LOB-onderzoeksbank

Expertisepunt LOB

Ben je bezig met het versterken van het LOB-beleid van jouw school of samenwerkingsverband? Of bereid je jezelf voor op een praktijkgericht onderzoek dat je op jouw school gaat uitvoeren? Hier vind je op toegankelijke wijze LOB-onderzoeken over thema’s zoals loopbaangesprekken of professionalisering. Van ieder onderzoek is een samenvatting beschikbaar, ook is kort beschreven hoe je de betreffende publicatie kunt gebruiken voor de LOB-praktijk.

Ben je zelf onderzoeker en mis je jouw LOB-onderzoek? Stuur ons een bericht: info@expertisepuntlob.nl

Deze databank wordt periodiek aangevuld met nieuwe LOB-onderzoeken.

We werken momenteel aan het vernieuwen van de filters op deze site. Daardoor zijn de filters tijdelijk nog niet actief of werken niet correct. In de komende periode worden deze weer ingericht en aangevuld, zodat je straks nog makkelijker passende voorbeelden kunt vinden.

Onderwijs
Jaartal
Soort publicatie

Technologie verslechtert arbeidsmarktkansen van mbo’ers

Ter Weel, B., Zwetsloot, J., Bisschop, P. (2021)

De vraag naar arbeid verandert als gevolg van technologische ontwikkelingen. Met name beroepen met veel routinematige taken staan onder druk. Welke effecten heeft dit voor de arbeidsmarktkansen van mbo’ers, en wat zijn de aandachtspunten voor beleidsmakers? IN HET KORT

  • Arbeidsmarktkansen voor mbo’ers zijn verslechterd, vooral in beroepen met veel routinematige taken.
  • Jongeren met een migratieachtergrond studeren vrij vaak af in beroepen met relatief veel routinematige taken.
  • Vooral jongeren die een mbo-3-opleiding afronden, hebben last van de gevolgen van recente technologische verandering.

De bevindingen wijzen op afnemende arbeidsmarktkansen voor bepaalde mbo-opleidingen. Deze teruglopende kansen hangen samen met de mate waarin de taken in de beroepen waartoe wordt opgeleid routinematig van aard zijn. De schattingen zijn consistent met de polarisatiebevindingen in andere studies. Deze studie is relevant voor de Commissie macrodoelmatigheid mbo, omdat zij adviseert over het arbeidsmarktperspectief van opleidingen. Dit perspectief is bij een aantal opleidingen sterk gedaald in het afgelopen decennium, wat zou kunnen leiden tot een ander oordeel over opleidingen. De resultaten laten ook zien dat de studentenkeuzes ondanks de veranderde baankansen nauwelijks zijn veranderd. Nog steeds kiest een aanzienlijk deel van vooral de niet-westerse jongeren voor een beroep dat over tijd minder kansrijk is geworden.

Vooral docenten en mentoren in het mbo en vmbo, maar ook studiebegeleiders, stagebegeleiders en loopbaanbegeleiders in het algemeen, zouden deze keuzes sterker kunnen beïnvloeden door te wijzen op arbeidsmarktkansen en ook door eventuele belemmerende stigma’s over meer kansrijke opleidingen weg te nemen. Ten slotte laten onze schattingen zien dat de arbeidsmarktkansen voor mbo’ers in het algemeen in de periode 2007–2016 eerder zijn afgenomen dan toegenomen. Dat is niet het geval voor de arbeidsmarktkansen van jongeren die een hbo- of wo-opleiding afronden en de arbeidsmarkt betreden (Bisschop en Zwetsloot, 2020). Dit geeft aan dat het ‘middensegment’ van de arbeidsmarkt onder druk staat. De overheid zou samen met mbo-instellingen en werkgevers moeten bezien wat er nodig is om het beroepsonderwijs van nieuw perspectief te voorzien. Het gaat immers om een zeer grote groep die jaarlijks de arbeidsmarkt betreedt.

Vooral docenten en mentoren in het mbo en vmbo, maar ook studiebegeleiders, stagebegeleiders en loopbaanbegeleiders in het algemeen kunnen deze keuzes beïnvloeden door te wijzen op arbeidsmarktkansen en ook door eventuele belemmerende stigma’s over meer kansrijke opleidingen weg te nemen.

>

Kansrijk opgroeien in de BRainport-regio door loopbaanoriëntatie en sociaal emotioneel leren

SKB, Jinc, Impact Foundation (2025)

De Brainport-regio is een regio die volop in beweging en economisch gezien één van de snelst groeiende regio’s van Nederland. Deze groei gaat echter gepaard met een toenemende krapte op de
arbeidsmarkt, vooral in de kernsectoren én tegelijkertijd een regio waarin 16,6% van de mensen moeite heeft om rond te komen. Met alle gevolgen van dien; zeker voor de kansengelijkheid voor alle
kinderen en jongeren in de regio. Die staat stevig onder druk. Kinderen die opgroeien in een kansarme situatie hebben op school significant minder kansen om zich te ontwikkelen dan kinderen uit
welgestelde gezinnen. Daarmee is er sprake van een negatieve spiraal, want goed onderwijs is nu juist cruciaal voor de ontwikkeling van sociaal en cultureel kapitaal, gezonder gedrag, een grotere kans
op werk, (sociale) veiligheid, burgerschap en sociale cohesie. Kansenongelijkheid heeft een groot ondermijnend effect op maatschappij, economie en democratie nog even los van de effecten op het
individuele kind.

De gesprekken en inzichten uit dit onderzoek laten zien dat loopbaanoriëntatie (LOB) veel meer is dan leerlingen helpen bij een studie- of beroepskeuze. Juist voor kinderen en jongeren die opgroeien met minder kansen kan LOB een belangrijke bijdrage leveren aan kansengelijkheid. Daarvoor is wel een andere manier van kijken nodig.

Allereerst vraagt LOB om een doorlopende leerlijn die al in het primair onderwijs begint en doorloopt tot de arbeidsmarkt. Nu komen veel leerlingen pas laat in aanraking met beroepen en de wereld van werk, terwijl juist vroege ervaringen helpen om talenten te ontdekken, interesses te ontwikkelen en weloverwogen keuzes te maken. LOB moet daarom niet bestaan uit losse activiteiten, maar uit een samenhangend ontwikkelproces.

Daarnaast onderstreept het onderzoek het belang van ervaringsgericht leren. Leerlingen leren niet alleen door over beroepen te horen, maar vooral door mensen te ontmoeten, bedrijven te bezoeken, praktijkervaring op te doen en in gesprek te gaan met professionals. Zeker voor jongeren die thuis weinig voorbeelden of een beperkt netwerk hebben, zorgen deze ervaringen voor een bredere horizon en nieuwe toekomstperspectieven.

Ook wordt duidelijk dat loopbaanontwikkeling niet los kan worden gezien van sociaal-emotionele ontwikkeling. Zelfvertrouwen, veerkracht, zelfkennis en reflectievermogen vormen de basis voor het maken van passende keuzes. Investeren in sociaal-emotioneel leren is daarmee tegelijkertijd investeren in betere loopbaankeuzes.

Tot slot vraagt een sterke LOB-praktijk om samenwerking. Scholen kunnen deze opdracht niet alleen uitvoeren. Bedrijven, maatschappelijke organisaties, ouders en gemeenten spelen allemaal een rol in het bieden van betekenisvolle ervaringen, rolmodellen en netwerken. Juist die samenwerking vergroot het sociaal kapitaal van kinderen en jongeren en helpt hen kansen te benutten die anders buiten bereik zouden blijven.

De belangrijkste les uit dit onderzoek is dan ook dat LOB niet primair draait om het kiezen van een opleiding, maar om het vergroten van de mogelijkheden van kinderen en jongeren. Door structureel te investeren in zelfkennis, praktijkervaring, ontmoetingen en een sterk netwerk ontstaat een vorm van loopbaanontwikkeling die niet alleen leidt tot betere keuzes, maar ook daadwerkelijk bijdraagt aan meer kansengelijkheid.

>

De transitie van mbo naar hbo: wat werkt en wat versterkt?

Auteurs: Muja, A., Broek, A. van den, Luyten, E., Mensvoort, C. van, Kievitsbosch, A., Kamans, E. & Vugteveen, J.

Een praktijkgericht onderzoek naar de effectiviteit van (onderwijs)activiteiten in mbo en hbo om de transitie van mbo naar hbo te versoepelen.

Het verbeteren van de mbo-hbo transitie is van groot belang, omdat deze overgang gepaard gaat met een hoge uitval en een laag studie- en studentsucces in het hbo. Meer inzicht is nodig in wat effectieve aanpakken zijn om de overgang succesvol te laten verlopen.

Dit onderzoek heeft betrekking op opbrengsten van onderwijsactiviteiten aan 'beide zijden van de poort’:

  1. mbo-activiteiten, waaronder keuzedelen, gericht op voorbereiding op een vervolgopleiding en
  2. hbo-activiteiten (met name de ‘Eerste 100 dagen’-programma’), gericht op een betere landing in het hbo).

Binnen het samenwerkingsverband Succesvolle doorstroom mbo-hbo Noord-Nederland werken mbo-instellingen en hogescholen samen om de overgang van mbo naar hbo te versoepelen. Dit gebeurt met concrete voorlichtings- en aansluitingsactiviteiten.

Doel van dit onderzoek is het achterhalen in hoeverre (werkzame bestanddelen en mechanismen van) de onderwijsactiviteiten in het mbo en hbo op zichzelf of in combinatie leiden tot studie- en studentsucces van studenten die vanuit het mbo doorstromen naar het hbo. Dit onderzoek is gebaseerd op een documentanalyse, diepte-interviews met docenten en studenten, een cohortstudie (vragenlijsten onder studenten)  en een kwalitatieve terugblik van studenten met een mbo-achtergrond op hun eerste jaar in het hbo.

>

Navigating educational choice

Auteur A.N. de Vries

Navigating educational choices: Supporting students’ person-environment fit and identity development in relation to academic success.

Sommige mensen weten al van jongs af aan wat ze later willen worden en anderen hebben geen idee. Toch is het maken van een studiekeuze voor het hoger onderwijs voor veel jongeren een lastige keuze. Regelmatig verschijnen er koppen in de krant die hierop duiden, zoals “Prinses Alexia twijfelt nog over studiekeuze: ‘Ik ben niet de enige met keuzestress’ ” (Algemeen Dagblad; Schmale & Boender, 2024) of “Bestuurskunde was geen succes, bierbrouwer bleek een droomopleiding” (NRC; Kammer, 2024). Het maken van een studiekeuze is een complex proces gezien, omdat veel adolescenten nog niet de vaardigheden hebben om hun keuzeproces te sturen, ze geconfronteerd worden met veel keuzemogelijkheden, en omdat ze vaak moeite hebben met de druk om een “goede” keuze te maken. 
In Nederland valt jaarlijks ongeveer een kwart tot een derde van de eerstejaars studenten in het hoger onderwijs uit (van den Broek et al., 2023). De helft van hen geeft achteraf aan dat ze een “verkeerde” studiekeuze hebben gemaakt. Zo’n “verkeerde” studiekeuze heeft veel impact op het welzijn van studenten en kan naast uitval ook leiden tot andere negatieve gevolgen, zoals verminderd zelfvertrouwen (Hoeschler & Backes-Gellner, 2017) en financiële problemen (Schneider & Yin, 2011). Ook voor de maatschappij als geheel kunnen “verkeerde” studiekeuzes leiden tot negatieve gevolgen, met name omdat studeren in het hoger onderwijs grotendeels van publiek geld wordt gefinancierd. 
Om meer inzicht te bieden in deze problematiek, richt wetenschappelijk onderzoek naar studiekeuzes zich meestal op één van twee verschillende benaderingen. De eerste benadering benadrukt individuele verschillen tussen aankomende studenten en neemt aan dat een “goede” studiekeuze past bij de unieke combinatie van persoonlijke kenmerken van iedere student (bijv., Holland, 1997). Ik noem een “goede” studiekeuze daarom ook liever een passende studiekeuze, want dé goede keuze bestaat niet. Er zijn immers altijd meerdere studies die goed bij iemand kunnen passen. De tweede benadering is ontwikkelingsgericht en ziet het studiekeuzeproces als een belangrijk onderdeel van identiteitsontwikkeling in het leven van adolescenten (bijv., Super, 1990). Hoewel beide benaderingen elkaar aanvullen, is het wetenschappelijk onderzoek nog vaak gericht op één van beide. Dat is een gemiste kans om inzicht te krijgen in de manier waarop docenten, decanen en andere loopbaanbegeleiders studenten kunnen ondersteunen in het navigeren door het complexe studiekeuzeproces om tot een passende studiekeuze te komen. 
In dit proefschrift integreer ik beide benaderingen om een beter begrip te krijgen van hoe het studiekeuzeproces interacteert met het maken van een passende studiekeuze. Ik richt me hierbij op aankomende studenten in het hoger onderwijs in Nederland. Ik onderzoek hoe zij optimaal kunnen worden ondersteund bij hun studiekeuzeproces, met als doel hen te helpen om een studie die past bij hun persoonlijke kenmerken te kiezen en hun studiesucces te vergroten.
 

Lees verder in de bijlage bij dit artikel

>

A Head Start into Higher Education

Sanne G. A. van Herpen (EUR, 2019)

Een succesvolle overgang naar het hoger onderwijs hangt minder af van motivatie vooraf en meer van wat studenten doen en ervaren in de eerste fase na instroom.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat de overgang naar het hoger onderwijs een proces is waarin studenten zich moeten aanpassen aan nieuwe eisen en een andere leeromgeving. Factoren zoals studie-inzet, sociale interactie en het gevoel ergens bij te horen blijken bepalend voor succes in het eerste jaar. Verwachtingen en zelfvertrouwen veranderen vaak zodra studenten starten en worden beïnvloed door hun ervaringen. Gerichte ondersteuning, vooral in de beginfase, helpt studenten om actiever te studeren en beter hun plek te vinden binnen de opleiding.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit proefschrift onderzoekt hoe studenten beter ondersteund kunnen worden bij de overgang van het voortgezet onderwijs naar het hoger onderwijs (HO), een fase waarin veel studenten moeite hebben en relatief vaak uitvallen in het eerste jaar. De overgang wordt beschreven als een proces met meerdere fasen: voorbereiding (studiekeuze en afronden van het vo), kennismaking (eerste ervaringen in het HO) en aanpassing (leren omgaan met de nieuwe eisen en omgeving). In deze fasen krijgen studenten te maken met belangrijke uitdagingen, zoals het kiezen van een passende opleiding, het opbouwen van sociale relaties en het ontwikkelen van vertrouwen in hun eigen kunnen. 

Uit het onderzoek blijkt dat factoren die vóór de start van de studie spelen, zoals studiekeuzemotieven en het geloof in eigen kunnen, nauwelijks voorspellen hoe succesvol studenten daadwerkelijk zijn in hun eerste studiejaar. Deze motivatie en verwachtingen veranderen vaak zodra studenten starten, doordat zij nieuwe ervaringen opdoen en geconfronteerd worden met andere eisen. Factoren tijdens de overgang zelf blijken belangrijker: studie-inzet, sociale interactie (met medestudenten en docenten) en het gevoel ergens bij te horen spelen een cruciale rol in het studiesucces van eerstejaarsstudenten.

Een belangrijk inzicht is dat studie-inzet (hoeveel moeite studenten doen voor hun studie) een sterke indicator is voor succes, vooral wanneer die inzet al zichtbaar is in het laatste jaar van het voortgezet onderwijs. Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat de relatie tussen inzet en prestaties in het begin niet altijd eenvoudig is: sommige studenten halen met relatief weinig inzet toch voldoende resultaten, terwijl anderen ondanks veel inzet moeite hebben met de overgang. Dit wijst erop dat niet alleen de hoeveelheid inzet, maar ook de kwaliteit ervan (bijvoorbeeld leerstrategieën) belangrijk is.

Daarnaast blijkt dat het geloof in eigen kunnen (self-efficacy) tijdens de overgang dynamisch verandert. Studenten starten vaak zelfverzekerd, maar dit vertrouwen neemt af wanneer zij tegenvallende resultaten behalen. Het geloof in eigen kunnen lijkt daardoor eerder een gevolg van ervaringen in het hoger onderwijs dan een voorspeller van succes.

Het proefschrift laat ook zien dat gerichte ondersteuning vóór de start van de studie effectief kan zijn. Het zogenoemde pre-academic programme – een interventie vlak vóór de start – helpt studenten om beter contact te leggen met docenten en medestudenten, actiever deel te nemen en hun studiegedrag aan te passen. Studenten die hieraan deelnamen, rapporteerden betere interacties en behaalden betere studieresultaten dan studenten die niet deelnamen. Dit onderstreept het belang van voorbereiding op de sociale en studievaardigheden die nodig zijn in het HO. 

De belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat een succesvolle overgang naar het hoger onderwijs niet zozeer afhankelijk is van motivatie vooraf, maar vooral van wat er gebeurt tijdens de eerste fase na instroom. Ondersteuning moet zich daarom richten op het versterken van studie-inzet, het bevorderen van sociale interactie en het bieden van tijdige feedback. Door studenten actief te begeleiden in deze eerste periode, kunnen instellingen de kans op studiesucces aanzienlijk vergroten.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Gezien de uitdagende overstap van de middelbare school naar de universiteit is in dit proefschrift bestudeerd hoe studenten kunnen worden gesteund om academisch succesvol te zijn in het eerste jaar op de universiteit. Een belangrijk resultaat is dat de overgang van voortgezet onderwijs naar universiteit op verschillende manieren door studenten wordt ervaren. Studenten konden worden geprofileerd als Active Gliders, Passive Gliders, Passive Low Performers en Negative Strugglers, op basis van hun inzet om te leren, geloof in eigen kunnen en behaalde prestaties.  

Deze profielen geven aan dat ondersteuning op maat tijdens de transitie mogelijk het meest effectief is om het studiesucces van eerstejaarsstudenten te verbeteren. Daarnaast laat dit proefschrift zien dat de studie-inzet van studenten een belangrijke rol speelt tijdens de overstap naar de universiteit. De mate van inzet op de middelbare school bepaalt in welke mate studenten zich inzetten tijdens de eerste maanden op de universiteit. De studie-inzet lijkt te kunnen worden beïnvloed met een preacademic programme interventie dat erop is gericht studenten een vliegende start te geven aan de universiteit. Verder kan het pre-academic programme de kwaliteit van het contact dat studenten hebben met medestudenten en docenten verbeteren en hun studieprestaties verhogen. Tot slot geven de resultaten in dit proefschrift aan dat studenten verschillende redenen hebben om naar de universiteit te gaan (zoals loopbaanperspectief of voor persoonlijke ontwikkeling), maar dat deze redenen in het eerste jaar geen invloed lijken te hebben op hun academische succes. De onderwijspraktijk dient hier rekening mee te houden bij het ondersteunen van het studiekeuzeproces van aanstaande studenten. 

>

Studiekeuzes van jongeren met een migratieachtergrond op het VMBO

Geeske Strating, Tynke Hof (Stichting Alexander) (2022)

Onbewuste overtuigingen en ervaringen uit de leefwereld van jongeren hebben grote invloed op studiekeuzes, vooral bij leerlingen met een migratieachtergrond.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat jongeren hun keuzes sterk baseren op gevoelens, ervaringen en verwachtingen uit hun directe omgeving. Factoren zoals de wens voor zekerheid, erkenning en passend werk spelen een belangrijke rol, maar worden niet altijd bewust afgewogen. Tegelijk ontbreekt het vaak aan reflectievaardigheden en brede informatie, waardoor keuzes minder goed onderbouwd zijn. Een helder en stapsgewijs keuzeproces, met aandacht voor persoonlijke ontwikkeling en invloed van de omgeving, helpt jongeren om betere keuzes te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Deze onderzoeksrapportage biedt inzicht in studiekeuzeprocessen van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond op het VMBO. Aanleiding voor dit onderzoek is het feit dat de arbeidsmarktpositie van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond achterblijft op die van andere jongeren. Verschillende factoren kunnen hier een rol in spelen. Dit onderzoek richt zich op één van die mogelijke verklarende factoren: jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond kiezen vaker voor MBO opleidingen met een lage baankans dan jongeren zonder een migratieachtergrond (Bisschop et al., 2020). Om dit fenomeen te kunnen begrijpen is het van belang om inzicht te krijgen in hoe jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond een keuze maken voor een vervolgopleiding, en welke factoren een rol spelen in hun keuze. Deels is dit reeds bekend, onder andere vanuit onderzoek van Petit e.a. (2013) en van van Roijen e.a. (2019). Dit kwalitatieve onderzoek richt zich op de factoren die zich manifesteren in de gevoelswereld van jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond, en hoe die overtuigingen en gevoelens zich verhouden tot hun studiekeuzeproces. De vraag die wij in opdracht van het NRO hebben onderzocht, luidt:  

Welke onbewuste overtuigingen, overwegingen, ideeën en gevoelens voorafgaand aan het loopbaanoriëntatie- en –begeleiding (LOB) -traject spelen een rol bij de profiel- en/of studiekeuzes die jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond op het VMBO maken? 

Opzet  
Om factoren in hun keuzeproces te kunnen achterhalen waar jongeren zich zelf niet of nauwelijks van bewust zijn, is naast een nauwe aansluiting op de leefwereld van de doelgroep, continue reflectie op proces en inhoud van belang. Reflectie mét de doelgroep samen is nodig om achter deze onbewuste factoren te kunnen komen. Daarom is gekozen voor een participatief en reflectief leefwereldonderzoek, waarin jongeren zelf een actieve rol hebben gespeeld in zowel de opzet en uitvoering van het onderzoek alsook tijdens de fase van duiding en reflectie op de onderzoeksdata en het trekken van conclusies en formuleren van aanbevelingen. In totaal hebben 93 jongeren van het VMBO en het MBO meegewerkt aan dit onderzoek, waarvan 31 jongeren op het VMBO via een diepte-interview over hun keuzeproces.  

Resultaten  
Het onderzoek laat een breed palet aan perspectieven en gevoelens zien. Met jongeren en professionals samen is een aantal belangrijke uitkomsten gedefinieerd en geprioriteerd, en is gezocht naar aanknopingspunten voor (betere) ondersteuning.  

Toekomstperspectieven  
De diepte-interviews laten zien dat jongeren met name de volgende drie aspecten in een toekomstige baan belangrijk vinden: leuk werk dat bij mij past, financiële zekerheid en respect krijgen voor het werk dat ik doe. Bij het duiden en interpreteren van deze resultaten met jongeren samen kwam naar voren dat, ook al lijken het heel simpele en logische aspecten, deze er juist voor kunnen zorgen dat een studiekeuzeproces moeizaam verloopt.  

  1. Leuk werk dat bij mij past  
    Om erachter te komen wat je leuk vindt, en wat bij je capaciteiten past moet kunnen reflecteren en exploreren op je kwaliteiten, wensen en behoeften. Voor veel jongeren blijkt dit niet makkelijk te zijn, en bij deze doelgroep speelt mee dat ze vaak van huis uit niet gewend zijn om te praten over waar je goed in bent, of om voorkeuren en wensen ten aanzien van beroepen te exploreren. Hier kunnen ze extra ondersteuning en concrete handvatten bij gebruiken.
  2. Financiële zekerheid  
    Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hechten naar eigen zeggen vanuit hun achtergrond (ouders die voor een beter leven naar Nederland zijn gekomen) veel waarde aan financiële zekerheid en daarmee gepaard een goed leven. Des te opvallender dat hun studiekeuzes dat niet laten zien. Uit dit onderzoek blijkt dat studie- en beroepskeuzes veelal gebaseerd zijn op ervaringen en input van de directe omgeving. Er is een heersend beeld van baanzekerheid en een goed inkomen bij economische en juridische beroepen, alsook bij zorgberoepen. Dit zijn ook de beroepen die ze veel om zich heen zien, wat ook het gevoel kan geven dat dit ‘goede’ beroepskeuzes zijn. Een betere en bredere informatievoorziening over potentieel zekere beroepen en baankansen kan helpen om een realistischer beeld te ontwikkelen.  
  3. Respect  |
    Respect krijgen voor je werk is geen vanzelfsprekendheid voor jongeren met een (niet-Westerse) migratieachtergrond, zo blijkt uit dit onderzoek. Jongeren met een migratieachtergrond zijn zich er sterk van bewust dat hun integratie op de arbeidsmarkt moeizamer zal verlopen dan die van jongeren zonder migratieachtergrond. Om te voorkomen dat ze in voor hen onveilige werkomgevingen terecht komen waar discriminatie een rol kan spelen, kiezen jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond eerder voor beroepen en profielen waar al veel mensen met een migratieachtergrond werken, of kiezen ze liever voor een eigen bedrijf (al dan niet een overgenomen familiebedrijf).  

Omgaan met verwachtingen  
De invloed en verwachtingen van ouders en familieleden kunnen een grote rol spelen bij jongeren met een migratieachtergrond. Jongeren hechten veel waarde aan de mening van familieleden, maar geven aan dat het ven belang blijft om zelf een keuze te maken en je niet te laten beïnvloeden. In het kader van LOB is het daarom zinvol als er meer aandacht komt voor hoe je de meningen en verwachtingen van anderen (zoals ouders, maar ook van docenten en niet in de laatste plaats je eigen verwachtingen) weegt, en hoe je ze uiteindelijk -wel of niet- mee laat spelen in je keuzeproces.  

Een helder en overzichtelijk keuzeproces  
Voor veel jongeren lopen profielkeuze, studiekeuze en beroepskeuze door elkaar, en ze zijn voornamelijk bezig met de grote vraag: wat wil ik later worden? Een proces waarin helderheid en overzichtelijkheid gecreëerd wordt door middel van fasering en opbouw van opdrachten en vragen kan helpend zijn. Bij een helder en overzichtelijk keuzeproces horen volgens jongeren de volgende onderdelen die op maat en stapsgewijs ingezet moeten worden:  

  • Passende hulp, ondersteuning en handvatten voor reflectie op de eigen capaciteiten
  • Passende informatie over welke stappen ze in hun keuzeproces (gaan) doorlopen, en wat ze kunnen verwachten aan ondersteuning en hulp vanuit de school  
  • Passende informatie over beroepen (inclusief baankansen en baanzekerheid) 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Adviezen van jongeren met een niet-Westerse migratieachtergrond voor de LOB-praktijk 

Het feit dat LOB op iedere school op een andere manier wordt aangepakt zorgt voor een diversiteit aan ervaringen met LOB. Met jongeren is gereflecteerd op deze ervaringen, en is samen een rode draad gezocht in wat de kaders en randvoorwaarden zijn voor een succesvol en inclusief LOB-aanbod op school. Sleutelwoorden hierin zijn maatwerk en een positieve benadering.  

Adviezen over LOB

  • Zorg voor maatwerk: iedere jongere, en daarmee ieder keuzeproces, is anders
  • Zorg voor een logische en gefaseerde opbouw van aanbod van LOB-activiteiten
  • Bied ruimte én handvatten voor reflectie op eigen capaciteiten: dit kan in individuele gesprekken, maar ook in groepsgesprekken
  • Bied handvatten voor de omgang met perspectieven en meningen van anderen
  • Maak gebruik van activerende werkvormen
  • Zorg voor een positieve stimulans om aan de slag te gaan met LOB
  • Houd het praktisch: bedrijvenbezoeken, meeloop/ snuffelstages, presentaties van werknemers

Adviezen voor een mentor/ decaan/ begeleidend docent

  1. Praat niet alleen over school en toekomstperspectieven, maar ook over wie de leerling is als persoon  
  2. Focus op het positieve, vertel ook hoe jij de leerling ziet
  3. Onderzoek samen wat de leerling al weet, en wat hij of zij nog nodig heeft om een keus te maken  
  4. Check wat de leerling hier zelf in kan doen, en waar nog hulp bij nodig is (en maak hier afspraken over)
  5. Blijf naast de leerling staan, en ondersteun waar nodig 
>

Een onverwacht valse start op de arbeidsmarkt

Henri Bussink, Tobias Vervliet & Bas ter Weel (SEO Economisch Onderzoek)
Suzan de Winter-Koçak & Inti Soeterik (Verwey-Jonker Instituut)

De overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt laat zien dat economische schommelingen kansen kunnen beïnvloeden, maar ongelijkheid tussen groepen blijft bestaan.

____________________________

Hoewel de baankansen van jongeren na de coronapandemie gemiddeld zijn hersteld, zijn verschillen tussen groepen juist groter geworden. Met name jongeren met een lagere opleiding, een migratieachtergrond of gezondheidsbeperkingen hebben meer moeite om werk te vinden. Factoren zoals beperkte netwerken, minder kansen en moeilijke startomstandigheden spelen hierin een rol. Het onderzoek benadrukt dat gerichte begeleiding en bewuste opleidingskeuzes belangrijk zijn om deze ongelijkheid te verkleinen en de overgang naar werk te verbeteren.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Tijdens de coronapandemie zijn de gemiddelde baankansen van starters na een dip in 2020 hersteld. De kansenongelijkheid tussen groepen jongeren bij de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt is wel toegenomen. De baankansen van jongeren zonder startkwalificatie, met maximaal een mbo-2-opleiding, met een migratieachtergrond of met gezondheidsbeperkingen, zijn vijftien maanden na uitstroom lager dan voor de coronapandemie. Het zijn vooral contactbeperkende maatregelen die jongeren belemmeren in hun zoektocht naar werk, wat bij sommige groepen een beroep doet op hun mentale veerkracht. 

Een onverwacht valse start op de arbeidsmarkt  
Jongeren die vlak voor of tijdens de coronapandemie de arbeidsmarkt opkomen beleven een onverwacht valse start, maar hun gemiddelde baankansen lijken inmiddels hersteld. Het gaat om de kans op een substantiële baan: een baan van minimaal drie dagen per week (of een combinatie van banen die optellen tot minimaal drie dagen per week). Figuur S.1 laat deze ontwikkelingen zien door op de horizontale as de maanden na instroom op de arbeidsmarkt weer te geven. Op de verticale as staat de gemiddelde baankans (in procenten) van elk uitstroomcohort weergegeven. In oktober is de kans op een substantiële baan nog relatief laag (55 tot 60 procent), omdat de meeste jongeren dan net op zoek naar werk zijn. In de daaropvolgende maanden neemt het aandeel jongeren met een substantiële baan geleidelijk toe.

Uitstromers vlak voor de coronapandemie 
Jongeren die vlak voor de coronapandemie de arbeidsmarkt opkomen (uitstroomcohort 2018-2019) hebben vooral last van de eerste lockdown, maar zien hun baankansen daarna snel herstellen. Door de krappe arbeidsmarkt hebben zij in het eerste half jaar na uitstroom uit het onderwijs nog een hogere kans op een substantiële baan dan startende jongeren in voorgaande jaren (uitstroomcohorten 2016-2017 en 2017-2018). Na een half jaar (maart 2020) worden zij onverwacht geconfronteerd met een lockdown als gevolg van de coronapandemie in Nederland. Deze eerste lockdown (maart-juni 2020) heeft maatschappelijke en economische gevolgen die doorwerken op de arbeidsmarkt. In deze periode nemen de gemiddelde baankansen van deze groep jongeren dan ook relatief sterk af. Vanaf de eerste versoepelingen in juni 2020 (9 maanden na uitstroom) herstellen hun gemiddelde baankansen ook weer snel. In december 2020 (15 maanden na uitstroom) zijn deze kansen zelfs hersteld tot op het niveau van voor de coronapandemie.  Uitstromers tijdens de coronapandemie  Jongeren die tijdens de coronapandemie de arbeidsmarkt opkomen (uitstroomcohort 2019-2020) hebben kort last van de tweede lockdown, maar zien hun baankansen daarna snel toenemen. Zo hebben zij vanaf hun start op de arbeidsmarkt een lagere kans op een substantiële baan dan startende jongeren in voorgaande jaren (uitstroomcohorten 2016-2017 en 2017-2018). Na drie maanden (december 2020) worden zij ook nog eens geconfronteerd met de tweede lockdown in Nederland. In deze maand zien zij hun gemiddelde baankansen dan ook verder verslechteren, maar in de maanden daarna zette een krachtig herstel in. Zo zijn de gemiddelde baankansen van deze groep jongeren in juni 2021 (9 maanden na uitstroom) volledig hersteld en liggen deze in december 2021 (15 maanden na uitstroom) zelfs boven het niveau van voor de coronapandemie.  

Toename kansenongelijkheid op de arbeidsmarkt  
Het lijkt er dus op dat de coronapandemie alleen een tijdelijke invloed heeft gehad op de gemiddelde baankansen van startende jongeren. Inmiddels zijn hun kansen op de arbeidsmarkt vijftien maanden na afstuderen zelfs hoger dan in de jaren voorafgaand aan de pandemie. De huidige krapte op de arbeidsmarkt speelt hierbij waarschijnlijk een rol, waardoor er mogelijk meer vraag naar werkenden is (dus ook afgestudeerden). Deze cijfers geven echter slechts een overkoepelend en gemiddeld beeld voor alle startende jongeren, maar geen inzicht in welke groepen harder zijn geraakt en nog altijd minder kansen op de arbeidsmarkt hebben dan voor de coronapandemie. Uit verdiepende analyses blijkt dat jongeren zonder startkwalificatie, jongeren met maximaal een mbo-2-opleiding, jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond en jongeren met een gezondheidsbeperking sowieso al relatief lagere baankansen hebben en dat deze kansen ook relatief minder herstellen. De kansenongelijkheid tussen groepen jongeren bij de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt is dus tijdens de coronapandemie toegenomen. 

Ongelijkheid tussen opleidingsniveaus  
De ongelijkheid in baankansen vijftien maanden na uitstroom is tussen jongeren met een hbo- of wodiploma en jongeren zonder startkwalificatie met 2,4 procentpunt (uitstroomcohort 2018-2019) en 0,9 procentpunt (uitstroomcohort 2019-2020) toegenomen ten opzichte van uitstroomcohort 20162017. De toename van de ongelijkheid in baankansen tussen jongeren met een hbo- of wo-diploma en jongeren met een mbo-diploma varieert tussen de 1 en 4 procentpunt voor uitstroomcohorten 2018-2019 en 2019-2020. Vooral voor jongeren met maximaal een mbo2-diploma is het relatieve verschil ten opzichte van hoger opgeleiden vergroot (2,7 tot 4 procentpunt). Ook voor jongeren met een mbo-bol-diploma is dit relatieve verschil voor cohort 2018-2019 vergroot (2,6 tot 4 procentpunt), maar is deze voor cohort 2019-2020 alweer minder toegenomen (1 tot 2,7 procentpunt).  

Ongelijkheid naar geslacht, migratieachtergrond en gezondheidsbeperkingen
De ongelijkheid in baankansen vijftien maanden na uitstroom is tussen jongeren met een Nederlandse achtergrond en een niet-westerse migratieachtergond met 1,7 procentpunt (uitstroomcohort 2018-2019) en 2,6 procentpunt (uitstroomcohort 2019-2020) toegenomen ten opzichte van uitstroomcohort 2016-2017. Voor jongeren met lichamelijke en/of mentale gezondheidsbeperkingen is het relatieve verschil in baankansen alleen voor uitstroomcohort 20192020 vergroot (1,4 procentpunt). Tot slot is de ongelijkheid in baankansen tussen mannen en vrouwen juist afgenomen met 2,5 procentpunt (uitstroomcohort 2018-2019) en 1,6 procentpunt (cohort 2019-2020) ten opzichte van uitstroomcohort 2016-2017.  

Afname uitstroom uit het onderwijs  
Het aantal jongeren dat jaarlijks vanuit het onderwijs de arbeidsmarkt opstroomt is na een stijging in de afgelopen jaren tijdens de coronapandemie afgenomen: respectievelijk 22 duizend en 15 duizend jongeren in 2020 en 2021. De daling lijkt vooral zichtbaar onder jongeren zonder startkwalificatie en jongeren met maximaal een mbo-bolopleiding. De uitstroom van andere groepen jongeren is vrijwel gelijk gebleven aan die van eerdere cohorten. De daling in de uitstroom ontstaat zowel door minder studie-uitval (jongeren die vroegtijdig met hun opleiding stoppen en/of geen startkwalificatie hebben) als doordat minder jongeren met een diploma de arbeidsmarkt opkomen.  

Minder studie-uitval ontstaat als jongeren vanwege de onzekere situatie op de arbeidsmarkt besluiten om langer in het onderwijs te blijven en alsnog hun diploma behalen. Daarnaast kan meespelen dat onderwijsinstellingen tijdens de eerste periode van de coronapandemie, waarin beperkt fysiek onderwijs is verzorgd, minder streng zijn geweest wanneer jongeren onvoldoende studiepunten hebben behaald om door te kunnen stromen naar het volgende jaar. De toekomst moet uitwijzen of jongeren die langer in het onderwijs blijven erin slagen om een diploma te behalen of dat zij de komende jaren alsnog voortijdig met hun opleiding stoppen. Langer doen over het behalen van een diploma als gevolg van de coronapandemie ontstaat als vereiste stages of leerwerkbanen niet door kunnen gaan of vanwege de beperkingen van het online onderwijs. Doorstuderen en het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden in een ongunstige arbeidsmarkt zijn mogelijk het gevolg van een afweging tussen de kosten en baten van een jaar extra onderwijs en het verwachte toekomstige inkomen. 

Grotere uitdagingen bij zoektocht naar werk tijdens lockdowns  
Uit verdiepende interviews met jongeren die tijdens de coronapandemie de arbeidsmarkt opkomen blijkt dat zij gedurende lockdowns hebben ervaren dat er weinig tot geen vacatures beschikbaar zijn en beloftes van betaalde aanstellingen tijdens stages niet zijn ingelost vanwege lockdowns. Daarnaast worden zij door coronamaatregelen beperkt in hun zoekstrategieën, zo zijn de mogelijkheden om fysiek te netwerken tijdens een lockdown nihil. De combinatie van werkzoekend zijn, veel afwijzingen krijgen, minder contact met vrienden en familie en beperkingen in vrijetijdsbesteding valt jongeren zwaar. Iets meer dan de helft van de geïnterviewde jongeren geeft begin 2021 aan last te hebben van negatieve gedachten, somberheid, piekeren, stress, motivatieproblemen, zorgen over de toekomst en eenzaamheid.  

Begin 2022 heeft driekwart van de jongeren een baan gevonden die passend is bij hun opleidingsniveau en - richting. De meeste jongeren vinden hun baan door gebruik te maken van hun netwerk, wat door het afschaffen van de coronamaatregelen weer mogelijk is. In retrospectief geeft het overgrote deel van de jongeren echter wel aan dat ze meer ondersteuning hadden gewild bij de overstap van het onderwijs naar de arbeidsmarkt. Ze hebben vooral de voorbereiding vanuit het onderwijs gemist. Ook hebben ze behoefte aan “iemand” die met hen mee kan kijken tijdens de zoektocht naar werk, bijvoorbeeld door te wijzen op nieuwe mogelijkheden en sectoren. Tegelijkertijd hebben jongeren weinig kennis over de organisaties en instantie die deze vorm van ondersteuning zouden kunnen bieden. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek onderstreept het belang van de opleidingskeuze (zowel opleidingsniveau en-richting als leerweg) om een kansrijke positie op de arbeidsmarkt te verwerven (en te behouden als het economisch tegenzit, zoals tijdens de coronapandemie). Startende jongeren geven aan behoefte te hebben aan meer (proactieve) ondersteuning (met name vanuit de opleiding) bij de overstap van het onderwijs naar de arbeidsmarkt. De LOB-praktijk kan daarom inzetten op het sturen van kansrijke opleidingskeuzes en het bieden van proactieve begeleiding voor een duurzame overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt.     

