Studiekeuze en arbeidsmarkt: literatuurstudie
Fouarge, D., Künn-Nelen, A., Mommers, A. (2016)
Arbeidsmarktinformatie speelt een rol in studiekeuzes, maar het effect ervan is minder vanzelfsprekend dan vaak wordt aangenomen.
____________________________
Er is veel kennis beschikbaar over baankansen en salarissen, maar het is onduidelijk in hoeverre jongeren deze informatie daadwerkelijk gebruiken bij hun studiekeuze. Studiekeuzes worden beïnvloed door een combinatie van persoonlijke, sociale en economische factoren, waarbij ouders, school en omgeving een belangrijke rol spelen. Onderzoek laat zien dat informatie over arbeidsmarkt en beloning soms invloed heeft, maar de effecten verschillen per groep en situatie. Voor effectief gebruik in LOB is het daarom belangrijk om niet alleen informatie aan te bieden, maar ook aandacht te besteden aan timing, begeleiding en de manier waarop jongeren ermee leren omgaan.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit rapport biedt een overzicht van literatuur die ingaat op de rol die arbeidsmarktinformatie speelt in de studiekeuze van jongeren. Een belangrijke constatering is dat we betrekkelijk weinig weten over het feitelijk gebruik van arbeidsmarktinformatie bij de studiekeuze en over de vraag in welke mate het geven van informatie over arbeidsmarktperspectieven leidt tot gedragsveranderingen en daarmee tot een betere allocatie van arbeid.
Er is in Nederland veel informatie beschikbaar over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Ook zijn er diverse maatregelen genomen om het studiekeuzeproces te verbeteren, met concrete aandacht voor de arbeidsmarkt zoals bijvoorbeeld de invoering van Studie in Cijfers (studiebijsluiter). Het doel van dit soort maatregelen is het optimaliseren van het studiekeuzeproces. De beschikbaarheid van arbeidsmarktinformatie zegt echter nog niets over het daadwerkelijk gebruik ervan door studiekiezers en of deze informatie het studiekeuzeproces daadwerkelijk kan beïnvloeden. Voorliggende studie van de wetenschappelijke literatuur gaat op de volgende vragen in:
- Welke factoren spelen een rol bij studiekeuze en welke wetenschappelijke studiekeuzemodellen bestaan er?
- Zijn er relaties waarneembaar tussen (subjectieve dan wel feitelijke) omstandigheden op de arbeidsmarkt en studiekeuze? • Wie kan het studiekeuzeproces beïnvloeden?
- Zijn er vanuit de wetenschappelijke literatuur aanwijzingen dat arbeidsmarktinformatie het studiekeuzeproces beïnvloedt?
De belangrijkste uitkomsten laten zich als volgt samenvatten:
- Theorie: studiekeuzemodellen
- Economische modellen voor studiekeuze gaan uit van een rationele afweging tussen kosten en baten van onderwijs. Naarmate de (verwachte) kosten (hetzij feitelijke kosten, hetzij subjectieve kosten zoals de benodigde ‘inspanning’) van een specifieke opleiding stijgen, neemt de kans op deze keuze af, tenzij hier ook hoge(re) (verwachte) baten tegenover staan. De ingeschatte kosten en baten zijn overigens lang niet altijd realistisch.
- Statusverwervingsmodellen gaan er van uit dat de studiekeuze het product is van de gehele levensloop en van de sociale achtergrond van jongeren. Hierbij interacteren individuele factoren met sociale factoren. Sociologische literatuur laat zien dat er sprake is van intergenerationele overdracht van sociaal-economische status.
- Multidisciplinaire combinatiemodellen verbinden elementen uit de economische modellen en de statusverwervingsmodellen. Deze modellen suggereren verschillende ‘fasen’ in het studiekeuzeproces: een fase van voorkeursvorming, een fase van selectie en een fase van evaluatie/keuze. Deze modellen beschouwen een brede set van determinanten in het keuzeproces: individuele determinanten, contextuele determinanten, karakteristieken van de school waar men vandaan komt en karakteristieken van de instelling van vervolgonderwijs.
- Volgens de modellen kan de arbeidsmarkt een rol spelen in de studiekeuze via algemene contextuele omstandigheden zoals de economische omstandigheden en de vraag naar specifieke beroepen. Anderzijds spelen media en andere sociale beïnvloeders ook een rol. Deze kunnen arbeidsmarktinformatie overbrengen aan jongeren (denk hierbij aan media-aandacht voor krapteberoepen en de rol van loopbaanbegeleiders en studieadviseurs) of deze juist níét overbrengen (denk aan onvolledige/gekleurde informatie via marketing).
- Empirie: samenhang studiekeuze en baankansen en loon
- De mate waarin de opleidingsinstroom ‘gevoelig’ is voor de baankansen van die opleidingen, lijkt van opleiding tot opleiding te verschillen. Er zijn aanwijzingen dat sommige opleidingen vooral sensitief zijn voor lange-termijnontwikkelingen in baankansen (bijvoorbeeld vo-lerarenopleiding) terwijl andere opleidingen vooral gevoelig zijn voor veranderingen op korte termijn (bijvoorbeeld IT-opleidingen). Ook zijn er aanwijzingen dat sommige opleidingen niet of nauwelijks conjunctuurgevoelig zijn (bijvoorbeeld architectuur).
