LOB-onderzoeksbank

Expertisepunt LOB
< overzicht

Onbedoelde zelfselectie: drempels die jongeren weerhouden om voor een specifieke opleiding te kiezen

Inspectie van het Onderwijs (2022)

Onbedoelde zelfselectie speelt een grotere rol in studiekeuzes dan vaak wordt gedacht en kan kansen in het hoger onderwijs beperken.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat studenten hun opleidingskeuze niet alleen baseren op inhoud, maar ook op ervaren drempels zoals selectie, kosten en taal. Deze drempels beïnvloeden sommige groepen sterker, bijvoorbeeld studenten met faalangst of minder ervaring met het hoger onderwijs. Hierdoor kiezen zij soms voor een andere opleiding dan hun eerste voorkeur. De resultaten benadrukken het belang van bewustwording van deze mechanismen en gerichte begeleiding om keuzes beter te onderbouwen.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Dit is het tweede onderzoek naar zelfselectie op weg naar het hoger onderwijs, uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul. Het eerste onderzoek ging in op zelfselectie bij de afweging wel of niet verder te studeren na afronding van een mbo-4-opleiding. 

Dit tweede rapport - tevens het eindrapport - beschrijft welke de rol zelfselectie speelt bij de afweging die mbo-4-studenten en havo- en vwo-scholieren maken om al dan niet voor hun favoriete opleiding in het hoger onderwijs te kiezen. Daarbij is gekeken naar drempels in opleidingen (zoals de selectieprocedure of de taal), achtergrondkenmerken van studenten (zoals geslacht of de opleiding van ouders) en naar specifieke persoonlijkheidskenmerken (zoals faalangst of risicoaversie).

Met een vraqenlijst- en een vignettenonderzoek zijn drempels in opleidingen en kenmerken van aspirant studenten onderzocht: welke drempels en kenmerken veroorzaken dat aspirant studenten wel voor de ene en niet voor de andere opleiding kiezen? De drempels en kenmerken die in het onderzoek zijn opgenomen, zijn afgeleid uit wetenschappelijke literatuur en lopende discussies in het onderwijsveld. Hier volgen de belangrijkste uitkomsten.

Conclusies  
Zowel kenmerken van leerlingen en studenten als drempels in opleidingen zijn van invloed op zelfselectie. Sommige drempels zijn voor bepaalde groepen mbo-4- studenten en havo- en vwoleerlingen hoger dan voor anderen.  

Wie kiest er voor decentrale selectie? En wie kiest voor een opleiding die loot?  
Eerst is vo-leerlingen en mbo-studenten gevraagd of ze zouden kiezen voor een selectieve opleiding. Dit is gevraagd voor selectieve opleidingen met decentrale selectie en voor selectieve opleidingen die loten. Sommige groepen studenten blijken minder geneigd zijn te kiezen voor decentrale selectie of loting dan andere groepen studenten. Zo hebben persoonlijkheidskenmerken (leen- en risicoaversie) bij zowel mbo’ers als bij havisten en vwo’ers een negatieve invloed op het kiezen voor een opleiding die decentraal selecteert. Het sociale netwerk speelt een negatieve rol bij zowel mbo’ers, havisten als vwo’ers in de neiging te kiezen voor een opleiding die loot. Bij de keuze voor een opleiding die loot zijn ook het inkomen van de ouders voor mbo’ers en de opleiding van de ouders voor havisten van invloed. Een relatief laag inkomen en relatief laag opgeleide ouders maken de keuze voor een opleiding die loot minder waarschijnlijk. Deze resultaten laten nog niet zien of de betreffende aspirant studenten wél voor de opleiding hadden gekozen als er geen sprake was van selectie. Om dit aan te tonen is zogeheten vignettenonderzoek uitgevoerd. Een vignet is een situatieschets waarin kenmerken van opleidingen worden gevarieerd. De respondenten worden bij verschillende vignetten gevraagd wat zij onder die omstandigheden zouden doen.  