>

De kracht van verbinding! Loopbaanthematieken in het licht van verschuivende beroepsbeelden

Jeany van Beelen-Slijper, Petra Biemans, Rachelle van Harn, Ellen Sjoer, Piet Verstegen (2021)

Duurzame loopbanen vragen om een brede, samenhangende blik waarin onderwijs, arbeidsmarkt en persoonlijke ontwikkeling met elkaar verbonden worden.

____________________________

In dit onderzoek wordt een integraal model gepresenteerd waarin loopbaanontwikkeling vanuit meerdere perspectieven wordt benaderd. Het model laat zien dat keuzes en loopbaanontwikkeling niet los te zien zijn van veranderingen in werk, samenleving en onderwijs. Door verschillende thema’s samen te brengen ontstaat een completer beeld van wat nodig is voor toekomstbestendige loopbanen. De publicatie benadrukt dat samenwerking tussen onderwijs, arbeidsmarkt en professionals essentieel is om leerlingen en studenten goed voor te bereiden.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

De kennis die is verzameld in het lectoraat 'Beroepen in Transitie' van Inholland samen met lectoraat Duurzame Talentontwikkeling van De Haagse Hogeschool is gebundeld en verwerkt in een modulaire publicatie, waarin loopbaanthematieken van diverse kanten worden benaderd. De doelgroep omvat opleiders, slb'ers, decanen, hrm-wedewerkers en beleidsmedewerkers. 

Gepleit wordt voor een integrale kijk en daarvoor is een conceptueel model ontwikkeld , genaamd 'Ecosysteem van Loopbaanthematieken'. Het conceptueel model ziet er als volgt uit: 

De kennis die in de onderzoeken is verzameld, is gebundeld in een modulaire publicatie. Het conceptueel model staat centraal in deze modulaire publicatie. De verschillende onderdelen gaan in op de verschillende aspecten die in het model verwerkt zijn. De centrale boodschap is dat álle puzzelstukjes van het conceptueel model nodig zijn om tot duurzame loopbanen te komen in een complexe veranderende wereld. De publicatie richt zich bewust op een breed publiek, zodat velen hiervan kennis kunnen nemen. Loopbanen worden benaderd vanuit kiezende jongeren, studenten en docenten, professionals, werkgevers en opleidingsorganisaties, én er wordt gekeken naar de veranderingen die plaatsvinden in de omgeving, in het werk zelf en bij specifieke doelgroepen op de arbeidsmarkt in Nederland. De zes modules zijn:

  • Module 1: van ladder naar klimrek.
    Over keuzeprocessen en beroepsbeelden.
  • Module 2: omgevingskrachten en verandering van werk.
    Over beroepsbeelden die veranderen.
  • Module 3: verschuivingen op de arbeidsmarkt in Nederland.
    Over kansverschillen in duurzame loopbanen.
  • Module 4: toekomstbestending beroepsonderwijs.
    Er is altijd een grens om voorbij te bewegen.
  • Module 5: de rol van hrm bij duurzame loopbanen.
    Over schuivende beroepsbeelden in arbeidsorganisaties.
  • Module 6: en de keuze is reuze!
    Jongerenmodule.

​​​​​​De modules zijn los van elkaar te lezen, maar het interessante is als je een module leest vanuit een ander perspectief. Dus kijk als decaan naar de module over de verandering van werk (module 2) of hoe organisatie met duurzame loopbanen kunnen omgaan (module 5). 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

We moeten jongeren voorbereiden op een arbeidsmarkt die niet statisch is, maar voortdurend in beweging. Als we toekomstbestendig willen opleiden en LOB hierop willen laten aansluiten, moeten we de wereld van kiezende jongeren, de opleiders en de arbeidsmarkt nader tot elkaar brengen. Om dit in betere banen te leiden, zullen we moeten proberen de schotten af te breken die tussen kiezende jongeren, opleiders en de arbeidsmarkt bestaan. Het leggen van structurele en intensievere relaties tussen deze drie werelden kan voor alle partijen winst opleveren. De opdrachten die terug te vinden zijn in met name Module 6, hebben voor ogen jongeren op een andere manier in aanraking te brengen met de veranderende arbeidsmarkt. Ook de QR-codes van de posters ‘Studiekeuzegeluk’ en  ‘Leven Lang Ontwikkelen’ leiden toe naar interactieve opdrachten, met als doel te ‘ontschotten’.

>

Kennisrotonde: Wat is de invloed van een oriëntatietraject voor de start in het mbo op uitval en swi

Martijn Peters, Marloes de Lange (2022)

Oriëntatietrajecten in het mbo bieden kansen om studiekeuzes beter te onderbouwen, maar vragen om een sterke LOB‑aanpak om effectief te zijn.

____________________________

Steeds meer mbo‑instellingen bieden een oriëntatiejaar aan waarin studenten zich breder kunnen ontwikkelen en verdiepen in opleidings- en beroepsmogelijkheden. Hoewel het effect op uitval en switch nog niet duidelijk is, sluiten deze trajecten aan bij inzichten over effectieve loopbaanbegeleiding. Belangrijk daarbij zijn praktijkervaring, een actieve rol van de leerling en samenhang tussen activiteiten. Daarnaast dragen reflectie, ouderbetrokkenheid en realistische beeldvorming bij aan betere en bewustere keuzes.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Oriëntatietraject op het mbo als nieuw initiatief.
Steeds meer roc’s bieden sinds kort een oriëntatietraject aan voor aankomend mbo studenten, waarin ze verder leren, persoonlijk kunnen groeien en uitgebreid kennis kunnen maken met beroepen en beroepsopleidingen. ROC TOP in Amsterdam heeft in het schooljaar 2019-2020 het initiatief genomen tot het eerste oriëntatietraject in het mbo, het zogeheten
Mind the gap-jaar. Inmiddels heeft dit andere roc’s geïnspireerd tot het starten van een Mjaar of vergelijkbaar oriëntatietraject. In het schooljaar 2023-2024 start het ministerie van OCW een experiment met een oriëntatieprogramma (Rijksoverheid.nl, 2022). Het M-jaar is voor iedereen die een mbo-opleiding wil doen, maar nog niet weet welke. Het is vooral gericht op vmbo’ers met een diploma kaderberoepsgerichte of theoretische leerweg, omdat de urgentie voor deze doelgroep het hoogst is vanwege de leerplicht. Havisten (met of zonder diploma) die over willen stappen naar het mbo zijn ook welkom. Havisten en vwo'ers met een diploma hebben een M-jaar minder nodig; zij konden al kiezen voor een tussenjaar om de keuze voor een vervolgopleiding uit te stellen, aangezien zij wel in het bezit zijn van een startkwalificatie. Studenten die het M-jaar volgen staan ingeschreven bij de mbo-instelling, maar volgen het traject voorafgaand aan de definitieve keuze voor een beroepsopleiding.

Effectiviteit van oriëntatietrajecten in het mbo nog onbekend  
Er is nog geen wetenschappelijk onderzoek bekend naar de effectiviteit van oriëntatietrajecten in het mbo op uitval en switch in het mbo. Er zijn wel LOB-initiatieven in het voortgezet onderwijs die bedoeld zijn om de oriëntatie op vervolgonderwijs te verbeteren, zodat er een meer weloverwogen keuze voor gemaakt kan worden, wat ook één van de belangrijkste doelen is van een oriëntatietraject in het mbo. Ook bestaan er initiatieven voor tussenjaren in het hoger onderwijs, die zich net als een M-jaar richten op het oriënteren op vervolgopleidingen en als inspiratiebron gediend hebben voor het ontwikkelen ervan. Om toch iets te zeggen over de mogelijke werking van een oriëntatietraject voor de start in het mbo op uitval en switch in het mbo, grijpen we terug op literatuur waarin de effectiviteit van LOB-initiatieven in het voortgezet onderwijs is onderzocht en de effectiviteit van tussenjaren in het hoger onderwijs wordt bestudeerd.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 
Hoewel de effectiviteit van initiatieven gericht op oriëntatie in het vmbo op uitval en switch in het mbo nog onbekend is, biedt de recente literatuurstudie van Korpershoek et al. (2022) inzicht in hoe een effectieve aanpak voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding van vmbo’ers er uit zou kunnen zien. Hieruit vloeien de volgen adviezen voort:

  1. Leg als school de verbinding met de beroepspraktijk door het organiseren van bijvoorbeeld snuffelstages, bedrijfsbezoeken, gastlessen door beroepsbeoefenaren en meeloopdagen in het mbo.

  2. Geef als school de leerling een actieve rol in LOB-activiteiten, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een opdracht tijdens een werkbezoek.

  3. Bied als school een samenhangend traject van LOB-activiteiten aan met betrokkenheid van mentoren, docenten en andere begeleiders (door leerlingen te enthousiasmeren en de verbinding tussen LOB-activiteiten expliciet te maken).

  4. Bouw als docent/mentor reflectie in op motieven, ambities en kwaliteiten van de leerling binnen gesprekken met de leerling.

  5. Betrek als school ouders als gesprekspartner in het studiekeuzeproces.

  6. Besteed als school aandacht aan het omgaan met verwachtingspatronen van anderen, zoals gesprekken over genderrollen en succesvolle voorbeelden van meisjes in traditionele ‘jongensberoepen’ en vice versa.

  7. Bied als school activiteiten aan die gericht zijn op het vergroten van kennis over sectoren, over vervolgonderwijs, ondernemerschap of over solliciteren, omdat deze ook positief uitwerken op het zelfvertrouwen van leerlingen om goede (loopbaan)keuzes te kunnen maken en op beeldvorming over de beroepspraktijk.

>

Grip op Studentsucces

Karien Coppens, Meghan Rens, Lotte Scheeren (2022)

Studentsucces vraagt om een brede blik op ontwikkeling, waarin niet alleen prestaties maar ook persoonlijke groei en aansluiting centraal staan.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat studentsucces geen eenduidige definitie heeft en afhankelijk is van context, doelgroep en onderwijsinstelling. Wel komen drie vaste dimensies naar voren: persoonlijke ontwikkeling, kwalificatie en socialisatie. Succes wordt beïnvloed door factoren zoals motivatie, interactie en reflectie, die actief gestimuleerd kunnen worden in het onderwijs. Instellingen worden aangemoedigd om een eigen, passende invulling te geven aan studentsucces en deze breed te verankeren in de organisatie.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Steeds vaker gebruiken studenten en medewerkers in het hoger onderwijs het begrip ‘studentsucces’ in plaats van ‘studiesucces’. Maar wat is studentsucces dan precies? Hoe kun je dat vormgeven en hoe houd je daarop focus en regie? Om meer grip te krijgen op studentsucces voerde ECBO een overzichtsstudie uit met subsidie van NRO. 

Onderzoeksopzet en onderzoeksmethoden

Drie onderzoeksvragen stonden in deze studie centraal: 

  1. Hoe wordt de opdracht van het hoger onderwijs omschreven vanuit/in landelijk beleid en door hoger onderwijsinstellingen zelf? 
  2. Hoe kunnen het begrip studentsucces en onderliggende indicatoren gedefinieerd en geoperationaliseerd worden binnen dit kader? 
  3. Gegeven de definitie en operationalisatie van het begrip studentsucces en de onderliggende indicatoren, welke factoren/processen beïnvloeden het studentsucces van verschillende groepen? 

Het onderzoek is uitgevoerd in drie delen. Eerst zijn beleidsdocumenten geanalyseerd om te bepalen hoe het hoger onderwijs haar opdracht definieert. Vervolgens is via een Delphi-onderzoek onder een brede groep experts geprobeerd om tot overeenstemming te komen wat de belangrijkste thema’s of elementen zijn waaruit studentsucces zou moeten bestaan. Tot slot is een conceptuele review van de belangrijkste thema’s en elementen uitgevoerd om te bepalen welke factoren deze elementen beïnvloeden.  

Drie dimensies van studentsucces  

Eén algemeen geldende definitie van studentsucces blijkt niet mogelijk. De verschillen tussen instellingen en opleidingen zijn daarvoor te groot. De studentenpopulatie en de sector spelen hierin bijvoorbeeld een rol. Dat vraagt om een aanpak waarin iedere instelling of opleiding zelf tot een passende definitie komt. Het onderzoek wijst drie dimensies aan die in iedere definitie van studentsucces aan de orde moeten komen:  

  • Bredere, persoonlijke ontwikkeling
  • Kwalificatie
  • Socialisatie

Aandachtspunten bij het opstellen van een definitie  

Bij het opstellen van een definitie benoemt het onderzoek een aantal aandachtspunten waarmee je ervoor zorgt dat de definitie die je opstelt passend en werkbaar is in de eigen onderwijspraktijk. Een definitie van studentsucces moet:  

  • student-, niveau- en contextspecifiek zijn vormgegeven;
  • conditie-vrij zijn en bij implementatie terugkomen in alle onderdelen van de organisatie;
  • positief en actief geformuleerd zijn.

Zes mogelijke elementen van studentsucces uitgelicht

Instellingen zijn vrij om zelf elementen te kiezen waaruit hun definitie van studentsucces bestaat. Elementen die voor hen belangrijk en passend zijn. Ter inspiratie beschrijft het onderzoek zes elementen. Het onderzoek gaat in op wat deze elementen beïnvloedt en hoe je ze kunt ontwikkelen of stimuleren. Kritisch denken bijvoorbeeld: uit onderzoek blijkt dat expliciete aandacht voor kritisch denken tot betere resultaten leidt. Of in het kader van het ontwikkelen van persoonlijke identiteit is interactie met docenten, leeftijdsgenoten en zelfreflectie belangrijk. Andere in dit onderzoek belichte elementen zijn studiemotivatie, behalen van persoonlijke en professionele doelen, het afronden van de studie en een onderzoekende houding.  

Aan de slag  

Voor onderwijsinstellingen en opleidingen die aan de slag willen met het bevorderen van studentsucces biedt het onderzoek wetenschappelijk onderbouwde inzichten en handvatten. Om medewerkers en studenten te helpen met het zelf uitwerken van een definitie en de uitrol daarvan in de eigen organisatie, is een stappenplan gemaakt. Dit stappenplan helpt om binnen de eigen visie en kaders vanuit verschillende perspectieven invulling te geven aan studentsucces. De drie dimensies, de aandachtspunten en de factoren die studentsucces beïnvloeden komen aan de orde. Zo kom je op basis van inzichten uit onderzoek, samen tot evidence-informed keuzes en plannen.

  • Download het stappenplan en groeidocument in de bijlage. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Handvatten om aan de slag te gaan met het ontwikkelen van een eigen definitie van studentsucces.

>

Loopbaanoriëntatie in het beleid van gemeenten

Arie Gelderblom, Annette Diender (2021)

Gemeenten spelen een belangrijke rol in het versterken van LOB, maar verschillen in aanpak en uitvoering zijn groot.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat gemeenten in Zuid-Holland LOB steeds vaker als onderdeel van hun beleid zien en daarin verschillende doelen en rollen hanteren. De manier waarop LOB wordt uitgevoerd verschilt echter sterk tussen gemeenten, wat kan leiden tot variatie in kwaliteit en bereik. Samenwerking met scholen, bedrijven en netwerken vormt een belangrijke succesfactor in de praktijk. Tegelijk blijkt dat monitoring en evaluatie nog beperkt plaatsvinden, waardoor inzicht in effect en verbetering vaak ontbreekt.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

In deze notitie is beschreven in hoeverre gemeenten in Zuid Holland een rol voor zichzelf zien op het terrein van LOB in het vmbo en wat hun doelen hierbij zijn. Tevens is nagegaan welke verschillen in de uitvoeringspraktijk optreden tussen gemeenten en in hoeverre monitoring en evaluatie plaatsvindt. De basis voor deze notitie is een gespreksronde bij gemeenten in Zuid-Holland. De doorwerking van het gemeentelijke beleid vanuit het perspectief van scholen en leerlingen komt in een later stadium van het onderzoek aan de orde.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • Zorg voor goede samenwerking met bedrijven en externe partners: organiseer structureel contactmomenten (zoals bedrijfsbezoeken, gastlessen of evenementen) en benut intermediairs om de drempel tussen school en arbeidsmarkt te verlagen.
  • Maak gebruik van bestaande interventies en netwerken: sluit aan bij bestaande initiatieven (zoals regionale programma’s of projecten) in plaats van alles zelf te ontwikkelen, om tijd en middelen efficiënt te benutten.
  • Werk doelgericht en maak keuzes: bepaal vooraf duidelijk wat je wilt bereiken met LOB (bijv. focus op uitval verminderen of beter oriënteren op beroepen) en kies daar passende activiteiten bij. 
  • Combineer praktijkervaring met reflectie: zorg dat activiteiten zoals stages of bedrijfsbezoeken altijd worden voorbereid en nabesproken, zodat leerlingen de ervaring vertalen naar hun eigen loopbaankeuzes. 
  • Gebruik arbeidsmarktinformatie gericht: bied informatie over kansrijke opleidingen en beroepen, maar plaats dit altijd in context van interesses en talenten van de leerling. 
  • Houd zicht op bereik en effect: verzamel minimaal basisinformatie over deelname en keuzes van leerlingen, zodat je LOB-activiteiten kunt bijstellen en verbeteren. 
>

Gebruik van arbeidsmarktinformatie bij loopbaanondersteuning, inzichten vanuit Europa

Matthieu Mes en Doreen Verbakel (2021)

Arbeidsmarktinformatie kan studiekeuzes ondersteunen, maar alleen als deze goed wordt aangeboden en verbonden met begeleiding.

____________________________

De studie laat zien dat arbeidsmarktinformatie pas echt waardevol is wanneer deze wordt vertaald naar de belevingswereld van leerlingen. Het combineren van verschillende bronnen en het bieden van samenhang helpt om een completer en beter bruikbaar beeld te krijgen. Daarnaast is het belangrijk dat leerlingen leren hoe ze informatie kritisch kunnen interpreteren en gebruiken in hun keuzeproces. Effectieve inzet vraagt daarom om koppeling met reflectie en begeleiding, en om bewust omgaan met de onzekerheid van voorspellingen.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Euroguidance heeft in 2020 een verkenning gedaan naar het gebruik van arbeidsmarktinformatie binnen studieloopbaanbegeleiding in België, Duitsland en Denemarken. In dit rapport worden zowel de resultaten uit de survey als uit de interviews samengevat en daarnaast is een eerste aanzet gedaan om criteria te benoemen die van belang zijn rond arbeidsmarktinformatie en loopbaanondersteuning, bijvoorbeeld rondom professionalisering (opleidingen, begeleidingsmateriaal, zelfstandige bruikbaarheid), het aanbod (bijv. contexualisering naar doelgroep en loopbaanondersteuning, aantrekkelijkheid, vindbaarheid, onderhoud), en het systeem (bijv. regie, financiering, samenwerking).

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk

  • Maak arbeidsmarktinformatie concreet en begrijpelijk: vertaal cijfers en trends actief naar de leefwereld van leerlingen (bijv. wat betekent dit voor jouw studiekeuze?), omdat ruwe data vaak moeilijk te interpreteren is.
  • Gebruik meerdere bronnen en bied samenhang: combineer informatie uit verschillende databronnen en presenteer dit als één geheel, zodat leerlingen een beter en completer beeld krijgen. 
  • Stimuleer datageletterdheid: leer leerlingen kritisch kijken naar arbeidsmarktinformatie (bijv. wat zeggen cijfers wel en niet), zodat ze deze zelfstandig kunnen gebruiken. 
  • Koppel informatie aan het keuzeproces: gebruik arbeidsmarktinformatie niet los, maar als onderdeel van reflectie op interesses, talenten en mogelijkheden. 
  • Blijf kritisch op voorspellingen: bespreek met leerlingen dat prognoses onzeker zijn en gebruik vooral actuele informatie als basis voor keuzes.

 

>

Gelijke kansen bij tussentijds opstromen in het voortgezet onderwijs?

Suzan de Winter-Koçak, Leyla Reches (2022)

Tussentijdse opstroom kan kansenongelijkheid verkleinen, maar vraagt om duidelijke afspraken en actieve begeleiding.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat leerlingen met een migratieachtergrond vaker op een lager niveau starten en daardoor later minder makkelijk op het juiste niveau uitkomen. Opstroom binnen het voortgezet onderwijs kan dit deels corrigeren, maar de mogelijkheden verschillen sterk per school. Factoren zoals persoonlijke aandacht, heldere informatie en betrokken mentoren maken een belangrijk verschil voor succes. Daarnaast blijkt dat samenwerking binnen de school en betrokkenheid van ouders bijdragen aan betere kansen voor leerlingen.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Tussentijdse opstroom (voor diplomering opstromen naar een hoger onderwijsniveau) in het voortgezet onderwijs kan ervoor zorgen dat leerlingen die een te laag advies hebben gehad alsnog op een passend niveau terechtkomen. KIS ontving tijdens eerder onderzoek naar jongeren met een migratieachtergrond signalen dat het proces rond opstroom niet altijd soepel verloopt. Reden om onderzoek te doen naar praktijk en beleid van tussentijdse opstroom.

Dat leerlingen met een migratieachtergrond niet altijd op het onderwijsniveau terecht komen dat past bij hun cognitieve capaciteiten, heeft onder andere te maken met de vroege selectie in het primair onderwijs. Deze pakt negatief uit voor leerlingen met een migratieachtergrond; zij krijgen vaker dan leerlingen uit andere groepen een schooladvies dat lager is dan hun scores op de eindtoets rechtvaardigen. 
Binnen het voortgezet onderwijs wordt tussentijdse opstroom gezien als een correctiemechanisme voor deze negatieve effecten van vroegselectie voor kinderen met een migratieachtergrond. Binnen dit verkennende onderzoek is er gekeken óf onderwijsinstellingen beleid hebben ontwikkeld rondom tussentijdse opstroom, wat dat beleid inhoudt en hoe zij daar in de praktijk invulling aan geven. Ook keken wij naar eventuele barrières die leerlingen met een migratieachtergrond binnen het beleid en in de praktijk van tussentijdse opstroom (kunnen) ervaren. 

Grote verschillen
Uit het onderzoek bleek dat er grote verschillen zijn tussen onderwijsinstellingen voor wat betreft de mogelijkheden van tussentijdse opstroom en de voorwaarden die eraan verbonden zijn. Dit geheel kan mogelijk bijdragen aan ongelijke kansen voor leerlingen. Verdiepend vervolgonderzoek zal een completer beeld kunnen geven over onder andere in hoeverre deze verschillen daadwerkelijk bijdragen aan ongelijke kansen.

Mogelijke bevorderende factoren voor gelijke kansen 

  • Het is belangrijk dat er ruimte is voor persoonlijke aandacht van onderwijsprofessionals voor de leerlingen. Dit vergroot de kans dat zij meer benaderbaar zijn als hulpbron voor de leerlingen, dat een goede onderlinge band kan ontstaan, en dat de onderwijsprofessional de leerling beter leert kennen en zijn of haar onderwijspotentie en -ambitie beter kan inschatten. 
  • Mentoren kunnen een cruciale rol spelen als informatiebron en doorverwijzer door leerlingen te informeren over de mogelijkheid tot tussentijdse doorstroom, welke voorwaarden daaraan verbonden zijn, maar ook waar leerlingen terechtkunnen voor hulp en ondersteuning voor als zij (nog) niet aan de voorwaarden voldoen. 
  • Een overkoepelende visie is nodig van de onderwijsinstelling op het bestrijden van kansenongelijkheid (onder meer bij opstroom), die ook gedragen wordt door de uitvoerende onderwijsprofessionals. 
  • Beperkingen in het moment van tussentijdse opstroom zouden moeten worden opgeheven, zodat leerlingen ook in latere leerjaren tussentijds kunnen opstromen. Dit beperkt leerlingen minder tot een specifiek moment om tussentijds te kunnen opstromen en op deze manier hebben ze meer tijd om te kunnen voldoen aan de gestelde voorwaarden. 
  • Het is belangrijk te investeren in het betrekken van ouders/ verzorgers bij gesprekken over tussentijdse opstroom. Ouders en verzorgers kunnen meer inzicht geven in de onderwijs-ambitie en potentie van de leerling en zouden ook betrokken kunnen worden bij ondersteuning om aan de voorwaarden te kunnen voldoen

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • Probeer ruimte maken voor persoonlijke aandacht en het opbouwen van een vertrouwensband. Hierdoor kan je als professional beter zicht krijgen op de onderwijspotentie en -ambitie van een leerling. 
  • Informeer leerlingen actief over de mogelijkheden tot tussentijdse doorstroom, welke voorwaarden daaraan verbonden zijn, maar ook waar leerlingen terechtkunnen voor hulp en ondersteuning voor als zij (nog) niet aan de voorwaarden voldoen. Probeer daarbij ook benaderbaar te zijn (de eerder beschreven vertrouwensband kan daarbij helpen) voor leerlingen als ze zelf vragen hebben.
  • Werk, samen met collega’s, aan een overkoepelende visie met betrekking tot het bestrijden van kansenongelijkheid (onder meer bij opstroom).
  • Probeer ouders/verzorgers te betrekken bij gesprekken over tussentijdse opstroom. Ouders en/of verzorgers kunnen meer inzicht geven in de onderwijs-ambitie en potentie van de leerling en zouden ook betrokken kunnen worden bij ondersteuning om aan de voorwaarden te kunnen voldoen. 
>

De eerste 100 dagen in het hoger onderwijs

Bianca Leest, Annemarie van Langen, Ed Smeets (2022)

Het terugdringen van studie-uitval begint bij een goede voorbereiding op de overstap én begeleiding in de eerste fase van het hoger onderwijs.

____________________________

Ongeveer een kwart van de studenten stopt in of vlak na het eerste studiejaar, ondanks een lichte daling in coronatijd. Onderzoek laat zien dat uitval vooral samenhangt met een mismatch tussen verwachting en werkelijkheid en met onvoldoende voorbereiding op de studie. Effectieve interventies richten zich daarom zowel op realistische studiekeuzes vooraf als op begeleiding en binding tijdens de start van de opleiding. Het versterken van studievaardigheden en sociale en academische integratie speelt daarbij een belangrijke rol.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Van alle instromers in het hoger onderwijs in coronajaar 2019-2020 is een kwart in of direct na het eerste studiejaar gestopt. Dat is weliswaar een forse daling ten opzichte van voorgaande jaren (waarschijnlijk door een gebrek aan alternatieven zoals reizen), maar niettemin nog steeds een onwenselijk hoge uitval. 

Deze overzichtsstudie naar de oorzaken en achtergronden van studieuitval in het eerste jaar en interventies om deze studieuitval tegen te gaan, is gebaseerd op literatuurstudie, analyse van de geïnventariseerde interventies en twee expertmeetings met landelijke deskundigen. Vanwege de beoogde praktijk- en beleidsgerichtheid van deze overzichtsstudie vormt het systematisch overzicht van (bewezen) interventies (in Deel II) het zwaartepunt van deze publicatie. Daarbij is niet alleen gekeken naar ‘de eerste 100 dagen’, maar breder naar interventies rondom de overgang naar het hoger onderwijs.
 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • Investeer in realistische studiekeuzes: zorg dat leerlingen een goed beeld krijgen van inhoud, niveau en verwachtingen van opleidingen (bijv. via proefstuderen, matchingsactiviteiten), om mismatch en uitval te voorkomen.
  • Maak LOB onderdeel van de overgang: begeleid leerlingen niet alleen bij de keuze, maar ook in wat de stap naar ho vraagt (studieaanpak, zelfstandigheid, verwachtingen).
  • Oefen studievaardigheden expliciet: besteed in LOB aandacht aan timemanagement, zelfregulatie en studiehouding, omdat deze sterk samenhangen met studiesucces.
  • Zorg voor warme overdracht en begeleiding: stimuleer contactmomenten met het ho (bijv. meeloopdagen, studentcontact), zodat leerlingen beter voorbereid starten.
  • Let op binding en zelfvertrouwen: bespreek met leerlingen hoe zij zich straks kunnen verbinden aan een opleiding en omgeving; dit verkleint de kans op uitval in de eerste periode.
>

Hier ben ik op mijn plek: meer meisjes in MBO techniek.

VHTO (2019)

Gerichte aandacht voor rolmodellen, zelfvertrouwen en vroege oriëntatie blijkt doorslaggevend voor het kiezen van techniek door meisjes in het mbo.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat vrouwelijke studenten in techniek vaak beschikken over een positief zelfbeeld en een duidelijk beroepsbeeld. Zij krijgen daarnaast steun vanuit hun omgeving en hebben al vroeg zicht op mogelijke loopbaanrichtingen. Contact met rolmodellen en ervaring met de praktijk spelen hierin een belangrijke rol. Juist de combinatie van deze factoren maakt dat zij kiezen voor een richting die traditioneel minder voor de hand ligt.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Deze publicatie is het verslag van een verkennende studie die VHTO, Landelijk expertisebureau vrouwen/meisjes en bèta/techniek heeft uitgevoerd onder 200 mbo-studentes en vakvrouwen in de bètatechniek. De verkenningen laten zien dat vrouwen die een techniek- of ICT-opleiding op mbo-niveau volgen of met succes afgesloten hebben echt op hun plek zijn.

Ze hebben een positief zelfbeeld ten aanzien van hun prestaties in de bètatechnische vakken, hebben een duidelijk beeld van bètatechnische opleidingen en beroepen en krijgen support van hun ouders bij een roldoorbrekende studiekeuze. Ook kennen ze mensen met een goede baan in de techniek en weten ze al bij de vo-profielkeuze welk werk ze later willen gaan doen. Bovendien zijn ze in staat zelfstandig te functioneren in een masculiene cultuur.

Het is de combinatie van al deze factoren die voor de meeste respondenten, studentes en vakvrouwen, geleid heeft tot het maken van een roldoorbrekende studiekeuze. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

  • Begin vroeg met het opbouwen van een beroepsbeeld: help leerlingen al vóór en tijdens hun profielkeuze om concrete beroepen te verkennen via bedrijfsbezoeken, gastlessen en meelopen, zodat ze gerichter keuzes maken. 
  • Zet rolmodellen en praktijkvoorbeelden actief in: laat leerlingen kennismaken met mensen uit het werkveld (bij voorkeur diverse rolmodellen), zodat ze zich beter kunnen voorstellen “dit kan ook iets voor mij zijn”. 
  • Betrek ouders en belangrijke anderen: ouders hebben veel invloed op keuzes, dus neem hen mee in informatie en oriëntatie op opleidingen en beroepen. 
  • Koppel keuzes aan talent en zelfvertrouwen: stimuleer leerlingen om te herkennen waar ze goed in zijn en dit mee te nemen in hun keuzes.
  • Zorg voor structureel contact met de praktijk: organiseer niet alleen stages, maar ook vaker korte contactmomenten met bedrijven en professionals om het beroepsbeeld te verdiepen (bijv. snuffelstages, opdrachten uit de praktijk). 
  • Maak LOB concreet en persoonlijk: laat leerlingen hun ervaringen steeds vertalen naar hun eigen keuzeproces (wat past bij mij, wat niet, wat is mijn volgende stap).
>

Schoolloopbanen van jongeren met een migratieachtergrond

Suzan de Winter-Koçak, Mariam Badou (2020)

De schoolloopbaan van jongeren met een migratieachtergrond laat zien dat kansen groeien, maar ongelijkheid in doorstroom blijft bestaan.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat steeds meer jongeren met een migratieachtergrond doorstromen naar hoger onderwijs, maar nog steeds vaker starten op lagere niveaus in het onderwijs. Deze vroege plaatsing beïnvloedt hun verdere schoolloopbaan, waardoor zij relatief vaak in het mbo terechtkomen. Tegelijk kiezen velen binnen het mbo voor hogere niveaus, wat wijst op potentieel dat niet altijd vanaf het begin volledig wordt benut. De resultaten benadrukken het belang van gerichte en tijdige begeleiding om kansen beter te benutten en keuzes bewuster te maken.

____________________________

 

Samenvatting van dit onderzoek

Het Kennisplatform Inclusief Samenleving verzamelde de meest actuele gegevens over schoolloopbanen van jongeren met een migratieachtergrond. Ook spraken ze met onderwijsprofessionals, onderwijskundigen en pedagogen over hun perspectief op dit thema.

Dit onderzoek laat zien dat het onderwijsniveau van jongeren met een migratieachtergrond langzaam stijgt: steeds meer jongeren volgen een hbo- of wo-opleiding. Tegelijkertijd lopen ze qua in-, door- en uitstroom nog steeds achter op jongeren zonder migratieachtergrond. Zo krijgen jongeren met een migratieachtergrond binnen het primaire onderwijs het vaakst een vmbo-advies en vaker dan jongeren met een Nederlandse achtergrond een advies voor de laagste niveaus van het vmbo.

Dit advies is uiteraard tekenend voor de rest van de schoolcarrière van jongeren met een migratieachtergrond. Hoewel er niveauverschuivingen plaatsvinden binnen het voortgezet onderwijs, eindigen de meeste jongeren met een migratieachtergrond hun schoolcarrière met een mbo-diploma.

Opvallend is wel dat de meeste jongeren met een migratieachtergrond op het mbo, een opleiding op niveau vier volgen. Zeker gezien het feit dat jongeren met een migratieachtergrond binnen het primaire onderwijs vaker dan jongeren met een Nederlandse achtergrond een schooladvies krijgen voor de laagste niveaus van het vmbo, het voorportaal voor mbo twee en drie. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • Versterk studiekeuzebegeleiding concreet en vroeg: bied leerlingen herhaald en actief inzicht in opleidingen en beroepen (bijvoorbeeld via meeloopdagen of praktijkervaring), zodat zij bewuster kiezen en minder risico lopen op uitval. 
  • Compenseer waar thuis minder ondersteuning is: maak informatie over vervolgopleidingen expliciet en toegankelijk, en neem tijd om keuzes samen stap voor stap door te lopen met de leerling.
  • Werk met rolmodellen en peers: zet oud-leerlingen of studenten in die herkenbare voorbeelden bieden, zodat leerlingen zich beter kunnen identificeren met mogelijke loopbaanpaden. 
  • Check en verbreed verwachtingen: ga actief na of het advies en de keuzes van leerlingen passen bij hun potentieel, en voorkom dat (onbewuste) aannames hun mogelijkheden beperken. 
  • Maak LOB persoonlijk en doorlopend: plan niet alleen losse activiteiten, maar zorg voor regelmatige reflectie-gesprekken waarin leerlingen hun ervaringen koppelen aan keuzes en vervolgstappen.
>

Wel of niet naar de hogeschool? Mechanismen van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces

Inspectie van het Onderwijs (2021)

Onbedoelde zelfselectie zorgt ervoor dat sommige mbo‑studenten afzien van het hbo, ondanks dat zij de capaciteiten hebben om door te stromen.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat mbo‑studenten soms afzien van een vervolgstudie door ervaren drempels zoals studiekosten, studieduur en de verwachte moeilijkheidsgraad. Persoonlijke factoren zoals faalangst, gebrek aan steun vanuit ouders en negatieve invloed van de omgeving versterken deze neiging. Niet alle drempels wegen voor iedereen even zwaar, maar bepaalde groepen laten zich er vaker door afschrikken. De resultaten tonen dat keuzes om niet door te studeren niet altijd inhoudelijk gemotiveerd zijn, maar vaak voortkomen uit onzekerheid en percepties van het hbo.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Dit rapport bevat de eerste resultaten van een onderzoek naar zelfselectie. De Inspectie van het Onderwijs heeft dit deelonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul, waarin de regering werd verzocht om een onderzoek te (laten) doen naar de factoren die ervoor zorgen dat jongeren afzien van een vervolgstudie in het hoger onderwijs terwijl ze wel de benodigde kwalificaties hebben. De vraag is waardoor deze onbedoelde vorm van zelfselectie wordt veroorzaakt. Dit tussenrapport richt zich op mbo 4-studenten in het laatste jaar van hun opleiding. Via een vragenlijst- en vignettenonderzoek hebben we achterhaald welke factoren voor welke groepen studenten een rol spelen bij zelfselectie. Daartoe hebben de mbo 4-studenten verschillende fictieve situaties voorgelegd gekregen en is hen telkens gevraagd aan te geven of ze onder de beschreven hypothetische omstandigheden een keuze voor het hbo zouden maken.

In een addendum zijn de achterliggende mechanismen van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces van mbo 4 studenten beschreven: Addendum tussenrapportage: De invloed van kenmerken van studenten en scholieren bij de keuze voor doorstuderen in het hoger onderwijs.

Conclusies
Een aantal belangrijke kenmerken (zowel van het onderwijsstelsel als van de student) leiden er toe dat mbo-studenten afzien van een vervolgopleiding, terwijl ze wel de kwalificatie en vaardigheden daartoe hebben:

  1. Uit literatuuronderzoek blijkt dat studiekosten, de duur van de opleiding, de verwachte moeilijkheidsgraad en het imago dat mbo’ers hebben in het hbo, drempels kunnen vormen voor mbo’ers om verder te studeren. De studiekosten werd ook in de vragenlijst door mbo’ers het vaakst genoemd als een belangrijke belemmerende factor voor verdere studie. Daarnaast laat het literatuuronderzoek zien dat factoren als het opleidingsniveau en het inkomen van de ouders, migratieachtergrond, onzekerheid, faalangst en eerdere negatieve schoolervaringen een rol spelen. Al deze factoren interacteren op verschillende manieren; een drempel kan voor de ene groep zwaarder wegen dan voor een andere groep.
  2. Ons empirisch onderzoek laat zien dat afzonderlijke bekeken sociale achtergrondkenmerken als leeftijd, migratieachtergrond, opleiding van de ouders en een eventuele fysieke of psychische beperking van invloed zijn op de ingeschatte kans om aan een vervolgopleiding in het hbo te beginnen. Ook het sociale netwerk van de student en de eerdere schoolprestaties hangen hier mee samen. Echter als we deze kenmerken in samenhang analyseren blijkt een beperkt aantal een significant effect te hebben. Dit betreft:
    a. studenten met ouders/verzorgers die weinig stimuleren tot verdere studie in het hoger onderwijs;
    b. studenten die onzeker zijn over het eigen kunnen in het hoger onderwijs (faalangst);
    c. studenten met vrienden die negatief staan ten opzichte van het hoger onderwijs;  
    d. studenten die weleens een jaar hebben gedoubleerd;
    e. studenten die stress voor een naderend examen ervaren.
  3. De vier drempels die uit het literatuuronderzoek naar voren kwamen zijn middels vignetten aan de mbo’ers voorgelegd. Op die manier zijn ze ook onderling vergelijkbaar in de mate waarop ze zelfselectie beïnvloeden. Alle vier blijken ze van belang. Studieduur heeft daarbij het grootste gevolg. Bij een langere studieduur zien meer mbo 4-studenten af van verdere studie. Het imago van het hbo, voorgelegd als het gegeven dat mbo’ers harder moeten werken dan havisten, blijkt de minst grote drempel. De gepercipieerde moeilijkheidsgraad (niveauverschil tussen mbo en hbo) en de voorwaarden voor een studielening (studiekosten) zitten daartussenin. Verder blijkt dat bij verschillende drempels de migratieachtergrond, het sociale netwerk, faalangst, examenstress, risicoaversie en een fysieke of psychische beperking een rol spelen bij zelfselectie, maar dat het per drempel verschilt welke groepen studenten zich laten ontmoedigen of afschrikken.  

