Effectiviteit van LOB-interventies
Arie Gelderblom, Loïs Hardonk, Jaap de Koning, Elisa de Vleeschouwer (2021)
Internationaal onderzoek laat zien dat loopbaanoriëntatie en ‑begeleiding aantoonbaar bijdraagt aan onderwijs- en arbeidsmarktsucces.
____________________________
De literatuur laat overwegend positieve effecten zien van LOB, zowel op studieprestaties als op latere positie op de arbeidsmarkt. Er blijken weinig verschillen te zijn in effectiviteit tussen typen interventies, maar de uitvoering en intensiteit maken wel verschil. Vooral voor bepaalde groepen, zoals leerlingen met een migratieachtergrond of lagere prestaties, is de impact relatief groot. Tegelijk is meer onderzoek nodig naar welke werkzame elementen het sterkst bijdragen en hoe verschillende interventies elkaar kunnen versterken.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Deze internationale literatuurstudie naar de effectiviteit van interventies op het gebied van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) geeft een stevig bewijs voor positieve effecten van LOB, inclusief baten op de arbeidsmarkt. Deze positieve effecten komen terug bij diverse typen interventies en bij specifieke doelgroepen.
Effectiviteit LOB-interventies: het globale beeld Deze verzameling van studies geeft een stevig bewijs voor positieve effecten van LOB op de drie genoemde typen resultaten (onderwijsresultaten, economische resultaten en andere, “sociale”, resultaten). Er zijn weinig studies die negatieve uitkomsten geven. Zowel in de studie van Hughes e.a. als in onze eigen database is het aantal studies met overwegend positieve uitkomsten groter dan het aantal studies die niet eenduidig zijn. Dit geldt zeker ook voor de economische resultaten. Dit wijst erop dat LOB ook op langere termijn baten oplevert op de arbeidsmarkt.
Verschillen naar typen interventies, doelgroepen en vorm en uitvoering: We kunnen uit de studies niet afleiden welke LOB-instrumenten het meest of het minst effectief zijn. De verschillen tussen verschillende typen interventies zijn veelal beperkt. Bovendien geldt dat voor zover verschillen optreden in onze database, het beeld voor deze interventies weer anders ligt bij soortgelijke interventies bij Hughes e.a.. Soms is het aantal waarnemingen ook te klein om harde conclusies te trekken.
In de onderzochte Europese studies zijn er zeven die aparte effectmetingen hebben voor groepen met een achterstand. Dit zijn moeilijk lerende kinderen, kinderen in de laagste trap van het voortgezet onderwijs (zoals in Nederland vmbo-leerlingen), kinderen met een migratieachtergrond of kinderen uit gezinnen met laagopgeleide of werkloze ouders. Er is waarschijnlijk een grote overlap tussen deze ‘doelgroepen’. Uit zes van de zeven studies komt naar voren dat LOB effectiever is voor dergelijke ‘doelgroepen’ dan voor andere leerlingen; de zevende studie vindt geen verschil. Omdat het aantal studies die naar doelgroepen kijkt beperkt is, moet dit als indicatief worden gezien, niet als hard bewijs. Het meeste bewijs is er voor de relatief hoge effectiviteit voor kinderen met een migratieachtergrond en voor kinderen die op een relatief laag niveau presteren.
Ten slotte hebben we gekeken naar de invloed van vorm en uitvoering op de instrumenten. In vijf studies is onderzocht of de intensiteit van een LOB-instrumenten invloed heeft op de effectiviteit van het instrument. Dit betreft dan bijvoorbeeld het aantal gesprekken met een begeleider of mentor, het aantal stages of de stageduur. Al deze studies vinden een positieve relatie tussen de intensiteit en het effect van het LOB-instrument. Ook zijn er diverse studies die wijzen op het positieve effect van professionalisering (de meeste van deze studies hebben betrekking op het inschakelen van externe professionals, maar ook een enkele studie op professionalisering van docenten). Enkele bestaande overzichtsstudies wijzen op het belang van methodische inrichting van de interventie. Zij wijzen erop dat niet zozeer het uitvoeren van een interventie bepalend is, maar de wijze waarop dit is ingericht. Hierbij wordt gewezen op aspecten als: actieve werkvormen en participatie (inclusief informatie over de wereld van het werk en carrièrepatronen), inbedding in een breder curriculum, geïndividualiseerde feedback, het gebruik van rolmodellen en mobiliseren van steun in eigen netwerk van leerlingen.
Lacunes: Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat door vergelijking tussen studies, en soms ook analyses binnen studies, wel enige voorzichtige conclusies zijn te trekken over de werkzame mechanismen van LOB. Op veel aspecten is het aantal beschikbare studies echter (te) klein om harde uitspraken te doen. In veel individuele studies is er ook betrekkelijk weinig aandacht voor een meer diepgaande toets op achterliggende mechanismen waarom een positief effect wordt gevonden. Meer diepgaande analyses hiervan zouden helpen om interventies zodanig in te richten dat de effectiviteit versterkt kan worden.
Uit de studies is betrekkelijk weinig bekend over de onderlinge relatie tussen LOB-instrumenten. Er wordt in het onderwijs wel gesteld dat LOB-instrumenten alleen als onderdeel van een pakket effectief zijn. Uit de studies komt echter naar voren dat instrumenten ook een zelfstandig effect hebben. Maar dan kan het nog steeds zo zijn dat de effectiviteit van een instrument mede afhangt van de inzet van andere instrumenten. Dit onderlinge effect kan in theorie zowel verzwakkend als versterkend zijn. Hierover is uit de studies weinig bekend. Er is wel een overzichtsstudie over vormaspecten die laat zien dat de afzonderlijke positieve effecten van een aantal vormaspecten in ieder geval optellen, dus dat de combinatie hiervan het meest optimale effect oplevert.
Een ander aandachtspunt is dat Nederland een eigen situatie kent in het keuzeproces waarbij stapsgewijs een profielkeuze en vervolgens een keuze voor een vervolgopleiding plaatsvindt. Omdat in de profielkeuze voor een belangrijk deel wordt voorgesorteerd op latere keuzes, is voldoende aandacht in (Nederlands) onderzoek voor de rol van LOB in dit stadium van belang
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Behalve het algemene belang van LOB, onderstreept deze studie de toegevoegde waarde van LOB voor doelgroepen, zoals jongeren met een migratieachtergrond, of laagopgeleide ouders. Het is dan ook belangrijk dat deze groepen bij LOB voldoende aan bod komen en bereikt worden.
Tevens geven diverse studies aan dat de wijze van uitvoering van LOB van belang is voor de effectiviteit, zoals de intensiteit van LOB-instrumenten en de mate van professionalisering. In de samenvatting hierboven zijn nog andere voorbeelden genoemd van het belang van de wijze van inrichting van de interventies.



