor de 21 eeuw' is met name bestemd voor leerlingen in de (voor)laatste klassen van de havo en het VWO. Het LOB-onderwijsproduct bestaat uit vier stappen. Deels kunnen deze in de klas worden uitgevoerd tijdens de (mentor)lessen, deels buiten de (mentor)lessen om. De LOB-activiteiten eindigen met een presentatie, waarbij ook ouders aanwezig zijn. 

Een andere benadering van studiesucces. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs

Beelen-Slijper, J. van. (2017)

Wat helpt jongeren om een studiekeuze te maken die écht bij hen past en leidt tot studiesucces?

____________________________

Het onderzoek volgt 89 hbo‑studenten Rechten en Sociaal Juridische Dienstverlening en laat zien hoe studiekeuze, identiteitsontwikkeling en oriëntatieactiviteiten samenhangen met studiesucces. Studenten die intensief oriënteerden en hun keuze baseerden op de inhoud van de studie (in plaats van het toekomstige beroep) bleken succesvoller en hadden minder kans op teleurstelling en uitval.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit artikel gaat in op en reflecteert op de dissertatie 'En wat kan ik dan later worden?' (Slijper, 2017). Het betreft een longitudinaal onderzoek naar het studiekeuzeproces van 89 studenten HBO-Rechten en Sociaal Juridische Dienstverlening, en de betekenis daarvan voor studiesucces. De respondenten werden drie keer geïnterviewd voorafgaand aan en tijdens het eerste studiejaar. De gevolgde oriëntatieactiviteiten zijn onderzocht in relatie tot studiesucces. Tevens werd met de Groningen Identity Development Scale (Kunnen & Van der Gaag, 2011) de identiteitsontwikkeling van jongeren onderzocht op het gebied studiekeuze. De exploratieve opzet van het onderzoek heeft inzicht geboden in ervaringen, successen en mislukkingen bij de overstap naar het hbo en waar de knelpunten liggen bij specifieke groepen. Wat betreft de identiteitsontwikkeling van de onderzochte groep, blijken juridische hbo-studenten significant vaker dan leeftijdsgenoten een studie te kiezen vanuit een foreclosure status. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Een belangrijke conclusie is dat het niet loont om het toekomstige beroep leidend te laten zijn bij de studiekeuze. Teleurstellingen en studie-uitval zijn dan een vrij waarschijnlijk gevolg. Jongeren die hebben deelgenomen aan intensieve oriëntatie-activiteiten kiezen hun studie minder op basis van het toekomstige beroep, maar eerder op basis van de inhoud van de studie en zijn succesvoller. 

LOB-praktijkvoorbeelden
Op verhaal komen, medialeren LOB

Je toekomstplannen verbeelden

____________________________

LOB Medialeren is een vmbo‑lesprogramma waarin leerlingen hun loopbaanontwikkeling verkennen door het maken van korte filmverhalen. Door film te gebruiken als reflectie‑instrument krijgen leerlingen meer kansen om te laten zien wie ze zijn, wat ze kunnen en wat ze willen.

____________________________

“De film op zich is niet het eindproduct, maar een instrument om te reflecteren en in gesprek te gaan.”

LOB Medialeren is ontwikkeld in een samenwerking van Rotterdam Vakmanstad, SKVR en het Rotterdams Vakcollege De Hef. Het programma combineert het maken van filmverhalen met het ontwikkelen van een loopbaanperspectief.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

LOB Medialeren is een nieuw lesprogramma voor de onderbouw van het vmbo, ontwikkeld in een samenwerking van Rotterdam Vakmanstad, SKVR en het  Rotterdams Vakcollege de Hef.
LOB Medialeren worden het maken van filmverhalen en het ontwikkelen van een loopbaanperspectief gecombineerd. Tijdens LOB-activiteiten van de school maken leerlingen in leerjaar 1 en leerjaar 2 van het vmbo zeven korte filmverhalen. Hierin laten ze zien wie ze zijn, waar ze goed in zijn en wat ze in de toekomst willen. Voor het maken van de filmverhalen staat een mediavakdocent voor de klas. De mediavakdocent instrueert en begeleidt de leerlingen bij het voorbereiden, filmen en monteren van hun film. Het maken van de filmverhalen geeft de leerlingen van RVC de Hef veel meer mogelijkheden om te reflecteren op loopbaankeuzes. Van hen vragen dit alleen te doen met pen en papier leidt niet tot het ontwikkelen van het gewenste niveau van reflectie. Juist door het maken van filmverhalen kunnen de leerlingen veel meer over zichzelf kwijt. De film op zich is niet het eindproduct, maar een instrument om te reflecteren en in gesprek te gaan met mentoren, docenten, medeleerlingen en ouders.