Aanbevelingen  
We doen de volgende aanbevelingen om zelfselectie onder mbo 4-studenten te verminderen:

  1. Stimuleer doorlopende leerlijnen door als mbo en hbo gezamenlijk meer passend aanbod te ontwikkelen.
  2. Beperk financiële drempels voor mbo 4-studenten om de mbo-hbodoorstroom te bevorderen. 
  3. Schenk in het mbo structureel aandacht aan het mechanisme van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces van laatstejaars mbo 4- studenten.

Vervolg  
Belemmeringen die met de keuze voor een specifieke opleiding te maken hebben, komen in een volgend rapport uitgebreid aan de orde.  

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek laat zien dat bepaalde groepen mbo-studenten zich laten afschrikken door kenmerken van het hbo, terwijl dat niet altijd terecht is. Om die reden kiezen deze mbo’ers ervoor om van het hbo af te zien. De drempels in het hbo die deze studenten ervaren worden door hen hoger ingeschat dan door andere mbo-studenten. Dit heeft te maken met de achtergrond van deze studenten en soms met bepaalde eigenschappen. Voor decanen en loopbaanbegeleiders is het relevant alert te zijn op het onderscheid tussen een ‘positieve’ keuze om niet verder te studeren - de student kan prima aan de slag op de arbeidsmarkt en ambieert dit ook -  en een ‘negatieve’ keuze om niet verder te studeren: de student zou wel graag verder gaan in het hbo, maar laat zich weerhouden door oneigenlijke motieven. Uit het onderzoek blijkt dat redenen voor zo’n ‘negatieve’ keuze te maken hebben met de duur van de hbo-opleiding, de veronderstelde moeilijkheidsgraad, studiekosten en het imago van het hbo. Studenten zonder een migratieachtergrond, met een sociaal netwerk dat negatief staat ten opzichte van het hbo, met faalangst, examenstress, of risicoaversie of met een fysieke of psychische beperking maken vaker een negatieve keuze vanwege deze drempels in het hbo dan anderen. In studiebegeleidings- en loopbaantrajecten zou hier expliciet aandacht aan besteed kunnen worden.  

>

De invloed van kenmerken van studenten en scholieren bij de keuze voor doorstuderen in het ho

De Inspectie van Onderwijs (2022)

Zelfselectie richting het hoger onderwijs wordt sterk beïnvloed door persoonlijke kenmerken en ervaren drempels bij studenten.

____________________________

Uit het onderzoek blijkt dat vooral persoonlijke factoren zoals faalangst, gebrek aan steun vanuit ouders en negatieve invloed van de omgeving samenhangen met een lagere kans op doorstuderen. Ook ervaren stress, eerdere studievertraging en beperkte begeleiding spelen een rol in deze keuze. Opvallend is dat traditionele achtergrondkenmerken minder invloed hebben dan vaak wordt aangenomen. De resultaten laten zien dat belemmerende overtuigingen en ervaren drempels een belangrijke rol spelen in het studiekeuzeproces en aandacht vragen in begeleiding.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Welke studentkenmerken van mbo 4-studenten in het onderzoek leiden tot een kleinere kans op doorstuderen in het hoger onderwijs? 

Dit addendum is een aanvulling op eerder onderzoek naar zelfselectie, genaamd 'Wel of niet naar de hogeschool? Achterliggende mechanismen van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces van mbo 4 studenten'. Download dit onderzoek in de bijlage.

Er blijken negen studentkenmerken van invloed op de ingeschatte kans op het kiezen van een selectieve opleiding. Mbo 4-studenten waarvoor onderstaande kenmerken gelden, zullen volgens de resultaten minder vaak kiezen voor studeren in het hoger onderwijs dan andere groepen:

  • oudere studenten;
  • studenten met een niet-westerse migratie achtergrond;  
  • studenten die ooit tijdens hun opleiding een jaar hebben overgedaan;
  • studenten die weinig stimulering van hun ouders krijgen;
  • studenten met vrienden die een negatieve houden ten opzichte van het hoger onderwijs hebben;
  • studenten die stress voor een naderend examen ervaren;
  • studenten die onzeker zijn over hun eigen kunnen in het hoger onderwijs (faalangst);
  • studenten die weinig begeleiding vanuit school hebben ontvangen bij het maken van een keuze voor een toekomstige studie of werk; 
  • studenten die geen extern bezoek hebben afgelegd; 
  • studenten die geen bijzondere omstandigheden hebben.  

Het effect van bijzondere omstandigheden is onverwacht en moeilijk te interpreteren. We hadden verwacht dat de studenten zonder bijzondere omstandigheden zichzelf een grotere kans op doorstuderen zouden geven. Mogelijk is dit juist de groep die gaat werken.  

Welke scholierenkenmerken van havisten in ons onderzoek leiden tot een afname van de ingeschatte kans op doorstuderen in het hoger onderwijs. Er blijken vijf leerlingkenmerken van invloed op de ingeschatte kans op het kiezen van een selectieve opleiding. Havisten waarvoor onderstaande kenmerken gelden, zullen volgens onze resultaten minder vaak kiezen voor doorstuderen in het hoger onderwijs dan andere groepen:

  • scholieren met een Nederlandse achtergrond;
  • scholieren met een laag gemiddeld rapportcijfer;
  • scholieren die weinig stimulering van hun ouders krijgen;
  • scholieren met vrienden die een negatieve houden ten opzichte van het hoger onderwijs hebben;
  • scholieren die onzeker zijn over hun eigen kunnen in het hoger onderwijs (faalangst).  

Welke scholierenkenmerken van vwo-ers in het onderzoek leiden tot een afname van de ingeschatte kans op doorstuderen in het hoger onderwijs. Er blijken vier leerlingkenmerken van invloed op de ingeschatte kans op het kiezen van een selectieve opleiding. Vwo-ers waarvoor onderstaande kenmerken gelden, zullen volgens onze resultaten minder vaak kiezen voor doorstuderen in het hoger onderwijs dan andere groepen:

  • scholieren die weinig stimulering van hun ouders krijgen;
  • scholieren met vrienden die een negatieve houding ten opzichte van het hoger onderwijs hebben;
  • scholieren die onzeker zijn over hun eigen kunnen in het hoger onderwijs (faalangst)
  • scholieren die stress voor een naderend examen ervaren.

Het model laat zien dat alle kenmerken die van invloed zijn een effect hebben in de verwachte richting op de ingeschatte kans. Het model laat ook zien dat de klassieke achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd, sociaal-economische status of migratieachtergrond geen rol van betekenis spelen op de ingeschatte kans op doorstuderen in het hoger onderwijs. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek laat zien dat wel of niet doorstuderen na diplomering van mbo of vo afhangt van bepaalde achtergrondkenmerken en eigenschappen. Deze achtergrondkenmerken en eigenschappen verschillen tussen mbo’ers en vo’ers. Ongeveer 70 procent van de mbo’ers op niveau 4 betreedt na afronding van het mbo de arbeidsmarkt. Het merendeel vanuit een bewuste keuze: het mbo leidt immers direct op tot een beroep. Een klein deel kiest echter niet voor een vervolgstudie in het hbo omdat ze  drempels ervaren die niet altijd terecht zijn. Ze vrezen bijvoorbeeld de extra kosten, de extra jaren studie of de moeilijkheidsgraad van het hbo. Het is goed om in loopbaanbegeleidingstrajecten na te gaan in hoeverre er sprake is van dit soort gepercipieerde drempels en in hoeverre ze terecht zijn. Voor vo’ers zijn de doorstroompercentages naar het hoger onderwijs het spiegelbeeld van het mbo. Het merendeel stroomt door, soms na een tussenjaar. Degene die niet doorstromen doen dit om uiteenlopende redenen. Evenals bij mbo’ers zijn dit soms redenen die samenhangen met faalangst of gebrek aan kennis of ondersteuning vanuit de omgeving. In de studiebegeleiding zou kennis over het effect van deze eigenschappen en achtergrondkenmerken op keuzes voor het vervolgonderwijs meegenomen kunnen worden: welke obstakels worden er door wie ervaren en in hoeverre is dat terecht?  

>

Onbedoelde zelfselectie: drempels die jongeren weerhouden om voor een specifieke opleiding te kiezen

Inspectie van het Onderwijs (2022)

Onbedoelde zelfselectie speelt een grotere rol in studiekeuzes dan vaak wordt gedacht en kan kansen in het hoger onderwijs beperken.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat studenten hun opleidingskeuze niet alleen baseren op inhoud, maar ook op ervaren drempels zoals selectie, kosten en taal. Deze drempels beïnvloeden sommige groepen sterker, bijvoorbeeld studenten met faalangst of minder ervaring met het hoger onderwijs. Hierdoor kiezen zij soms voor een andere opleiding dan hun eerste voorkeur. De resultaten benadrukken het belang van bewustwording van deze mechanismen en gerichte begeleiding om keuzes beter te onderbouwen.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Dit is het tweede onderzoek naar zelfselectie op weg naar het hoger onderwijs, uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul. Het eerste onderzoek ging in op zelfselectie bij de afweging wel of niet verder te studeren na afronding van een mbo-4-opleiding. 

Dit tweede rapport - tevens het eindrapport - beschrijft welke de rol zelfselectie speelt bij de afweging die mbo-4-studenten en havo- en vwo-scholieren maken om al dan niet voor hun favoriete opleiding in het hoger onderwijs te kiezen. Daarbij is gekeken naar drempels in opleidingen (zoals de selectieprocedure of de taal), achtergrondkenmerken van studenten (zoals geslacht of de opleiding van ouders) en naar specifieke persoonlijkheidskenmerken (zoals faalangst of risicoaversie).

Met een vraqenlijst- en een vignettenonderzoek zijn drempels in opleidingen en kenmerken van aspirant studenten onderzocht: welke drempels en kenmerken veroorzaken dat aspirant studenten wel voor de ene en niet voor de andere opleiding kiezen? De drempels en kenmerken die in het onderzoek zijn opgenomen, zijn afgeleid uit wetenschappelijke literatuur en lopende discussies in het onderwijsveld. Hier volgen de belangrijkste uitkomsten.

Conclusies  
Zowel kenmerken van leerlingen en studenten als drempels in opleidingen zijn van invloed op zelfselectie. Sommige drempels zijn voor bepaalde groepen mbo-4- studenten en havo- en vwoleerlingen hoger dan voor anderen.  

Wie kiest er voor decentrale selectie? En wie kiest voor een opleiding die loot?  
Eerst is vo-leerlingen en mbo-studenten gevraagd of ze zouden kiezen voor een selectieve opleiding. Dit is gevraagd voor selectieve opleidingen met decentrale selectie en voor selectieve opleidingen die loten. Sommige groepen studenten blijken minder geneigd zijn te kiezen voor decentrale selectie of loting dan andere groepen studenten. Zo hebben persoonlijkheidskenmerken (leen- en risicoaversie) bij zowel mbo’ers als bij havisten en vwo’ers een negatieve invloed op het kiezen voor een opleiding die decentraal selecteert. Het sociale netwerk speelt een negatieve rol bij zowel mbo’ers, havisten als vwo’ers in de neiging te kiezen voor een opleiding die loot. Bij de keuze voor een opleiding die loot zijn ook het inkomen van de ouders voor mbo’ers en de opleiding van de ouders voor havisten van invloed. Een relatief laag inkomen en relatief laag opgeleide ouders maken de keuze voor een opleiding die loot minder waarschijnlijk. Deze resultaten laten nog niet zien of de betreffende aspirant studenten wél voor de opleiding hadden gekozen als er geen sprake was van selectie. Om dit aan te tonen is zogeheten vignettenonderzoek uitgevoerd. Een vignet is een situatieschets waarin kenmerken van opleidingen worden gevarieerd. De respondenten worden bij verschillende vignetten gevraagd wat zij onder die omstandigheden zouden doen.  

Wie ziet af van een opleiding vanwege kenmerken van die opleiding?  
Het vignettenonderzoek laat zien dat bepaalde groepen studenten minder vaak kiezen voor een opleiding met een drempel dan voor eenzelfde ‘drempelloze’ opleiding. Deze groepen zien ook in sterkere mate af van opleidingen met een drempel dan anderen. De groepen studenten die vanwege drempels in het hoger onderwijs meer geneigd zijn tot zelfselectie zijn zeer divers en wisselen per drempel. Voor de drie grootste drempels geldt het volgende:  

  • Engels als instructietaal vormt onder mbo’ers vooral een drempel voor vrouwen, studenten met faalangst en studenten met een Nederlandse achtergrond. Onder havisten gaat dit op voor vrouwen, leerlingen van wie de ouders geen wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, leerlingen met examenstress en voor leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Voor de gemiddelde vwo’er is deze drempel niet bijzonder hoog, maar faalangstige vwo’ers en vwo’ers met een Nederlandse achtergrond hebben wel iets meer last van deze drempel dan andere vwo’ers.
  • Als een opleiding extra kosten vraagt vormt dit onder mbo’ers vooral een drempel voor vrouwen en studenten met faalangst. Onder vwo’ers geldt dit met name voor de leerlingen met ouders uit de lagere-inkomensgroepen, leerlingen die ooit zijn blijven zitten en voor leerlingen met examenstress. 
  • Een ongelukkige timing van de selectieprocedure (bijvoorbeeld vlak voor het eindexamen) is een extra hoge drempel voor oudere mbo’ers, voor mbo’ers die een westerse migratieachtergrond hebben, die hbo-opgeleide ouders hebben, uit de lagereinkomensgroepen komen of die een leenaversie hebben. Onder vwo’ers zijn het de oudere leerlingen, leerlingen met een leenaversie of leerlingen met examenstress die er bovengemiddeld last van hebben.  

De omvang van de groep die uitvalt door zelfselectie verschilt. Sommige drempels hebben weinig zelfselectie tot gevolg, ook doordat bepaalde risicogroepen klein zijn. Daardoor is zelfselectie onder bijvoorbeeld faalangstige vo-leerlingen en mbo-studenten niet snel zichtbaar in instroomcijfers.  

Aanbevelingen  
De inspectie beveelt aan dat vooropleidingen en opleidingen in het hoger onderwijs structureel en tijdig aandacht besteden aan het mechanisme van onbedoelde zelfselectie bij de keuze voor vervolgonderwijs van verschillende groepen mbo-4- studenten, havisten en vwo’ers. Houd daarbij rekening met verschillen tussen aanleverend onderwijs (mbo, havo en vwo) en met verschillen tussen kwetsbare groepen. Aan hoger onderwijs-opleidingen die wijzigingen overwegen die mogelijke drempels opwerpen, wordt aanbevolen het risico van zelfselectie te betrekken in de afweging tussen alternatieven. Tenslotte beveelt de inspectie in het kader van de kansengelijkheidsagenda aan de inzichten in mechanismen van onbedoelde zelfselectie te benutten bij het bevorderen van kansengelijkheid.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek toont aan dat leerlingen en studenten soms voor een andere opleiding in het hoger onderwijs kiezen dan voor de opleiding die hun voorkeur heeft. Dit heeft dan niet te maken met de inhoud van de opleiding of met de kwalificaties van de kandidaat, maar met bezwaren die hier los van staan. Dergelijke bezwaren, of drempels die worden ervaren, zijn bijvoorbeeld de instructietaal, extra kosten, of het feit dat er wordt geselecteerd. Sommige groepen scholieren en studenten zijn hier gevoeliger voor dan anderen. Dat laatste maakt het des te belangrijker hier in het studiekeuzetraject alert op te zijn. Kiest deze scholier of student voor een vervolgopleiding vanuit een faalangstig perspectief, of vanuit de context dat thuis geen ervaring met het hoger onderwijs is en ziet hij daarom drempels die er vanuit een ander perspectief niet – of in mindere mate - zijn? Aandacht in studiekeuzebegeleiding voor keuze-overwegingen die losstaan van de inhoud van opleidingen kan een ander licht werpen op het hoger onderwijs.  
Aandacht voor bijvoorbeeld Engels als instructietaal of aandacht voor het risico van falen bij selectieve opleidingen kan helpen bij een weloverwogen keuze voor een vervolgstudie.  

>

Naar een inclusieve stagemarkt. Van Mystery Guest naar Mystery Match

mr. dr. Artie Ramsodit (2021)

Het ontwikkelen van eerlijke kansen op de stagemarkt vraagt om bewustwording, samenwerking en gerichte interventies tegen bias.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat vooroordelen en wederzijds wantrouwen bij studenten, onderwijs en werkgevers de toegang tot stages kunnen belemmeren. Verschillende perspectieven en aannames beïnvloeden selectieprocessen en vergroten de kans op ongelijkheid. Met behulp van experimenten zijn tools ontwikkeld die bewustwording creëren en bijdragen aan meer objectieve matching. De resultaten benadrukken dat samenwerking en gerichte aanpakken nodig zijn om stagediscriminatie structureel aan te pakken en kansen te vergroten.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

De doelstelling van dit traject was gezamenlijk te komen tot een bruikbare, signalerende ‘Mystery Guest’ aanpak. Het komen tot een constructieve aanpak vereist verbinding en samenwerking van stakeholders vanuit het MKB, jongeren en onderwijsinstellingen. Dat gaat niet vanzelf. Het vergt ‘los denken’ en het verkennen van behoeften. Dit traject is daarom ingevuld samen met verschillende stakeholders vanuit de methoden actieleren en actieonderzoek. Daarbij vormden de maatregelen vanwege de corona een beperking voor de uitvoering van het traject. De eerste fase was een probleemverkenning. In de tweede fase is concept ‘Mystery Guest’ vertaald naar drie experimenten om biasarme matching op de stagemarkt te vergroten. Aangezien een groot deel van de studerende en schoolgaande jongeren in de stadsdelen Zuidoost en Nieuw-West een niet-westerse achtergrond heeft, zijn de experimenten met name uitgevoerd met stakeholders uit deze stadsdelen in combinatie met stakeholders die in heel Amsterdam actief zijn. De drie experimenten hebben drie tools opgeleverd: de Mystery Match Game, de Mystery Matching App, de Mystery Match Zelftest.

De resultaten van de probleemverkenning.  
Vooroordelen of voorkeuren op basis van etniciteit of postcode is een lastig issue. Landelijk zijn er verschillende onderzoeken gedaan naar gelijke toegang tot de stagemarkt. Uit dit traject komt naar voren dat de perspectieven van de betrokken stakeholders verschillen als het gaat om gelijke toegang tot de stagemarkt. Daarbij spelen de volgende belemmerende brillen:

  • Belemmerende brillen bij het MKB: studenten met een niet-westerse achtergrond zijn risicovol, niet gemotiveerd, onvoldoende toegerust, voorkeur voor studenten op grond van postcodes en etniciteit.  
  • Belemmerende brillen bij studenten met een niet/westerse achtergrond: gebrek aan vertrouwen als het gaat om gelijke kansen, sneller getriggered, beperkter netwerk.  
  • Belemmerende brillen bij onderwijsinstellingen: onzichtbaarheid van het fenomeen, subtiele uitsluiting, (nog) geen protocol of routekaart om met meldingen van stagediscriminatie om te gaan.  

In dit traject kwamen diverse factoren in beeld die voor ondernemers meewegen in het proces van werving en selectie. Deze factoren zijn geclusterd tot de aspecten: herkenning, gedrag en vaardigheden, betrouwbaarheid, aansluiten bij de behoefte van de ondernemer en het passen in de organisatie. Deze aspecten spelen een rol als het gaat om toegang tot de stagemarkt van jongeren met een niet-westerse achtergrond. Het gaat dan om herkenning en betrouwbaarheid op basis van o.a. het postcodegebied, de inschatting van de taalvaardigheden en de werknemersvaardigheden en de mate waarin de culturele achtergrond past binnen de organisatiecultuur.  

De resultaten van de experimenten: drie tools  

  1. Mystery Match Game: een spel voor dialoog en bewustzijn over de toegang tot de stagemarkt.
  2. Mystery Matching App voor biasarme skillsgerichte stagematching.
  3. Mystery Match Zelftest voor inzicht in individuele interculturele vaardigheden.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Uit het onderzoek komt naar voren op welke concrete manieren je aan de slag kunt met het verkleinen van de mis match tussen studenten en werkgevers als het gaat om stagediscriminatie. De drie tools die hierbij gebruikt zijn, zijn Mystery Match Game, Mystery Matching App en Mystery Match Zelftest.

Daarnaast geeft het onderzoek inzichten in de perspectieven van werkgevers en de belemmeringen die zij ervaren als het gaat om het aanbieden van stageplaatsen voor niet-westerse studenten.

>

Effectieve loopbaanoriëntatie en loopbaanbegeleiding (LOB) in het vmbo: een overzichtsstudie

Korpershoek, H. Karssen, M. Spijkerboer, A. Petit, R. Hermans, A. (2022)

Effectieve LOB vraagt om een samenhangende en praktijkgerichte aanpak waarin leerlingen actief leren en ondersteund worden in hun loopbaanontwikkeling.

____________________________

De studie laat zien dat verschillende elementen bijdragen aan effectieve LOB, zoals praktijkervaring, actieve leerrollen en een samenhangend programma. Leerlingen ontwikkelen zich beter wanneer zij zelf ervaringen opdoen, reflecteren in gesprek en zicht krijgen op werk en vervolgopleidingen. Ook de betrokkenheid van ouders en het omgaan met verwachtingen en belemmeringen spelen een belangrijke rol. Daarnaast is aandacht voor zelfvertrouwen, kennis over mogelijkheden en een realistisch toekomstbeeld essentieel voor het maken van passende keuzes.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Deze literatuurstudie heeft als doel een systematische analyse en synthese te maken van effectieve elementen in LOB-aanbod in binnen- en buitenland. In deze literatuurstudie is onderzocht welke aanpakken voor LOB effectief kunnen zijn voor leerlingen, met waar mogelijk ook specifiek aandacht voor ‘wat werkt’ voor jongeren uit gezinnen met een migratieachtergrond, zodat evidence-informed beslissingen over de invulling van LOB genomen kunnen worden.

De onderzoeksvraag luidt: Wat zijn effectieve aanpakken voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding van jongeren (al dan niet uit gezinnen met een migratieachtergrond) in het vmbo, op basis van de nationale en internationale literatuur? Uit onze literatuurstudie komen in grote lijnen zeven elementen naar voren die bij kunnen dragen aan effectieve LOB en het studie- en beroepskeuzeproces van vmbo-leerlingen (waaronder voor leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond). Het LOB-aanbod (of vergelijkbaar aanbod in het buitenland) beschouwen we als effectief wanneer het de loopbaanontwikkeling van leerlingen positief beïnvloedt, bijvoorbeeld beter ontwikkelde loopbaancompetenties, meer zelfvertrouwen in het maken van studiekeuzes of bijvoorbeeld beter inzicht in eigen interesses en capaciteiten als gevolg van de beter ontwikkelde loopbaancompetenties. 

  1. Verbinding leggen met de praktijk  
    Leerlingen verdiepen zich aan de hand van informatie in beroepen en vervolgopleidingen, maar contact met de praktijk en ervaringen opdoen is onontbeerlijk bij het maken van weloverwogen loopbaankeuzes. Scholen en bedrijven werken samen in het organiseren van LOB-activiteiten zodat leerlingen beroepsbeoefenaren ontmoeten en kennis maken met de beroepspraktijk, al dan niet in samenwerking met externe aanbieders. Voorbeelden van zogenoemde werkexploratieactiviteiten zijn bedrijfsbezoeken, snuffelstages, gastlessen door beroepsbeoefenaren maar ook door school en het werkveld of het mbo zelf georganiseerde activiteiten, zoals meeloopdagen in het mbo. Bij activiteiten in de beroepspraktijk is belangrijk gebleken dat leerlingen keuzemogelijkheid hebben in het bedrijf/beroep waar zij zich in gaan verdiepen en dat vooraf het doel en de aard van de activiteit voor alle betrokkenen duidelijk is en hoe activiteiten passen in het grotere geheel van LOB. Er zijn ook vakinhoudelijke activiteiten zoals workshops, praktijkopdrachten, summer schools, al dan niet in samenwerking met scholen. Het doel van deze activiteiten is om jongeren in het algemeen of bepaalde groepen, zoals meisjes of jongeren uit gezinnen met een migratieachtergrond, te interesseren voor wetenschap, technologie en wiskunde. Deze voorbeelden uit internationaal onderzoek worden ook in Nederland wel toegepast, maar specifieke aandacht voor het begeleiden van loopbaankeuzes van leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond ontbreekt hier veelal. Door kennis te maken met het vervolgonderwijs en de beroepspraktijk, kan de kennis over beroepsmogelijkheden worden vergroot en kan interesse worden gewekt voor beroepsrichtingen waar grote tekorten zijn. Daarnaast kunnen eventuele vooroordelen worden weggenomen en verkeerde beeldvorming over beroepen en vervolgopleidingen worden rechtgezet.  
  2. De leerling heeft een actieve rol  
    Voor bedrijven ligt het vaak voor de hand om iets te vertellen over het bedrijf en een rondleiding te geven als leerlingen op bezoek komen. Een werkbezoek is doorgaans effectiever als een leerling zelf ook een actieve rol heeft, bijvoorbeeld door een opdracht uit te voeren waardoor de leerling zelf iets ervaart van het vakgebied. Andere voorbeelden van een actieve rol van leerlingen betreft een excursie of workshops waarin leerlingen een reeks activiteiten met actieve werkvormen doorlopen, van zelfanalyse tot en met het maken van een plan om een bepaald beroep te bereiken. LOBactiviteiten op school zijn effectiever wanneer hier actieve werkvormen voor gebruikt worden en de leerling dus een actieve rol speelt, zoals hands-on activiteiten, presenteren aan medeleerlingen, of werken volgens principes van problem-based,  project-based of inquiry-based learning. Verschillende onderzoeken laten zien dat het actief werken aan loopbaancompetenties, zoals motieven/kwaliteitenreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken, leerlingen kan helpen bij het studiekeuzeproces. Ook hierbij is het belangrijk dat leerlingen actief aan de slag gaan om de loopbaancompetenties verder te kunnen ontwikkelen.  
  3. Samenhangend traject met betrokkenheid van de school
    LOB-activiteiten staan vaak los van elkaar maar het is effectiever als er een samenhangend traject is met verschillende op elkaar aansluitende activiteiten. In de Nederlandse context is de school doorgaans de factor die voor deze samenhang kan zorgen door activiteiten te integreren in het grotere geheel van het LOB-curriculum. Mentoren, docenten en andere begeleiders vervullen een belangrijke rol in het studie- en beroepskeuzeproces van vmbo-leerlingen. Zij kunnen leerlingen enthousiasmeren, bijvoorbeeld door ervaringen en interesses van leerlingen buiten de school (bijbaan, hobby) bij LOB te betrekken, en kunnen de verbinding tussen LOB activiteiten expliciet maken, zodat leerlingen ook de samenhang in de activiteiten zien. Ook zijn er effectieve samenhangende LOB-trajecten en peer counseling programma’s waarbij de betrokkenheid van de school niet expliciet wordt genoemd. Toch kunnen dit soort programma’s  en activiteiten, dus zonder actieve betrokkenheid van bijvoorbeeld docenten en mentoren op school, effectief zijn. Een aantal mooie voorbeelden vinden we in programma’s buiten Nederland die veelal bestaan uit een reeks activiteiten en spelvormen, georganiseerd en begeleid door bijvoorbeeld studenten, docenten of onderzoekers uit het tertiair onderwijs.  
  4. Reflectie
    Zinvolle reflectie kan bestaan uit een reflectiegesprek met bijvoorbeeld activerende werkvormen die leerlingen aan het denken zetten. De docent of loopbaancoach stelt vragen, vraagt door en zet de leerling aan het denken over wat bij de leerling past en waarom. De leerling wordt hierdoor aangemoedigd om zowel vooraf als na bijvoorbeeld werkexploratie activiteiten, na te denken over keuzemogelijkheden en een beargumenteerde loopbaankeuze te maken. Een creatief voorbeeld hiervan is het gebruiken van een stripverhaal gevolgd door een gesprek. Reflectie die uitsluitend schriftelijk plaatsvindt met een reflectieverslag of formulier lijkt weinig op te leveren en dit wordt door leerlingen nutteloos gevonden. Vooral gesprekken waar de leerling eigen ervaringen inbrengt en de mentor de relatie legt met kwaliteiten, mogelijke toekomstige beroepen en vervolgopleidingen, leiden tot nieuwe inzichten. Verder bespreekt de mentor hoe de leerling de nieuwe inzichten kan benutten en maakt concrete afspraken over vervolgactiviteiten. Het bespreken en vastleggen van loopbaandoelen (wat gaat de leerling doen om zich verder te oriënteren) kan een concreet handvat zijn in dit proces. Van belang is dat de mentor oprecht geïnteresseerd is in de leerling en zich inleeft in het verhaal dat de leerling vertelt. Een portfolio of persoonlijk ontwikkelingsplan kan een hulpmiddel zijn bij reflectie op motieven, ambities en kwaliteiten en eigen verantwoordelijkheid en zelfsturing bevorderen, mits er wel gesprekken plaatsvinden met de docent of mentor over het portfolio.  
  5. Ouders zijn betrokken  
    Ouders spelen een belangrijke rol in het keuzeproces van hun kinderen, ook al is dat niet altijd zichtbaar voor de school. Zij blijken de belangrijkste beïnvloeders en gesprekspartners te zijn bij de studie- en beroepskeuze, maar zij zijn zich daar vaak niet van bewust. In het basis- en voortgezet onderwijs is van belang dat de school samenwerkt met ouders rond het opvoeden, leren en de loopbaankeuzes van leerlingen. In vervolgopleidingen gaat het vooral om de rol van ouders als gesprekspartner bij belangrijke keuzes voor de toekomst, zoals de profielkeuze en de keuze voor studie- en beroep, kansen op de arbeidsmarkt. Om een goede gesprekspartner te zijn voor zoiets complex als de studie- en beroepskeuze is enige kennis over het onderwijs en de arbeidsmarkt noodzakelijk. Of in elk geval is het belangrijk het kind hierin te stimuleren en te ondersteunen, en het aangrijpen van mogelijkheden om hier meer over te weten te komen en – samen met het kind – op onderzoek uit te gaan. Ouders die weinig zicht hebben op de onderwijs en arbeidsmarkt, voelen zich hiervoor vaak onvoldoende toegerust. Zo ontbreekt het ouders van leerlingen in het vmbo en mbo veelal aan basale informatie over de opleiding van hun kind. Ouders vinden dat zij weinig betrokken worden bij loopbaankeuzes van hun kinderen en hebben behoefte aan informatie over schoolloopbaankeuzes. Vooral daarom is het van belang dat scholen ouders meenemen in het keuzeproces en bevorderen dat ook thuis gesprekken plaatsvinden over de studie- en beroepskeuze.
  6. Omgaan met verwachtingspatronen
    Voor leerlingen in het algemeen – en voor leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond mogelijk nog meer – kan omgaan met verwachtingspatronen of verschillen tussen de schoolcultuur en de thuiscultuur moeilijk zijn. Het kunnen verwachtingspatronen zijn van ouders over welke beroepen geschikt zijn voor ‘ons soort mensen’, vakgebieden of beroepen die typisch voor jongens of meisjes zouden zijn, beroepen met een lage of hoge status. Ouders kunnen soms weinig ruimte geven voor eigen keuzes en wensen van hun kinderen. Ook kunnen het verwachtingen zijn van leraren die de capaciteiten van specifieke leerlingen of leerlinggroepen onderschatten en hen afraden een technische opleiding te kiezen omdat deze te moeilijk zou zijn. Dit kan ertoe leiden dat leerlingen te weinig vertrouwen op hun eigen capaciteiten, hun zelfvertrouwen afneemt en zij niet hun intrinsieke motivatie en interesses volgen maar aan de verwachtingen van anderen voldoen en dus bepaalde beroepsrichtingen als mogelijkheid uitsluiten. Ook een (stage)bedrijf kan bepaalde verwachtingen of vooroordelen hebben over bepaalde leerlingen of leerlinggroepen. In verschillende buitenlandse onderzoeken zien we dat specifieke aandacht voor het omgaan met verwachtingspatronen van anderen effectief kan zijn, zoals gesprekken over genderrollen en succesvolle voorbeelden van meisjes in traditionele ‘jongensberoepen’ en vice versa. Ook een georganiseerde Girls Day over engineering, leidde ertoe dat de perceptie over engineering iets positiever was geworden. In Nederland kennen we deze activiteiten ook, zo organiseert het VHTO Girls Days waar meisjes kennismaken met bèta, techniek en IT. In een ander, omvangrijk project werd in spelvorm aandacht besteed aan barrières die leerlingen kunnen ervaren om te kiezen voor een opleiding in de gezondheidszorg en in bèta/techniek. Studenten van deze opleidingen werden als rolmodel uitgenodigd om te vertellen over hun eigen schoolloopbaan vanaf de middelbare school, omgang met culturele verwachtingspatronen, discriminatie, stereotypering, invloed van peers en familie en welke activiteiten hen verder hebben geholpen. Tot slot had een training in het omgaan met discriminatie een positieve uitwerking op verwachtingen over het vinden van een baan. In de training werd gebrainstormd over mogelijke reacties en een goede aanpak bij  discriminatie, in rollenspellen werden strategieën geoefend. Voor jongeren uit gezinnen met een migratieachtergrond zouden dit soort activiteiten bij kunnen dragen aan hun vaardigheden om goed met verwachtingen van anderen om te gaan.  
  7. Vergroten van self-efficacy en beroepsinteresse via kennisverwerving  
    Tot slot is voldoende geïnformeerd zijn over beroepsrichtingen, beroepen en opleidingen die nodig zijn om die beroepen te bereiken een noodzakelijke voorwaarde om een goede keuze te maken. De rol van de school hierbij is nog groter voor leerlingen van ouders met weinig kennis over het Nederlandse onderwijssysteem en beroepenveld. Activiteiten gericht op het vergroten van kennis over sectoren, over vervolgonderwijs, ondernemerschap of over solliciteren, bleken niet alleen kennis te vergroten maar ook positief uit te werken op het zelfvertrouwen om goede (loopbaan)keuzes te kunnen maken en op positieve beeldvorming over de beroepspraktijk. Er zijn ook online programma’s die de interesse in techniek hebben vergroot of een gebrek aan informatie, inconsistente informatie en belemmeringen voor de beroepskeuze bij jongeren kunnen verminderen. In Nederland lijkt een vakinhoudelijk summer school programma voor leerlingen in het voortgezet onderwijs niet veel voor te komen maar in de VS zijn deze er wel voor jongeren in het algemeen maar ook specifiek voor risicojongeren, jongens uit minderheidsgroepen en voor meisjes. Deze hebben bijvoorbeeld als doel om self-efficacy en de interesse te vergroten in meestal STEM (Science, Technology, Engineering, Mathematics) maar ook in de zorgsector. Leerlingen leren bijvoorbeeld programmeren, robots maken, 3d-design of apps ontwikkelen of onderzoek doen, maar er is vaak ook aandacht voor LOB. Deze programma’s blijken positief uit te werken op kennis en interesse in het vakgebied en op selfefficacy of loopbaanontwikkeling. Daar waar expliciet is gekeken naar verschillen tussen etnische groepen bleken geen noemenswaardige verschillen te zijn gevonden. Programma’s hadden wel een positief effect voor leerlingen in het algemeen. Specifiek voor jongeren met een migratieachtergrond en meisjes gold in een van deze studies dat zij de rol die mentoren vervulden en de langdurige relatie met de mentoren in een zomerkamp heel positief waardeerden en dat dit bijdroeg aan hun interesse in STEM.  

Concluderend kunnen we stellen dat de zeven bovenstaande elementen kunnen bijdragen aan effectieve LOB. We hebben hiervoor ondersteuning gevonden in de nationale en internationale literatuur. De duur van de interventies leek geen duidelijke rol te spelen. De korte, lange en intensieve interventies waren ongeveer even vaak effectief. Daarnaast zijn er geen opvallende verschillen ten aanzien van de leeftijd van de leerlingen. Ook was er geen duidelijk patroon in de effectiviteit van de interventies wat betreft de begeleiding van de activiteiten (onderzoeker, career/school counselor, leraren, veldexperts, rolmodellen). Over het algemeen werden geen differentiële effecten gerapporteerd, bijvoorbeeld voor leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond. De meeste interventies bleken voor verschillende leerlinggroepen even effectief (er waren hooguit kleine verschillen).  

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Op grond van de conclusies en bevindingen zijn een aantal aanbevelingen geformuleerd:  

  • Aanbeveling 1: Zorg voor een samenhangend traject voor onder- en bovenbouw met een breed en activerend aanbod aan LOB-activiteiten. Een effectief LOB-aanbod legt een verbinding met de praktijk, laat leerlingen kennismaken met het vervolgopleidingen (bv. mbo), sluit aan bij de fase in het keuzeproces waarin leerlingen zich bevinden en geeft leerlingen concrete, bruikbare informatie over de studie- en beroepskeuzemogelijkheden. De leerling heeft hierin een actieve rol en er worden activerende werkvormen gebruikt.  
  • Aanbeveling 2: Ontwikkel (en evalueer de effectiviteit van) LOB-activiteiten die leerlingen (in het bijzonder leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond) helpen om te gaan met verwachtingspatronen, loopbaanbarrières en stereotypering, die passen bij de Nederlandse context en de ondersteuningsbehoeften van vmbo-leerlingen en die geïntegreerd kunnen worden in het huidige LOB-aanbod van vmbo-scholen.  
  • Aanbeveling 3: Besteed in extracurriculaire en buitenschoolse activiteiten (zoals summer schools) expliciet aandacht aan LOB, zodat leerlingen actief gestimuleerd worden om na te denken over hun talenten en interesses voor vervolgopleidingen.  
  • Aanbeveling 4: Besteed in het LOB-aanbod structureel aandacht aan beroepsrichtingen met veel werkgelegenheid en een gunstig toekomstperspectief.  
  • Aanbeveling 5: Mbo-instellingen kunnen effectieve LOB-activiteiten organiseren door vmboleerlingen de mbo-instelling te laten bezoeken, leerlingen actief kennis te laten maken met de verschillende opleidingen, en mbo-studenten in te zetten als informanten en rolmodellen. 
  • Aanbeveling 6: Neem activiteiten om ouders te betrekken op in het reguliere LOB-aanbod, zodat de leerling, de school én de ouders betrokken zijn bij LOB.  
  • Aanbeveling 7: Stimuleer en faciliteer vmbo-scholen om een samenhangend traject voor onderen bovenbouw met een breed en activerend aanbod aan LOB-activiteiten samen te stellen en aan te bieden aan hun leerlingen.  
  • Aanbeveling 8: Stimuleer vmbo-scholen om naast aandacht voor de loopbaancompetenties kwaliteitenreflectie, motievenreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken (Meijers e.a., 2006) ook aandacht te besteden aan de loopbaancompetentie “omgaan met verwachtingspatronen, loopbaanbarrières en stereotypering” (in het bijzonder voor leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond).  
  • Aanbeveling 9: Laat gedegen effectonderzoek uit te voeren naar LOB-activiteiten in zowel de onder- als bovenbouw, met aandacht voor zowel generieke effecten (geldend voor alle leerlingen) als differentiële effecten (geldend voor bepaalde leerlinggroepen, zoals leerlingen uit gezinnen met een migratieachtergrond). 
>

Studiesucces en etnische diversiteit in het hoger onderwijs

Martha Meerman, Machteld de Jong en Rick Wolff 2018

Aandacht voor diversiteit in het hoger onderwijs is essentieel om studiesucces en aansluiting op de samenleving te versterken.