- In veel studies is een positief verband gevonden tussen de salarissen van afgestudeerden uit bepaalde opleidingen en de instroom in die opleidingen. Vooral de voorspelde opbrengsten op langere termijn lijken een rol te spelen, en vooral jongeren uit lage sociaal-economische milieus reageren op loonsignalen.
- Diverse onderzoekers zijn echter kritisch over de omvang van het verband tussen loon en gekozen studierichting. Studenten blijken ook hun salarisverwachtingen per afstudeerrichting aan te passen als zij relevante informatie aangeboden krijgen. Het verband tussen gekozen studierichting en loonverwachtingen zou dan ook sterker zijn als studiekiezers van een betere informatievoorziening gebruik zouden kunnen maken.
- Empirie: samenhang studiekeuze en studiebegeleiding en loopbaaninformatie
- Loopbaanbegeleiding (bijvoorbeeld door decanen en docenten) kan bijdragen aan minder spijt en een soepelere overgang tussen opleiding en arbeidsmarkt. Hoewel niet altijd duidelijk is wat die begeleiding behelst, zijn enkele succesvolle voorbeelden:
- Middelbare scholieren die studiebegeleiding hebben ontvangen, zijn minder vaak van mening dat ze liever een andere opleiding hadden willen volgen. Met name jongeren van laagopgeleide ouders lijken baat te hebben bij de studiebegeleiding.
- Jongeren die in contact zijn gekomen met loopbaaninformatiecentra maken een soepelere transitie van school naar werk: ze hebben een grotere kans op het vinden van een baan en ze raken ook minder vaak hun baan kwijt in de eerste jaren na instroom op de arbeidsmarkt. •
- Loopbaanbegeleiding (bijvoorbeeld door decanen en docenten) kan bijdragen aan minder spijt en een soepelere overgang tussen opleiding en arbeidsmarkt. Hoewel niet altijd duidelijk is wat die begeleiding behelst, zijn enkele succesvolle voorbeelden:
- Empirie: samenhang studiekeuze en ouders en vrienden
- Ouders zijn medebepalend in de studiekeuze van kinderen. Zo hebben ouders die meer sturend zijn, meer invloed op de studiekeuze van hun kinderen. Ouders kijken eerder naar programma-inhoud en kosten van studeren, terwijl jongeren vooral naar sociale aspecten kijken. Voor beleid betekent dit dat er behoefte is aan een gedifferentieerde bewustwordingsaanpak om ouders en jongeren te bereiken. Ook vrienden kunnen een belangrijke factor spelen, bijvoorbeeld doordat men naar dezelfde opleiding wil gaan, of doordat vrienden als informant fungeren.
- Empirie: Experimentele studies naar effect van arbeidsmarktinformatie
- Het aantal experimentele studies naar de rol van arbeidsmarktinformatie op de studiekeuze is beperkt en laat een divers beeld zien (van geen effecten tot grote effecten). Dat laatste komt uit verschillen in institutionele context, de operationalisering van studiekeuze, en het soort informatie dat aan de studiekiezer gegeven wordt en de experimentele setting.
- Op enkele studies na blijken jongeren vaker wel dan niet te reageren op feitelijke arbeidsmarktinformatie. Zij kunnen dus – in ieder geval voor een deel – als rationele actoren in het keuzeproces beschouwd worden. Het effect van informatie blijkt echter (op niet eenduidige manier) te verschillen naar sociaaleconomische status: sommige studies vinden vooral effecten voor jongeren uit gezinnen met een lage sociaal-economische status, terwijl andere studies vooral effecten vinden voor jongeren uit gezinnen met een hoge sociaaleconomische status.
Het beschikken over arbeidsmarktinformatie over verwachte ontwikkelingen in vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en over de beloning na afstuderen verkleint het informatieprobleem van studiekiezers. Dit kan leiden tot een optimalere keuze. Vanuit beleid is het dan ook zaak om te blijven investeren in objectieve, laagdrempelige en praktisch toepasbare informatie. Daarnaast dient verder uitgezocht te worden hoe de gevoeligheid van studenten voor arbeidsmarktontwikkelingen geïntensiveerd kan worden.
Bij optimale studiekeuzes gaat het dus niet alleen om de beschikbaarheid van informatie, maar ook om de wijze waarop deze informatie het keuzeproces kan beïnvloeden alsmede om het type informatie dat verschaft wordt. Ook is meer kennis nodig over het moment waarop studiekiezers het best geïnformeerd zouden moeten worden (c.q. zich zouden moeten laten informeren). Op dit soort aspecten zou vervolgonderzoek zich kunnen richten, bijvoorbeeld door middel van een experiment in een Nederlandse setting.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het beschikken over informatie over verwachte ontwikkelingen in vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en over de beloning na afstuderen verkleint het informatieprobleem van studiekiezers.
Dit kan leiden tot een optimalere keuze.