 ‘Het gaat om filmpjes in verschillende vormen’, vertelt Suzanne Hijstek van Rotterdam Vakmanstad. ‘Het filmpje over “Wie ben ik?” is bijvoorbeeld in de vorm van een documentaire. En de film over “Wat kan ik?”, is een instructievideo.’

De leerlingen hebben over het algemeen veel plezier bij het maken van de filmpjes en zeggen er veel aan te hebben gehad.‘Ik wist lang niet wat ik wilde. Eerst wilde ik architect worden, daarna stewardess... Maar nu denk ik toch dat ik in de jeugdzorg wil. Mijn ouders zijn niet zo dat ze vaak aan mij vragen wat ik wil. Het is daarom goed dat er op school veel aandacht voor is. Het heeft me meer aan het denken gezet en ervoor gezorgd dat ik beter om mij heen ging kijken.’

_____________________________________________________

Tips

De rol van mentoren, medeleerlingen, docenten en ouders is essentieel bij het verdiepen en verbreden van het verhaal van de leerling. Ouders die niet vanzelfsprekend met hun kind praten over loopbaanontwikkeling, raken door samen met hun kind naar de filmpjes te kijken meer betrokken. LOB filmleren geeft ook wat minder talige leerlingen de mogelijkheid zich te uiten en te onderzoeken waar ze goed in zijn en wat ze belangrijk vinden door het in beeld brengen van hun verhaal.

_____________________________________________________

Succesfactoren bij de implementatie van LOB

Duurzame loopbaanbegeleiding voor mbo 3-4

____________________________

Het Nordwin College ontwikkelde een duurzaam LOB‑programma voor mbo 3-4 via gezamenlijke visieontwikkeling met studenten, docenten en management, gebaseerd op Appreciative Inquiry. Collectief leren, dialoog en het benutten van bestaande successen zorgden voor brede betrokkenheid en een succesvolle implementatie.

____________________________

"Innovatie vraagt tijd en ruimte. Zorg ervoor dat innovatie wordt ingezet binnen alle lagen van de school: zowel horizontaal als verticaal."

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Petra van der Wal, schoolopleider en coördinator loopbaanbegeleiding op het Nordwin College, hield op 8 oktober jl een inspirerend verhaal tijdens het LOB-congres ‘Werk mee aan een toekomstbestendig LOB’ over wat de succesfactoren op het Nordwin College waren bij het implementeren van een duurzame visie op LOB en een succesvol LOB-programma.

Het LOB-programma en de hierbij behorende visie zijn tot stand gekomen door intensieve samenwerking tussen LOB-betrokkenen binnen de school, waarbij gebruik werd gemaakt van de theorie van Appreciative Inquiry. Centrale startvraag bij het ontwikkelen van het LOB-programma was: ‘Wat willen wij in loopbaanbegeleiding, wat doen we nu en waar willen we naartoe?’ Tijdens werksessies werden elementen gebruikt die gebaseerd zijn op de theorie van Appreciative Inquiry:

  • Toekomstbeelden en het formuleren van een toekomstvisie (waar willen we naar toe?). Dat is een collectief proces: zowel horizontaal als verticaal, met studenten, docenten, het MT en de directie.
  • Een positieve (waarderende) kern: gebruik maken van ieders talent en kijken wat er al is, wat er al gebeurt. Het delen van succeservaringen hoort hierbij.
  • De dialoog: eerst met een kleine groep mensen en daarna met het hele team.
  • Reflectie: wat gaat goed? Wat kunnen we bijstellen en veranderen
  • Onderzoeken en handelen: terwijl het proces gaande was werd het tegelijkertijd ook uitgevoerd: er werd én onderzocht én direct gekeken hoe de uitkomsten van onderzoek werkten in de praktijk.

Kern bij het succesvol implementeren van het programma was dat er collectief werd geleerd waardoor de betrokkenheid werd vergroot. 

_____________________________________________________

Tips

  • Innovatie vraagt tijd en ruimte. Zorg ervoor dat innovatie wordt ingezet binnen alle lagen van de school: zowel horizontaal als verticaal.
  • Het onderzoek (zie download) en de opbrengst hiervan kan worden ingezet binnen meerdere sectoren van het onderwijs, dus niet alleen binnen het mbo.
  • Begin met een enthousiaste groep en gebruik deze als een olievlek. Maak gebruik van good practices, dus wat er al is en spiegel dit aan je visie.

