Verschillen in arbeidsparticipatie van mbo’ers circa een jaar na afstuderen
Berg, E. van den, Bisschop, P. ter Weel, B. Zwetsloot J. (2020)
De overstap van mbo naar arbeidsmarkt verloopt niet voor alle jongeren gelijk, en achtergrond speelt daarbij een duidelijke rol.
____________________________
Het onderzoek laat zien dat mbo‑afgestudeerden met een niet‑westerse migratieachtergrond ongeveer een jaar na diplomering minder vaak werk hebben dan andere jongeren. Dat verschil hangt voor een deel samen met opleidingskeuzes, beperkte toegang tot informele netwerken en belemmeringen bij het vinden van stage en werk. Ook ervaren deze jongeren vaker afwijzing en discriminatie, wat hun kansen verder onder druk zet. Voor de LOB‑praktijk onderstreept dit het belang van goede arbeidsmarktinformatie, gerichte begeleiding bij studiekeuze en extra steun bij het vinden van stages en banen.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit onderzoek rapporteert en verklaart verschillen in arbeidsparticipatie tussen jongeren met een Nederlandse achtergrond en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. De analyses focussen op mbo’ers die in het studiejaar 2017/2018 hun opleiding hebben afgerond. Verschillen in arbeidsparticipatie circa een jaar na afstuderen worden verklaard aan de hand van een aantal kenmerken gemeten met administratieve data. Deze kenmerken zijn mbo-opleidingsniveau, -richting en leerweg, prestaties op het vmbo, de sociaaleconomische positie van ouders, de thuissituatie bij afstuderen en een aantal andere persoonskenmerken. Aan de resultaten uit een enquête onder mbo-afgestudeerden is informatie toegevoegd over studieprestaties en -keuze, opgedane werkervaring en ervaren belemmeringen tijdens de studie, zoekgedrag en motivatie om een stageplek en baan te vinden en een aantal persoonlijkheidskenmerken.
Het verschil in arbeidsparticipatie tussen jongeren met een Nederlandse achtergrond of een westerse migratieachtergrond en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond, op basis van een sample van geënquêteerden, bedraagt 18,9 procentpunt. Circa 15 procentpunt van dit verschil kan niet worden verklaard met de kenmerken die in de administratieve en enquêtedata aanwezig zijn.
Op basis van de verzamelde gegevens is geanalyseerd in hoeverre keuzes, belemmeringen en gedrag bijdragen aan het verklaren van het verschil in arbeidsmarktkansen tussen mbo’ers met een verschillende achtergrond. Bij de studiekeuze valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond (vooral jongens) vaker opleidingsrichtingen met een lage baankans kiezen en veel minder vaak opleidingsrichtingen met de hoogste baankans, wat bijdraagt aan het verklaren van het verschil in arbeidsparticipatie. Gegeven de keuzes voor een opleiding bestaan er niet of nauwelijks verschillen in studiesucces, gemeten aan de hand van een inschatting van de eigen prestaties ten opzichte van studiegenoten en eindcijfers voor Nederlands en Engels. Keuzes van jongeren zijn vooral gebaseerd op hun interesses en gepercipieerde baankansen. Opvallend is dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker dan andere mbo’ers zeggen te kiezen op basis van baankansen, terwijl zij juist vaker terechtkomen in opleidingen met een lage baankans. Wanneer wordt geanalyseerd welke hulpbronnen jongeren inzetten bij het maken van hun studiekeuze, valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond, meer dan andere mbo’ers, waarde hechten aan gesprekken met de studieloopbaanbegeleider, loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) op school, de studiekeuzetest en het advies van docenten. Zij hebben minder vaak informele netwerken, zoals ouders, bekenden en vrienden, gesondeerd bij het maken van hun studiekeuze. Achteraf blijkt dat 27 procent van de jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond spijt heeft van hun studiekeuze, vaak omdat er naar hun eigen oordeel nauwelijks werk te vinden is dat aansluit bij hun opleiding. Stages vormen een belangrijk onderdeel van een mbo-opleiding. Het nut dat jongeren ontlenen aan hun stages is gelijk tussen groepen van verschillende herkomst, waarbij ruim 75 procent van alle jongeren hun laatste stage zeer nuttig vond. Bij het zoeken naar hun laatste stage valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker via hun opleidingsinstelling vacaturesites en stagebemiddelaars zoeken, terwijl jongeren met een Nederlandse achtergrond vaker hun netwerk inzetten en vanuit dat netwerk zijn ondersteund. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hebben in hun zoektocht naar hun laatste stage vaker belemmeringen ondervonden, vooral als gevolg van afwijzingen door bedrijven en ervaren discriminatie. Wanneer het jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond geen moeite kostte om een stageplek te vinden, dan blijkt dat de hulp die door de opleidingsinstelling is geboden daarin belangrijk was. Verschillen in de manier waarop een stageplek is gevonden en het nut dat wordt ontleend aan de stage hebben geen verklarende waarde als het gaat om de verschillen in arbeidsparticipatie.