Wie ziet af van een opleiding vanwege kenmerken van die opleiding?  
Het vignettenonderzoek laat zien dat bepaalde groepen studenten minder vaak kiezen voor een opleiding met een drempel dan voor eenzelfde ‘drempelloze’ opleiding. Deze groepen zien ook in sterkere mate af van opleidingen met een drempel dan anderen. De groepen studenten die vanwege drempels in het hoger onderwijs meer geneigd zijn tot zelfselectie zijn zeer divers en wisselen per drempel. Voor de drie grootste drempels geldt het volgende:  

  • Engels als instructietaal vormt onder mbo’ers vooral een drempel voor vrouwen, studenten met faalangst en studenten met een Nederlandse achtergrond. Onder havisten gaat dit op voor vrouwen, leerlingen van wie de ouders geen wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, leerlingen met examenstress en voor leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Voor de gemiddelde vwo’er is deze drempel niet bijzonder hoog, maar faalangstige vwo’ers en vwo’ers met een Nederlandse achtergrond hebben wel iets meer last van deze drempel dan andere vwo’ers.
  • Als een opleiding extra kosten vraagt vormt dit onder mbo’ers vooral een drempel voor vrouwen en studenten met faalangst. Onder vwo’ers geldt dit met name voor de leerlingen met ouders uit de lagere-inkomensgroepen, leerlingen die ooit zijn blijven zitten en voor leerlingen met examenstress. 
  • Een ongelukkige timing van de selectieprocedure (bijvoorbeeld vlak voor het eindexamen) is een extra hoge drempel voor oudere mbo’ers, voor mbo’ers die een westerse migratieachtergrond hebben, die hbo-opgeleide ouders hebben, uit de lagereinkomensgroepen komen of die een leenaversie hebben. Onder vwo’ers zijn het de oudere leerlingen, leerlingen met een leenaversie of leerlingen met examenstress die er bovengemiddeld last van hebben.  

De omvang van de groep die uitvalt door zelfselectie verschilt. Sommige drempels hebben weinig zelfselectie tot gevolg, ook doordat bepaalde risicogroepen klein zijn. Daardoor is zelfselectie onder bijvoorbeeld faalangstige vo-leerlingen en mbo-studenten niet snel zichtbaar in instroomcijfers.  

Aanbevelingen  
De inspectie beveelt aan dat vooropleidingen en opleidingen in het hoger onderwijs structureel en tijdig aandacht besteden aan het mechanisme van onbedoelde zelfselectie bij de keuze voor vervolgonderwijs van verschillende groepen mbo-4- studenten, havisten en vwo’ers. Houd daarbij rekening met verschillen tussen aanleverend onderwijs (mbo, havo en vwo) en met verschillen tussen kwetsbare groepen. Aan hoger onderwijs-opleidingen die wijzigingen overwegen die mogelijke drempels opwerpen, wordt aanbevolen het risico van zelfselectie te betrekken in de afweging tussen alternatieven. Tenslotte beveelt de inspectie in het kader van de kansengelijkheidsagenda aan de inzichten in mechanismen van onbedoelde zelfselectie te benutten bij het bevorderen van kansengelijkheid.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek toont aan dat leerlingen en studenten soms voor een andere opleiding in het hoger onderwijs kiezen dan voor de opleiding die hun voorkeur heeft. Dit heeft dan niet te maken met de inhoud van de opleiding of met de kwalificaties van de kandidaat, maar met bezwaren die hier los van staan. Dergelijke bezwaren, of drempels die worden ervaren, zijn bijvoorbeeld de instructietaal, extra kosten, of het feit dat er wordt geselecteerd. Sommige groepen scholieren en studenten zijn hier gevoeliger voor dan anderen. Dat laatste maakt het des te belangrijker hier in het studiekeuzetraject alert op te zijn. Kiest deze scholier of student voor een vervolgopleiding vanuit een faalangstig perspectief, of vanuit de context dat thuis geen ervaring met het hoger onderwijs is en ziet hij daarom drempels die er vanuit een ander perspectief niet – of in mindere mate - zijn? Aandacht in studiekeuzebegeleiding voor keuze-overwegingen die losstaan van de inhoud van opleidingen kan een ander licht werpen op het hoger onderwijs.  
Aandacht voor bijvoorbeeld Engels als instructietaal of aandacht voor het risico van falen bij selectieve opleidingen kan helpen bij een weloverwogen keuze voor een vervolgstudie.