_____________________________________________________

Spirit4you

Bevorderen van goede doorstroom en voorkomen van voortijdige schooluitval

____________________________

Met de projecten van Spirit4you krijgen scholen hulpmiddelen om leerlingen te begeleiden bij een succesvolle overstap naar vervolgonderwijs of werk. Leerlingen maken breed kennis met opleidingen en beroepen in de regio en ontwikkelen stap voor stap inzicht in wat bij hen past. Digitale middelen, praktijkactiviteiten en persoonlijke begeleiding vormen samen één samenhangende LOB‑aanpak. Door regionale samenwerking wordt de instroom in het mbo versterkt en voortijdig schoolverlaten verminderd.

____________________________

“Spirit4you laat leerlingen breed kennismaken met beroeps‑ en opleidingsmogelijkheden.”

Met de projecten van Spirit4you gericht op loopbaanoriëntatie en -begeleiding kunnen scholen (decanen, mentoren, studie- en stagebegeleiders) hun leerlingen ondersteunen in het proces om te komen tot een succesvolle overstap naar een vervolgopleiding, werk of dagbesteding. Spirit4you laat leerlingen zo breed mogelijk kennis maken met beroeps- en opleidingsmogelijkheden in de regio Haaglanden. Leerlingen ontwikkelen stap voor stap een beeld over welke opleidingen en beroepen het beste bij hun passen. Hiermee wordt de instroom van vmbo’ers in het mbo verbeterd en een bijdrage geleverd aan het voorkomen van voortijdig schooluitval.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Met de projecten van Spirit4you die zijn  gericht op loopbaanoriëntatie en -begeleiding kunnen scholen (decanen, mentoren, studie- en stagebegeleiders) hun leerlingen ondersteunen in het proces om te komen tot een succesvolle overstap naar een vervolgopleiding, werk of dagbesteding. Spirit4you laat leerlingen zo breed mogelijk kennis maken met beroeps- en opleidingsmogelijkheden in de regio Haaglanden. Leerlingen ontwikkelen stap voor stap een beeld over welke opleidingen en beroepen het beste bij hen passen. Hiermee wordt de instroom van vmbo’ers in het mbo verbeterd en een bijdrage geleverd aan het voorkomen van voortijdig schooluitval door o.a. de volgende activiteiten:

  • Website Bekijk Je Toekomst ondersteunt leerlingen en onderwijsprofessionals in het LOB-proces. Hierbij hoort de nieuwe app "Naar het mbo!", waarmee leerlingen hun weg naar het mbo kunnen bewandelen, van keuze tot aanmelding.
  • Wegwijs in het mbo met de mbo-gids (op papier en in de vorm van een nieuw, interactief onderdeel op Bekijk je Toekomst), inclusief lesmateriaal,opendagenposter en Leerroutekaart Haaglanden.
  • Bliksemstages in samenwerking met JINC.
  • LOB-paspoort waarin leerlingen hun studiekeuzeactiviteiten kunnen opnemen.
  • Warme overdracht waarin onderwijsprofessionals van vo en mbo contact hebben over overstappende leerlingen waar zorg over is (VOROC).
  • MBO4you coaching voor leerlingen die een steuntje in de rug kunnen gebruiken in het overstapproces

Spirit4you valt onder de inhoudelijke verantwoordelijkheid van het VO Platform: de bestuurders van de vo-scholen, ROC Mondriaan en De Haagse Hogeschool. Vanuit dit platform is Lucas Onderwijs po Ondersteuning overstap van leerlingen naar mbo/werk/dagbesteding ontwikkeld.
Het programmamanagement is verantwoordelijk voor de voortgang van het programma en zij verzorgen de communicatie rondom activiteiten en rapporteren aan de klankbordgroep en het bestuurlijk platform.
De klankbordgroep van Spirit4you ondersteunt het programmamanagement en wordt gevormd door vertegenwoordigers vanuit de scholen in de regio Haaglanden voor praktijkonderwijs/vso/vmbo beroepsgericht/vmbo TL, havo, mbo en hbo.
Spirit4you wordt voornamelijk gesubsidieerd door de gemeente Den Haag, regiogemeenten dragen ook een gedeelte bij. Scholen dragen bij aan producten en activiteiten van Spirit4you door inzet van personeel te leveren.

_____________________________________________________

Tips

  • Focus op samenhangende thema’s: lob, begeleiding en het monitoren van de overstap en het professionaliseren van docenten, decanen en studieloopbaanbegeleiders.
  • Goede contacten op diverse niveaus: decanen, directies en besturen.
  • Diensten en producten worden ontwikkeld met de inbreng van vo- en mbo-scholen, die meedenken in klankbordgroepen en werkgroepen.
  • Jaarlijks vindt borging plaats in het jaarplan van Spirit4you, geaccordeerd door gemeente en de schoolbesturen.
  • Via het regionale overleg zijn alle gemeenten in het RMC-gebied betrokken.