Relevante werkervaring tijdens de opleiding kan niet alleen worden opgedaan via een stage, maar ook via een bijbaan of door het doen van vrijwilligerswerk. De meeste jongeren hebben een bijbaan die niet aansluit bij hun opleiding, dit percentage ligt met 60 procent nog hoger bij jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Daarnaast verrichten jongeren met een Nederlandse achtergrond significant vaker vrijwilligerswerk. Deze werkervaring heeft geen additionele invloed op het verklaren van het verschil in arbeidsparticipatie.
Na het afronden van de opleiding wordt ruim een derde van de jongeren met een Nederlandse achtergrond of een westerse migratieachtergrond door een werkgever gevraagd om aan het werk te gaan. Dit aandeel is significant lager bij jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Deze groep solliciteert veel vaker via formele kanalen, zoals uitzendbureaus en vacaturebanken.
Ook schrijven ze zich vaker in als werkzoekende bij gemeenten en UWV. Hulpbronnen die worden ingezet bij het vinden van werk verschillen nauwelijks; wel worden jongeren met een Nederlandse achtergrond of met een westerse migratieachtergrond wat vaker geholpen door familieleden dan andere mbo’ers. Verschillen in zoekkanalen dragen niet bij aan het verklaren van verschillen in arbeidsparticipatie. Verschillen in de mate waarin jongeren door werkgevers worden gevraagd om bij hen te komen, werken wel op de zeer korte termijn.
De houding ten aanzien van werk is vergelijkbaar tussen verschillende groepen jongeren en vormt geen additionele verklaring voor verschillen in arbeidsparticipatie. Opvallend is het verschil in de bereidheid om risico te nemen als het gaat om de eigen carrière. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond zijn vaker bereid een risico te nemen, wat er mogelijk op wijst dat zij ondernemender zijn dan jongeren met een Nederlandse achtergrond. Andere verschillen zijn zichtbaar als het gaat om prestatiegerichtheid, het nemen van de leiding en in het middelpunt van de aandacht willen staan. Ook deze verschillen wijzen op een mogelijke link met ondernemerschap, maar verklaren niet het verschil in arbeidsparticipatie.
Mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond ervaren discriminatie als het gaat om het vinden van een stageplaats en werk, wat hen voor een deel ontmoedigt. Ongeveer 1,5 procentpunt van het verschil in arbeidsparticipatie wordt hierdoor verklaard. Dat is een opvallend groot deel en vergelijkbaar met het effect dat de sociaaleconomische status van ouders of de gekozen leerweg heeft op participatie. De interpretatie van deze bevinding luistert nauw. Enerzijds gaat het om ervaren discriminatie, niet noodzakelijk om feitelijke discriminatie. Anderzijds zijn deze resultaten overeenkomstig bevindingen in de literatuur als het gaat om ervaren discriminatie en studies die met een experimenteel design vergelijkbare bevindingen rapporteren. Op basis van het geringe aantal observaties is het moeilijk om verdiepende analyses uit te voeren op dit gebied.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond (vooral jongens) kiezen vaker opleidingsrichtingen met een lage baankans en veel minder vaak opleidingsrichtingen met de hoogste baankans, wat bijdraagt aan het verklaren van het verschil in arbeidsparticipatie. Uit dit onderzoek blijkt dat 27 procent van de jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond achteraf spijt heeft van hun studiekeuze, vaak omdat er naar hun eigen oordeel nauwelijks werk te vinden is dat aansluit bij hun opleiding.
Opvallend is dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker dan andere mbo’ers zeggen te kiezen op basis van baankansen, terwijl zij juist vaker terechtkomen in opleidingen met een lage baankans. Het onderwijs kan een belangrijke rol spelen door jongeren informatie te verschaffen over arbeidsmarktperspectieven en hulp te bieden bij het zoeken van een stageplek.