____________________________

Het artikel laat zien dat brede toegankelijkheid van het hoger onderwijs bijdraagt aan zowel individueel succes als een beter functionerend beroepenveld. Diversiteit wordt bekeken vanuit het perspectief van studenten, docenten en de onderwijsinstelling, waarbij de onderlinge samenhang centraal staat. Een goed begrip van de leefwereld van studenten en een inclusieve leeromgeving spelen hierin een belangrijke rol. Dit vraagt om samenwerking binnen teams en een bredere cultuuromslag binnen onderwijsinstellingen.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

In dit artikel wordt gekeken vanuit het perspectief van diversiteit naar positie en functioneren van alle studenten, al dan niet met een migratieachtergrond, in het hoger beroepsonderwijs. Gesteld wordt dat een brede toegankelijkheid van dit onderwijs niet alleen individuele studenten ten goede komt maar ook het beroepenveld en breder: de maatschappij waarin zij straks de hogere functies zullen bezetten. Het beroepenveld vraagt kennis en vaardigheden die aansluiten bij de vraagstukken van de 21ste eeuw. Vanuit drie perspectieven: dat van de student, van de docent en de institutie wordt ingezoomd op diversiteit en studiesucces en de samenhang tussen deze perspectieven. Dit hoofdstuk is onderdeel van het boek Studiesucces in het Hoger Onderwijs van Folke Glastra en Daniel van Middelkoop.

 

Wat kun je uit dit onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het artikel geeft concrete handvatten voor de LOB-praktijk wat je als docent in relatie tot studenten, in relatie tot collega’s en in relatie tot de opleiding (het instituut) kunt doen om het studentsucces en het thuis voelen binnen de opleiding te versterken. Het gaat daarbij om concrete kennis van de leefwereld van studenten, die anders kan zijn dan jouw referentiekader. Het gaat ook om de manier waarop je met collega’s een team kunt ontwikkelen waarin sprake is van een veilige context en sensitiviteit voor alle studenten. Ten slotte wordt ingezoomd op de verantwoordelijkheid als opleiding/onderwijsinstelling om daadwerkelijk een cultuuromslag te maken en werk te maken van het opleiden van inhoudelijk op de arbeidsmarkt toegeruste jongeren die kennis hebben van de leefwereld om hen heen en veerkrachtig zijn om met vraagstukken om te gaan. 

>

De Stagemakelaar. Evaluatie van het project bij Startpunt Nieuw-West en Albeda Rotterdam

Paul Bisschop, Koen van der Ven, Ruud Baarda (2021)

De stagemakelaar laat zien hoe gerichte, persoonlijke ondersteuning het verschil kan maken voor studenten die vastlopen in hun zoektocht naar een stage.

____________________________

Voor een deel van de mbo‑studenten blijkt de reguliere begeleiding onvoldoende om een stageplek te vinden, vooral door gebrek aan netwerk of sollicitatievaardigheden. De stagemakelaar ondersteunt deze groep met bemiddeling, coaching en het ontwikkelen van relevante vaardigheden. Dit helpt studenten om gemotiveerd te blijven en hun opleiding voort te zetten, terwijl ook het contact met bedrijven wordt versterkt. De aanpak vraagt om maatwerk, goede samenwerking en duidelijke keuzes over begeleiding, maar wordt door studenten en werkgevers als zeer waardevol ervaren.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

De stagemakelaar ondersteunt studenten die geen stageplek kunnen vinden bij hun zoektocht naar een stage. Veel mbo-studenten die moeite hebben met solliciteren, komen zo aan de nodige werkervaring. De stagemakelaar dicht de kloof tussen het onderwijs en het bedrijfsleven rond stages. Dit rapport betreft de evaluatie van het project Stagemakelaar, uitgevoerd in Amsterdam en Rotterdam. Het onderzoek is gedaan op basis van interviews met verschillende partijen: de stagemakelaars zelf, betrokkenen bij mbo-opleidingen, werkgevers en studenten. Ook is een enquête gehouden onder studenten die een stage hebben gevonden via een stagemakelaar. Gedurende de evaluatie bleek het niet mogelijk om een effectmeting uit te voeren en een vergelijkbare controlegroep te betrekken. Daardoor is de evaluatie kwalitatief van aard en richt het zich op de werking voor de doelgroep en ervaringen van betrokkenen.

Twee aanpakken, zelfde doelstellingen Veel mbo-studenten uit Amsterdam en Rotterdam ervaren moeite om een geschikte stageplek te vinden. Met name in opleidingen in de richting Economie en Administratie vinden veel studenten niet op tijd een stageplek, omdat ze niet over het juiste netwerk en de juiste vaardigheden beschikken om een stageplek te vinden of omdat ze na tientallen sollicitaties nog steeds geen uitnodiging voor een gesprek hebben ontvangen. Stagemakelaars in Amsterdam (Startpunt Nieuw-West) en Rotterdam (Albeda) helpen studenten die veel moeite hebben om een stageplek te vinden bij de bemiddeling naar een stageplek. Figuur S.1 geeft een overzicht van de aanpak die bij Startpunt NieuwWest en Albeda wordt gehanteerd. De aanpakken hebben gemeenschappelijke kenmerken, maar verschillen in de begeleiding (alleen bemiddelen naar een stageplek versus begeleiding tijdens de stage) en de organisaties waaronder de stagemakelaars vallen.  De aanpak van stagemakelaar heeft meerdere doelen: ten eerste probeert men studenten aan een stageplek te helpen (en te behouden), waardoor zij hun opleiding kunnen vervolgen en niet uitvallen. Daarnaast proberen stagemakelaars de studenten bij te spijkeren op bepaalde (sollicitatie)vaardigheden, zodat ze in het vervolg zelfstandig een stageplek of een baan kunnen vinden. Ten derde proberen stagemakelaars een nieuw netwerk van stagebedrijven aan te boren, waardoor toekomstige studenten minder snel in de problemen komen bij het zoeken naar een stageplek.  

Stagemakelaar springt in het gat tussen onderwijs en bedrijfsleven Een klein aandeel van de studenten heeft ondanks de aandacht die aan de stagevoorbereiding wordt besteed in de opleiding veel moeite om een stageplek te vinden. Opleidingen en werkgevers geven aan dat de takenlast van BPV-coördinatoren (coördinatoren beroepspraktijkvorming mbo) te groot is om intensieve begeleiding te bieden aan deze studenten en ook intensieve banden te onderhouden met stagebedrijven. De stagemakelaar vult dit gat op. Stagemakelaars zijn ervan overtuigd dat de uitval in de coronaperiode veel hoger was geweest als er geen extra ondersteuning was voor deze studenten. Studenten en werkgevers zijn zeer te spreken over de ondersteuning die stagemakelaars bieden. De studenten zijn erg enthousiast dat ze snel een stageplek hebben en gemotiveerd hun opleiding kunnen vervolgen. Het is voor veel studenten een opluchting na een periode van veel afwijzingen bij de eerste sollicitatiepogingen. Werkgevers hebben veel waardering voor de nauwe contacten met de stagemakelaars. Ze kunnen altijd terecht als er iets rondom de stagiair speelt, iets wat vaak ontbreekt bij ‘reguliere’ stagiairs.  

Condities voor succes en afwegingen De belangrijkste voorwaarden voor het succesvol kunnen functioneren van de stagemakelaar zijn de eigenschappen van de persoon die de functie stagemakelaar invult. De stagemakelaar moet affiniteit hebben met de doelgroep en uitstekend kunnen netwerken. Om maatwerkbegeleiding bij studenten te kunnen bieden moet de stagemakelaar een ‘vrije rol’ hebben om naar eigen inzicht studenten (met verschillende hulpvragen) te kunnen helpen. Essentieel voor succes zijn de korte lijnen naar het onderwijs om snel de hulpvraag van studenten te begrijpen en naar de bedrijven om studenten te plaatsen en te kunnen bijspringen als een student dreigt uit te vallen. Het installeren van een stagemakelaar vergt een aantal scherpe keuzes, bijvoorbeeld ten aanzien van het type begeleiding en de positionering ten opzichte van de opleiding. Een bemiddeling aan de voorkant zonder begeleiding tijdens de stageperiode heeft als voordeel dat veel studenten geholpen kunnen worden, maar als nadeel dat studenten zouden kunnen uitvallen tijdens de stage. Het helpt het meest bij studenten die net een duwtje in de rug nodig hebben. Begeleiding tijdens de stage is vooral effectief bij studenten die veel moeite hebben om een stageplek te vinden én te behouden. Door de stagemakelaar te plaatsen buiten het onderwijs, creëer je voor studenten en bedrijven een ‘frisse blik’, wat vooral studenten die problemen hebben op school kan helpen. Een stagemakelaar binnen school heeft als voordeel dat er nauwelijks afstemming hoeft plaats te vinden over de voorgeschiedenis van de student. Om te kunnen afwegen welke variant in de praktijk het meest effectief en efficiënt is, is enerzijds meer zicht nodig op de kosten en de inzet van stagemakelaars, anderzijds op de gemonetariseerde baten voor studenten in de praktijk. Een kosten-batenanalyse kan hierin meer inzicht geven.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De reguliere, ‘standaard’ begeleiding van mbo’ers die naar een stageplek zoeken, is voor sommige studenten niet voldoende om ook daadwerkelijk een stageplek te vinden. Om een verlies van motivatie en uiteindelijk uitval te voorkomen, is het instellen van een stagemakelaar een optie. De stagemakelaar helpt studenten die op eigen kracht moeilijk aan een stageplek komen. De stagemakelaar bemiddelt tussen studenten en stagebedrijven en brengt de studenten vaardigheden bij die nodig zijn bij het zoeken naar een baan. Een bijkomend voordeel is dat de stagemakelaar actief nieuwe stagebedrijven werkt, waardoor stagetekorten ook worden aangepakt.  

>

Vrij reizen over de Nederlandse arbeidsmarkt: randvoorwaarden voor een succesvol skills-paspoort

Hafid Ballafkih, Jouke Post, Joost van Genabeek, Jos Sanders (2022)

Het skillspaspoort wordt gezien als een veelbelovend instrument om inzicht te geven in talent en ontwikkeling, maar de invoering blijkt complex.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat een skillspaspoort waardevol kan zijn om inzicht te bieden in kennis, vaardigheden en drijfveren, en zo de overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt te ondersteunen. Tegelijk is brede acceptatie nog niet vanzelfsprekend en zijn er verschillen in verwachtingen tussen onderwijs, werkgevers en werknemers. Belangrijke randvoorwaarden liggen in betrouwbaarheid, eigenaarschap, privacy en gezamenlijke verantwoordelijkheid voor ontwikkeling en beheer. Het rapport benadrukt dat verdere uitwerking, samenwerking en experimenten nodig zijn om het concept succesvol en breed toepasbaar te maken.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Het ontwikkelen en implementeren van skillspaspoorten vormt een complexe opgave, die alleen kans van slagen heeft als het paspoort ook herkend en erkend wordt door de beroepsbevolking, werkgevers en onderwijs: de civiele waarde. Daarom heeft Instituut Gak een onderzoek gestart over de (rand)voorwaarden waaraan een skillspaspoort zou moeten voldoen volgens werkgevers, werknemers en het onderwijs. Het in dit rapport uitgewerkte vooronderzoek is het eerste in een reeks van deelonderzoeken naar het skillspaspoort. De centrale vraag van het project is: ‘Aan welke randvoorwaarden moet volgens actoren (werkgevers, werknemers en onderwijs) worden voldaan zodat zij het skillspaspoort gaan hanteren?’.

Op basis van literatuur, praktijkvoorbeelden en onderzoek onder werkgevers, werknemers en onderwijsexperts, komen de onderzoekers tot de volgende ideaaltypische definitie van een skillspaspoort: Een uniform, gevalideerd, betrouwbaar overzicht van wie iemand is (persoonlijkheid, gedrag etc.), wat iemand kan (kennis en vaardigheden), en wat iemand wil (drijfveren, loopbaanperceptie). Waarin zowel opleiding (diploma’s, certificaten en andere vormen van formeel leren) als levens- en werkervaring (informeel en non-formeel leren) is weergegeven en vertaald in skills, en een actueel en volledig inzicht wordt gegeven in het huidige potentieel dat werkgevers, werknemers en onderwijsinstellingen kunnen gebruiken voor in- (werving en selectie), door- (ontwikkeling) en uitstroomprocessen (arbeidsmarktoriëntatie) in het kader van een Leven Lang Ontwikkelen. Grootschalig gebruik van zo’n ideaaltypisch skillspaspoort in het onderwijs- en arbeidsmarktverkeer is volgens de meerderheid van zowel de onderwijsexperts als de werkgevers en werknemers weliswaar wenselijk en ook kansrijk, maar ook een nog wat vage stip op de verre horizon. Voor succesvolle en duurzame implementatie van een skillspaspoort zoals hier gedefinieerd, zijn nog veel antwoorden nodig op evenzoveel vragen. Om op de korte termijn een skillspaspoort te realiseren, volstaat een meer praktische definitie: een uniform overzicht van iemands kennis en vaardigheden. Het nastreven van een paspoort dat voldoet aan deze praktische definitie is een van de eerste stappen richting een uitgerijpt skillspaspoort. Werkgevers, werknemers en onderwijsexperts zijn enthousiast over de mogelijkheden die een skillspaspoort uiteindelijk kan bieden. Ze verwachten dat het een significante bijdrage zou kunnen leveren aan de verbetering van onderwijs- en arbeidsmarkttransities. De wensbeelden bij een skillspaspoort en de voorwaarden waaraan het zou moeten voldoen, verschillen onder de stakeholders. Zo kennen zij aan het skillspaspoort bijvoorbeeld verschillende doelstellingen toe, gericht op de in-, door- en uitstroom. Die doelstellingen zijn niet altijd tegenstrijdig maar laten wel verschillende belangen zien. Werkgevers zien vooral een toepassing van het skillspaspoort in het werven van nieuw personeel, werknemers zien meerwaarde in het inzichtelijk hebben en kunnen maken van hun skills, en onderwijsexperts zien vooral meerwaarde in het bijhouden van ontwikkeling tijdens de school- en beroepsloopbaan. Waar alle betrokkenen het ook over eens zijn, is de behoefte aan een zo objectief mogelijke vaststelling en validering van skills. De actoren doen daar dan wel verschillende suggesties voor, die mede zijn ingegeven door onderling vertrouwen, of het gebrek daaraan. Een deel van de suggesties voor succesvolle implementatie van skillspaspoorten in onderwijs- en arbeidsmarktregimes is daarbij gericht op het skillspaspoort zelf, een ander deel betreft de institutionele randvoorwaarden. Zo zijn voor alle respondenten uit het onderzoek technische en sociale veiligheid, eigendom, en borging van de privacy belangrijke randvoorwaarden. Onduidelijkheid over dat eigenaarschap, het beheer en de financiering van het skillspaspoort zorgt bij vrijwel alle betrokkenen voor twijfel over de ontwikkeling en realiseerbaarheid. In dat bijhouden, beheren en financieren van skillspaspoorten zien zowel de vertegenwoordigers van het onderwijs, als werkgevers en werknemers een rol voor zichzelf én een rol voor de overheid. Een gedeeld eigenaarschap is daarom het meest voor de hand liggend, maar een dergelijke constructie roept wel de vraag op hoe haalbaar dat in de praktijk is.  

Werknemers, werkgevers en onderwijsexperts die ervaring hebben met het skillspaspoort vinden het doorgaans een goed idee. Temeer daar het skillspaspoort aansluit bij nationale en Europese skillsagenda’s en past bij de sterke behoefte aan instrumenten voor een Leven Lang Ontwikkelen. Actoren die het skillspaspoort een goed concept vinden of belang hebben bij het skillspaspoort zorgen op dit moment voor een snelle ontwikkeling ervan. Dit is enerzijds positief voor de doorontwikkeling en acceptatie van het skillspaspoort als instrument, maar het kan ook zorgelijk zijn, omdat door de snelle ontwikkeling bij belanghebbenden in de markt sterke verkokering op de loer ligt. Een ontwikkeling in een brede context met ruimte voor kritische geluiden is belangrijk.  Het te snel ontwikkelen en implementeren kan zorgen voor misstappen die uiteindelijk het vertrouwen in het skillspaspoort schaden. Aandacht voor de geschetste randvoorwaarden en de positieve en kritische kanttekeningen van werkgevers, werknemers en de onderwijsexperts in dit rapport is nodig. De soms wat paradoxale wensen, verwachtingen en randvoorwaarden van de diverse partijen impliceren dat het skillspaspoort niet alleen meer bekendheid, maar vooral ook meer rijpingstijd nodig heeft. Gecontroleerde experimenten bij diverse doelgroepen zijn nodig voor een zinvolle doorontwikkeling. Ook de meer fundamentele vragen zoals hoe een skillspaspoort zich verhoudt tot de variatie en dynamiek in het onderwijs en de arbeidsmarkt, en of een uniforme gemeenschappelijke skillstaal een adequate oplossing is voor maatwerk in het onderwijs en de arbeidsmarkt verdienen aandacht. Het zijn interessante vragen waar we helaas nu nog geen antwoorden op hebben. Omdat een integrale visie op de arbeidsmarkt en het onderwijs van de toekomst ontbreekt, zijn sommige vragen ook niet goed te beantwoorden. Een visie op het skillspaspoort die past binnen zo’n integrale visie kan zorgen voor een duidelijk doel en een ontwikkelroute daarheen. In het polderlandschap vraagt dit om een collectief ontwikkelproces met volledige betrokkenheid en verantwoordelijkheid van alle actoren. Ruimte voor leren van onjuiste beslissingen en het plaatsen van of reflecteren op kritische kanttekeningen zijn belangrijke elementen in het ontwikkelproces. Op basis van een collectieve visie komen tot een ontwikkelroute, met daarin experimenten die nationaal gecoördineerd worden, is de eerste stap om te komen tot een skillspaspoort dat als onderwijs- en arbeidsmarktinstrument kan dienen dat vrij(er) reizen over de arbeidsmarkt faciliteert.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het skillspaspoort is een innovatief idee dat nog volop in ontwikkeling is. Het skillspaspoort kan helpen bij de begeleiding van leerlingen om keuzes te maken in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Het skillspaspoort kan inzicht geven in kwaliteiten en interesses van leerlingen. Het geeft inzicht in hun kennen, kunnen en het willen. Dit helpt de LOB-praktijk. Het paspoort helpt leerlingen in de transitie tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Leerlingen kunnen met het paspoort aan werkgevers laten welke competenties ze bezitten. 

>

Dear Future Me

Dr. L. van der Aar (2021)

Het zelfbeeld van jongeren speelt een cruciale rol in hun studiekeuze en verdient meer aandacht in de begeleiding.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat jongeren vaak al op jonge leeftijd belangrijke keuzes moeten maken, terwijl hun zelfbeeld nog volop in ontwikkeling is. Sociale invloeden hebben hierbij een grote impact en kunnen zowel helpen als belemmeren bij het maken van passende keuzes. Een tussenjaar kan bijdragen aan meer zelfvertrouwen en duidelijkheid over wie jongeren zijn en wat bij hen past. Deze ontwikkeling blijkt samen te hangen met betere studieprestaties en een sterkere aansluiting in het vervolgonderwijs.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

In het proefschrift Dear Future Me van ontwikkelingspsycholoog Laura van der Aar staan van de deelnemende jongeren persoonlijke uitspraken, die vaak gaan over school. Vragen we jongeren niet al veel te vroeg om belangrijke toekomstkeuzes te maken? Dat begint al bij de overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs, en snel daarna volgen de profiel- en studiekeuze. Veel jongeren vinden dit moeilijk; ze stellen de keuze uit, durven niet te kiezen of kiezen wel maar stoppen weer in het eerste jaar. Dat is een maatschappelijk probleem. Van der Aar heeft daarom het zelfbeeld van jongeren onderzocht in deze fase van hun leven.

Sociale omgeving
Uit het onderzoek blijkt dat zelfbeeld een ingewikkelde constructie is met verschillende facetten die allemaal een rol spelen bij het maken van een studiekeuze. Het zelfbeeld van 16-17 jarigen is sowieso nog sterk in ontwikkeling, waarbij de gevoeligheid voor hun sociale omgeving in hoge mate beïnvloedt hoe ze over zichzelf denken. Van der Aar: 'Dat kan negatief werken, wanneer ze zich gaan vergelijken met anderen. Maar ook positief wanneer jongeren via interventie en training erin slagen om hun zelfbeeld te verbeteren en zo een passendere studiekeuze te maken.'  

Tussenjaar
Sommige jongeren kiezen na het voortgezet onderwijs voor een gestructureerd tussenjaar (gap year) om uit te vinden wie ze zijn, wat hun sterke punten zijn en welke vervolgopleiding daarbij het beste past. Van der Aar heeft deze groep van 40 jongeren tijdens hun tussenjaar gevolgd in hun zelfbeeldontwikkeling. Middels vragenlijsten kreeg ze een globaal beeld over het zelfvertrouwen van de jongere, met vragen als: vind ik mezelf een waardevol persoon; mag ik er zijn? En over helderheid van het zelfbeeld met vragen als: weet ik wie ik ben, of verschilt dat van dag tot dag?

Positiever zelfbeeld
Voordat het tussenjaar begon heeft Van der Aar deze tussenjaarjongeren vergeleken met jongeren die al wel een studiekeuze hadden gemaakt. Het verschil in zelfbeeld zat niet in de waardering van hun academische vaardigheden, maar juist in het algehele zelfvertrouwen en de helderheid van hun zelfbeeld. Dit waren ook de onderdelen waarin de jongeren tijdens hun tussenjaar het meest op vooruitgingen. Zo hebben ze na dit jaar meer zelfvertrouwen en weten ze beter wie ze zijn. De helderheid van het zelfbeeld had zelfs een voorspellende waarde. Jongeren die hier sterker in vooruit gingen presteerden beter in hun vervolgopleiding en vonden beter aansluiting bij hun leeftijdsgenoten, mogelijk omdat de gekozen studie beter bij henzelf past.  

MRI-scanner
Naast dit gedragsniveau heeft Van der Aar het zelfbeeld van de jongeren bestudeerd op neuraal niveau door hun hersenactiviteit te bekijken in de MRI-scanner. Daarin stelde ze vragen in drie domeinen: wat vind je van je academische eigenschappen, je fysieke voorkomen en je sociale vaardigheden. Van der Aar: ‘Wanneer een jongere over zichzelf nadenkt, zie je dat net als bij volwassenen terug in gebieden in de middellijn van de hersenen die betrokken zijn bij nadenken over en evalueren van jezelf. Jongeren die zichzelf na hun tussenjaar positiever beoordeelden, lieten meer activiteit in deze delen van het brein zien.’ 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • De positiviteit en helderheid van het zelfbeeld kunnen verbeterd worden door training die plaatsvindt tijdens een tussenjaar (Breekjaar). 
  • Veranderingen in het sociale zelfbeeld en helderheid van het zelfbeeld hebben een positieve voorspellende waarde voor een succesvolle studiekeuze: Jongeren die hier sterker in vooruit gingen presteerden beter in hun vervolgopleiding en vonden beter aansluiting bij hun leeftijdsgenoten, mogelijk omdat de gekozen studie beter bij henzelf past.
  • Het maken van een “verkeerde studiekeuze” moet niet gezien worden als iets slechts. De adolescentie is juist bij uitstek een fase van onzekerheid en exploratie. Het uitproberen van verschillende studieopties die soms verkeerd uitpakken zou onderdeel moeten zijn van normale ontwikkeling en kunnen juist als mogelijkheid fungeren om meer over jezelf te weten te komen.
  • Adolescenten dienen meer tijd en tools te krijgen om hun zelfbeeld te ontwikkelen, zodat zij geholpen worden een toekomstkeuze te kunnen maken die bij hen past.  
>

'Wel of niet naar de hogeschool?'

Inspectie van het Onderwijs. Ministerie van OCW. (2021)

De keuze van mbo‑studenten om wel of niet door te stromen naar het hbo wordt sterk beïnvloed door persoonlijke overtuigingen en beelden, meer dan door achtergrondkenmerken.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat twijfel over eigen kunnen en gebrek aan zelfvertrouwen belangrijke redenen zijn om niet door te stromen naar het hbo. Ook beelden over het niveau, studievaardigheden en de aansluiting spelen een rol in deze beslissing. Daarnaast beïnvloeden de sociale omgeving en praktische overwegingen zoals studieduur en kosten het keuzeproces. De resultaten onderstrepen het belang van gerichte begeleiding en het wegnemen van belemmerende overtuigingen bij mbo‑studenten.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Wel of niet naar de hogeschool?
In 'Wel of niet naar de hogeschool? Achterliggende mechanismen van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces van mbo 4-studenten’ is voor het eerst systematisch onderzoek gedaan naar de bewuste of onbewuste overwegingen door mbo 4-studenten om al dan niet door te studeren. De sociaal-economische achtergrond blijkt een minder grote invloed te hebben dan vaak wordt verondersteld. Het gaat eerder om studenten met faalangst of bovenmatige examenstress, dan om wat hun ouders verdienen, of hoe hoog die ouders zijn opgeleid. Daarnaast heeft de omgeving van de student invloed op de keuze.

Een deel van de studenten geeft aan dat ze denken dat ze het hbo niet aankunnen: dat het niveau te hoog is, hun zelfvertrouwen te laag en/of dat ze over te weinig studievaardigheden en zelfstandigheid beschikken. Bij dat laatste speelt het - maatschappelijke - beeld dat mbo’ers harder zouden moeten werken op het hbo dan degenen die van de havo komen. Voor sommigen is dat beeld een grotere belemmering dan voor anderen. Tot slot weegt bij de keuze mee of een vervolgopleiding veel extra jaren of veel geld kost. Dit is een tussenrapportage; het onderzoek naar zelfselectie wordt nog gecompleteerd door een onderzoek onder havo- en vwo-leerlingen. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Herken wens studenten, betere aansluiting, minder financiële drempels De Inspectie van het Onderwijs raadt mbo-opleidingen aan om structureel aandacht te geven aan onbedoelde zelfselectie bij hun laatstejaars mbo 4-studenten. Verder zou het goed zijn als mbo- en hbo-opleidingen gezamenlijk meer passend aanbod ontwikkelen en daarmee doorlopende leerlijnen stimuleren. Tot slot helpt het als er minder financiële drempels zouden zijn voor mbo 4-studenten die zich op de hogeschool verder willen ontwikkelen op hun vakgebied.

Download het onderzoek

>

Naar een betere startpositie op de arbeidsmarkt

Paul Bisschop, Justus van Kesteren, Koen van der Ven, Tyas Prevoo, Bas ter Weel, Ardita Muja, Marieke de Visser (ResearchNed), Maurice Crul, Zakia Essanhaji (Vrije Universiteit), Ruud Baarda (Ruud Baarda Advies) (2021).

De overgang van mbo naar arbeidsmarkt laat zien dat kansen ongelijk verdeeld zijn en samenhangen met meerdere factoren binnen en buiten de invloed van de student.

____________________________

Mbo‑afgestudeerden met een niet‑westerse migratieachtergrond doen er gemiddeld langer over om een baan te vinden, vooral op lagere niveaus. Hun kansen worden beïnvloed door opleidingskeuzes, werkervaring, vaardigheden en de omvang van hun netwerk. Relevante werkervaring en sterke communicatieve en sollicitatievaardigheden vergroten de kans op succes aanzienlijk. Tegelijk spelen externe factoren zoals discriminatie en arbeidsmarktomstandigheden een belangrijke rol in het verloop van hun arbeidsmarktintrede.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

De arbeidsmarktintrede van mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond  
Mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vormen zo’n 22 procent van de mbo’ers die ieder jaar een diploma van niveau 2, 3 of 4 behalen. De achterstand bij de arbeidsmarktintrede ten opzichte van mbo’ers met een niet-westerse achtergrond ten opzichte van mbo'ers zonder migratieachtergrond komt vooral tot uiting in de duur tot een substantiële baan na afstuderen. Met name jongens met een niet-westerse migratieachtergrond die een BOL-opleiding van niveau 2 hebben gevolgd (en niet doorstuderen) doen er lang over om een substantiële baan te vinden. Maar ook bij andere mbo-niveaus is er sprake van een achterstand in de duur tot een substantiële baan. De mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond die wel een baan vinden, verdienen op uurbasis gemiddeld meer dan mbo’ers zonder migratieachtergrond met een baan. Dit heeft te maken met selectiviteit: de meest getalenteerde en best gekwalificeerde mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vinden een baan en vaker dan mbo’ers zonder migratieachtergrond in sectoren waar hogere uurlonen verdiend worden. Verklaringen en werkzame mechanismen De empirische analyse in dit onderzoek identificeert een aantal verklaringen voor een succesvolle, dan wel minder succesvolle overgang naar de arbeidsmarkt voor mbo’ers met een nietwesterse migratieachtergrond. Ten eerste is er een aantal verklaringen die gedurende de mbo-studie en de overgang naar de arbeidsmarkt vaststaan. Het gaat dan om de arbeidsmarktomstandigheden (is er sprake van krapte, in welke mate is diversiteit ‘gewoon’?), maar vooral om eerder gemaakt opleidingskeuzes. Zo biedt een BOL-opleiding een minder goed perspectief op een succesvolle intrede en zijn sommige opleidingsrichtingen zoals Economie en administratie en Media en vormgeving veel minder kansrijk dan opleidingsrichtingen als Techniek en procesindustrie en Veiligheid (en sport). De bepalende factoren voor een succesvolle arbeidsmarktintrede die wél binnen de invloedssfeer van de student, de opleiding of de werkgever liggen, kunnen worden ingedeeld in vier categorieën:  

  • relevante werkervaring
  • arbeidsmarktrelevante vaardigheden
  • het sociale netwerk / de zoekstrategie
  • arbeidsmarktdiscriminatie/culturele mismatch.  

Uit data-analyses blijkt dat relevante werkervaring zeer belangrijk is voor mbo’ers met een nietwesterse migratieachtergrond. Ten aanzien van arbeidsmarktrelevante vaardigheden zorgen met name sollicitatievaardigheden, taalbeheersing en communicatievaardigheden voor goede kansen. De omvang van het sociale netwerk en het type sociale netwerk bepalen deels succes bij de arbeidsmarktintrede, omdat ze de zoekstrategie van mbo’ers beïnvloeden. Ten slotte is er in sommige regio’s en sectoren sprake van meer arbeidsmarktdiscriminatie dan in andere regio’s en sectoren. Dit blijkt volgens de geïnterviewden samen te hangen met de ervaren personeelstekorten in de sector.  

Op grond van de literatuur kunnen zeven fases afgeleid worden in de overgang naar de arbeidsmarkt van een mbo’er te onderscheiden in een stadium voorafgaand aan het solliciteren en een stadium tijdens de werving en selectie. Bij de twee stadia (voorafgaand aan solliciteren en werving en selectie) horen in totaal zes mechanismen om de positie van mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond bij de overgang naar de arbeidsmarkt te verbeteren. De zes onderscheiden mechanismen bieden verschillende verklaringen voor een succesvolle (dan wel minder succesvolle) arbeidsmarktintrede. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Een succesvolle arbeidsmarktintrede wordt bepaald door factoren die binnen en buiten de invloedssfeer van de student liggen. Binnen de invloedssfeer van de student liggen relevante werkervaring, arbeidsmarktrelevante vaardigheden, sociaal netwerk, zoekstrategie en de culturele match. Arbeidsmarktdiscriminatie draagt bij aan een slechtere overgang tussen het mbo en de arbeidsmarkt voor sommige studenten, en ligt binnen de invloedssfeer van opleidingen en vooral werkgevers.  

Relevante werkervaring is zeer belangrijk voor hoe mbo’ers na hun studie belanden op de arbeidsmarkt. Dit geldt specifiek voor studenten met een migratieachtergrond. De stageperiode is daarmee cruciaal in het mbo. Mbo-studenten met een migratieachtergrond krijgen soms extra ondersteuning in de vorm van taallessen of lessen ter verbetering van het zelfvertrouwen en zelfbeeld van studenten. 

>

Verkenning vervolgonderwijs

Jules Warps, Marieke de Visser, Josien Lodewick, Tessa Termorshuizen (2021)

Het verbeteren van de aansluiting tussen voortgezet onderwijs en vervolgonderwijs vraagt vooral aandacht voor brede vaardigheden en competenties.

____________________________

Uit grootschalig onderzoek blijkt dat instromende studenten over het algemeen voldoende basiskennis hebben, maar dat hun vaardigheden nog verbetering behoeven. Met name taalvaardigheid en executieve vaardigheden zoals kritisch denken en zelfstandig werken vormen belangrijke aandachtspunten. Tegelijk worden motivatie, digitale vaardigheden en samenwerking juist vaak als sterke punten genoemd. De resultaten benadrukken het belang van het geïntegreerd ontwikkelen van vakoverstijgende competenties binnen het onderwijs.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Vervolgonderwijs: versterk competenties van instromende leerlingen
Wat zijn de wensen van het mbo, hbo en wo ten aanzien van kennis en vaardigheden van instromende studenten uit het voortgezet onderwijs? Wat zijn sterke punten en waar ervaart het vervolgonderwijs verbeterpunten in de aansluiting?

ResearchNed voerde onderzoek uit in opdracht van het ministerie van OCW en SLO, in samenwerking met de MBO Raad, Vereniging Hogescholen en VSNU. Het onderzoek is uitgevoerd in de volle breedte van het vervolgonderwijs en is daarmee uniek. In totaal deden 1.215 docenten, studieadviseurs, aansluitcoördinatoren en studieloopbaanbegeleiders uit het mbo, hbo en wo mee aan het onderzoek. De respondenten hebben samen 3.148 verbeterpunten geformuleerd en 2.170 sterke punten.

Taalvaardigheden en vakoverstijgende competenties
In het wo en zeker hbo komt basiskennis als sterk punt van de instromers naar voren. Als verbeterpunt komt kennis relatief weinig voor. Verbeterpunten zijn er wel op het vlak van competenties. In de eerste plaats is dat taalvaardigheid, vaker in het wo dan in het mbo en hbo. De verbeterpunten gaan vooral om schrijven en in het mbo ook om lezen. Daarnaast liggen verbeterpunten in de executieve competenties zoals kritisch denken, zelfregulering, zelfstandig werken en studievaardigheden. Deze competenties zijn relatief vaak een aandachtspunt in het mbo, vergeleken met de andere twee onderwijstypen. De respondenten benoemen bovendien deze competentie niet in het kader van een specifiek vak. Het gaat dan ook vooral om vakoverstijgende competenties.

Sterke digitale vaardigheden en motivatie
Vaak genoemde sterke punten zijn digitale vaardigheden en de motivatie van studenten. In het mbo is daarnaast enthousiasme een nog vaker toegekend sterk punt, en ook zijn studenten volgens de opleiders sociaal vaardig, met een open houding, leergierig en keuzecompetent. In het hbo is basiskennis het vaakst genoemde sterke punt van de havisten. Daarnaast zijn digitale vaardigheden, samenwerken, leergierig, gemotiveerd en sociaal vaardig gewaardeerde aspecten. In het wo is basiskennis eveneens een sterk punt van de vwo’ers, maar nog vaker presenteren en samenwerken. Verder zijn ook assertiviteit, gemotiveerdheid, digitale vaardigheden, nieuwsgierigheid en leergierigheid pluspunten van de eerstejaars uit het vwo.

Verschil tussen opleiders en studenten
Het valt op dat de ervaringen van studenten in groot contrast kunnen staan met die van de opleiders. Studenten beoordelen de aansluiting het positiefst wat betreft taalvaardigheid en zelfstandig werken, waar opleiders dit juist als belangrijkste verbeterpunt aanduiden. Omgekeerd rapporteren studenten relatief vaak aansluitingsproblemen op het gebied van digitale vaardigheden, waar opleiders dit weer als sterk punt zien.

Wat gebeurt er met de opbrengsten?
Met reflectiepanels uit de verschillende onderwijstypes in het voortgezet en vervolgonderwijs, is een eerste, beknopte verkenning uitgevoerd naar de herkenbaarheid van de onderzoeksresultaten en mogelijkheden om in het voortgezet onderwijs te kunnen werken aan een goede voorbereiding op het vervolgonderwijs. SLO gebruikt de uitkomsten de komende jaren onder meer als bron bij de actualisatie van de examenprogramma’s voor het voortgezet onderwijs. Daarbij zijn doorlopende leerlijnen tussen voortgezet onderwijs en vervolgonderwijs een belangrijk aandachtspunt. Lees het rapport voor een uitgebreid overzicht van alle verbeterpunten en sterke punten.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

In panelgesprekken is aan een kleine groep mensen vanuit vo, mbo en hbo gevraagd om een eerste reactie te geven op de onderzoeksresultaten. Zij zijn van mening dat competenties die als verbeterpunten uit het vragenlijstonderzoek naar voren komen (bijvoorbeeld taalvaardigheden, executieve competenties, loopbaanoriëntatie) in het vo niet afzonderlijk moeten worden behandeld maar het best gekoppeld kunnen worden aan inhoud (bijvoorbeeld via vakoverstijgende projecten of integratie in meerdere vakken). In de actualisatie van de examenprogramma’s voor het voortgezet onderwijs kunnen deze eerste reacties verder worden verkend.

>

Studieloopbaanontwikkeling. Toekomstbestendig beroepsonderwijs: een kans voor LOB!

Annette Soeting (2020)

Een geïntegreerde LOB‑aanpak vraagt om meer dan losse activiteiten en heeft grote impact op de rol en professionaliteit van docenten.

____________________________

Het onderzoek richt zich op hoe docenten ondersteund kunnen worden bij het integreren van LOB in flexibel mbo‑onderwijs. Daarbij blijkt dat succesvolle invoering vraagt om intensieve samenwerking, een bredere professionaliteit en een cultuurverandering binnen het team. Een waarderende onderzoeksaanpak helpt om draagvlak en gezamenlijke ambities te ontwikkelen. De resultaten bieden concrete aanknopingspunten om LOB structureel te versterken en in het onderwijs te verankeren.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Het belang van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) is groter geworden, omdat de wereld en de arbeidsmarkt onvoorspelbaarder en dynamischer zijn geworden (Expertisepunt LOB, 2018). De toekomst vraagt om een nieuwe onderwijskundige visie welke recht doet aan de behoeften van studenten, het bedrijfsleven en aan interne en externe ontwikkelingen van een onderwijsorganisatie. Binnen de organisatie waarvoor ik werkzaam ben wordt toekomstbestendig onderwijs vormgegeven door flexibilisering van het onderwijs met een geïntegreerde LOB-aanpak. Deze ontwikkelingen hebben invloed op de rol en de professionaliteit van een docent.

