LOB-onderzoeksbank

Expertisepunt LOB
< overzicht

Wel of niet naar de hogeschool? Mechanismen van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces

Inspectie van het Onderwijs (2021)

Onbedoelde zelfselectie zorgt ervoor dat sommige mbo‑studenten afzien van het hbo, ondanks dat zij de capaciteiten hebben om door te stromen.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat mbo‑studenten soms afzien van een vervolgstudie door ervaren drempels zoals studiekosten, studieduur en de verwachte moeilijkheidsgraad. Persoonlijke factoren zoals faalangst, gebrek aan steun vanuit ouders en negatieve invloed van de omgeving versterken deze neiging. Niet alle drempels wegen voor iedereen even zwaar, maar bepaalde groepen laten zich er vaker door afschrikken. De resultaten tonen dat keuzes om niet door te studeren niet altijd inhoudelijk gemotiveerd zijn, maar vaak voortkomen uit onzekerheid en percepties van het hbo.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Dit rapport bevat de eerste resultaten van een onderzoek naar zelfselectie. De Inspectie van het Onderwijs heeft dit deelonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul, waarin de regering werd verzocht om een onderzoek te (laten) doen naar de factoren die ervoor zorgen dat jongeren afzien van een vervolgstudie in het hoger onderwijs terwijl ze wel de benodigde kwalificaties hebben. De vraag is waardoor deze onbedoelde vorm van zelfselectie wordt veroorzaakt. Dit tussenrapport richt zich op mbo 4-studenten in het laatste jaar van hun opleiding. Via een vragenlijst- en vignettenonderzoek hebben we achterhaald welke factoren voor welke groepen studenten een rol spelen bij zelfselectie. Daartoe hebben de mbo 4-studenten verschillende fictieve situaties voorgelegd gekregen en is hen telkens gevraagd aan te geven of ze onder de beschreven hypothetische omstandigheden een keuze voor het hbo zouden maken.

In een addendum zijn de achterliggende mechanismen van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces van mbo 4 studenten beschreven: Addendum tussenrapportage: De invloed van kenmerken van studenten en scholieren bij de keuze voor doorstuderen in het hoger onderwijs.

Conclusies
Een aantal belangrijke kenmerken (zowel van het onderwijsstelsel als van de student) leiden er toe dat mbo-studenten afzien van een vervolgopleiding, terwijl ze wel de kwalificatie en vaardigheden daartoe hebben:

  1. Uit literatuuronderzoek blijkt dat studiekosten, de duur van de opleiding, de verwachte moeilijkheidsgraad en het imago dat mbo’ers hebben in het hbo, drempels kunnen vormen voor mbo’ers om verder te studeren. De studiekosten werd ook in de vragenlijst door mbo’ers het vaakst genoemd als een belangrijke belemmerende factor voor verdere studie. Daarnaast laat het literatuuronderzoek zien dat factoren als het opleidingsniveau en het inkomen van de ouders, migratieachtergrond, onzekerheid, faalangst en eerdere negatieve schoolervaringen een rol spelen. Al deze factoren interacteren op verschillende manieren; een drempel kan voor de ene groep zwaarder wegen dan voor een andere groep.
  2. Ons empirisch onderzoek laat zien dat afzonderlijke bekeken sociale achtergrondkenmerken als leeftijd, migratieachtergrond, opleiding van de ouders en een eventuele fysieke of psychische beperking van invloed zijn op de ingeschatte kans om aan een vervolgopleiding in het hbo te beginnen. Ook het sociale netwerk van de student en de eerdere schoolprestaties hangen hier mee samen. Echter als we deze kenmerken in samenhang analyseren blijkt een beperkt aantal een significant effect te hebben. Dit betreft:
    a. studenten met ouders/verzorgers die weinig stimuleren tot verdere studie in het hoger onderwijs;
    b. studenten die onzeker zijn over het eigen kunnen in het hoger onderwijs (faalangst);
    c. studenten met vrienden die negatief staan ten opzichte van het hoger onderwijs;  
    d. studenten die weleens een jaar hebben gedoubleerd;
    e. studenten die stress voor een naderend examen ervaren.
  3. De vier drempels die uit het literatuuronderzoek naar voren kwamen zijn middels vignetten aan de mbo’ers voorgelegd. Op die manier zijn ze ook onderling vergelijkbaar in de mate waarop ze zelfselectie beïnvloeden. Alle vier blijken ze van belang. Studieduur heeft daarbij het grootste gevolg. Bij een langere studieduur zien meer mbo 4-studenten af van verdere studie. Het imago van het hbo, voorgelegd als het gegeven dat mbo’ers harder moeten werken dan havisten, blijkt de minst grote drempel. De gepercipieerde moeilijkheidsgraad (niveauverschil tussen mbo en hbo) en de voorwaarden voor een studielening (studiekosten) zitten daartussenin. Verder blijkt dat bij verschillende drempels de migratieachtergrond, het sociale netwerk, faalangst, examenstress, risicoaversie en een fysieke of psychische beperking een rol spelen bij zelfselectie, maar dat het per drempel verschilt welke groepen studenten zich laten ontmoedigen of afschrikken.  

Aanbevelingen  
We doen de volgende aanbevelingen om zelfselectie onder mbo 4-studenten te verminderen:

  1. Stimuleer doorlopende leerlijnen door als mbo en hbo gezamenlijk meer passend aanbod te ontwikkelen.
  2. Beperk financiële drempels voor mbo 4-studenten om de mbo-hbodoorstroom te bevorderen. 
  3. Schenk in het mbo structureel aandacht aan het mechanisme van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces van laatstejaars mbo 4- studenten.

Vervolg  
Belemmeringen die met de keuze voor een specifieke opleiding te maken hebben, komen in een volgend rapport uitgebreid aan de orde.  

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek laat zien dat bepaalde groepen mbo-studenten zich laten afschrikken door kenmerken van het hbo, terwijl dat niet altijd terecht is. Om die reden kiezen deze mbo’ers ervoor om van het hbo af te zien. De drempels in het hbo die deze studenten ervaren worden door hen hoger ingeschat dan door andere mbo-studenten. Dit heeft te maken met de achtergrond van deze studenten en soms met bepaalde eigenschappen. Voor decanen en loopbaanbegeleiders is het relevant alert te zijn op het onderscheid tussen een ‘positieve’ keuze om niet verder te studeren - de student kan prima aan de slag op de arbeidsmarkt en ambieert dit ook -  en een ‘negatieve’ keuze om niet verder te studeren: de student zou wel graag verder gaan in het hbo, maar laat zich weerhouden door oneigenlijke motieven. Uit het onderzoek blijkt dat redenen voor zo’n ‘negatieve’ keuze te maken hebben met de duur van de hbo-opleiding, de veronderstelde moeilijkheidsgraad, studiekosten en het imago van het hbo. Studenten zonder een migratieachtergrond, met een sociaal netwerk dat negatief staat ten opzichte van het hbo, met faalangst, examenstress, of risicoaversie of met een fysieke of psychische beperking maken vaker een negatieve keuze vanwege deze drempels in het hbo dan anderen. In studiebegeleidings- en loopbaantrajecten zou hier expliciet aandacht aan besteed kunnen worden.