_____________________________________________________

Haags mentorprogramma

Aandacht voor en door studenten

____________________________

In het Haags Mentorprogramma worden derdejaars havo‑leerlingen gekoppeld aan studenten van Universiteit Leiden of de Haagse Hogeschool. Deze studenten fungeren als mentor en bieden één‑op‑één begeleiding bij studiekeuze, talentontwikkeling en schoolplanning. Het programma is ingebed in het curriculum van het hoger onderwijs en wordt ondersteund met training, intervisie en reflectie. De aanpak versterkt het zelfbeeld van leerlingen, vergroot netwerken en biedt studenten waardevolle praktijkervaring.

____________________________

“Studenten staan dichter bij de belevingswereld van havo‑leerlingen dan een volwassene.”

Bij het Haags Mentorprogramma (HMP) staat aandacht voor en door studenten centraal. Derdejaars havo-leerlingen worden gekoppeld aan een student van Universiteit Leiden of de Haagse Hogeschool. Deze studenten vervullen de rol van mentor en geven de leerlingen extra één-op-één aandacht bij het kiezen van een vervolgstudie, bij het ontdekken van hun talent of bij het maken van huiswerk. Tenslotte staan studenten dichter bij de belevingswereld van havo-leerlingen dan een volwassene.

 

Wat maakt dit praktijkvoorbeeld bijzonder?

Bij het Haags Mentorprogramma (HMP) staat aandacht voor en door studenten centraal. Derdejaars havo-leerlingen worden gekoppeld aan een student van Universiteit Leiden of de Haagse Hogeschool. Deze studenten vervullen de rol van mentor en geven de leerlingen extra één-op-één aandacht bij het kiezen van een vervolgstudie, bij het ontdekken van hun talent of bij het maken van huiswerk. Tenslotte staan studenten dichter bij de belevingswereld van havo-leerlingen dan een volwassene.
Het HMP is een samenwerkingsverband tussen de Johan de Witt Scholengroep, het Zuid-West College, de Haagse Hogeschool, Universiteit Leiden en Durf te dromen. HMP koppelt studenten van de Universiteit Leiden aan leerlingen van de Johan de Witt Scholengroep en studenten van De Haagse Hogeschool aan leerlingen van het Wateringse Veld College.
Het HMP wordt gefinancierd door de gemeente Den Haag en is onderdeel van het curriculum van de hoger onderwijsinstellingen; de deelnemende studenten ontvangen bij deelname studiepunten. De studenten gaan wekelijks naar de school van de havo-leerlingen voor één-op-één mentoring. Ze hebben een gesprek van een uur over studiekeuzes of andere zaken die met een vervolgstudie te maken hebben. In de praktijk gaat het ook over het maken van een goede planning bij het leren en over alle studierichtingen die er zijn. Het draagt allemaal bij aan een beter beeld van een vervolgstudie. Voorafgaand aan en gedurende het mentorprogramma volgen de studenten een training over coaching, pubers en diversiteit. Ook hebben ze gezamenlijke intervisie onder begeleiding van een docent. Ter afsluiting schrijven de studenten een reflectieverslag.
Deze vorm van onderwijs is geïnspireerd op het mentorprogramma in Rotterdam-Zuid (Mentoren op Zuid), waar inmiddels duizenden scholieren aan het programma deelnemen.


Samengevat:

  • Leerlingen krijgen een beter beeld van wie ze zijn, wat ze kunnen, wat studeren inhoudt en studiemogelijkheden.
  • Scholieren en studenten vergroten hun netwerk.
  • De studenten van de Haagse Hogeschool en de Universiteit van Leiden leren in de praktijk. Door de gesprekken met de scholieren en tijdens de intervisie en training koppelen ze theorie aan de praktijk leren ze veel over coaching, begeleiding en het onderwijs.
  • De studenten hebben het gevoel iets te kunnen betekenen voor een ander.

_____________________________________________________

Tips

Deze werkwijze valt of staat met een succesvolle koppeling van scholieren aan studenten. Dit project is geïnspireerd op het mentorprogramma Rotterdam Zuid. Uit dit programma bleek dat matching plaats moet vinden op basis van interesses en niet op basis van kennisbehoefte. Ook moet de hele klas gematched worden, zodat elke leerling een eigen mentor heeft. De deelnemende studenten moeten wel  flexibel zijn, want scholieren hebben niet altijd evenveel zin of komen te laat.
Tot slot moet er commitment zijn van alle betrokken partijen, zodat alle praktische & logistieke randvoorwaarden goed op orde zijn.

_____________________________________________________