In het kader van de masteropleiding Educational Needs voerde ik een praktijkgericht onderzoek uit wat zich richt op de realisatie van de geïntegreerde LOB-aanpak en het versterken van de professionele identiteit van de docenten en mijn rol, als LOB-expert, binnen die beroepspraktijk (Vloet & Van Swet, 2010). De doelstelling is om aanbevelingen te doen voor het versterken van loopbaanbegeleiding voor de docenten van het Scalda College voor Toerisme wat ten goede komt aan studenten, docenten en de flexibilisering van het onderwijs.

Hiertoe is de volgende onderzoeksvraag opgesteld: Welke initiatieven rond ondersteuning en samenwerking hebben docenten van het team Toerisme nodig bij het realiseren van een geïntegreerde LOB-aanpak binnen flexibilisering van het onderwijs? 

Om de vraag te beantwoorden is een waarderend onderzoek (Cooperrider, Whitney & Stavros, 2008) als aanpak geselecteerd. Het biedt de mogelijkheid om in gesprek te gaan met wat voor betrokkenen waardevol is, wat er werkt en wat gezamenlijke ambities voor de gewenste toekomst zijn. Met de aanpak is gepoogd bewustzijn, draagvlak en samenwerking voor de verandering te bewerkstelligen.  

Op basis van het onderzoek is te concluderen dat voor de realisatie van een geïntegreerde LOBaanpak een bredere professionaliteit, meer samenwerking en een structurele- en culturele omslag nodig zijn. Het onderzoek heeft geleid tot een top 5 van initiatieven en gerichte aanbevelingen die een aanzet geeft tot de professionele ontwikkeling van het team Toerisme. De resultaten en aanbevelingen uit dit onderzoek kunnen gebruikt worden om het veranderproces van LOB verder vorm te geven, waarbij het waarderend perspectief verder ingezet kan worden. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Bruikbaar voor de LOB-praktijk is de werkwijze/aanpak om bewustzijn, draagvlak en betrokkenheid voor LOB in een onderwijsteam te creëren, het (integraal) implementeren van LOB in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), de gebruikte instrumenten en de aanbevelingen van het onderzoek.

>

Effectiviteit van LOB-interventies

Arie Gelderblom, Loïs Hardonk, Jaap de Koning, Elisa de Vleeschouwer (2021)

Internationaal onderzoek laat zien dat loopbaanoriëntatie en ‑begeleiding aantoonbaar bijdraagt aan onderwijs- en arbeidsmarktsucces.

____________________________

De literatuur laat overwegend positieve effecten zien van LOB, zowel op studieprestaties als op latere positie op de arbeidsmarkt. Er blijken weinig verschillen te zijn in effectiviteit tussen typen interventies, maar de uitvoering en intensiteit maken wel verschil. Vooral voor bepaalde groepen, zoals leerlingen met een migratieachtergrond of lagere prestaties, is de impact relatief groot. Tegelijk is meer onderzoek nodig naar welke werkzame elementen het sterkst bijdragen en hoe verschillende interventies elkaar kunnen versterken.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Deze internationale literatuurstudie naar de effectiviteit van interventies op het gebied van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) geeft een stevig bewijs voor positieve effecten van LOB, inclusief baten op de arbeidsmarkt. Deze positieve effecten komen terug bij diverse typen interventies en bij specifieke doelgroepen.

Effectiviteit LOB-interventies: het globale beeld Deze verzameling van studies geeft een stevig bewijs voor positieve effecten van LOB op de drie genoemde typen resultaten (onderwijsresultaten, economische resultaten en andere, “sociale”, resultaten). Er zijn weinig studies die negatieve uitkomsten geven. Zowel in de studie van Hughes e.a. als in onze eigen database is het aantal studies met overwegend positieve uitkomsten groter dan het aantal studies die niet eenduidig zijn. Dit geldt zeker ook voor de economische resultaten. Dit wijst erop dat LOB ook op langere termijn baten oplevert op de arbeidsmarkt.  

Verschillen naar typen interventies, doelgroepen en vorm en uitvoering: We kunnen uit de studies niet afleiden welke LOB-instrumenten het meest of het minst effectief zijn. De verschillen tussen verschillende typen interventies zijn veelal beperkt. Bovendien geldt dat voor zover verschillen optreden in onze database, het beeld voor deze interventies weer anders ligt bij soortgelijke interventies bij Hughes e.a.. Soms is het aantal waarnemingen ook te klein om harde conclusies te trekken.

In de onderzochte Europese studies zijn er zeven die aparte effectmetingen hebben voor groepen met een achterstand. Dit zijn moeilijk lerende kinderen, kinderen in de laagste trap van het voortgezet onderwijs (zoals in Nederland vmbo-leerlingen), kinderen met een migratieachtergrond of kinderen uit gezinnen met laagopgeleide of werkloze ouders. Er is waarschijnlijk een grote overlap tussen deze ‘doelgroepen’. Uit zes van de zeven studies komt naar voren dat LOB effectiever is voor dergelijke ‘doelgroepen’ dan voor andere leerlingen; de zevende studie vindt geen verschil. Omdat het aantal studies die naar doelgroepen kijkt beperkt is, moet dit als indicatief worden gezien, niet als hard bewijs. Het meeste bewijs is er voor de relatief hoge effectiviteit voor kinderen met een migratieachtergrond en voor kinderen die op een relatief laag niveau presteren.  

Ten slotte hebben we gekeken naar de invloed van vorm en uitvoering op de instrumenten. In vijf studies is onderzocht of de intensiteit van een LOB-instrumenten invloed heeft op de effectiviteit van het instrument. Dit betreft dan bijvoorbeeld het aantal gesprekken met een begeleider of mentor, het aantal stages of de stageduur. Al deze studies vinden een positieve relatie tussen de intensiteit en het effect van het LOB-instrument. Ook zijn er diverse studies die wijzen op het positieve effect van professionalisering (de meeste van deze studies hebben betrekking op het inschakelen van externe professionals, maar ook een enkele studie op professionalisering van docenten). Enkele bestaande overzichtsstudies wijzen op het belang van methodische inrichting van de interventie. Zij wijzen erop dat niet zozeer het uitvoeren van een interventie bepalend is, maar de wijze waarop dit is ingericht. Hierbij wordt gewezen op aspecten als: actieve werkvormen en participatie (inclusief informatie over de wereld van het werk en carrièrepatronen), inbedding in een breder curriculum, geïndividualiseerde feedback, het gebruik van rolmodellen en mobiliseren van steun in eigen netwerk van leerlingen.  

Lacunes: Uit het bovenstaande wordt duidelijk dat door vergelijking tussen studies, en soms ook analyses binnen studies, wel enige voorzichtige conclusies zijn te trekken over de werkzame mechanismen van LOB. Op veel aspecten is het aantal beschikbare studies echter (te) klein om harde uitspraken te doen. In veel individuele studies is er ook betrekkelijk weinig aandacht voor een meer diepgaande toets op achterliggende mechanismen waarom een positief effect wordt gevonden. Meer diepgaande analyses hiervan zouden helpen om interventies zodanig in te richten dat de effectiviteit versterkt kan worden.  

Uit de studies is betrekkelijk weinig bekend over de onderlinge relatie tussen LOB-instrumenten. Er wordt in het onderwijs wel gesteld dat LOB-instrumenten alleen als onderdeel van een pakket effectief zijn. Uit de studies komt echter naar voren dat instrumenten ook een zelfstandig effect hebben. Maar dan kan het nog steeds zo zijn dat de effectiviteit van een instrument mede afhangt van de inzet van andere instrumenten. Dit onderlinge effect kan in theorie zowel verzwakkend als versterkend zijn. Hierover is uit de studies weinig bekend. Er is wel een overzichtsstudie over vormaspecten die laat zien dat de afzonderlijke positieve effecten van een aantal vormaspecten in ieder geval optellen, dus dat de combinatie hiervan het meest optimale effect oplevert.  

Een ander aandachtspunt is dat Nederland een eigen situatie kent in het keuzeproces waarbij stapsgewijs een profielkeuze en vervolgens een keuze voor een vervolgopleiding plaatsvindt. Omdat in de profielkeuze voor een belangrijk deel wordt voorgesorteerd op latere keuzes, is voldoende aandacht in (Nederlands) onderzoek voor de rol van LOB in dit stadium van belang

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Behalve het algemene belang van LOB, onderstreept deze studie de toegevoegde waarde van LOB voor doelgroepen, zoals jongeren met een migratieachtergrond, of laagopgeleide ouders. Het is dan ook belangrijk dat deze groepen bij LOB voldoende aan bod komen en bereikt worden.

Tevens geven diverse studies aan dat de wijze van uitvoering van LOB van belang is voor de effectiviteit, zoals de intensiteit van LOB-instrumenten en de mate van professionalisering. In de samenvatting hierboven zijn nog andere voorbeelden genoemd van het belang van de wijze van inrichting van de interventies.

>

Ondergedompeld in de echte praktijk

Wijnands, F. 2018

Praktijkleren in samenwerking met bedrijven blijkt een krachtige manier om leerlingen te motiveren voor techniek en beter voor te bereiden op hun toekomst.

____________________________

In de Achterhoek werken onderwijs en bedrijfsleven samen aan doorlopende leerlijnen waarbij praktijkervaring centraal staat. Leerlingen maken in echte werkomgevingen kennis met technische beroepen, wat hun beeld van techniek verdiept en hun interesse vergroot. Deze aanpak versterkt niet alleen de motivatie en doorstroom van leerlingen, maar zorgt ook voor een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Hybride leren vraagt wel om een andere manier van denken, waarin samenwerking en praktijkervaring leidend zijn voor onderwijsontwikkeling.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek 

Hoe zorg je ervoor dat leerlingen niet alleen over techniek leren, maar er ook echt voor kiezen? In de Achterhoek gebeurt dat via een hechte samenwerking tussen scholen en bedrijven, waarin praktijkleren centraal staat. Binnen het samenwerkingsverband Profijt werken vmbo-, mbo- en hbo-instellingen al jarenlang samen aan doorlopende leerlijnen en betere aansluiting op de arbeidsmarkt, met als doel leerlingen goed voorbereid te laten doorstromen naar vervolgonderwijs en werk.

Een concreet voorbeeld hiervan is de STERA-aanpak, waarbij vmbo-leerlingen technische keuzevakken uitvoeren in echte bedrijven. In plaats van traditionele stages met eenvoudige taken, werken leerlingen onder begeleiding van vakmensen en maken ze daadwerkelijk kennis met het beroep. Hierdoor krijgen ze een realistischer en aantrekkelijker beeld van techniek, wat hun motivatie vergroot en de kans op doorstroom naar een technische mbo-opleiding aanzienlijk verhoogt.

De samenwerking levert niet alleen voordelen op voor leerlingen, maar ook voor bedrijven. Zij dragen actief bij aan de opleiding van toekomstige werknemers en vergroten tegelijkertijd hun zichtbaarheid onder jongeren. Bovendien zorgt het directe contact ervoor dat scholen beter aansluiten bij actuele ontwikkelingen in de praktijk, bijvoorbeeld doordat docenten inzichten opdoen over moderne werkwijzen en technologieën die in het bedrijfsleven worden gebruikt.

De ervaringen laten zien dat deze vorm van hybride leren – een combinatie van leren op school en in de praktijk – krachtig werkt. Leerlingen onthouden en begrijpen de leerstof beter, docenten raken meer betrokken bij de beroepspraktijk en het onderwijs wordt relevanter. Tegelijk vraagt deze aanpak om een andere manier van denken: minder vanuit vaste leerdoelen en lesprogramma’s, en meer vanuit de mogelijkheden in de praktijk, met duurzame samenwerking als basis voor onderwijsvernieuwing.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het doel van LOB is vooral de ontwikkeling van de beroepsidentiteit bij de leerling. Dat bereik je door de leerling concrete ervaringen op te laten doen in contacten met beroepsbeoefenaren. En het leren in de echte beroepspraktijk is de beste ervaring die een leerling kan opdoen. 

Geschreven met behulp van Copilot. 

>

Studiesucces: Verbinden als stap voorwaarts

Kappe, Dr. F. R. (2017)

Binding tussen studenten en hun opleiding vormt een sleutel tot het verbeteren van studiesucces in het hoger onderwijs.

____________________________

Uit onderzoek blijkt dat studie-uitval hardnekkig blijft en dat bestaande maatregelen nog onvoldoende effect hebben. Een belangrijke succesfactor is de mate van sociale en academische verbondenheid tussen studenten, docenten en de opleiding. Persoonlijke aandacht, interactie en een gevoel van ‘zich thuis voelen’ blijken cruciaal voor betrokkenheid en doorzettingsvermogen. Het versterken van deze binding, in combinatie met samenhang tussen interventies en samenwerking binnen teams, biedt perspectief op duurzaam beter studiesucces.

____________________________

Via een strategie van het versterken van de sociale en academische binding tussen én met studenten werken aan studiesucces. Overige te leggen verbindingen (tussen docenten, staf, onderzoekers et cetera) zullen mogelijk een indirecter effect hebben op het studiesucces, maar zijn ook nodig.

 

Samenvatting van het onderzoek 

In deze lectorale rede zal ik u allereerst een synthese bieden van de studiesuccesliteratuur. Vervolgens zal ik u meenemen in hetgeen onze praktijkgerichte onderzoeken naar succesvolle opleidingen, interventies, aanpakken en werkende principes tot nu toe hebben opgeleverd. In het daarop volgende hoofdstuk bespreek ik de rode draad en beschrijf ik een oplossingsrichting voor het duurzaam verbeteren van het studiesucces.  

Landelijk onderzoek en onderzoek binnen de eigen hogeschool laat zien dat de redenen voor studieuitval in het hoger onderwijs al jaren hetzelfde zijn (ResearchNed, 2016; Van Ingen, 2015). Dat betekent dat er, ondanks vele inspanningen, een aantal hardnekkige oorzaken ten grondslag (blijven) liggen aan studie-uitval en een gebrekkige studievoortgang (hoofdstuk 3). Problematisch is dat de rendementen in het hbo in een dalende trend verkeren en de studieduur in een langzaam stijgende trend (hoofdstuk 2). Uit de literatuur en de praktijkonderzoeken die wij de afgelopen tijd binnen de hogeschool hebben uitgevoerd komt binding als rode draad naar voren. Dat is wellicht niet verwonderlijk gezien de omvang van de hogeschool, de spreiding van locaties over de Randstad en de grote diversiteit van de instroom. In verbinden zie ik voor onze hogeschool een interessante strategie die het potentieel heeft om een doorbraak te kunnen realiseren op het gebied van studiesucces. Het betreft binding als centraal thema voor (de interactie tussen) docenten en studenten, maar ook een hechtere verbinding van diensten en domeinen, verbinding van de (reeds bestaande) studiesucces bevorderende maatregelen en van betrokkenen bij onderwijs (innovatie)onderzoek. Ik zal de noodzakelijke verbindingen hieronder toelichten. Verbinding en commitment (studenten en docenten) Uit een groot onderzoek naar “What makes students stay?”, gehouden onder medewerkers van 947 colleges en universiteiten in de Verenigde Staten, kwamen zorgzame docenten en medewerkers op nummer 1 (Beal & Noel, 1980). Een later verschenen grootschalige studie onder duizenden Amerikaanse alumni van tientallen colleges en universiteiten naar “What matters in college?” leverde maar één factor op van generieke betekenis: de mate van interactie tussen student en staf (Astin, 1993). Deze factor had over de gehele linie significante positieve correlaties naar/met ‘every academic attainment outcome’. Nu we verschillende oorzaken en factoren die van invloed kunnen zijn op studiesucces en verschillende onderzoeken die het lectoraat al heeft gedaan op dit gebied hebben besproken, ontkom ik niet aan de slotsom: dat de kwantiteit en kwaliteit van de interactie tussen docent en student en daarmee de binding en wederzijdse commitment een belangrijke factor is voor studiesucces. Zowel uit de literatuur als uit de praktijkgerichte onderzoeken komt binding als cruciale succesfactor naar voren. Niet alleen bij de instroom, maar ook bij de doorstroom (contact houden) en uitstroom-langstuderen Studiesucces: Verbinden als stap voorwaarts Dr. F. Rutger Kappe 58 (contact en binding herstellen). Hoe verschillend studenten ook zijn, een rode draad is de kracht van binding, betrokkenheid en persoonlijke aandacht. Dat kost tijd en energie, maar levert een speciale en persoonlijke band op. Voor de student bestaat de hogeschool in eerste instantie uit zijn medestudenten, het docentenkorps van zijn opleiding en iemand die hen begeleidt. Indien de student zich in die microomgeving van de opleiding gezien voelt en thuis voelt dan is in twee belangrijke basisvoorwaarden voor studiesucces voorzien. Onderzoek laat een direct effect van betrokkenheid zien op studiesucces, maar ook een indirect effect via aanwezigheid, actieve participatie en verhoogde zelfstudie (Elffers, 2016; Severiens, 2011). Het kan dienen als buffer bij tegenslagen en zo de studie-uitval tegengaan. Bouwen aan het versterken van de binding en betrokkenheid is een strategie waarvan het effect op diverse typen en groepen studenten niet lijkt te verschillen. Versterking van de persoonlijke band zou een centraal uitgangspunt moeten zijn van opleidingen die hun studiesucces willen vergroten. Aan deze betrokkenheid van docenten zit tevens een appèl aan studenten verbonden voor aanwezigheid en actieve inzet in de klas en bij studieloopbaanbegeleiding, want betrokkenheid gedijt als er sprake is van wederkerigheid. Op dat terrein van creëren van binding en commitment is er een aantal bewezen effectieve interventies die door instellingen ingezet kunnen worden. Het komt erop neer dat opleidingen persoonlijk, activerend, kleinschalig onderwijs bieden en proactieve, op maat begeleiding. Uit de diverse praktijkonderzoeken die wij uitgevoerd hebben blijkt dat sociale en academische binding ook tijdens de hoofdfase en afstudeerfase van belang zijn. Uit het onderzoek onder langstudeerders weten we dat deze studenten de binding met de opleiding helemaal kwijt zijn. Het herstellen van de binding met medestudenten en docenten is dan een cruciale basisvoorwaarde voor een succesvol vervolg van het opleidingstraject. “Geen idee meer wie mijn begeleider is.” (NSE, 2015) Ook docenten hebben behoefte aan sociale verbondenheid (Peetsma et al., 2005), sterker nog ons onderzoek laat zien dat er bij opleidingen die meer studiesucces hebben sprake is van een sterke binding binnen het opleidingsteam. Dit vormt een uitdaging voor grote opleidingsteams en opleidingen die op meerdere opleidingslocaties worden verzorgd, zoals bij Hogeschool Inholland voor meerdere opleidingen het geval is. 59 Binnen veel opleidingen is er geen consensus over hetgeen zij onder studiesucces verstaan en welke bijdrage en invloed zij zelf daarop hebben. Een goed gesprek over een opleidingspecifieke definitie van studiesucces kan, naast zicht op beschikbare studiesucces indicatoren, bijdragen aan een gezamenlijke basis voor het bouwen aan meer studiesucces. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Via een strategie van het versterken van de sociale en academische binding tussen én met studenten werken aan studiesucces. Overige te leggen verbindingen (tussen docenten, staf, onderzoekers et cetera) zullen mogelijk een indirecter effect hebben op het studiesucces, maar zijn ook nodig. 

>

Studie & Werk 2020 De arbeidsmarktpositie van hbo- en wo-alumni

Bisschop, P., Zwetsloot, J. (2020)

Inzicht in baankansen, salaris en arbeidsmarktrisico’s helpt studenten om bewustere studiekeuzes te maken.

____________________________

Het onderzoek laat zien met welke opleidingen je snel een baan vindt en hoeveel afgestudeerden één en tien jaar na afstuderen verdienen. Op basis van CBS‑microdata biedt het een volledig beeld van startpositie en loopbaanontwikkeling van afgestudeerden. Daarnaast blijkt dat de arbeidsmarktpositie sterk verschilt per opleidingsrichting en dat sommige opleidingen gevoeliger zijn voor economische schommelingen. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat concrete arbeidsmarktinformatie leerlingen kan ondersteunen bij het maken van een weloverwogen studiekeuze.

____________________________

Het onderzoek toont aan met welke opleidingen je snel een baan vindt en hoeveel afgestudeerden van verschillende opleidingen verdienen, één en tien jaar na afstuderen. Het is een volledig overzicht op basis van Microdata van het CBS, dat wil zeggen dat iedere afgestudeerde hierin is meegenomen. Het onderzoek laat daarnaast zien welk type opleidingen gevoeliger zijn voor de conjunctuur als het gaat om de startpositie van afgestudeerden. Schoolverlaters kunnen de informatie meewegen als zij op zoek gaan naar een studie in het hbo of wo.

 

Samenvatting van het onderzoek

Gezond de crisis in
In 2017-2018 is het aantal afgestudeerden in het hoger onderwijs verder gestegen. Ruim 70 duizend hbo’ers en 45 duizend wo’ers studeerden af aan (bekostigde) opleidingen op Nederlandse hogescholen en universiteiten. Het afstudeermoment was gunstig: in 2018 en 2019 stonden werkgevers te springen om personeel. Dat uit zich in een grotere baankans, een kortere duur tot een substantiële baan en sneller een vast contract ten opzichte van het cohort dat in 2016-2017 afstudeerde. Het reële loon is gelijk gebleven, door een relatief hoog inflatiecijfer.  

Opleidingsverschillen traditioneel groot  
Zoals ieder jaar hangt de startpositie op de arbeidsmarkt sterk samen met de opleidingsrichting. Een sterke positie met een baan in loondienst is weggelegd voor alumni van zorgopleidingen, lerarenopleidingen en enkele economische en technische opleidingen zoals Econometrie (wo) en Computer science (wo; zie Figuur S. 1). Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich opleidingen in de richtingen Taal en communicatie en Kunst- en cultuur, met een betrekkelijk lange duur tot een substantiële baan en een laag gemiddeld maandloon. Ook afgestudeerden Toerisme (hbo) hebben een relatief zwakke startpositie. Ten opzichte van vorige cohorten zijn er weinig verschillen in de verhoudingen. Wel zorgwekkend is dat opleidingen die (normaliter) een relatief zwakke startpositie bieden ook grotendeels opleiden voor banen in sectoren die grote klappen krijgen door de coronacrisis (cultuur, toerisme). 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek toont aan met welke opleidingen je snel een baan vindt en hoeveel afgestudeerden van verschillende opleidingen verdienen, één en tien jaar na afstuderen. Het is een volledig overzicht op basis van Microdata van het CBS, dat wil zeggen dat iedere afgestudeerde hierin is meegenomen. Het onderzoek laat daarnaast zien welk type opleidingen gevoeliger zijn voor de conjunctuur als het gaat om de startpositie van afgestudeerden. Schoolverlaters kunnen de informatie meewegen als zij op zoek gaan naar een studie in het hbo of wo.  

>

Jongeren met een migratieachtergrond & hun keuze voor techniek

Youngworks (2021)

Een gerichte aanpak is nodig om meer jongeren met een migratieachtergrond te interesseren voor techniekopleidingen en -beroepen.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat een combinatie van positieve ervaringen, een realistisch toekomstbeeld en steun vanuit de omgeving essentieel is voor instroom in techniek. Belangrijk is dat jongeren vroeg en breed kennismaken met technische mogelijkheden, zodat hun beeld realistischer en aantrekkelijker wordt. Daarnaast speelt het versterken van zelfvertrouwen in eigen technische vaardigheden een grote rol bij studiekeuze. Ook aandacht voor ouderbetrokkenheid en het tegengaan van discriminatie is cruciaal om drempels te verlagen en keuzes richting techniek te stimuleren.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Wat we in dit onderzoek leren van jongeren die wel voor techniek kiezen, is dat positieve ervaringen, een positief beeld van de perspectieven van techniek, een constructieve rol van ouders én een inclusieve sector in combinatie met elkaar belangrijk zijn om de instroom van jongeren met een migratieachtergrond te laten groeien. We noemen kernachtig de vijf grootste kansen.

Vergroot de zichtbaarheid van techniek: Om de instroom van jongeren met een migratieachtergrond in de techniek te vergroten is het belangrijk om de zichtbaarheid van techniek in hun omgeving te vergroten. Hiervoor liggen kansen in de techniekfilmpjes die populair zijn binnen deze doelgroep. Leg in online communicatie een link tussen dit soort filmpjes en informatieve verhalen over technische opleidingen en beroepen. Ook in wijkgerichte aanpakken liggen kansen om jongeren in diverse buurten ervaring met techniek te laten opdoen. Kies bij het vergroten van de zichtbaarheid van techniek voor een cultuursensitieve strategie, zonder dat het er te dik bovenop ligt. 

Zorg voor een brede kennismaking met techniek: Om vanuit intrinsieke motivatie voor techniek te kiezen zijn positieve sleutelervaringen in het onderwijs cruciaal. Omdat deze doelgroep vaak minder ervaring met techniek heeft en een smal beeld heeft van techniek, is het belangrijk om al vroeg in het onderwijs gevarieerd en breed techniekonderwijs aan te bieden. Niet alleen qua materialen, werkprocessen en profielen, maar ook qua toekomstmogelijkheden, werelden en rollen binnen de techniek.  

Vergroot het technisch zelfvertrouwen: Jongeren binnen deze doelgroep komen in hun omgeving minder met techniek in aanraking, waardoor ze minder kansen hebben gehad om technische vaardigheden op te doen. Sommige jongeren hebben hierdoor onterecht het gevoel dat ze technische aanleg missen ten opzichte van klasgenoten die meer maakervaring hebben. Benadruk dat techniek leerbaar is, en geef hen de ruimte om technische vaardigheden te ontwikkelen. Als jongeren technisch zelfvertrouwen ontwikkelen zullen ze sneller voor techniek kiezen. Technische docenten spelen een belangrijke rol in het vergroten van technisch zelfvertrouwen door een positieve technische leeromgeving te creëren. Hierin is ruimte en tijd om maakervaring op te doen belangrijk en mogen fouten gemaakt worden. 

Benadruk de potentie van een toekomst in de techniek: Vergroot de aantrekkingskracht van technische keuzes vanuit de potentie van het toekomstperspectief. Omdat jongeren met een migratieachtergrond van hun ouders een beperkt en negatief beeld kunnen overnemen van een toekomst in de techniek, is dit juist voor deze doelgroep erg belangrijk. Docenten spelen hierin een cruciale rol. Zij kunnen laten zien dat een toekomst in de techniek op verschillende manieren kansrijk is, en spelen bij deze doelgroep vaak een doorslaggevende rol bij een keuze voor de techniek. Het is belangrijk om ook ouders mee te nemen in het kansrijke toekomstverhaal van techniek, hun steun is voor jongeren met een migratieachtergrond een belangrijke randvoorwaarde bij het kiezen voor techniek. En daarnaast is het belangrijk dat de keuze voor techniek meer onder de aandacht wordt gebracht bij LOB-activiteiten in het onderwijs.  

Ontwikkel een duidelijke aanpak tegen discriminatie: Om de instroom van jongeren met een migratieachtergrond in de techniek te vergroten, is het belangrijk dat (stage)discriminatie in de techniek structureel wordt aangepakt, zowel in het mbo als op de werkvloer. Bespreek discriminatie in de techniekwereld preventief met studenten, ze zullen ervaringen hiermee niet snel uit zichzelf bespreken. School je als onderwijsorganisatie in discriminatie herkennen en aankaarten. Zoek als onderwijsinstellingen en beroepspraktijk de (regionale) samenwerking op om discriminatie te monitoren en aan te pakken. En betrek jongeren met een migratieachtergrond actief in de ontwikkeling, evaluatie en verbetering van dit beleid en de bijbehorende acties. 

>

Studiekeuze en arbeidsmarkt: literatuurstudie

Fouarge, D., Künn-Nelen, A., Mommers, A. (2016)

Arbeidsmarktinformatie speelt een rol in studiekeuzes, maar het effect ervan is minder vanzelfsprekend dan vaak wordt aangenomen.

____________________________

Er is veel kennis beschikbaar over baankansen en salarissen, maar het is onduidelijk in hoeverre jongeren deze informatie daadwerkelijk gebruiken bij hun studiekeuze. Studiekeuzes worden beïnvloed door een combinatie van persoonlijke, sociale en economische factoren, waarbij ouders, school en omgeving een belangrijke rol spelen. Onderzoek laat zien dat informatie over arbeidsmarkt en beloning soms invloed heeft, maar de effecten verschillen per groep en situatie. Voor effectief gebruik in LOB is het daarom belangrijk om niet alleen informatie aan te bieden, maar ook aandacht te besteden aan timing, begeleiding en de manier waarop jongeren ermee leren omgaan.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Dit rapport biedt een overzicht van literatuur die ingaat op de rol die arbeidsmarktinformatie speelt in de studiekeuze van jongeren. Een belangrijke constatering is dat we betrekkelijk weinig weten over het feitelijk gebruik van arbeidsmarktinformatie bij de studiekeuze en over de vraag in welke mate het geven van informatie over arbeidsmarktperspectieven leidt tot gedragsveranderingen en daarmee tot een betere allocatie van arbeid.

Er is in Nederland veel informatie beschikbaar over de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Ook zijn er diverse maatregelen genomen om het studiekeuzeproces te verbeteren, met concrete aandacht voor de arbeidsmarkt zoals bijvoorbeeld de invoering van Studie in Cijfers (studiebijsluiter). Het doel van dit soort maatregelen is het optimaliseren van het studiekeuzeproces. De beschikbaarheid van arbeidsmarktinformatie zegt echter nog niets over het daadwerkelijk gebruik ervan door studiekiezers en of deze informatie het studiekeuzeproces daadwerkelijk kan beïnvloeden. Voorliggende studie van de wetenschappelijke literatuur gaat op de volgende vragen in:

  • Welke factoren spelen een rol bij studiekeuze en welke wetenschappelijke studiekeuzemodellen bestaan er?
  • Zijn er relaties waarneembaar tussen (subjectieve dan wel feitelijke) omstandigheden op de arbeidsmarkt en studiekeuze? • Wie kan het studiekeuzeproces beïnvloeden?
  • Zijn er vanuit de wetenschappelijke literatuur aanwijzingen dat arbeidsmarktinformatie het studiekeuzeproces beïnvloedt? 

De belangrijkste uitkomsten laten zich als volgt samenvatten:

  • Theorie: studiekeuzemodellen
    • Economische modellen voor studiekeuze gaan uit van een rationele afweging tussen kosten en baten van onderwijs. Naarmate de (verwachte) kosten (hetzij feitelijke kosten, hetzij subjectieve kosten zoals de benodigde ‘inspanning’) van een specifieke opleiding stijgen, neemt de kans op deze keuze af, tenzij hier ook hoge(re) (verwachte) baten tegenover staan. De ingeschatte kosten en baten zijn overigens lang niet altijd realistisch.
    • Statusverwervingsmodellen gaan er van uit dat de studiekeuze het product is van de gehele levensloop en van de sociale achtergrond van jongeren. Hierbij interacteren individuele factoren met sociale factoren. Sociologische literatuur laat zien dat er sprake is van intergenerationele overdracht van sociaal-economische status.
    • Multidisciplinaire combinatiemodellen verbinden elementen uit de economische modellen en de statusverwervingsmodellen. Deze modellen suggereren verschillende ‘fasen’ in het studiekeuzeproces: een fase van voorkeursvorming, een fase van selectie en een fase van evaluatie/keuze. Deze modellen beschouwen een brede set van determinanten in het keuzeproces: individuele determinanten, contextuele determinanten, karakteristieken van de school waar men vandaan komt en karakteristieken van de instelling van vervolgonderwijs.
    • Volgens de modellen kan de arbeidsmarkt een rol spelen in de studiekeuze via algemene contextuele omstandigheden zoals de economische omstandigheden en de vraag naar specifieke beroepen. Anderzijds spelen media en andere sociale beïnvloeders ook een rol. Deze kunnen arbeidsmarktinformatie overbrengen aan jongeren (denk hierbij aan media-aandacht voor krapteberoepen en de rol van loopbaanbegeleiders en studieadviseurs) of deze juist níét overbrengen (denk aan onvolledige/gekleurde informatie via marketing).
  • Empirie: samenhang studiekeuze en baankansen en loon
    • De mate waarin de opleidingsinstroom ‘gevoelig’ is voor de baankansen van die opleidingen, lijkt van opleiding tot opleiding te verschillen. Er zijn aanwijzingen dat sommige opleidingen vooral sensitief zijn voor lange-termijnontwikkelingen in baankansen (bijvoorbeeld vo-lerarenopleiding) terwijl andere opleidingen vooral gevoelig zijn voor veranderingen op korte termijn (bijvoorbeeld IT-opleidingen). Ook zijn er aanwijzingen dat sommige opleidingen niet of nauwelijks conjunctuurgevoelig zijn (bijvoorbeeld architectuur). 
    • In veel studies is een positief verband gevonden tussen de salarissen van afgestudeerden uit bepaalde opleidingen en de instroom in die opleidingen. Vooral de voorspelde opbrengsten op langere termijn lijken een rol te spelen, en vooral jongeren uit lage sociaal-economische milieus reageren op loonsignalen.
    • Diverse onderzoekers zijn echter kritisch over de omvang van het verband tussen loon en gekozen studierichting. Studenten blijken ook hun salarisverwachtingen per afstudeerrichting aan te passen als zij relevante informatie aangeboden krijgen. Het verband tussen gekozen studierichting en loonverwachtingen zou dan ook sterker zijn als studiekiezers van een betere informatievoorziening gebruik zouden kunnen maken.
  • Empirie: samenhang studiekeuze en studiebegeleiding en loopbaaninformatie
    • Loopbaanbegeleiding (bijvoorbeeld door decanen en docenten) kan bijdragen aan minder spijt en een soepelere overgang tussen opleiding en arbeidsmarkt. Hoewel niet altijd duidelijk is wat die begeleiding behelst, zijn enkele succesvolle voorbeelden:
      • Middelbare scholieren die studiebegeleiding hebben ontvangen, zijn minder vaak van mening dat ze liever een andere opleiding hadden willen volgen. Met name jongeren van laagopgeleide ouders lijken baat te hebben bij de studiebegeleiding.
      • Jongeren die in contact zijn gekomen met loopbaaninformatiecentra maken een soepelere transitie van school naar werk: ze hebben een grotere kans op het vinden van een baan en ze raken ook minder vaak hun baan kwijt in de eerste jaren na instroom op de arbeidsmarkt. •
  • Empirie: samenhang studiekeuze en ouders en vrienden
    • Ouders zijn medebepalend in de studiekeuze van kinderen. Zo hebben ouders die meer sturend zijn, meer invloed op de studiekeuze van hun kinderen. Ouders kijken eerder naar programma-inhoud en kosten van studeren, terwijl jongeren vooral naar sociale aspecten kijken. Voor beleid betekent dit dat er behoefte is aan een gedifferentieerde bewustwordingsaanpak om ouders en jongeren te bereiken. Ook vrienden kunnen een belangrijke factor spelen, bijvoorbeeld doordat men naar dezelfde opleiding wil gaan, of doordat vrienden als informant fungeren.
  • Empirie: Experimentele studies naar effect van arbeidsmarktinformatie
    • Het aantal experimentele studies naar de rol van arbeidsmarktinformatie op de studiekeuze is beperkt en laat een divers beeld zien (van geen effecten tot grote effecten). Dat laatste komt uit verschillen in institutionele context, de operationalisering van studiekeuze, en het soort informatie dat aan de studiekiezer gegeven wordt en de experimentele setting.
    • Op enkele studies na blijken jongeren vaker wel dan niet te reageren op feitelijke arbeidsmarktinformatie. Zij kunnen dus – in ieder geval voor een deel – als rationele actoren in het keuzeproces beschouwd worden. Het effect van informatie blijkt echter (op niet eenduidige manier) te verschillen naar sociaaleconomische status: sommige studies vinden vooral effecten voor jongeren uit gezinnen met een lage sociaal-economische status, terwijl andere studies vooral effecten vinden voor jongeren uit gezinnen met een hoge sociaaleconomische status.

Het beschikken over arbeidsmarktinformatie over verwachte ontwikkelingen in vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en over de beloning na afstuderen verkleint het informatieprobleem van studiekiezers. Dit kan leiden tot een optimalere keuze. Vanuit beleid is het dan ook zaak om te blijven investeren in objectieve, laagdrempelige en praktisch toepasbare informatie. Daarnaast dient verder uitgezocht te worden hoe de gevoeligheid van studenten voor arbeidsmarktontwikkelingen geïntensiveerd kan worden.
Bij optimale studiekeuzes gaat het dus niet alleen om de beschikbaarheid van informatie, maar ook om de wijze waarop deze informatie het keuzeproces kan beïnvloeden alsmede om het type informatie dat verschaft wordt. Ook is meer kennis nodig over het moment waarop studiekiezers het best geïnformeerd zouden moeten worden (c.q. zich zouden moeten laten informeren). Op dit soort aspecten zou vervolgonderzoek zich kunnen richten, bijvoorbeeld door middel van een experiment in een Nederlandse setting. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het beschikken over informatie over verwachte ontwikkelingen in vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en over de beloning na afstuderen verkleint het informatieprobleem van studiekiezers.
Dit kan leiden tot een optimalere keuze.

>

Verschillen in arbeidsparticipatie van mbo’ers circa een jaar na afstuderen

Berg, E. van den, Bisschop, P. ter Weel, B. Zwetsloot J. (2020)

De overstap van mbo naar arbeidsmarkt verloopt niet voor alle jongeren gelijk, en achtergrond speelt daarbij een duidelijke rol.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat mbo‑afgestudeerden met een niet‑westerse migratieachtergrond ongeveer een jaar na diplomering minder vaak werk hebben dan andere jongeren. Dat verschil hangt voor een deel samen met opleidingskeuzes, beperkte toegang tot informele netwerken en belemmeringen bij het vinden van stage en werk. Ook ervaren deze jongeren vaker afwijzing en discriminatie, wat hun kansen verder onder druk zet. Voor de LOB‑praktijk onderstreept dit het belang van goede arbeidsmarktinformatie, gerichte begeleiding bij studiekeuze en extra steun bij het vinden van stages en banen.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek rapporteert en verklaart verschillen in arbeidsparticipatie tussen jongeren met een Nederlandse achtergrond en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. De analyses focussen op mbo’ers die in het studiejaar 2017/2018 hun opleiding hebben afgerond. Verschillen in arbeidsparticipatie circa een jaar na afstuderen worden verklaard aan de hand van een aantal kenmerken gemeten met administratieve data. Deze kenmerken zijn mbo-opleidingsniveau, -richting en leerweg, prestaties op het vmbo, de sociaaleconomische positie van ouders, de thuissituatie bij afstuderen en een aantal andere persoonskenmerken. Aan de resultaten uit een enquête onder mbo-afgestudeerden is informatie toegevoegd over studieprestaties en -keuze, opgedane werkervaring en ervaren belemmeringen tijdens de studie, zoekgedrag en motivatie om een stageplek en baan te vinden en een aantal persoonlijkheidskenmerken.
Het verschil in arbeidsparticipatie tussen jongeren met een Nederlandse achtergrond of een westerse migratieachtergrond en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond, op basis van een sample van geënquêteerden, bedraagt 18,9 procentpunt. Circa 15 procentpunt van dit verschil kan niet worden verklaard met de kenmerken die in de administratieve en enquêtedata aanwezig zijn.
Op basis van de verzamelde gegevens is geanalyseerd in hoeverre keuzes, belemmeringen en gedrag bijdragen aan het verklaren van het verschil in arbeidsmarktkansen tussen mbo’ers met een verschillende achtergrond. Bij de studiekeuze valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond (vooral jongens) vaker opleidingsrichtingen met een lage baankans kiezen en veel minder vaak opleidingsrichtingen met de hoogste baankans, wat bijdraagt aan het verklaren van het verschil in arbeidsparticipatie. Gegeven de keuzes voor een opleiding bestaan er niet of nauwelijks verschillen in studiesucces, gemeten aan de hand van een inschatting van de eigen prestaties ten opzichte van studiegenoten en eindcijfers voor Nederlands en Engels. Keuzes van jongeren zijn vooral gebaseerd op hun interesses en gepercipieerde baankansen. Opvallend is dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker dan andere mbo’ers zeggen te kiezen op basis van baankansen, terwijl zij juist vaker terechtkomen in opleidingen met een lage baankans. Wanneer wordt geanalyseerd welke hulpbronnen jongeren inzetten bij het maken van hun studiekeuze, valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond, meer dan andere mbo’ers, waarde hechten aan gesprekken met de studieloopbaanbegeleider, loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) op school, de studiekeuzetest en het advies van docenten. Zij hebben minder vaak informele netwerken, zoals ouders, bekenden en vrienden, gesondeerd bij het maken van hun studiekeuze. Achteraf blijkt dat 27 procent van de jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond spijt heeft van hun studiekeuze, vaak omdat er naar hun eigen oordeel nauwelijks werk te vinden is dat aansluit bij hun opleiding. Stages vormen een belangrijk onderdeel van een mbo-opleiding. Het nut dat jongeren ontlenen aan hun stages is gelijk tussen groepen van verschillende herkomst, waarbij ruim 75 procent van alle jongeren hun laatste stage zeer nuttig vond. Bij het zoeken naar hun laatste stage valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker via hun opleidingsinstelling vacaturesites en stagebemiddelaars zoeken, terwijl jongeren met een Nederlandse achtergrond vaker hun netwerk inzetten en vanuit dat netwerk zijn ondersteund. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hebben in hun zoektocht naar hun laatste stage vaker belemmeringen ondervonden, vooral als gevolg van afwijzingen door bedrijven en ervaren discriminatie. Wanneer het jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond geen moeite kostte om een stageplek te vinden, dan blijkt dat de hulp die door de opleidingsinstelling is geboden daarin belangrijk was. Verschillen in de manier waarop een stageplek is gevonden en het nut dat wordt ontleend aan de stage hebben geen verklarende waarde als het gaat om de verschillen in arbeidsparticipatie.  
Relevante werkervaring tijdens de opleiding kan niet alleen worden opgedaan via een stage, maar ook via een bijbaan of door het doen van vrijwilligerswerk. De meeste jongeren hebben een bijbaan die niet aansluit bij hun opleiding, dit percentage ligt met 60 procent nog hoger bij jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Daarnaast verrichten jongeren met een Nederlandse achtergrond significant vaker vrijwilligerswerk. Deze werkervaring heeft geen additionele invloed op het verklaren van het verschil in arbeidsparticipatie.
Na het afronden van de opleiding wordt ruim een derde van de jongeren met een Nederlandse achtergrond of een westerse migratieachtergrond door een werkgever gevraagd om aan het werk te gaan. Dit aandeel is significant lager bij jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Deze groep solliciteert veel vaker via formele kanalen, zoals uitzendbureaus en vacaturebanken. 
Ook schrijven ze zich vaker in als werkzoekende bij gemeenten en UWV. Hulpbronnen die worden ingezet bij het vinden van werk verschillen nauwelijks; wel worden jongeren met een Nederlandse achtergrond of met een westerse migratieachtergrond wat vaker geholpen door familieleden dan andere mbo’ers. Verschillen in zoekkanalen dragen niet bij aan het verklaren van verschillen in arbeidsparticipatie. Verschillen in de mate waarin jongeren door werkgevers worden gevraagd om bij hen te komen, werken wel op de zeer korte termijn.
De houding ten aanzien van werk is vergelijkbaar tussen verschillende groepen jongeren en vormt geen additionele verklaring voor verschillen in arbeidsparticipatie. Opvallend is het verschil in de bereidheid om risico te nemen als het gaat om de eigen carrière. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond zijn vaker bereid een risico te nemen, wat er mogelijk op wijst dat zij ondernemender zijn dan jongeren met een Nederlandse achtergrond. Andere verschillen zijn zichtbaar als het gaat om prestatiegerichtheid, het nemen van de leiding en in het middelpunt van de aandacht willen staan. Ook deze verschillen wijzen op een mogelijke link met ondernemerschap, maar verklaren niet het verschil in arbeidsparticipatie.
Mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond ervaren discriminatie als het gaat om het vinden van een stageplaats en werk, wat hen voor een deel ontmoedigt. Ongeveer 1,5 procentpunt van het verschil in arbeidsparticipatie wordt hierdoor verklaard. Dat is een opvallend groot deel en vergelijkbaar met het effect dat de sociaaleconomische status van ouders of de gekozen leerweg heeft op participatie. De interpretatie van deze bevinding luistert nauw. Enerzijds gaat het om ervaren discriminatie, niet noodzakelijk om feitelijke discriminatie. Anderzijds zijn deze resultaten overeenkomstig bevindingen in de literatuur als het gaat om ervaren discriminatie en studies die met een experimenteel design vergelijkbare bevindingen rapporteren. Op basis van het geringe aantal observaties is het moeilijk om verdiepende analyses uit te voeren op dit gebied. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond (vooral jongens) kiezen vaker opleidingsrichtingen met een lage baankans en veel minder vaak opleidingsrichtingen met de hoogste baankans, wat bijdraagt aan het verklaren van het verschil in arbeidsparticipatie. Uit dit onderzoek blijkt dat 27 procent van de jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond achteraf spijt heeft van hun studiekeuze, vaak omdat er naar hun eigen oordeel nauwelijks werk te vinden is dat aansluit bij hun opleiding.

Opvallend is dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker dan andere mbo’ers zeggen te kiezen op basis van baankansen, terwijl zij juist vaker terechtkomen in opleidingen met een lage baankans. Het onderwijs kan een belangrijke rol spelen door jongeren informatie te verschaffen over arbeidsmarktperspectieven en hulp te bieden bij het zoeken van een stageplek.

>

Evaluatie van het School-Ex 2.0 programma. De rol van studiekeuze- en exitgesprekken in het MBO

Meng, C. M., Verhagen, A. M. C., Korthals, R. A., & Huijgen, T. G. (2014)

Gerichte gesprekken over studiekeuze en toekomst blijken invloed te hebben, maar zijn geen wondermiddel voor betere doorstroom.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat mbo‑ en vmbo‑studenten regelmatig studiekeuze- en exitgesprekken voeren, maar dat deze slechts beperkt effect hebben op doorstroomgedrag. Wel blijken gesprekken bij te dragen aan meer tevredenheid over keuzes en soms tot bijsturing van studie- of loopbaanplannen. Jongeren laten zich vooral beïnvloeden wanneer zij twijfelen, minder duidelijke plannen hebben of tot specifieke doelgroepen behoren. Het meenemen van arbeidsmarktperspectieven en het gericht inzetten van gesprekken voor bepaalde groepen vergroot de effectiviteit van deze begeleiding.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Kiezen voor een mbo-opleiding met het hart of nadat een afweging van toekomstige arbeidsmarktperspectieven is gemaakt? Na het behalen van het MBO-diploma doorleren of zich aanbieden op de arbeidsmarkt? Jongeren staan precies voor deze keuzes. In de afgelopen vijf jaren kreeg deze afweging wegens de voortdurende economische malaise nog een zwaardere lading dan in tijden van hoogconjunctuur. De verwachting dat in Nederland de jeugdwerkloosheid ook in 2013 en de jaren daarna verder zou kunnen oplopen, heeft in het voorjaar van 2013 dan ook tot een brede aanpak geleid om jongeren aan te sporen om voor een mbo-opleiding met goede arbeidsmarktperspectieven te kiezen en na behalen van het MBO-diploma door te leren, zij het in het MBO zelf dan wel bijvoorbeeld in het HBO. Maar wat zijn de gevolgen van deze brede aanpak? Hebben jongeren zich door deze activiteiten laten beïnvloeden? Is het gelukt om het aandeel MBO-gediplomeerden dat de onderwijs carrière voortzet te verhogen? Laten de gediplomeerden van het VMBO zich door arbeidsmarkperspectieven beïnvloeden en kiezen ze voor mbo-opleidingen met goede arbeidsmarktperspectieven? Navolgend presenteren we de centrale conclusies van de Evaluatie van het School Ex 2.0 programma zoals uitgevoerd in de periode oktober 2013 tot en met april 2014. Deze resultaten hebben betrekking op:

  1. een enquête onder MBO-scholen
  2. een enquête onder MBO-gediplomeerden van het schooljaar 2012/2013
  3. een enquête onder gediplomeerden van het VMBO die in het schooljaar 2013/2014 in een MBO-BOL opleiding ingestroomd zijn
  4. een analyse van registerdata afkomstig van de Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van OCW.  

Exitgesprekken
De omvang van exitgesprekken
Exitgesprekken worden op grote schaal gevoerd: In het schooljaar 2012/2013 zijn door mbo-scholen op grote schaal exitgesprekken met (aanstaande) gediplomeerden gevoerd. 92% van de schooldomein combinaties meldt dat exitgesprekken hebben plaatsgevonden en 70% van de gediplomeerde MBO’ers meldt minimaal 1 keer met een medewerker van school over zijn/haar toekomstplannen gesproken te hebben. In de domeinen techniek en economie is de kans op een exitgesprek significant lager.  

De rol van het School Ex 2.0 programma
Geen verhoging van het aandeel dat doorstroomt: Op basis van de analyses dient vastgesteld te worden dat, ten minste in het eerste jaar van het programma, niet kan worden aangetoond dat de nadruk op exitgesprekken binnen het School Ex 2.0 programma heeft geleid tot een verhoging van het aandeel MBO-gediplomeerden dat de onderwijscarrière voortzet.  

Van informeel naar formeel circuit 
De analyses laten zien dat MBO breed al voorafgaand aan het schooljaar 2012/2013 een informeel circuit van exitgesprekken bestond. Dat wil zeggen dat docenten, mentoren of bijvoorbeeld studieloopbaanbegeleiders al langer gesprekken met (aanstaande) gediplomeerden voeren over hun (nabije) toekomstplannen en wat ze het best kunnen met de capaciteiten opgedaan in de afgeronde opleiding, zonder dat daar op school- of bijvoorbeeld locatieniveau regels of protocollen voor bestonden.
De nadruk op exitgesprekken binnen het School Ex 2.0 programma lijkt ertoe te hebben geleid dat in scholen waar dit nog niet de gangbare norm was (28% van de scholen die aan de enquête hebben deelgenomen), een ‘formeel circuit’ van exitgesprekken is opgestart.  
Dit kan tot een verdergaande professionaliteit in het voeren van exitgesprekken leiden. Of deze verdergaande professionaliteit in de toekomst ook tot een verhoging van het aandeel dat doorstroomt naar het vervolgonderwijs leidt, dient in de toekomst nader onderzocht te worden.

De beïnvloeding door exitgesprekken en het nut ervan (informele circuit)  
Gemiddeld ruim een kwart van de jongeren die een exitgesprek hebben gehad geeft aan hierdoor in de keuze wat de vervolgstappen betreft beïnvloed te zijn: De beïnvloeding vindt plaats op het vlak van diverse keuzes. Het gaat om de keuze om door te leren (4%), een andere vervolgopleiding te gaan volgen dan men eerst van plan was (5%), te gaan werken (6%), of anders (12%). Exitgesprekken beïnvloeden daarmee in beperkte mate de keuzes ten aanzien van verdere scholing van jongeren.  

Responsiviteit verschilt tussen groepen van jongeren en geeft mogelijkheid om instrumenten doelmatiger in te zetten
De mate van beïnvloeding is hoger bij gediplomeerden van lagere niveaus, gering bij de hogere MBOBOL niveaus en zeer gering bij de hogere MBO-BBL niveaus. Conditioneel op het opleidingsniveau worden niet-westerse allochtonen sterker beïnvloed door exitgesprekken. Indien door budgetrestricties (tijd, geld) keuzes gemaakt dienen te worden, is het dan ook aan te raden om exitgesprekken te focussen op de (aanstaande) gediplomeerden van lagere mbo-niveaus en de groep niet-westerse allochtonen.  

Exitgesprekken als middel om jongeren op de goede plek te brengen 
Exitgesprekken zijn niet per definitie gericht op het verhogen van de doorstroom naar het vervolgonderwijs, maar op het ondersteunen van jongeren bij hun keuze voor de eerstvolgende stappen na het behalen van het diploma. Jongeren die een exitgesprek hebben gehad en doorleren lijken dan ook eerder tevreden te zijn met de gemaakte studiekeuze, en jongeren die een exitgesprek hebben gehad en zich op de arbeidsmarkt aanbieden lijken een hogere kans op werk te hebben.

Exitgesprekken worden zowel door scholen als door leerlingen als nuttig ervaren
50% van de gediplomeerde MBO’ers vond het exitgesprek nuttig dan wel heel nuttig. Onder de groep jongeren die door het gesprek is beïnvloed in de keuze om al dan niet door te leren is dit percentage zelfs 59%. Ook een overgrote meerderheid van de bevraagde schooldomein combinaties (81%) geeft aan dat de exitgesprekken als (heel) nuttig zijn ervaren.

De waarde van studiekeuzegesprekken met VMBO-gediplomeerden die in het MBO BOL instromen  
 

Veel VMBO’ers twijfelen over hun studiekeuze
17% van de VMBO-gediplomeerden start uiteindelijk met een andere MBO-BOL opleiding dan hij of zij oorspronkelijk van plan was. Nog eens 28% twijfelde tussen een aantal MBO-BOL opleidingen. Als ombuigingsgesprekken effect hebben, dan zijn het deze groepen leerlingen waar het effect het grootst zal zijn.  

Ombuigingsgesprek heeft gemiddeld een beperkt effect op studiekeuze 
Tussen de 4 en maximaal 10 procent van de respondenten wordt door een studiekeuzegesprek omgebogen naar andere studie.  

Veel studiekeuzegesprekken met VMBO-gediplomeerden maar minder vaak ombuigingsgesprekken
Een ruime meerderheid (66%) van de jongeren die in het schooljaar 2013/2014 met een MBO-BOL opleiding is gestart, geeft aan dat ze hun opleidingskeuze besproken hebben op hun huidige Mboschool. De helft van de ondervraagde school-domein combinaties laat echter weten dat er geen ‘ombuigingsgesprekken’ hebben plaatsgevonden. Opvallend is dat daarbij 20% van de school-domein combinaties als reden aanvoert dat dit ten koste gaat van de instroom. Dat suggereert dat in sommige gevallen de belangen van de instelling niet parallel lopen met die van de student. Vergelijkbaar belangrijke aangevoerde redenen zijn ‘geen tijd’ of ‘geen nut’.  

Studiekeuzegesprekken beïnvloeden keuze van jongeren en worden als nuttig ervaren
Een op de drie jongeren die een studiekeuzegesprek heeft gehad geeft aan hierdoor (sterk) beïnvloed te zijn en twee op de drie heeft het studiekeuzegesprek als (heel) nuttig ervaren.  

Arbeidsmarktperspectieven zijn van belang bij de keuze
Jongeren die kennis hebben van de slechte arbeidsmarktperspectieven van een opleiding (of in elk geval van mening zijn dat de perspectieven slecht zijn) kiezen eerder voor een andere opleiding. Deze uitkomst ondersteunt de aan het School Ex 2.0 onderliggende assumptie dat jongeren die kennis hebben van slechte arbeidsmarktperspectieven eerder een andere studie zullen kiezen. 42% van de jongeren die voor de start van de opleiding van studiekeuze gewisseld zijn hebben het idee dat de kansen op het vinden van een baan daardoor (aanzienlijk) beter zullen zijn.  

Ook jongeren met problemen in de leefomgeving zijn beïnvloedbaar 
Jongeren die aangegeven dat ze in het afgelopen jaar veelvoudige contacten met justitie of politie hebben gehad en/of veelvuldig gebruik maakten van internet/gokspellen/computergames, hebben een significant grotere kans dan degenen die deze problemen niet melden, om aan te geven dat ze vanwege het studiekeuzegesprek van studiekeuze zijn gewisseld. Dit resultaat laat zien dat de groep jongeren, die vaak als een lastig bereikbare groep jongeren gezien wordt, door studiekeuze gesprekken op scholen wel beïnvloedbaar is. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het belang van studiekeuzegesprekken of exitgesprekken met jongeren die staan voor een volgende stap in hun schoolloopbaan, waarbij arbeidsmarktinformatie wordt meegenomen in de afweging. 

>

Het 100-dagen beleid

Goes, D. (2020)

Uitval en switch in het hoger onderwijs blijven hardnekkige problemen, waarbij vooral de startperiode cruciaal blijkt.

____________________________

Een groot deel van de studenten valt uit of wisselt van studie, vooral in het eerste jaar van het hbo. Belangrijke oorzaken zijn verkeerde verwachtingen, gebrekkige studieoriëntatie en een gebrek aan motivatie en aansluiting. Het onderzoek laat zien dat vroege en goede begeleiding, gecombineerd met aandacht voor binding en integratie, essentieel is om uitval te verminderen. Het zogenoemde 100‑dagenbeleid biedt daarbij aanknopingspunten door te focussen op kennismaking, begeleiding en betrokkenheid in de beginfase.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Het hoger onderwijs heeft elk jaar te maken met een groep studenten die uitvalt of switcht van studie. De percentages zijn het hoogste in het eerste studiejaar. In het hbo valt ongeveer 30% van de eerstejaarsstudenten uit. Zij kiezen voor een andere opleiding aan een onderwijsinstelling of schrijven zich uit bij het bekostigde onderwijs. In het wo is dit percentage stabiel, rond de 7% van de eerstejaarsstudenten. De LSVb tracht met dit onderzoek inzicht te geven in hoe uitval onder eerstejaarsstudenten verminderd kan worden.

De literatuurstudie geeft aan dat er verschillende oorzaken toe te kennen zijn aan de uitvalcijfers. De belangrijkste redenen die naar voren zijn gekomen uit huidig onderzoek zijn een onjuist verwachtingspatroon, verkeerde studiekeuze, een niet optimale aansluiting en een gebrek aan motivatie. Tevens valt af te leiden uit dit onderzoek dat een aantal groepen eerstejaarsstudenten vaker uitvalt dan andere groepen studenten. Zo vallen eerstejaarsstudenten met een niet-westerse achtergrond, mannen en studenten met een mbo-achtergrond relatief vaak uit in het eerste jaar.

Juist in deze tijd is het belangrijk dat eerstejaarsstudenten zich verbonden voelen met hun onderwijsinstelling, aangezien de gevolgen van de coronacrisis voor nieuwe lichting studenten enorm zijn. Zij zullen niet op de gebruikelijke manier kennis kunnen maken met hun onderwijsinstelling en hun studiegenoten. Daarom wordt er in dit onderzoek gekeken in hoeverre het 100-dagen beleid een kansrijke interventie is om uitval onder eerstejaarsstudenten tegen te gaan. Aan de hand van de begrippen engagement, academische- en sociale integratie is gekeken naar elementen waar een 100dagen beleid aan zou moeten voldoen. In het onderzoek wordt het 100-dagen beleid gezien als een recht voor iedere student met algemene elementen, maar wordt de interventie ook gezien als kansrijk voor groepen die sneller dreigen uit te vallen.  

Er zijn vervolgens elementen en concrete handvatten benoemd om het 100-dagen beleid te implementeren. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Uit de resultaten komt duidelijk naar voren dat het voor het verminderen van switch en uitval in het hbo het belangrijk is om als onderwijsinstelling voor de poort aandacht te besteden aan oriëntatie en kennismaking en introductie-activiteiten. Na de poort is het van belang dat de onderwijsinstelling focust op onderwijskwaliteit, binding met de opleiding en persoonlijke begeleiding. 

>

LOB en studiesucces. Onderzoek naar de opbrengsten van LOB op basis van de startmonitor 2012-2013

Warps, J. (2013)

Gerichte loopbaanoriëntatie en -begeleiding kan een belangrijke bijdrage leveren aan studiesucces, maar vraagt om een doordachte en samenhangende aanpak.

____________________________

Onderzoek laat zien dat LOB‑activiteiten positief samenhangen met tevredenheid over keuzebegeleiding en het gevoel van ondersteuning bij studenten. Het effect op binding met de opleiding en studiesucces is minder sterk en verschilt per activiteit. Vooral een combinatie van vroeg beginnen, persoonlijke begeleiding, ouderbetrokkenheid en actieve oriëntatie draagt bij aan betere keuzes. Hoewel LOB geen garantie biedt, kan een goed samengesteld programma de uitval aanzienlijk verminderen.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Op verzoek van de VO-Raad heeft ResearchNed een onderzoek uitgevoerd naar de stand van zaken en naar de effecten van loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) in havo en vwo. Daartoe is een serie vragen over LOB toegevoegd aan de Startmonitor, het landelijke eerstejaarsonderzoek in hbo en wo.

In de eerste plaats is in kaart gebracht welke LOB-activiteiten leerlingen in het vo krijgen aangeboden. In de tweede plaats is de opbrengst van LOB onderzocht door na te gaan of er een samenhang bestaat tussen enerzijds de aangeboden LOB-activiteiten en anderzijds de tevredenheid van studenten over hun keuzebegeleiding, het als intensief ervaren van de keuzebegeleiding, de 'binding' van studenten met hun gekozen opleiding en tenslotte het studiesucces in de gekozen opleiding.  

Voor de meeste LOB-activiteiten en -accenten in dit onderzoek geldt dat ze positief samenhangen met de tevredenheid van leerlingen over hun keuzebegeleiding en met het zich intensief begeleid voelen. Een positief verband met de binding van studenten met hun nieuwe opleiding en met studiesucces in de opleiding wordt bij minder LOB-activiteiten gevonden.  

Indien we ons beperken tot de LOB-activiteiten die daadwerkelijk samenhangen met een succesvolle studiekeuze, dan levert het onderzoek de volgende aanbevelingen op.  

  • Begin op tijd met het aanbieden van LOB-activiteiten, dat wil zeggen niet pas in de laatste twee leerjaren maar één of twee jaar daarvoor.  
  • Bied leerlingen individuele gesprekken aan in het kader van de studiekeuzebegeleiding – bij voorkeur meerdere gesprekken door de jaren heen. Deze gesprekken kunnen door de decaan of mentor worden gevoerd.  
  • Een vast onderdeel van de LOB is in ieder geval algemene voorlichting over het hoger onderwijs, studiefinanciering, opleidingen en beroepen. Het is aan te bevelen daar ook gastsprekers voor uit te nodigen.
  • Betrek de ouders bij de studiekeuzebegeleiding, minimaal voor een informatiebijeenkomst.
  • Laat leerlingen aan het eind van havo of vwo hun motivatie voor hun studiekeuze op school toelichten.
  • Besteed in de keuzebegeleiding aandacht aan vervolgacties die leerlingen kunnen ondernemen om zich zelfstandig verder te oriënteren.  

Het verschil tussen het wel en niet aanbieden van deze afzonderlijke LOB-componenten blijkt telkens meerdere procenten in uitval te schelen. Bovendien blijkt uit het onderzoek dat het aanbieden van een combinatie van deze activiteiten nog grotere winst in studiesucces kan opleveren. De uitval in de totale onderzoeksgroep is 28 procent – ook bij leerlingen van scholen die al een deel van de LOBactiviteiten aanbieden. Door een weloverwogen breder pakket samen te stellen van meerdere LOBactiviteiten is het mogelijk die reguliere uitval met bijna een derde te verminderen.  

Hieruit blijkt enerzijds dat een complete LOB geen garantie kan zijn voor een succesvolle studiekeuze, want zelfs in het ideale geval valt nog steeds een vijfde van alle nieuwe studenten in het eerste jaar uit. Het maken van een succesvolle studiekeuze is natuurlijk ook een proces waarin veel meer factoren een rol spelen dan alleen de LOB. Maar anderzijds blijkt uit de afname van de uitval met een derde dat ook voor scholen die al het een en ander doen aan LOB, het duidelijk loont om er toch nog een schepje bovenop te doen. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Enerzijds levert het onderzoek concrete handvatten voor het kiezen van LOB-activiteiten die bijdragen aan een overtuigde studiekeuze en studiesucces; anderzijds kan het voor betrokken docenten en coördinatoren binnen de scholen onderbouwing bieden voor het (aan)vragen van voldoende aandacht en middelen voor een gedegen LOB. 

>

Dynamics in higher education choice

Vulperhorst, J.P., Rijst, R.M. van der, Akkerman, S.F. (2019)

Studiekeuzes worden gevormd in een dynamisch proces waarin interesses en opleidingsmogelijkheden elkaar voortdurend beïnvloeden.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat jongeren hun interesses afwegen in relatie tot wat studieprogramma’s mogelijk maken. Daarbij bewegen zij voortdurend tussen wat ze willen en wat praktisch haalbaar is binnen opleidingen. Tijdens dit proces veranderen interesses regelmatig door de informatie en ervaringen die opleidingen bieden. Studiekeuze blijkt daarmee geen lineair maar een iteratief proces, waarin verkennen en bijstellen centraal staan.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Interesses van jongeren staan centraal in het maken van een studiekeuze. Jongeren hebben vaak meerdere interesses waarmee ze een toekomst voor zich zien en zij moeten daarom hun interesses afwegen. Vanuit een interesse-naar-programma perspectief overwegen jongeren welke interesses ze het liefste in een programma zouden willen volgen. Jongeren zijn echter niet vrij om alle interesses te combineren en te volgen die ze willen, aangezien dit ook binnen de bestaande structuur van studieprogramma’s mogelijk moet zijn. Zij moeten daarom ook redeneren vanuit een programma-naar-interesse perspectief om te kijken hoe specifieke programma’s het volgen van overwogen interesses wel of niet mogelijk maken. Om een uiteindelijke keuze te maken met welke interesses ze verder willen in welk programma, moeten jongeren proberen beide perspectieven af te stemmen. Dit leidt tot een proces waarbij de overwogen interesses van jongeren feed forwarden naar welke programma’s zij overwegen (vanuit een interesse-naar-programma perspectief) en waarbij de bekeken programma’s feedback geven op de overwogen interesses van jongeren (vanuit een programma-naar-interesse perspectief). De huidige studie geeft meer inzicht in hoe jongeren precies beide perspectieven afstemmen. Ten eerste focussen we op de specifieke overwegingen die jongeren hebben om wel of niet een interesse te willen volgen in hun toekomst om meer inzicht te geven in hoe zij interesses afwegen vanuit beide perspectieven. Ten tweede focussen we in meer detail op wat voor manieren de interesses van jongeren tijdens het studiekeuzeproces kunnen veranderen door feedback van programma’s, aangezien nog weinig onderzoek heeft gefocust op hoe interesses kunnen veranderen tijdens studiekeuzeproces.  

Methode
Om de overwegingen van jongeren tijdens het studiekeuzeproces en de feedback van programma’s op interesses te achterhalen zijn twintig interviews met 6 vwo-leerlingen uitgevoerd. In de interviews hebben we open gevraagd naar welke programma’s en interesses jongeren overwogen om te volgen in de toekomst (e.g. kan je me meer vertellen over programma’s die je hebt overwogen voor volgend jaar?). Antwoorden van jongeren hebben we thematisch geanalyseerd om te identificeren welke overwegingen jongeren hadden om juist wel of niet voor bepaalde interesses te kiezen in hun toekomst en in welke gevallen de feedback van programma’s de overwogen interesses van jongeren konden veranderen. 

Resultaten
We vonden dat jongeren vier verschillende overwegingen hadden om voor bepaalde interesses in hun toekomst te gaan. Ten eerste vonden we vanuit een interesse-naar-programma perspectief dat jongeren overwogen met welke interesses ze een academische toekomst voor zich zagen en welke interesses ze liever wilden continueren buiten een studieprogramma. Ten tweede vonden we vanuit een interesse-naar-programma perspectief dat jongeren interesses contrasteerden om zo te bepalen welke interesses het belangrijkste voor hen zijn om te continueren in hun toekomst. Daarbij vonden we dat jongeren interesses proberen te integreren (e.g. biologie en scheikunde in biochemie), om zo met meerdere belangrijke interesses verder te kunnen. Ten derde vonden we dat jongeren vanuit een programma-naar-interesse perspectief zochten naar of overwogen interesses pasten binnen de structuur van een programma. Hier vonden we dat sommige interesses niet meer overwogen werden omdat deze toch minder goed pasten binnen programma dan gedacht en zagen we dat jongeren zochten naar of en hoe meerdere interesses misschien pasten binnen een studieprogramma (in Kunstmatige Intelligentie kan ik én programmeren én taalkunde én psychologie kwijt). Ten slotte vonden we dat jongeren vanuit beide perspectieven zochten naar een balans tussen tijd die ze konden spenderen aan interesses binnen en buiten het studieprogramma. Zo konden jongeren kiezen om een minder intensief programma te gaan studeren als ze meerdere belangrijke interesses buiten het studieprogramma om wilden continueren.
Daarnaast vonden we vier manieren waarop feedback van programma’s leidde tot een verandering in de overwogen interesses van jongeren. Ten eerste konden jongeren realiseren dat de programma’s die ze konden volgen met een overwogen interesse, verder gingen dan wat jongeren interessant vonden. Zo realiseerde een student dat hij niets wilde doen met zijn interesse in economie, nadat hij in twee verschillende programma’s erachter kwam dat hij dan ook veel met wiskunde moest gaan doen. Ten tweede konden jongeren erachter komen dat ze bepaalde interesses niet konden volgen in een academisch programma, omdat ze niet voldeden aan bepaalde eisen of omdat er geen academisch programma met die interesse mogelijk was. Ten derde vonden we dat jongeren konden veranderen in overwogen interesses als ze door het exploreren van het programma erachter kwamen dat een academische toekomst met een bepaalde interesse lastig was. Ten slotte vonden we dat jongeren door het exploreren van programma’s konden realiseren dat ze een interesse in bepaalde inhoud hadden, terwijl ze zich dit daarvoor nog niet hadden gerealiseerd.  

Conclusie
Onze resultaten laten zien dat jongeren hun interesses belangrijk zijn om een studiekeuze te maken. We vonden dat jongeren zochten naar hun belangrijkste interesses om academisch te continueren in hun toekomst (vanuit een interesse-naar-programma perspectief), maar dat de verschillende manieren waarop programma’s leiden tot feedback op interesses (vanuit een programma-naarinteresse perspectief), vaak zorgden voor een verschuiving in welke interesses jongeren academisch wilden continueren. Onze bevindingen impliceren daarmee dat het studiekeuzeproces een continue veranderend proces is, waarbij andere studiekeuze artikelen vaak het studiekeuzeproces nog zien als een lineair, steeds stabieler wordend proces. Daarbij is het van belang om de interesses van jongeren niet te zien als stabiele persoonskenmerken, maar meer als preferenties die tijdens het studiekeuzeproces kunnen veranderen. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Decanen en andere LOB-professionals kunnen meer bewust zijn van de dynamische natuur van het studiekeuzeproces, waarbij de interesses waarop jongeren hun keuzes baseren over de tijd kunnen veranderen door het exploreren van programma’s. Aan de ene kant benadrukt dit het belang voor jongeren om programma’s te gaan exploreren, om uit te vinden of deze programma’s inderdaad realistisch gezien passen bij hun interesses. Aan de andere kant benadrukt de dynamische natuur van het studiekeuzeproces dat het voor professionals belangrijk is om met jongeren te blijven praten over met welke interesses jongeren een toekomst voor zich zien en hoe deze interesses mogelijk binnen programma’s passen. Meer specifiek kunnen professionals met jongeren focussen op de vier gevonden overwegingen. Zo kunnen professionals samen met jongeren reflecteren op welke interesses zij academisch willen continueren en welke interesses zij liever buiten de schoolse context houden. Hierbij is het van belang dat jongeren gestimuleerd worden om over alle interesses na te denken, aangezien we vonden dat jongeren een academische toekomst voor zich konden zien met traditionele ‘buitenschoolse’ interesses  (e.g. gamen, technologische ontwikkelingen, knutselen). Ten tweede kunnen professionals met jongeren nagaan welke interesses het meest belangrijk voor hen zijn om te continueren en hoe ze interesses eventueel zouden kunnen integreren met elkaar. Ten derde kunnen professionals jongeren stimuleren om na te gaan hoe interesses precies gevolgd kunnen worden in een studieprogramma, aangezien dit kan helpen om een realistisch beeld te vormen hoe ze met deze interesses verder kunnen in de toekomst. Ten slotte kunnen professionals samen met jongeren reflecteren op de balans van het continueren van interesses binnen en buiten het programma, aangezien dit ook nog implicaties kan hebben of jongeren een minder of meer intensief programma willen overwegen. Aangezien we vonden dat de exploratie van programma’s vaak aanleiding geeft om andere interesses te continueren in een academische toekomst over de tijd, is het van belang dat professionals met jongeren blijven reflecteren op deze vier overwegingen, totdat jongeren een definitieve keuze hebben gemaakt. 

>

Professionele identiteitsontwikkeling als dialogisch proces

Vloet, K. (2014)

De rol van de leraar als loopbaanbegeleider vraagt om voortdurende balans tussen verschillende spanningen in werk en identiteit.

____________________________


Leraren die ook een begeleidende rol vervullen, bewegen voortdurend tussen uiteenlopende belangen en verwachtingen binnen hun werk en loopbaan. Deze spanningen beïnvloeden hoe zij zichzelf zien en hoe zij hun rol invullen. Professionele identiteit ontwikkelt zich daarbij als een dynamisch verhaal, gevormd in interactie met anderen en met de context. Bewuste reflectie op deze ontwikkeling helpt leraren om steviger hun rol te pakken en hun professionele groei richting te geven.

____________________________

 

Samenvatting van het onderzoek

Leraren die naast hun vakdocentschap een rol als leerling- of loopbaanbegeleider in hun school krijgen, balanceren in hun begeleiding aan leerlingen tussen zorg en (talent)ontwikkeling, in hun school tussen erkenning en autonomie en in hun loopbaan tussen levensthema en maatschappelijke positionering. Met deze dilemma’s om durven gaan vereist moed en kan leiden tot verschillende loopbaanpaden. Leraren ontwikkelen hun professionele identiteit als meerstemmig zelfverhaal in dialoog met leerlingen, school, opleiding en de maatschappij, maar ook met zichzelf. Dat blijkt uit het promotieonderzoek waarvan het proefschrift binnenkort verschijnt.

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Leraren die naast hun valdocentschap een rol als leerling- of loopbaanbegeleider in hun school ambiëren, of hebben, balanceren in hun begeleiding aan leerlingen tussen zorg en (talent)ontwikkeling, in hun school tussen erkenning en autonomie en in hun loopbaan tussen levensthema en maatschappelijke positionering. Met deze dilemma’s om durven gaan vereist moed en het kan leiden tot verschillende loopbaanpaden. Leraren ontwikkelen hun professionele identiteit als een meerstemmig zelfverhaal in dialoog met leerlingen, hun school, hun opleiding en de maatschappij, maar ook met zichzelf. Dat blijkt uit het proefschrift. Verhalen in deze studie tonen hoe zeer loopbaan- en identiteitsontwikkeling van leraren een relationeel en dialogisch fenomeen is waarbij de professional voortdurend moet worstelen om erkenning en onderhandelen in verschillende contexten door een externe dialoog aan te gaan met anderen, maar ook in een interne dialoog binnen zichzelf. Overbruggen van de kloof tussen een toegeschreven identiteit door anderen en de zelf ervaren identiteit blijkt lastig (Sfard &  Prusak, 2005). Resultaten komen overeen met hoe Wenger (1998) identiteitsontwikkeling ziet langs twee dialogische processen. Ten eerste het kunnen en mogen bijdragen aan ontwikkeling van de eigen beroepspraktijk: in dit geval het verbeteren van (loopbaan) begeleiding van leerlingen in de school. Ten tweede hierin ook actief kunnen en mogen participeren. Beide ontwikkelingslijnen vormen een belangrijk thema in deze studie: in positieve zin in de succesverhalen en in negatieve zin in verhalen van teleurstelling, machteloosheid en strijd. Teleurgestelde professionals kunnen niet de bijdrage leveren aan de begeleidingspraktijk die zij in ideale zin willen realiseren. Zij worden- althans in hun eigen beleving - niet voldoende in de onderwijspraktijk betrokken, waardoor ze er minder in kunnen participeren dan ze zouden willen, wat frustratie, machteloosheid en isolement oplevert. Dat kan zelfs leiden tot burn-out of drop-out. Door verhalen te positioneren in hun maatschappelijke context en looppaanontwikkeling kunnen zij als ‘histories’ beschouwd en niet louter als individuele ‘stories’  (Goodson, 2003).  

Het proefschrift biedt enerzijds een theoretisch model en geeft anderzijds inzicht hoe de ZelfKonfrontatie Methode of ZelfKennis Methode (ZKM) kan bijdragen aan professionele identiteitsontwikkeling, zowel op cognitief als qua belevingsniveau.  Meerstemmigheid in identiteit kan harmonieus verlopen maar ook met (innerlijke) conflicten gepaard gaan. Juist de ZKM maakt deze ontwikkeling in je professionele identiteit bewust. Het bewust worden van wie je bent als leraar of docent en wie je graag zou willen zijn of worden - je motivatie, taakopvatting en zelfbeeld - is dan een eerste stap in professionalisering van leraren en docenten richting inclusief onderwijs. 

>

Professionele identiteitsontwikkeling van leraren als dialogisch proces.

Vloet, K. (2015)

De professionele identiteit van leraren ontwikkelt zich voortdurend en speelt een belangrijke rol in hoe zij begeleiding vormgeven.

____________________________


Het onderzoek laat zien dat ervaren leraren hun professionele identiteit ontwikkelen als een dynamisch en meerstemmig verhaal. Dit proces wordt beïnvloed door ervaringen in onderwijs, opleiding en persoonlijke context, en draait om thema’s als autonomie, erkenning en begeleiding van leerlingen. Door gerichte reflectie krijgen leraren beter inzicht in hun motivatie, rolopvatting en zelfbeeld. Deze bewustwording helpt hen zich verder te ontwikkelen in hun rol als docent en loopbaanbegeleider.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In deze promotiestudie staat de vraag centraal hoe de professionele identiteitsontwikkeling van ervaren leraren vorm krijgt in een opleidingspraktijk voor speciale onderwijszorg en loopbaanbegeleiding van leerlingen. Doel van het onderzoek was zicht te krijgen op de professionele identiteitsontwikkeling van deze ervaren leraren uit het regulier onderwijs; m.n. het vo en mbo. Bij aanvang van deze studie was dit onderwerp nog nauwelijks onderzocht. De hoofdvraag 'Op welke wijze ontwikkelen ervaren leraren hun professionele identiteit binnen een opleiding in speciale onderwijszorg en loopbaanbegeleiding van leerlingen?' werd uiteengelegd in twee deelvragen:

  • Wat is de professionele identiteit van ervaren leraren en in welke componenten kan deze uiteengelegd worden?
  • Op welke wijze ontwikkelen ervaren leraren hun professionele identiteit als verhaal en waarin manifesteert zich dat?

Professionele identiteit wordt opgevat als een verhaal-in-wording en een compositie met diverse ikposities, gebaseerd op het gedachtengoed van Kelchtermans (1994; 2009) en Hermans en collega’s (1993; 1995; 2010). Leraren reflecteerden met de Zelf Konfrontatie Methode - ZKM ook wel Zelf Kennis Methode genoemd - op betekenisvolle ervaringen uit hun onderwijspraktijk, opleiding en levensloop. De analyse geeft zicht op hun motivatie, taakopvatting en zelfbeeld en ontvouwt drie dominante thema’s in hun verhalen: ‘Tussen zorg en ontwikkeling’ in begeleiding van leerlingen, ‘Tussen erkenning en autonomie’ in hun beroepspraktijk en ‘Tussen levensthema en maatschappelijke positionering’ in hun loopbaan. Het onderzoek laat zien hoe leraren hun professionele identiteit als meerstemmig verhaal ontwikkelen in dialoog met zichzelf en met hun beroepscontext. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Om als volwaardig burger te participeren in de samenleving hebben (alle) leerlingen in het vo en studenten in het mbo en ho intensieve begeleiding nodig in hun persoonlijke ontwikkeling en in hun loopbaan. Dat geldt zeker voor speciale leerlingen. Van leraren in het regulier onderwijs wordt niet alleen verwacht dat zij competent zijn – of worden – in het omgaan met verschillen tussen leerlingen met of zonder beperking, maar ook in hun talentontwikkeling. Het werk van leraren wordt hierdoor steeds complexer en omvat nieuwe pedagogische rollen zoals het ‘op maat’ begeleiden van leerlingen. Dat raakt leraren in hun professionele identiteit; met componenten als beroepsmotivatie, taakopvatting en zelfbeeld: op cognitief en belevingsniveau. Het gaat om de vragen die elke leraar zich (weleens) stelt: Wie ben ik als leraar? Wat voor soort leraar wil ik zijn of worden? Het proefschrift biedt enerzijds een theoretisch model en geeft anderzijds inzicht hoe de ZelfKonfrontatie Methode of ZelfKennis Methode (ZKM) kan bijdragen aan professionele identiteitsontwikkeling, zowel op cognitief als qua belevingsniveau.  Meerstemmigheid in identiteit kan harmonieus verlopen maar ook met (innerlijke) conflicten gepaard gaan. Juist de ZKM maakt deze ontwikkeling in je professionele identiteit bewust. Het bewust worden van wie je bent als leraar of docent en wie je graag zou willen zijn of worden - je motivatie, taakopvatting en zelfbeeld - is dan een eerste stap in professionalisering van leraren en docenten richting inclusief onderwijs.  Lerarenopleidingen en voortgezette professionalisering kunnen daar een positieve bijdrage aan leveren. Juist door het bewust worden van de dialoog tussen verschillende posities in jezelf maakt dat je als leraar steviger in je verschillende rollen, als vakdocent maar ook als mentor of (studie)loopbaanbegeleider, kunt staan en daardoor meer je eigen professionele ontwikkeling en loopbaan kunt vormgeven. 

>

Het achterblijvende studiesucces van mbo-instromers in het eerste jaar van het hbo

Vervoort, M. & Elffers, L. (2018)

De overgang van mbo naar hbo laat duidelijke verschillen in startpositie zien die het studiesucces beïnvloeden.

____________________________
 

Mbo‑instromers halen gemiddeld minder goede resultaten in het eerste hbo‑jaar, wat deels samenhangt met een lager beginniveau op cognitieve vaardigheden. Tegelijk beschikken zij juist vaker over eigenschappen als nauwkeurigheid, samenwerking en motivatie, maar die verklaren het verschil niet. Sommige van deze kenmerken hangen zelfs samen met betere prestaties, wat het beeld complex maakt. Het onderzoek laat zien dat versterken van basisvaardigheden, zoals taal, kan helpen, maar dat er ook andere factoren spelen die verder onderzocht moeten worden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Hbo-studenten die afkomstig zijn uit het mbo zijn minder succesvol in het eerste jaar dan studenten die de overstap vanuit het havo maken. Het geringere studiesucces van mbo’ers wordt aan uiteenlopende factoren toegeschreven. In sommige gevallen ontbreekt daarvoor de empirische evidentie, en bovendien is onduidelijk hoe die verschillende factoren zich tot elkaar verhouden. In deze studie wordt onderzocht in hoeverre mbo’ers en havisten bij aanvang van hun hbo-opleiding verschillen in vaardigheden, leerstijlen, studiekeuze en motivatie, en in hoeverre deze factoren de relatie tussen vooropleiding en studiesucces verklaren. Padmodel-analyses op basis van vragenlijstonderzoek onder 884 voltijdsstudenten bij aanvang van de hbo-opleiding laten zien dat mbo’ers lager scoren op cognitieve vaardigheden1 dan havisten, wat hun lagere studiesucces gedeeltelijk verklaart. Mbo’ers scoren hoger op samenwerken, nauwkeurig en geordend werken, de reproductiegerichte leerstijl, zekerheid in de studiekeuze, en intrinsieke motivatie. Deze verschillen vormen echter geen verklaring voor hun achterblijvende studiesucces, en hangen in sommige gevallen juist samen met méér studiesucces. Het model verklaart 12% van de verschillen in studiesucces. Het versterken van het vaardigheidsniveau van mbo’ers kan bijdragen aan hun studiesucces in het hbo, maar nader onderzoek naar alternatieve verklaringen en mogelijke interventies is nodig om de kansen van mbo’ers in het hbo te verbeteren.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek biedt een beeld van de aspecten die het sterkste bijdragen aan studiesucces in het hbo van instromers vanuit mbo en havo en wijst op het belang van taalvaardigheid voor mbo’ers die de overstap naar het hbo willen maken. 

>

We staan aan de wieg van iets moois: keuzedeel Voorbereiding op het hbo

Vervoort, M., Diepen, M. van & Elffers, L. (2018)

Het keuzedeel Voorbereiding hbo helpt mbo‑studenten bij hun oriëntatie op het hbo, maar vraagt nog verdere doorontwikkeling.

____________________________


Het keuzedeel 'Voorbereiding hbo' is ontwikkeld om mbo‑studenten beter voor te bereiden op doorstroom naar het hbo. Uit onderzoek blijkt dat studenten via het keuzedeel meer inzicht krijgen in het hbo en wat er van hen verwacht wordt. Tegelijk is de invulling en samenwerking tussen mbo en hbo nog wisselend en zijn verbeteringen nodig. De aanbeveling is om studiekeuzeoriëntatie en begeleiding sterker en samenhangender in het keuzedeel te integreren.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Om mbo-studenten die willen doorstromen naar het hbo beter voor te bereiden op het hbo, bieden veel roc’s in samenwerking met hogescholen het Keuzedeel Voorbereiding hbo aan. Aan de hand van het Keuzedeel oriënteren studenten zich op hbo-opleidingen en -beroepen, en werken zij aan de ontwikkeling van competenties die nodig zijn om succesvol in het hbo te kunnen studeren. Recent heeft het Lectoraat Beroepsonderwijs van de Hogeschool van Amsterdam een eindrapport met de eerste ervaringen en opbrengsten van het keuzedeel Voorbereiding hbo gepubliceerd. Het Lectoraat heeft in het Regionaal Netwerk mbo-hbo Noord-Holland – Flevoland onder meer onderzocht welke invulling aan het keuzedeel wordt gegeven, hoe de samenwerking tussen mbo en hbo in het keuzedeel vorm krijgt en in hoeverre het keuzedeel volgens de deelnemers heeft bijgedragen aan hun beeld van het hbo en wat het hbo van hen verwacht. Voor dit onderzoek zijn betrokken ontwikkelaars en uitvoerders geïnterviewd en zijn de ervaringen en leerontwikkeling van deelnemers gemeten aan de hand van een survey. Een conclusie is: er is nog veel werk aan de winkel, maar “we staan aan de wieg van iets moois”. Tot besluit van het rapport zijn centrale bevindingen op een rijtje gezet, waarbij op basis van deze bevindingen enkele aanbevelingen zijn geformuleerd. Deze aanbevelingen zijn bedoeld als handreiking bij de verdere ontwikkeling van het Keuzedeel Voorbereiding hbo. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek beschrijft de bijdrage van deelname aan het keuzedeel Voorbereiding hbo op het studiekeuzeproces (definitieve keuze maken, zekerheid over keuze, duidelijk beeld van gekozen opleiding) en het beeld dat studenten hebben van het hbo. Op basis van de bevindingen bevelen de auteurs aan de oriëntatie op het hbo en begeleiding bij de studiekeuze steviger te positioneren en meer te integreren binnen het Keuzedeel. 

>

Thuisopdrachten als middel voor samenwerking met ouders bij LOB. Het hoe, wat en waarom

Strijk, M., Lusse, M., & Kuijpers, M. (2018)

Thuisopdrachten bieden een krachtige, maar nog weinig benutte manier om ouders actief te betrekken bij loopbaanontwikkeling van hun kind.

____________________________
 

Scholen zetten thuisopdrachten nog beperkt in, terwijl deze de kwaliteit van gesprekken tussen ouder en kind vergroten en ouderbetrokkenheid versterken. Ouders ervaren deze opdrachten als waardevol, omdat ze beter inzicht krijgen in de loopbaanmogelijkheden van hun kind en hier actief over in gesprek gaan. Leerlingen en docenten zijn kritischer, maar zien wel dat de opdrachten bijdragen aan reflectie en betrokkenheid. Succesvolle inzet vraagt om goede inbedding in het LOB‑programma, duidelijke opdrachten en behoud van regie bij de leerling.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Scholen gebruiken thuisopdrachten nog weinig in het samenwerken met ouders rondom LOB. Terwijl ze juist de kwaliteitsgesprekken tussen ouder en kind thuis vergroten, ouders een reëler beeld van het loopbaanperspectief van hun kind geven en de betrokkenheid van ouders bij het LOB -programma van de school stimuleren. Voorwaarde is wel dat de leerling de regie houdt en zijn of haar ouders d.m.v. de thuisopdracht zelf betrekt. Daarnaast moeten thuisopdrachten alle ouders de mogelijkheid bieden om thuis bij de loopbaan van hun kind betrokken te zijn, ongeacht hun vertrouwdheid met het onderwerp. Ook zijn er een aantal voorwaarden voor de inhoud en vormgeving van de thuisopdrachten die het succes van de opdracht vergroten. Deze voorwaarden zijn ontleend  aan het interactieve huiswerkprogramma TIPS dat is ontwikkeld door Joyce Epstein waar internationaal veel ervaring mee is opgedaan. Op basis van het onderzoek dat we hebben gedaan naar de bijdrage van thuisopdrachten blijken van alle betrokkenen de ouders het meest positief over de thuisopdracht. Zij gaan graag met hun kind in gesprek, kunnen door de opdrachten hun kind helpen reflecteren en krijgen een beter zicht op de keuzemogelijkheden op het gebied van bijvoorbeeld stages, keuzevakken, profielen opleidingen of beroepen. Leerlingen zijn kritischer over de thuisopdrachten, maar geven ook terug dat de opdrachten van meerwaarde zijn. Daar waar goede opdrachten ingebed zijn uitgezet zijn leraren positief verrast door de bijdrage van de opdracht en ervaren zij meer betrokkenheid bij ouders door de opdrachten . In het artikel worden aan het eind aandachtspunten voor het ontwikkelen en uitzetten van thuisopdrachten beschreven.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Heel concreet waar je een thuisopdracht voor in kunt zetten en waar je op moet letten bij het ontwikkelen en uitzetten van thuisopdrachten. Ook wordt verwezen naar de ‘Handreiking Ouders en LOB’ waarin de thuisopdracht en twee andere loopbaangerichte ouderactiviteiten uitgebreid staan beschreven, met voorbeelden en praktische tips voor de uitvoering. 

>

Toekomstbestendige LOB: opleiden voor een loopbaan

Slijper, J., Biemans, P., Sjoer, E. (2019)

Voor een goede studiekeuze is het belangrijk dat leerlingen niet alleen informatie verzamelen, maar vooral realistische ervaringen opdoen met opleidingen en beroepen.

____________________________

Leerlingen bereiden hun studiekeuze voor via open dagen, proeflessen en LOB‑activiteiten. Hun beroepsbeelden blijken echter vaak verouderd en oppervlakkig. Omdat werk voortdurend verandert, is een eenmalige keuze onvoldoende voorbereid op de toekomst. Het onderzoek benadrukt daarom het belang van exploratie en het opdoen van realistische ervaringen met opleidingen en beroepspraktijken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Leerlingen bereiden hun studiekeuze op verschillende manieren voor. Door open dagen en proeflessen en door allerlei LOB-activiteiten die de school verzorgt. Bij de keuze voor een vervolgopleiding speelt het beroep ('wat kan/wil ik worden?') een belangrijke rol. Jongeren blijken echter vaak een verouderd én weinig overdacht beeld te hebben. Bovendien verandert het werk voortdurend en kan een beroep tegen de tijd dat een leerling de arbeidsmarkt betreedt er alweer anders uitzien.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Om toekomstbestendige keuzes te kunnen maken is het belangrijk dat leerlingen worden voorbereid op een leven lang ontwikkelen. Voor een meer overdachte keuze speelt exploratie een belangrijke rol: ervaren hoe een opleiding er echt uitziet en een realistisch beeld krijgen van verschillende beroepscontexten door concrete opdrachten in samenwerking met de beroepspraktijk. Daardoor is de leerling in staat te ervaren hoe een beroepscontext eruit ziet, en welke taken daarbij horen. Met andere woorden: het ervaren van een studie en beroepen op basis van realistische beelden. 

>

De Rotterdamse Aanpak

Slijper, J. (2020)

In de Rotterdamse Aanpak wordt onderzocht in hoeverre gerichte voorbereiding studenten helpt bij een succesvolle overstap van mbo naar hbo.

____________________________

Het keuzedeel 'Voorbereiding hbo' is ontwikkeld om mbo‑studenten beter voor te bereiden op een doorstroom naar het hbo. Uit onderzoek blijkt dat veel studenten weinig exploreren en nog geen duidelijke studiekeuze maken. Het keuzedeel wordt door studenten niet altijd herkend als oriëntatie-instrument, mede door het verplichte karakter. De resultaten benadrukken het belang van meer ruimte voor verkennen, motivatie en samenwerking tussen mbo en hbo bij studiekeuzeprocessen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Drie Rotterdamse roc’s en twee hogescholen geven vanaf cohort 2018/2019 gezamenlijk invulling aan het Keuzedeel Voorbereiding Hbo (K0125), ten behoeve van doorstroom in het economisch domein. Het integrale programma ter bevordering van de aansluiting in het economische domein is gedefinieerd onder de titel ‘De Rotterdamse Aanpak’. De lectoraten van Hogeschool Inholland en Hogeschool Rotterdam hebben gezamenlijk in een monitoring onderzoek onderzocht in hoeverre dit keuzedeel bijdraagt aan de kwaliteit van studiekeuzeprocessen en de ontwikkeling van studievaardigheden, ten gunste van de doorstroom naar het hbo. Deze leespresentatie betreft het studiekeuzeproces van mbo’ers. Het longitudinale onderzoek naar het eerste cohort 2018/2019 heeft het volgende laten zien: 

  • Veel mbo-studenten (71,1%) blijken voorafgaand maar ook na het keuzedeel een zogenoemde diffusion status te vertonen. Dit betekent dat ze niet of weinig exploreren – uitzoeken wat bij hen past qua studie/toekomst – en evenmin tot commitment komen t.a.v. de te kiezen /gekozen studie. De onderzochte groep, bestaande uit mbo’ers vanuit de economische sector, heeft een significant hoog aantal participanten met deze status. Een mogelijke verklaring ligt bij het domein waaruit deze leerlingen afkomstig zijn. Het economische domein is ‘breed’, ook om die reden vaak gekozen door personen die het 'echt niet weten maar zo nog alle kanten uit kunnen’. De juridische hbo’ers verschillen significant van andere economische hbo’ers door hun bovengemiddelde commitment t.a.v. de gekozen opleiding. 
  • Als participanten rapporteren over oriëntatie / voorbereiding op de studiekeuze wordt van alles genoemd: open dagen, proefstuderen. Echter, het Keuzedeel Voorbereiding HBO (K0125) wordt door mbo’ers niet ervaren als een oriëntatie of voorbereidingsinterventie en wordt als zodanig niet benoemd. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat K0125 een verplicht onderdeel is binnen het mbo-curriculum, en studenten dit ervaren als ‘iets wat moet voor school’.  
  • Beroepsbeelden die mbo-studenten naar voren brengen in de open vragen zijn onbereflecteerd: gebaseerd op niet realistische of achterhaalde beelden.
  • Bij beide afnames op het mbo worden onderwijskwaliteit en randvoorwaarden in het onderwijs het meest benoemd als ‘belangrijk in een opleiding.   

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Doorstroomtrajecten zijn gebaat bij een intensieve samenwerking tussen mbo en hbo, waarbij mbo’ers voldoende exploratiemogelijkheden krijgen om te komen tot een goede studiekeuze en waarin aandacht is voor het andere studieklimaat in het hbo. De eerste resultaten uit dit onderzoek geven voor de praktijk een aantal belangrijke inzichten:

  • Het keuzedeel heeft de mbo studenten inzicht gegeven in hoe het eraan toegaat op het hbo.
  • Het keuzedeel zoals in cohort 2018/2019 uitgevoerd op het mbo blijkt in de praktijk bij twee van de drie deelnemende Rotterdamse roc’s geen echte keuze. Ook blijken veel onderdelen zoals gepland (rekenen, taal) niet terug te komen in het daadwerkelijke programma. Het is tevens de vraag welke invloed het verplichtende karakter heeft gehad op de effecten van het keuzedeel:
    • waar het gaat om motivatie van zowel betrokken docenten als studenten;
    • gezien het hoge percentage studenten dat een diffusion status vertoont.
>

En wat kan ik dan later worden?

Slijper, J. (2017)

Studiekeuzes die vooral gebaseerd zijn op een toekomstig beroep leiden vaker tot uitval dan keuzes die gebaseerd zijn op interesse in de studie zelf.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat studiekeuze geen eenmalige beslissing is, maar een proces dat zich vóór en na de start van de studie ontwikkelt. Studenten die zich goed oriënteren en daadwerkelijk ervaren wat een studie inhoudt, hebben meer kans op studiesucces. Keuzes die gebaseerd zijn op een concreet en realistisch beeld van de opleiding blijken duurzamer dan keuzes die vooral gericht zijn op een toekomstig beroep. Daarnaast speelt de omgeving, zoals ouders, een belangrijke rol in het keuzeproces en de studievoortgang van studenten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Een andere benadering van studiekeuze. Met de dissertatie ‘En wat kan ik dan later worden?’ heeft Slijper promotieonderzoek gedaan naar het studiekeuzeproces van eerstejaars juridische hbo-studenten. Als bij aankomende studenten het toekomstige beroep de belangrijkste reden vormt bij een studiekeuze, is het vrij waarschijnlijk is dat dit leidt tot teleurstellingen en studie-uitval. Studenten die een studiekeuze maken vanwege de inhoud van een studie vallen veel minder uit. In haar onderzoek heeft Slijper 89 hbo-studenten gevolgd in hun keuzeproces. Studiekeuze is niet eenmalig, maar een proces, stelt de onderzoeker. Er is echter weinig onderzoek voorhanden naar dit gehele proces. Zij heeft daarom schoolloopbanen voorafgaand aan en na de overstap naar het hbo in kaart gebracht. Dit onderzoek levert een belangrijke bijdrage aan het begrijpen wat er gebeurt ‘voor de poort’ (voorafgaand aan de studie) maar ook ‘na de poort’ (in het eerste studiejaar). Hoe ziet zo’n keuzetraject bij juridische hbo-studenten eruit? Is er verschil tussen jongeren die veel bezig zijn te bedenken wat ze willen en wat bij hen past, en jongeren die dit niet doen? Jongeren die hebben deelgenomen aan oriëntatieactiviteiten hebben betere studieresultaten dan degenen die dit niet doen. Naast de koppeling tussen oriëntatie en studiesucces heeft Slijper ook diverse vormen van uitblijvend studiesucces onderzocht, zoals omzwaai en studiestaking. Het onderzoek heeft inzicht geboden in waarom jongeren bepaalde keuzes maken, en waar de knelpunten liggen als het gaat om specifieke groepen. Slijper pleit daarom voor meer onderzoek dat uitgaat van de individuele ontwikkeling van een student, om studiekeuze en studievoortgang beter te kunnen begrijpen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het promotieonderzoek heeft inzicht gegeven in de mogelijk achterliggende redenen van uitval bij mbo’ers. Op basis van de bevindingen is het advies intensieve aansluittrajecten te integreren in het laatste schooljaar van het mbo. Een praktische toepassing van deze aanbeveling ligt in het keuzedeel voorbereiding hbo (KVH), dat vanaf 2017 wordt ingevoerd. De bevindingen uit het promotieonderzoek suggereren dat het goed is dit keuzedeel zodanig in te richten dat mbo’ers enerzijds diepgaand kennismaken met hbo-vaardigheden, en daarnaast – door het volgen van opleidingsspecifieke vakken – kunnen ervaren dat de hoeveelheid stof en de aangeboden vakken duidelijk anders zijn dan in het mbo.

Belangrijke anderen – zoals ouders – kunnen in verband kan worden gebracht met studievoortgang. Personen die door het jaar heen niet met belangrijke anderen blijven praten over studiekeuze of studievoortgang vallen significant meer uit. Deze bevinding m.b.t. de rol van belangrijke anderen zoals ouders - onderstreept het belang van ouderbetrokkenheid voor het studiekeuzeproces. Ouders kunnen hun kinderen stimuleren te gaan exploreren, door erover te praten, samen een open dag te bezoeken, enz. Concreet bevelen we aan dat tijdens informatieactiviteiten voor ouders en aspirant-studenten, voorlichters beide partijen aanspreken en ze overtuigen van het belang gesprekken over de studie te blijven voeren.  

Intensieve oriëntatie-activiteiten kunnen aankomende studenten helpen bewust te worden van proximale doelen (de inhoud van de studie), met gunstige gevolgen voor studievoortgang. 

>

Je binnenste buiten. Beroepsstandaard en professionele identiteit

Ruijters, M., Luin, G. van. (2015)

Professionele identiteit helpt niet alleen schoolleiders, maar ook studenten om richting te geven aan hun ontwikkeling.

____________________________

Het artikel introduceert een model van professionele identiteit dat schoolleiders helpt reflecteren op hun rol en persoonlijke invulling van leiderschap. Dit model maakt zichtbaar dat professioneel handelen niet alleen gaat over kennis en vaardigheden, maar ook over persoonlijke waarden en drijfveren. Voor studenten is dit eveneens relevant: zij kunnen met behulp van zo’n model nadenken over hun toekomstige beroepsidentiteit en wat bij hen past. Het stellen van vragen over betekenis, motivatie en energie helpt hen om bewuster keuzes te maken en zich te ontwikkelen als professional.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit artikel presenteren de auteurs, aanvullend op de nieuwe beroepsstandaard van schoolleiders in het voortgezet onderwijs, het model van professionele identiteit om die beroepsstandaard meer diepgang en betekenis te geven. Het model geeft schoolleiders handreikingen om alleen of samen met professionele vrienden te onderzoeken waar je als schoolleider van bent of wilt zijn. Een toch altijd wat abstract beroepsprofiel nodigt niet vanzelfsprekend uit tot dit soort vragen. Maar deze vragen zijn belangrijk om het ‘persoonlijke’ van leiderschap meer reliëf en verdieping te geven; belangrijk omdat leiderschap in de praktijk van alledag juist om dat persoonlijke draait.  
In het artikel komen drie schoolleiders aan het woord en is een aantal begeleidende vragen voor het onderzoek naar ‘je kleur’ als schoolleider opgenomen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het artikel is geschreven voor schoolleiders, professionals die hun beroep al uitoefenen. Wellicht is het op de volgende manier ook interessant voor studenten.  

Voor studenten die zich voorbereiden op een beroep is het zinvol te onderzoeken hoe zij zich verhouden tot het profiel van het beroep dat ze gaan uitoefenen. Een beroepsprofiel kan hierbij behulpzaam zijn. Maar het is belangrijk te realiseren dat het daarbij om meer gaat dan om zelf-kennis, om een antwoord op de vraag ‘wat vind ik ervan?’ Om later stevig te kunnen staan als professional is het zaak om ook tijdens een opleiding onderzoek te doen naar ‘identiteit’. Zoals na te denken over beroepsidentiteit. En daar horen vragen bij als: Welk beeld van jouw toekomstige beroepsgroep maakt dat je trots bent dat je bij deze beroepsgroep gaat horen? Van welk beeld van jouw beroepsgroep heb je last? Welke aspecten van je toekomstig beroep gaan jou vooral energie opleveren? In welk opzicht past je toekomstig beroep bij wat je belangrijk vindt in je leven?  

Als je je als professional later verbonden hebt met het beroep dat je uitoefent, kun je je eigen kleur daarin ontwikkelen. Maar ook voor studenten is het zinvol om zich alvast de vraag te stellen: hoe wil ik zijn als professional? Het model van professionele identiteit dat in dit artikel wordt beschreven kan daarbij behulpzaam zijn. In het boek ‘Mijn Binnenste Buiten’ van Manon Ruijters, Gerritjan van Luin en Freerk Wortelboer (red.) Management Impact (2019) wordt het model van professionele identiteit veel uitvoeriger en in al zijn facetten uiteengezet en worden veel handreikingen geboden om ermee aan de slag te gaan.

>

Op weg naar een toekomst. Werkexploratie in het vmbo

Petit, R., Meijer, J., Karssen, M. & Kuijpers, M. (2019)

Werkexploratie helpt leerlingen om een realistischer beeld van beroepen te krijgen, maar vraagt om een zorgvuldige invoering in het onderwijs.

____________________________

Uit het onderzoek blijkt dat leerlingen en mentoren positief zijn over werkexploratie, omdat het leerlingen helpt beroepen beter te begrijpen. Tegelijkertijd laten de resultaten zien dat de effecten nog beperkt zijn, vooral doordat programma’s vaak nog niet volledig zijn ingevoerd. Wel blijkt dat meer en actievere werkexploratie samenhangt met meer motivatie, betere loopbaancompetenties en grotere keuzezekerheid. Het succes hangt daarom sterk af van een goede opbouw, actieve betrokkenheid van leerlingen en een zorgvuldige implementatie binnen de school.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Veel jongeren hebben moeite om zich een beeld te vormen van beroepen die zij kunnen kiezen. Wat hierbij helpt is zelf zien en ervaren hoe het ertoe gaat in de praktijk; ook wel ‘werkexploratie’ genoemd. Voorbeelden zijn een werkbezoek of praktijkopdracht in een bedrijf. Werkexploratie is een van de vijf ‘loopbaancompetenties’ waaraan vmbo-scholen aandacht besteden in het onderwijs en die sinds kort ook geëxamineerd worden. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunde tien scholen in een aantal grote steden bij het maken van een goed werkexploratieprogramma. De opbrengsten hiervan zijn onderzocht door herhaald vragenlijsten af te nemen bij leerlingen en door groepsinterviews af te nemen bij leerlingen en hun mentoren.

De bevindingen van de leerlingen en hun mentoren zijn overwegend positief. De meeste leerlingen hebben naar eigen zeggen een duidelijker beeld gekregen van beroepen en de mentoren zijn eveneens positief. Zij vinden het werkexploratieprogramma een eerste stap in de goede richting. Uit het vragenlijstonderzoek blijkt echter geen significant effect van de ontwikkelde werkexploratieprogramma’s op de scholen. Een voor de hand liggende verklaring is dat de scholen meer tijd nodig hadden om de programma’s overal goed te kunnen implementeren. Bij geen van de scholen is het gelukt om het gehele werkexploratieprogramma uit te voeren zoals het is bedoeld. De meeste scholen zetten het programma dan ook voort, vaak na wat verbeteringen te hebben aangebracht door de nieuwe inzichten gedurende dit project. Wel bleek - los van de werkexploratieprogramma’s - dat een groter aanbod aan werkexploratie-activiteiten vanuit school en meer ondernomen activiteiten op dit gebied door leerlingen, samen te gaan met hogere scores op attitude t.a.v. de loopbaan, loopbaancompetenties, keuzezekerheid en een groter –voor beroepskeuze relevant – netwerk.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Vmbo-scholen die een werkexploratie-programma willen inzetten in het onderwijs, kunnen gebruik maken van de ontwikkelde materialen in dit project. Deze zijn beschikbaar in de vorm van een Handreiking Werkexploratie.

Geleerde lessen die vmbo-scholen mee kunnen nemen in hun praktijk zijn:

  • Begin klein en overzichtelijk, breid pas uit na succes.
  • Neem voldoende tijd voor experimenteren en implementeren.
  • Betrek het hele team vanaf de ontwikkeling zodat het werkexploratieprogramma ook van hen is (en zich niet beperkt tot enkele enthousiaste individuen).
  • Start het programma vroeg, bijvoorbeeld in het tweede leerjaar, op een moment dat leerlingen nog keuzes moeten maken.
  • Een opbouw van brede oriëntatie in de onderbouw en meer focus op beroepen in de bovenbouw voorkomt dat het voor leerlingen te snel over specifieke beroepen gaat en het daardoor minder aansluit bij de fase waarin zij zich bevinden.
  • Zorg ervoor dat leerlingen bij een stage of werkbezoek een actieve rol hebben; iets mogen doen dat met het werk in het bedrijf te maken heeft.
  • Vermijd schriftelijke opdrachten zonder gespreksvoering. Dit komt vooral voor bij reflectieopdrachten. Invulformulieren en reflectieverslagen vinden leerlingen saai en nutteloos, zeker als daar door de mentor niet op wordt teruggekomen.
  • Maak verwachtingen van het programma duidelijk, zowel aan leerlingen als aan mentoren.
>

Een goed gesprek over de toekomst. Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes op het vmbo en het mbo

Petit, R., Brouwer, P. & Meijer, J. (2018)

Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes blijkt effectief te versterken met kleine, gerichte interventies in plaats van grote programma’s.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat eenvoudige thuisopdrachten leerlingen en ouders stimuleren om samen in gesprek te gaan over studiekeuzes. Deze gesprekken worden als waardevol ervaren en dragen bij aan meer inzicht in kwaliteiten en keuzes, al zijn de effecten op andere aspecten beperkt. Grootschalige en tijdrovende vormen van ouderbetrokkenheid blijken minder haalbaar, terwijl kleine, laagdrempelige opdrachten juist goed werken. Daarbij is een goede implementatie en samenwerking binnen het schoolteam essentieel om het succes te vergroten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Scholen voor vmbo en mbo ontwikkelden samen met onderzoekers een programma om ouders te betrekken bij de studie-en beroepskeuze van hun kind. Via huiswerkopdrachten die leerlingen met ouders thuis maken wordt het gesprek over loopbaankeuzes gestimuleerd. Het onderzoek laat bescheiden positieve effecten zien. 
Scholen voor vmbo en mbo in de regio Utrecht namen deel aan praktijkgericht onderzoek. De vraag van de scholen stond centraal: het ontwerpen en onderzoeken van een programma om ouders te betrekken bij de studie- en beroepskeuze van hun kind. Het consortium heeft drie op het LOBcurriculum aansluitende huiswerkopdrachten ontwikkeld.
Zowel leraren, ouders als leerlingen hebben het programma aardig positief gewaardeerd. Leerlingen en ouders voerden goede gesprekken thuis over de studie- en beroepskeuze. Leerlingen vonden het prettig om de mening van ouders te horen over hun kwaliteiten. Er waren ook leerlingen voor wie de betrokkenheid van ouders weinig meerwaarde had, bijvoorbeeld omdat het programma van start ging nadat zij al keuzes hadden gemaakt. Voor mbo opleidingen die heel specifiek opleiden voor een beroep was het programma soms te algemeen en te weinig gericht op het verder verfijnen van de keuze binnen de al gekozen beroepsrichting.
De invoering van het programma verliep wel moeizaam, onder andere door vele personele wisselingen binnen de scholen. Dit onderstreept het belang om bij een dergelijke vernieuwing het hele team te betrekken en niet slechts enkele enthousiaste individuen. Korte (minder tijdrovende) en weinig talige opdrachten werkten goed. Het gaat er vooral om dat de opdrachten stimuleren dat leerlingen thuis met ouders gesprekken voeren over loopbaankeuzes. Met herhaalde metingen is de effectiviteit onderzocht van het programma op de attitude van leerlingen ten aanzien van de studie- en beroepskeuze, de activiteiten die zij hebben ondernomen, loopbaancompetenties en de mate waarin zij zeker zijn over hun beroepskeuze. Er bleek een effect te zijn op het vermogen om sturing te geven aan de eigen loopbaan (één van de loopbaancompetenties). Bij de overige onderzochte variabelen is er geen aanwijzing gevonden voor een effect. Wel bleek het verband tussen de invloed van de omgeving (waaronder ouders) en de loopbaancompetenties bij leerlingen die hebben deelgenomen aan het programma, na het programma sterker te zijn geworden. Of dit een gevolg is van het programma kunnen we niet met zekerheid zeggen, maar dit resultaat in combinatie met de uitkomst van de gesprekken stemt wel hoopvol dat de doelstelling is bereikt om de rol van ouders bij de studie- en beroepskeuze te versterken.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Een belangrijk inzicht uit het onderzoek is dat ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes niet groots en tijdrovend hoeft te zijn voor scholen.  Kleine opdrachten die leerlingen thuis met ouders uitvoeren brengen gesprekken thuis op gang die veel kunnen opleveren in het loopbaankeuzeproces. Ook voor ouders is tijd een factor van belang. Deelnemen aan meerdere bijeenkomsten op school bleek voor ouders te tijdrovend te zijn en ook docenten kregen dit organisatorisch moeilijk geregeld. Een beperkte tijdsinvestering en laagdrempelige deelname door ouders met thuisopdrachten bleek wel goed haalbaar en bovendien nuttig te zijn.

In het project zijn drie thuisopdrachten ontwikkeld, onderzocht en beschikbaar gemaakt voor het vmbo en mbo. Deze opdrachten kunnen scholen gebruiken en eventueel aanpassen aan de eigen leerling populatie en context. Zeker voor het mbo is het aan te raden om de opdrachten toe te spitsen op de gekozen beroepsrichting en de fase waarin studenten zich bevinden in het beroepskeuzeproces. Voor het vmbo lijken de opdrachten in huidige vorm te volstaan, maar is wel het moment waarop deze worden ingezet van belang. Of dit het beste past in het derde of vierde leerjaar of verspreid over alle leerjaren hangt af van het LOB-curriculum en dit verschilt dit per school.  

Een ander inzicht is dat veel tijd nodig is om een nieuw programma te implementeren in het onderwijs zodat dit een samenhangend geheel vormt met LOB-lessen en docenten het zichzelf eigen kunnen maken. Experimenteren en evalueren zijn hierbij van belang.  Een aanbeveling voor scholen is om vroeg genoeg te starten en met het hele team zodat teamleden meedenken en mee ontwikkelen aan het programma in het belang van een goed resultaat en eigenaarschap.

Tot slot is goed te bedenken dat de bijdrage die ouders kunnen leveren aan het studie- en beroepskeuzeproces van hun kind enorm kan verschillen. Als ouders weinig kunnen bijdragen, is het des te belangrijker dat de school goede loopbaanoriëntatie en -begeleiding biedt. En zo mogelijk voor deze leerlingen nog iets meer. 

>

Parental involvement in career education and guidance in senior general secondary schools

Oomen, A.M.F.A. (2018)

Gerichte ouderinterventies kunnen de betrokkenheid en het zelfvertrouwen van ouders in het loopbaanproces van hun kind aanzienlijk versterken.

____________________________

Dit onderzoek naar de interventie Ouders aan Zet laat zien dat het actief betrekken van ouders via gezamenlijke leeractiviteiten met hun kind hun kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen vergroot. Ouders gaan meer in gesprek met hun kind en worden zich bewuster van hun rol in het keuzeproces. De aanpak werkt echter niet voor alle ouders hetzelfde: vooral ouders zonder ervaring met hoger onderwijs hebben meer ondersteuning nodig. Het onderzoek onderstreept dat ouderbetrokkenheid een waardevolle, maar complexe factor is binnen LOB, die vraagt om een gerichte en doordachte aanpak.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit proefschrift is het resultaat van een onderzoek naar het betrekken van de ouders van havo-scholieren bij loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB). Het is gebaseerd op een secundaire analyse van bestaande gegevens van een eerder onderzoeksproject naar de impact van een LOB-interventie, 'Ouders aan Zet' voor ouder-kindparen in 3- of 5HAVO. Bij dit project waren decanen van zes scholen betrokken, die de interventie uitvoerden op hun school aan de hand van een gezamenlijk ontworpen script met de steun van mentoren, docenten en afdelingshoofden.

Ouder-kindparen konden zich vrijwillig aangemeld voor de vier opeenvolgende maandelijkse sessies (tien klokuren in totaal), die plaatsvonden na de lessen, tussen september en december 2012. Drie scholen voerden de interventie uit in 3HAVO (n = 92) bij het voorbereiden op de profielkeuze. De andere drie scholen voerden de interventie uit in 5HAVO (n = 83), bij het voorbereiden op een hbo-studiekeuze. 

De resultaten van een behoeftenanalyse onder de potentieel deelnemende ouders in de zes scholen dienden als basis voor de doelstellingen van de LOB-interventie: het ondersteunen van de ouders door (a) up-to-date en goed geïnformeerd te zijn over onderwijsmogelijkheden, financiële consequenties, de arbeidsmarkt en het gebruik van informatiebronnen; en (b) in staat zijn om loopbaanbeslissingen met hun kind te nemen. De interventie is opgezet als een leeractiviteit voor ouders in interactie met hun kind. De fysieke aanwezigheid van ouder(s) met hun kind faciliteerde ‘family-learning’. Zowel de aanwezige ouders als leerlingen uit de bovenbouw of eerstejaars hbo alumni waren bronnen van uiteenlopende aard om ‘community-interaction ’te realiseren. 

Een overzicht van het programma van 'Ouders aan Zet':
Eerste avond: communiceren van de resultaten van het behoeftenonderzoek.

  • Hoe zijn de resultaten vertaald naar het programma?
  • Wat verwachten ouders wat betreft LOB? En visa versa: wij, als schoolpersoneel, verwachten dat u als ouder met uw kind praat over hun loopbaanontwikkeling.
  • Ouders aan het werk zetten met hun kind gedurende vijf minuten met een simpele vraag, gevolgd door een reflectie op wat de aanwezigen van deze aanpak leerden.

Tweede avond: focus op de vele invloeden op een loopbaan

  • Ouders worden door leerlingen geïnterviewd in ‘speed dates’ over positieve en negatieve ontwikkelingen in hun loopbaan.
  • Ouders en kind krijgen informatie over testen, hoe over testresultaten te praten en andere manieren om interesses te ontdekken.

Derde avond: focus op de dilemma’s in loopbaanafwegingen

  • Oudere studenten vertellen in kleinere groepen hoe ze hun afwegingen hebben gemaakt, hun huidige ervaringen, do’s en don’ts.
  • Docenten geven voorlichting over de vakken in de bovenbouw.
  • Ouders en kind zitten achter de computer met een hand-out om uit te vinden waar je informatie kunt vinden over ho-studies, hun kwaliteit kunt vergelijken, werkgelegenheid.

Vierde avond: Studiekosten en (financiële) kwesties gerelateerd aan HBO studie

  • DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) presenteert de financiële aspecten van studeren aan hbo.
  • Ouders en kind stellen samen een plan met vervolgstappen op. 

Onderzoeksaanpak
De secundaire analysebenaderingen van de bestaande gegevens betrof nieuwe onderzoeksvragen, diepgaande analyses en een niet-parametrische methodologie. De kwantitatieve en kwalitatieve resultaten zijn geïntegreerd om te begrijpen welke ouders (met en zonder hoger onderwijs (ho) kwalificaties) betrokken waren bij de interventie, waarom, en of de impact verschilde voor deze ouders. Ook de rol van de school in de interventie is bekeken.  

Resultaten
De bevindingen suggereren dat een door de school geïnitieerde LOB-interventie, in de vorm van ‘family-learning’ en ‘community interaction’, de capaciteit van ouders kan vergroten om betrokken te zijn bij en ondersteuning te bieden aan de loopbaanontwikkeling van hun kind. Deze ouderlijke capaciteit bestaat niet alleen uit hun kennis en vaardigheden om de informatie over ho te verwerken, maar ook uit de self-efficacy van ouders en de definitie van hun ouderlijke rol. Ouderlijke self-efficacy verwijst naar het oordeel, vertrouwen van ouders dat ze acties kunnen organiseren en uitvoeren om bepaalde doelen te bereiken. De roldefinitie verwijst naar wat ouders veronderstellen als hun acties bij de loopbaanontwikkeling van hun kind. 

De ouders die deelnamen aan ‘Ouders aan Zet’ ervaarden een verhoogd informatieniveau; een verhoogd ouderlijke self-efficacy en veranderden hun rol opvattingen: zo spraken zij meer met hun kind en werden zich meer bewust van hun eigen rol en die van hun kind. Deze impactbevindingen zijn relevant, omdat uit onderzoek blijkt dat de emotionele steun en autonomieverlening van ouders/familie leerlingen stimuleert en de ontwikkeling van hun zelfgestuurde exploratie verder ondersteunt.  

De LOB-interventie werkt echter verschillend voor ouders die zelf wel of geen ervaring hebben met HAVO en/of ho. 

Discussie
Ouders zonder HAVO en/of ho-ervaring verschillen significant ten opzichte van ouders die deze ervaring wel hebben op de volgende manieren:

  • motivatie voor deelname is op de eerste plaats gericht op het wegnemen van de eigen onzekerheid;
  • tonen een lager bewustzijn van het belang en de impact van vroege onderwijskeuzen op de loopbaanontwikkeling van hun kind;
  • blijven onzeker (lagere self-efficacy) over het gebruik van de opgedane informatie, vaardigheden en tools en zijn te relateren de secundaire effecten van sociale afkomst met betrekking tot de beslissingen van ouders (en leerlingen) die ongelijkheden aan educatieve mogelijkheden veroorzaken, door het mechanisme van (i) risico-aversie en (ii) tijdverdiscontering preferenties.
  • profiteren minder van de ‘family-learning’ component van de loopbaaninterventie omdat deze reflectieve, metacognitieve, of actieve luistervaardigheden veronderstellen;
  • hadden minder baat bij de ‘community-interactie’ component, wat te relateren is de in Nederland gevonden onzekerheid in sociaal opzicht voor deze groep ouders.
  • verschillen op dimensies van de roldefinities van ouders om betrokken te zijn bij en de loopbaanontwikkeling van hun kind te ondersteunen. Bijvoorbeeld voor de stelling: "Ik ben me bewust wat de sterke en zwakke punten van mijn kind zijn."  

De studie vindt ook dat kenmerken van het huidige schoolsysteem grote belemmeringen vormen voor het ondersteunen van de interventie. 

Conclusies
Uit dit onderzoek blijkt dat het de moeite waard is om een LOB-interventie aan te bieden in havo en vwo om ouders te helpen om hun kind te ondersteunen bij (toekomstige) beslissingen in het loopbaantraject. Een gerichter overheidsbeleid om ouders te betrekken bij LOB in het voortgezet onderwijs kan zowel de efficiëntie van het onderwijssysteem verbeteren als sociale onrechtvaardigheid bestrijden. Een ouderbetrokken-LOB-interventie is echter een educatieve innovatie en moet als zodanig worden aangepakt in de school. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • Ontwikkel de rationale voor jouw school samen met schoolleiding
  • De ouderlijke capaciteit om kind te ondersteunen bestaat uit: informatie/kennis, vaardigheden én ouderlijke self-efficacy én ouderlijke rol perceptie (subculturele verschillen)
  • Begin met het peilen van de behoeften die ouders hebben  Besteed speciaal aandacht aan het betrekken van ouders van ‘eerste generatie‘ HO studenten
  • Breng bewust succesvolle rol modellen in van ‘eerste generatie‘ HO studenten en hun ouders
  • Open expliciet de discussie over de mechanismen van secondaire effecten van sociale achtergrond (risk-aversion; time-dispersion preferences)
  • Modeleer plenair en verschillende keren actief luisteren
  • Hoe is de ouderpopulatie van jouw school samengesteld? Dat bepaalt je aanpak: groepsgrootte … of individuele benadering
>

Parental involvement in career education and guidance in secondary education

Oomen, Annemarie (2016)

Ouderbetrokkenheid in LOB kent verschillende vormen, maar is nog beperkt ontwikkeld en toegepast in de onderwijspraktijk.

____________________________

Het artikel beschrijft verschillende manieren waarop ouders betrokken kunnen worden bij loopbaanontwikkeling, variërend van informeren tot intensieve samenwerking met leerling en gezin. Deze vormen zijn uitgewerkt in een taxonomie met drie benaderingen: informatiegericht, samen leren en begeleiding op gezinsniveau. Uit de analyse blijkt dat ouderbetrokkenheid nog weinig structureel voorkomt en dat kennis over effectieve aanpakken beperkt is. De taxonomie biedt scholen een hulpmiddel om hun eigen aanpak te evalueren en gerichter vorm te geven.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Voor mijn proefschrift naar ouderbetrokkenheid in LOB in HAVO bestudeerde ik in de internationale literatuur interventies binnen en buiten de onderwijscontext waarbij ouders betrokken waren bij de loopbaanontwikkeling/beslissingen van hun kind. Dergelijke interventies bestaan sinds eind zestiger jaren in uiteenlopende vormen zoals gidsen om ouders te informeren over het onderwijssysteem of over hun rol; folders met hulpmiddelen voor ouders of met oefeningen voor ouder en kind; programma’s om alle of specifieke (subculturele) doelgroepen van ouders te ondersteunen; en materialen om schoolpersoneel te ondersteunen bij ouderbetrokkenheid in LOB.

Vanuit het perspectief van een vo-school zijn verschillende dimensies te onderscheiden in de interventies die ik ontwikkelde tot een taxonomie. Bij de toepassing leidde die tot drie verschillende benaderingen van ouderbetrokkenheid in LOB: (i) informatie-gecentreerd; (ii) family-learning; en (iii) familycounselling of -therapie zoals weergegeven in onderstaande tabel:

  Informatie-gecentreerde interventie Family learning Family counseling/therapy
Doel

Informeren.
Attentie trekken en bewust maken van actuele onderwerpen

Ouders remediaal of preventief helpen Specifieke kwesties addresseren die de psychologische gezondheid van een gezin/familie beïnvloeden
Wordt het op school als ouderbetrokkenheid gelabeld? Nee Ja Nee
Gericht op  Alle ouders (Specifieke) ouder(s) samen met kind/leerling Specifieke familie/ouder(s) samen met kind
Veronderstelde rol voor ouder(s) en kind Geen specifieke rol Docent, adviseur of coach voor hun kind;Zowel ouder als kind zijn actief betrokken Client; Zowel ouder als kind zijn actief betrokken 
Veronderstelde rol voor schoolpersoneel Toegewezen rol in school Professionele facilitator  N.v.t. 
Vorm Eenmalige sessie; individuele ouder-docent sessie; leerpakket; gedrukte informatie; website; contactmogelijkheid voor ouders met schoolpersoneel; Eenrichtingsverkeer

Bron- en kleine groepsessie(s) gefaciliteerd door getraid personeel 

Interactief

Family groepsessie(s) gefaciliteerd door professioneel getrainde LOB staff

Interactief

Frequentie Eenmalig Meerdere sessies Meerdere sessies
Geïnitieerd door School; aanbodgericht School; aanbodgericht maar op maat gemaakt op basis van de behoeften van de deelnemers Ouders/familie; behoeftengericht

In het artikel worden de verschillende vormen toegelicht met internationale voorbeelden.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Ouderbetrokkenheid in LOB op vo-scholen is een vrij zeldzame praktijk die internationaal nauwelijks onderzocht is, waardoor de beschikbare kennis beperkt is . In het algemeen is een dergelijke praktijk geen lang leven beschoren. De ontwikkelde taxonomie kan schoolpersoneel helpen om de eigen en toekomstige benadering te evalueren en te beoordelen op verschillende dimensies. Zo blijkt een kenmerk als interactief niet wezenlijk. 

>

How do students perceive the role of school, parents and themselves

Oomen, Annemarie (2016)

Leerlingen zien zichzelf als hoofdverantwoordelijk voor hun loopbaankeuzes, maar verwachten daarbij wel ondersteuning van ouders en school.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat leerlingen zichzelf de belangrijkste rol geven in het maken van loopbaankeuzes, terwijl ouders en school elk een eigen, aanvullende rol hebben. Ouders bieden vooral emotionele steun en delen ervaringen, terwijl de school een formele rol heeft in het informeren en stimuleren van leerlingen. Deze rollen veranderen naarmate leerlingen ouder worden, waarbij de inbreng van ouders verschuift van ervaring delen naar meedenken en adviseren. De samenwerking tussen leerling, ouders en school vormt daarmee een dynamisch samenspel in het keuzeproces.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Bij het R&D project ‘Ouders aan Zet’ ontwikkelden zes schooldecanen van HAVO-scholen een LOB interventie van vier sessies (tien uur totaal) voor ouders en hun kind in 3HAVO of 5HAVO. Een van de onderzoeksvragen voor dit R&D project was hoe de leerlingen die in dit project betrokken waren de rol van zichzelf, de school en ouders zien. 
Het kwalitatief onderzoek vond plaats onder 27 leerlingen (16 van 3HAVO en 11 van 5HAVO) door middel van een individueel interview van circa 30 minuten een half jaar na de LOB-interventie (2meting) en een jaar na de LOB-interventie (3-meting). Ten tijde van de 2-meting was de vraag: Wat is jouw rol als leerling, wat is de rol van de ouder(s) en wat is de rol van de school tijdens het keuzeproces? Ten tijde van de 3-meting waren de vragen; Hoe is de verdeling van rollen in de acties en beslissingen in de volgende loopbaanstap: ouder(s), kind en school en zijn die rollen anders dan een jaar geleden?
Alhoewel in (inter)nationaal onderzoek de resultaten van onderzoek met deze vragen resulteert in een rangorde, kunnen dergelijke resultaten ook op een andere manier gepresenteerd en begrepen worden. Leerlingen kennen zichzelf een hoofdrol toe in actief bij het nemen van dergelijke beslissingen. Het onderzoek ondersteunt de belangrijke rol van ouder(s) voor opgroeiende leerlingen op het affectieve vlak, terwijl de school de belangrijke formele rol heeft om de leerling bewust te maken van de mogelijkheden en de leerlingen te stimuleren, zelfs te dwingen zelf actie te ondernemen in hun loopbaanproces. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

In (inter)nationaal onderzoek komen ouders naar voren komen als de belangrijkste adviseurs voor de leerling bij het nemen van loopbaanbeslissingen, in dit onderzoek blijkt die rol complementair te zijn aan de formele rol die de school daarbij speelt. Terwijl de leerling ouder wordt, neemt het belang van de eigen rol in loopbaanontwikkeling toe, blijft de verwachte formele rol van de school ongewijzigd, maar de affectieve rol die de leerling van de ouders verwacht verschuift over die jaren. M.a.w. een leerling in het derde leerjaar verwacht iets anders van zijn ouders vergeleken met een ouder in het (voor)eindexamenjaar. Aanvankelijk verwacht een kind dat de ouder(s) hun eigen ervaringen vertellen met het maken van keuzes; na de (profiel)keuze verwacht de leerling dat hun ouders met hen de mogelijkheden in het vervolgonderwijs verkent, informeert en bemiddelt, terwijl na het eindexamen de ouder belangrijk blijft, maar meer met adviezen en meningen geven. 

>

Can career teachers/leaders support parents in helping their child?

Oomen, Annemarie (2016)

Samenvatting van het onderzoek 

Bij het R&D project ‘Ouders aan Zet’ ontwikkelden zes schooldecanen van HAVO-scholen een LOB interventie van vier sessies (tien uur totaal) voor ouders en hun kind in 3HAVO of 5HAVO. Twee van de onderzoeksvragen voor dit R&D project waren: 1) Hoe verschilt deze LOB-interventie ten opzichte van je huidige praktijk als schooldecaan in jouw school? En 2) Indien ja, welke aanvullende competenties zijn nodig voor een schooldecaan?  Kwalitatieve data zijn verzameld tijdens het uitvoeren van de LOB-interventie eind 2012. Iedere decaan leverde een kleur-gecodeeerd script in na het uitvoeren van elke sessie; het delen van ervaringen en mondelinge zelfevaluatie vond plaats in drie focus groep sessies met de decanen; en met elke schooldecaan vond een individueel gesprek van 30 minuten plaats na de laatste uitvoering van de LOB-interventie. 
De nieuwe praktijk vergeleken met de bestaande praktijk van de schooldecanen aan hun school verschilde op verschillende manieren. Zo bleken de schooldecanen geen inzicht te hebben in de vragen die ouders hebben rond het moment dat hun kind een keuze ging maken. Wat ouders geboden wordt is aanbodgericht met een nadruk op het geven van informatie. Ongebruikelijk is het om –voor welk onderwerp dan ook- vraag-gerichte sessies aan te bieden, voor kind en ouder samen, interactief, een serie van sessies en ook met een aantal van tussen de 15 en 45 ouder-kind paren.  
Voor het ontwerpen van een dergelijke LOB-interventie hebben decanen up-to-date kennis nodig over de ontwikkelingen in het (hoger)onderwijs, informatiebronnen, arbeidsmarkt en de wereld van werk; kennis over het ontwikkelen van dergelijke sessies en de rol en invloed van ouders in loopbaanprocessen. Ook zijn aanvullende vaardigheden nodig zoals het kunnen peilen van de behoeften van ouders; het ontwerpen van een draaiboek met een proces dat de inhoud ondersteunt en een afwisseling van individuele en plenaire activiteiten.; helderheid verschaffen over de wederzijdse rolverwachting schoolpersoneel/ouders; en het organiseren, communiceren en voorbereiden van eenieder binnen de school. Het aanbieden van een dergelijke LOB-interventie vraagt van de schooldecaan moed en overtuigingskracht; openheid en open staan naar ouders en aandacht voor de initiële verschillen tussen ouders wat informatie en de relatie ouder-kind betreft.  Overigens observeerden de schooldecanen ook dat mede-uitvoerende mentoren en docenten kennis, vaardigheden en attitudes misten.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek toont aan dat een school resp. schooldecaan er niet van kan uitgaan de kennis, vaardigheden en attitudes in huis te hebben om ouders te kunnen ondersteunen die hun kind willen helpen bij het maken van keuzes. Specifieke kennis en vaardigheden zijn nodig en speciaal de attitude om zich actief te kunnen en willen verdiepen in de onbekende behoeften van ouders. Bij ouder-betrokken-LOB interventies waarbij schoolstaf zoals mentoren betrokken zijn als mede uitvoerders, zijn ook voor hen aanvullende competenties nodig. 

>

Van vmbo naar mbo: doorstroom en loopbaankeuzes Monitor doorstroom vmbo-mbo: cohort 4 en cohort 5

Neuvel, J., Esch, W.van. (2010)

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderzoek richt zich op de doorstroom van vmbo naar mbo. Leerlingen moeten een keuze maken uit het grote aanbod van mbo-opleidingen. Daarbij moeten ze rekening houden met de opleidingsniveaus en met hun eigen beroepsinteresse. Een goede keuze is van groot belang, omdat voor veel leerlingen het mbo immers de opstap naar de arbeidsmarkt is.

Bij de niveau-afstemming gaat het om de optimale aansluiting van het kennisniveau en het vaardigheidsniveau van een leerling bij het opleidingsniveau in het mbo. Bij de inhoudelijke afstemming gaat het om het zoeken naar een beroepsopleiding waarin een leerling in voldoende mate zijn/haar (beroeps)interesses en ambities herkent.  Zo’n keuze veronderstelt dat leerlingen een voldoende beeld hebben van wat ze in hun latere arbeidsleven willen worden. Lang niet alle leerlingen blijken dat aan het eind van het vmbo goed te weten. Uit de analyse blijkt dat naarmate het beroepsbeeld van leerlingen diffuser is, het risico op allerlei negatieve effecten voor de schoolloopbaan toeneemt. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Bijna een vijfde van de vmbo’ers weet aan het eind van het vmbo niet goed wat ze willen worden, waardoor hun verdere schoolloopbaan in gevaar komt. Een deel van de vmbo’ers heeft kennelijk meer tijd en ondersteuning nodig bij het zoeken van een antwoord op de vraag wat ze willen worden. Het is nuttig om door middel van populatieonderzoek na te blijven gaan of leerlingen in het vmbo en in het mbo een beroepsinteresse ontwikkelen. Deze keuze is namelijk een intrinsiek motiverende kracht en een bijna noodzakelijke voorwaarde voor de loopbaanontwikkeling van leerlingen.

>

Evaluatieonderzoek studieloopbaanbegeleiding

Mittendorff, K., Staman, L., Kienhuis, M., Nije Bijvank, M. & Winters, N. (2016)

Goede studieloopbaanbegeleiding vraagt niet alleen om beleid, maar vooral om een sterke vertaling naar de praktijk binnen opleidingen.

____________________________

Het artikel beschrijft dat SLB steeds belangrijker wordt door de focus op studiesucces, maar dat de uitvoering nog niet overal op niveau is. Studenten ervaren verschillen in begeleiding en missen soms voldoende contact en aandacht voor hun loopbaanontwikkeling. Saxion heeft daarom een duidelijke visie en basiseisen opgesteld om SLB te verbeteren en te uniformeren. Het evaluatieonderzoek laat zien hoe dit beleid in de praktijk uitpakt en waar nog verbeteringen nodig zijn binnen opleidingen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Mede door het belang van het thema ‘studiesucces’ lijkt studieloopbaanbegeleiding (SLB) de laatste jaren steviger op de agenda van hogescholen te staan. De ontwikkelingen op verschillende beleidsterreinen zoals de studiekeuzecheck en het verbeteren van bachelorrendement, vragen ook om investeringen in en herziening van SLB beleid. De roep om betere SLB blijkt vanuit verschillende kanten te ontstaan. Ook studenten waren ontevreden over hun begeleiding, met name de ouderejaars. Sommige studenten zagen hun SLB’ers niet of nauwelijks, er werd te weinig initiatief genomen vanuit de opleiding en was er te weinig aandacht voor loopbaanbegeleiding. Hierin waren ook verschillen tussen maar ook binnen opleidingen te zien. 

Een goede invulling van SLB is een speerpunt voor Saxion. Het belang ervan wordt benadrukt in zowel de Strategische Agenda als de onderwijsvisie. Begin 2014 is er binnen Saxion, op vraag van het CvB, door een werkgroep een visiedocument inclusief basiseisen opgesteld over SLB. De werkgroep bestond uit experts op het gebied van SLB. Deze werkgroep heeft, naar aanleiding van een aantal klankbordsessies met SLB coördinatoren van de opleidingen, ‘Visie en Eisen voor Studieloopbaanbegeleiding’ ontwikkeld en vastgelegd in een document. Hierin is beschreven op welke manier Saxion wil werken aan SLB en er zijn bepaalde eisen gesteld aan de uitvoering van SLB binnen de opleidingen. Alle opleidingen van Saxion worden geacht aan deze ‘basis’ eisen voor SLB te voldoen. Verder zijn ze vrij in de vormgeving van SLB voor de eigen opleiding.

Op verzoek van de Vereniging Hogescholen heeft Saxion een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar deze maatregel. Doel van het onderzoek is inzicht verkrijgen hoe de maatregel is geïmplementeerd, wat de resultaten zijn en welke invloed structuur- en cultuurfactoren van Saxion hebben gehad op de ontwikkeling en implementatie van dit beleid binnen Saxion. Met het evaluatieonderzoek wordt antwoord gegeven op de vragen: Waarom heeft Saxion dit op deze manier gedaan? Wat heeft het Saxion opgeleverd? Wat zou Saxion in een vergelijkbaar proces weer doen en wat anders? In dit rapport wordt verslag gedaan van dit evaluatieonderzoek. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het rapport biedt inzicht in hoe SLB in de praktijk is vormgegeven en geeft daarmee ook inzichten in waar nog acties op nodig zijn.  
Deze inzichten zijn niet alleen zinvol voor Saxion, maar bieden ook voor andere hogescholen concrete aandachtspunten.

>

Talentontwikkeling, loopbaanbegeleiding en reflectie binnen de technische opleidingen

Mittendorff, K., Pullen, A., & Kornet, A. (2018)

Het ontwikkelen van talent en professionele identiteit vraagt om een andere aanpak van reflectie en loopbaanbegeleiding, vooral in technische opleidingen.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat naast vakkennis steeds meer behoefte is aan soft skills en loopbaanontwikkeling, maar dat de huidige manier van werken nog niet goed aansluit bij studenten. Vooral de talige en vaak verplichte vorm van reflectie roept weerstand op, waardoor het effect beperkt blijft. Het onderzoek benadrukt dat reflectie betekenisvoller, praktijkgerichter en beter begeleid moet worden. Daarnaast zijn een heldere visie, een doorlopende leerlijn en professionalisering van docenten als coach essentieel om talent- en loopbaanontwikkeling effectief vorm te geven.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Op de arbeidsmarkt is steeds meer behoefte aan bredere professionele vaardigheden (‘soft-skills’) naast gedegen kennis van het technische vakgebied. Het ontwikkelen van hogere-orde vaardigheden zoals reflectie zijn daarvoor belangrijk, maar de implementatie van deze vaardigheden wordt in het onderwijs nog als moeilijk ervaren (Kirschner, 2017). Daarnaast zien we dat talent- en loopbaanontwikkeling van studenten steeds belangrijker wordt, in het kader van een leven lang leren maar ook om afgestudeerden te behouden voor de technische sector. Een relatief groot aantal studenten met een technisch diploma verlaten na diplomering alsnog de technische sector. Om dit probleem op te lossen lijkt het zinvol om studenten beter te begeleiden bij hun professionele identiteitsontwikkeling (Mowes, et al. 2017). Dat kan bijvoorbeeld door meer in te zetten op vragen als waar liggen mijn sterke kanten, in welke arbeidsomgeving voel ik me thuis en welke plek binnen de technische sector past bij mijn kwaliteiten en ambities?  Talent- en loopbaanontwikkeling vragen om een andere vorm van begeleiding door docenten maar vooral ook SLB’ers. Om studenten hier goed in te begeleiden is het proces van reflectie een hele belangrijke. Echter, de wijze waarop hier nu aandacht aan wordt besteed lijkt niet altijd goed te passen bij de technische doelgroep. De veelal ‘talige’ manier waarop talent- en loopbaanontwikkeling, maar vooral reflectie vorm krijgt in het onderwijs roept op dit moment vaak weerstand op. Ook wordt reflectie nog lang niet altijd op een effectieve manier ingezet (Meijers & Mittendorff, 2017). Verschillende opleidingen willen graag aan de slag met het verbeteren van talent- en loopbaanontwikkeling in het onderwijs, maar ook met een betere inzet van reflectie. Dit onderzoek heeft bij 6 technische opleidingen van Saxion de context en behoeften van docententeams en studenten in kaart gebracht, om van daaruit verschillende ontwerpcriteria (of aanbevelingen) te formuleren voor een vervolgtraject. Dat vervolgtraject zal gericht zijn op het daadwerkelijk verbeteren van het onderwijs omtrent bovengenoemde thema’s. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Naar aanleiding van de resultaten is een aantal conclusies en aanbevelingen geformuleerd die waardevol lijken als ontwerpcriteria of mogelijke onderwijsinterventies. Deze zijn op verschillende niveaus gedefinieerd.  

Visie en doelbepaling
Een aantal opleidingen die deelnemen aan dit onderzoek hebben nog niet heel scherp wat ze eigenlijk onder talentontwikkeling, loopbaanbegeleiding en reflectie verstaan en wat ze daarin precies willen als het gaat om de ontwikkeling van studenten. Het zou daarom goed zijn om als team (of academie) in kaart te brengen welke visie en doelen men voor ogen heeft ten aanzien van deze thema’s, zodat op basis daarvan verder beleid en curriculum ontwikkeld kan worden.

Curriculumniveau
Op curriculumniveau zijn er een aantal punten die aandacht verdienen en zinvol zijn om als interventie op te pakken:

  • Het inrichten van een doorlopende leerlijn waarbij men kijkt wat er in jaar 1, 2, 3 en 4 aan bod zou moeten komen.
  • Als opleiding goed kijken naar welk soort reflectie (er is een verschil tussen bijvoorbeeld taakreflectie of persoonsreflectie) men waar in het curriculum wil opnemen.
  • Reflectie duidelijker richten op (betekenisvolle) praktijkopdrachten/ ervaringen.
  • Betere timing van reflectieopdrachten en reflectieactiviteiten ook (in de tijd) beter aan elkaar koppelen.
  • Reflectie meer richten op talenten en loopbaanambities in plaats van alleen op (vastgestelde) competenties van de opleidingsprofielen of behaalde resultaten.
  • Laat reflectie meer in gesprekken plaatsvinden en minder in verslag (met een slimme wijze van ‘administreren’ die niet te veel werk oplevert).
  • Realiseer meer keuzevrijheid voor studenten binnen modules, projecten of opdrachten waarin ze zelf mogen kiezen op welke manier ze reflecteren en daarover ook een opdracht maken.

Begeleidingsniveau
Op het niveau van de begeleiding (tussen docent en student(en)) zijn er een aantal punten die aandacht verdienen en zinvol zijn om als onderwijsactiviteit beter in te richten:

  • Verstevig de begeleiding bij het reflecteren (instructie, begeleiding van reflectieactiviteiten, goede feedback en waar nodig beoordeling) alsmede het leren reflecteren van studenten.
  • Verstevig de begeleiding van het reflecteren in groepjes, zoals bij peerreviews, en kijk goed naar de belangrijke rol van de docent (als coach) hierin.
  • Zorg voor betere en persoonlijkere feedback op reflectie activiteiten vanuit de begeleider (docent) die op meer gericht is dan alleen stijl of vormaspecten.
  • Zet tijdens de begeleiding van studenten meer in op reflectievragen die gericht zijn op talenten en loopbaanambities

Professionaliseringsniveau: de docent als coach
Als we inzoomen op de docent als professional zien we dat er nog best veel vragen leven over het goed begeleiden van studenten rondom deze thema’s (zie ook de vorige alinea). Docenten vragen veel om concrete handvatten om dit goed in te richten en te begeleiden, of om verdere professionalisering. Op het niveau van de docent zijn daarom de volgende aandachtspunten geformuleerd:

  • Voorzie docenten van concrete handvatten om bijvoorbeeld vragen te stellen die gericht zijn op talenten en loopbaanambities, hoe reflectie in groepjes en individueel beter begeleid kan worden of hoe ze betere feedback kunnen geven.
  • Realiseer mogelijkheden voor professionalisering, bijvoorbeeld door intervisie onderling.
  • Laat docenten oefenen/ experimenteren met nieuwe vormen van talent- en loopbaangerichte begeleiding en daarop reflecteren. 
>

Differences and similarities in the use of the portfolio and personal development plan for career

Kariene Woudt-Mittendorff, Jochems, W., Meijers, F. & Brok, P. den (2008)

Instrumenten zoals portfolio’s en POP’s ondersteunen loopbaanontwikkeling alleen als ze worden ingezet binnen een betekenisvolle dialoog.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat portfolio’s en persoonlijke ontwikkelingsplannen vaak gebruikt worden binnen loopbaanbegeleiding om studenten te helpen bij hun keuzes en identiteitsontwikkeling. Deze instrumenten zijn echter alleen effectief wanneer ze onderdeel zijn van reflectieve gesprekken tussen docent en student. Zonder deze dialoog ervaren studenten ze als niet zinvol en gebruiken ze ze oppervlakkig. De waarde van deze tools hangt dus sterk af van hoe ze worden ingezet binnen de begeleiding.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

In Nederland groeit het aantal beroepsonderwijsinstellingen en -opleidingsinstituten dat competentiegerichte leerbenaderingen implementeert, hieronder valt ook een nieuwe benadering van loopbaanbegeleiding. Deze benaderingen hebben vaak betrekking op instrumenten zoals portfolio’s of persoonlijke ontwikkelingsplannen, en zijn bedoeld om studenten te ondersteunen bij hun zoektocht naar een richtingsgevoel, beroepskeuze en het ontwikkelen van hun identiteit. In deze studie werden percepties van leraren, loopbaanbegeleiders en studenten over portfolio’s en persoonlijke ontwikkelingsplannen voor loopbaanontwikkeling onderzocht op twee MBO instellingen en één vmbo school. De resultaten suggereren dat deze instrumenten als nuttig worden beschouwd in een dialoogcontext. Indien gebruikt in een context zonder reflexieve dialogen tussen docenten en studenten, beschouwden studenten de instrumenten als niet nuttig en vertoonden ze coping-gedrag, zoals zich niet inzetten voor de daadwerkelijke doelen of de instrumenten alleen voltooien voor externe doeleinden / studiepunten.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit onderzoek biedt inzichten in de wijze waarop een pop en portfolio op een zinvolle en effectieve wijze kunnen worden ingezet in de context van loopbaanbegeleiding.

>

Loopbaangesprekken met passie voor techniek

Mittendorff, K., Brouwer-Truijen, K., Huizinga, T., Staman, L., & Bisschop, C. (2017)

Effectieve loopbaangesprekken zijn cruciaal voor goede studiekeuzes, maar wat maakt zo’n gesprek nu echt krachtig?

____________________________

Dit onderzoek richt zich op het verbeteren van loopbaangesprekken binnen scholen door inzicht te krijgen in wat werkt. Op basis van grootschalig vragenlijstonderzoek en analyse van opgenomen gesprekken zijn belangrijke kenmerken van effectieve gesprekken in kaart gebracht. Deze gesprekken stimuleren reflectie en helpen leerlingen hun talenten en keuzes beter te begrijpen. De resultaten bieden concrete aanknopingspunten om loopbaangesprekken in de praktijk doelgerichter en betekenisvoller te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Om leerlingen betere studiekeuzes te laten maken is het cruciaal dat er in het onderwijs goede loopbaangesprekken met leerlingen gevoerd worden waarin reflectie een plek krijgt en leerlingen worden aangesproken op hun talenten. Maar wat maakt een loopbaangesprek nu echt effectief? In samenwerking met mentoren en decanen van verschillende vo-scholen is binnen dit onderzoek een methodiek ontwikkeld voor het verbeteren van loopbaangesprekken binnen de school. Door middel van kwantitatief onderzoek (vragenlijst n = 3192 leerlingen) is onderzocht welke factoren in de ontwikkelde methodiek belangrijk zijn voor effectieve loopbaangesprekken. Aanvullend is kwalitatief onderzoek uitgevoerd waarbij 15 loopbaangesprekken (mentor – leerling) op video zijn opgenomen en geanalyseerd.   

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De resultaten bieden inzicht in effectieve kenmerken van loopbaangesprekken die ingezet kunnen worden in de onderwijspraktijk. 

>

Bouwstenen voor SLB 2.0: een toekomstgericht ontwerp

Woudt-Mittendorff, K. (2010)

Nieuwe onderwijsvormen vragen om een vernieuwde en meer geïntegreerde aanpak van studieloopbaanbegeleiding.

____________________________

Het artikel beschrijft eerste inzichten voor een toekomstbestendig ontwerp van SLB, waarin aandacht is voor studiesucces, binding en persoonlijke ontwikkeling. In deze nieuwe aanpak speelt samenwerking en reflectie in groepen een grotere rol. Ook komt de ontwikkeling van professionele identiteit nadrukkelijker centraal te staan. De voorgestelde ontwerpcriteria bieden een richting voor het doorontwikkelen van SLB die beter aansluit bij moderne onderwijsvormen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Door nieuwe onderwijsvormen neemt ook de vraag naar een nieuw ontwerp voor studieloopbaanbegeleiding (SLB) toe. Dit artikel beschrijft de eerste inzichten voor ‘SLB 2.0’, waarin ontwerpcriteria worden geformuleerd voor een toekomstbestendige en meer geïntegreerde vorm van SLB. Dit artikel gaat in op nieuwe inzichten gericht op studiesucces, binding, reflectie en persoonlijke, professionele ontwikkeling. Zo is er in het nieuwe ontwerp voor SLB meer aandacht voor groepen studenten, en reflectie met elkaar. Ook staat het thema professionele identiteit duidelijker centraal. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit artikel biedt een eerste blik op een meer toekomstbestendig ontwerp voor SLB, passend bij vernieuwende onderwijsvormen in het hbo. Inzichten over belangrijke ontwerpcriteria voor een SLB 2.0 versie worden gedeeld. 

>

Leren reflecteren

Mittendorff, K. (2014)

Reflectie wordt gezien als essentieel voor loopbaanontwikkeling, maar sluit in de praktijk vaak niet aan bij de beleving van studenten.

____________________________

Het artikel laat zien dat reflectie een belangrijk leerdoel is binnen het hoger onderwijs, omdat het zou bijdragen aan motivatie, zelfsturing en betere studiekeuzes. In de praktijk ervaren studenten reflecteren echter vaak als een verplicht en weinig betekenisvol onderdeel van de opleiding. Zij weten niet goed wat er van hen verwacht wordt en leggen weinig verbinding met zichzelf. Het onderzoek benadrukt daarom dat reflectie niet vanzelf effectief is en beter ondersteund en betekenisvoller moet worden ingericht om echt bij te dragen aan loopbaanontwikkeling.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

In het hoger onderwijs zien we reflectie steeds vaker als leerdoel voor studenten (Kinkhorst, 2010). In de eindcompetenties van HBO opleidingen komt de term ‘reflective practitioner’ voor en opleidingen benadrukken dat studenten niet alleen moeten worden voorbereid op de beroepspraktijk door het aanleren van kennis en vaardigheden om dat beroep uit te voeren, maar ook moeten leren een ‘leven-lang-te-leren’. Door te reflecteren op het eigen leren tijdens de opleiding zouden studenten tevens meer gemotiveerd moeten worden voor hun eigen leerproces of persoonlijke ontwikkeling en zelfsturend gedrag gaan vertonen. Door te reflecteren op de persoonlijkheid en eigen kwaliteiten zou meer begrip worden gecreëerd over de eigen motieven en ambities, zouden betere studiekeuzes worden gemaakt en zou studie-uitval verminderen.
Helaas worden deze beoogde doelen nog niet altijd behaald. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat studenten een hekel hebben aan reflecteren en het slechts doen omdat het ‘moet’ (zie bijv. Mittendorff, Jochems, Meijers & den Brok, 2008; Meijers, Kuijpers & Winters, 2010). Studenten worden vrijwel vanaf de eerste dag dat zij aan hun studie beginnen op velerlei manieren verplicht tot reflectie en weten daarbij niet altijd goed wat reflecteren precies inhoudt (Zijlstra & Meijers, 2006).  

Veel studenten leggen bij het reflecteren niet de verbinding met zichzelf en onderwijsactiviteiten die geassocieerd worden met reflecteren worden niet serieus genomen en ervaren als een verplicht nummer. Er sprake is van ‘reflectiemoeheid’ (Kinkhorst, 2010). Tot slot wordt er vaak uitgegaan van de veronderstelling dat leerlingen/ studenten al kunnen reflecteren of het wel zullen leren door het gewoon (zelfstandig) te doen (Mittendorff et al., 2008). Dit blijkt in de praktijk echter niet altijd het geval.
In dit hoofdstuk presenteren we de resultaten van een evaluatieonderzoek naar de inzet van een module ‘Leren Reflecteren’ bij een van de opleidingen van Saxion Hogescholen. De module is ingezet om studenten beter te ondersteunen bij het reflecteren in de opleiding. Dit hoofdstuk laat zien hoe de studenten de module hebben ervaren en of de kwaliteit van reflectie van studenten is verbeterd.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek laat vooral zien hoe studenten tegen reflectie aankijken, wat ze daar belangrijk in vinden en hoe ze reflecteren. Daaruit kunnen inzichten worden gehaald over wat van belang is wil men reflectie in het onderwijs verder inrichten/ verbeteren. Studenten geven hiervoor ook concrete adviezen. 

>

Bouwstenen voor SLB: van visie naar praktijk

Mittendorff, K. (2014)

Effectieve studieloopbaanbegeleiding vraagt om meer dan losse activiteiten; het vraagt om een goed doordachte aanpak in de hele organisatie.

____________________________

Het artikel laat zien dat de kwaliteit van SLB nog niet altijd aansluit bij de ambities van opleidingen en dat er behoefte is aan verbetering. Om SLB effectief vorm te geven, moet beleid vertaald worden naar de dagelijkse praktijk, zodat betrokkenen dit daadwerkelijk kunnen uitvoeren. Hiervoor zijn zes bouwstenen ontwikkeld die richting geven aan visie, organisatie en uitvoering van SLB. Deze bieden concrete handvatten om SLB structureel en samenhangend te versterken binnen het onderwijs.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De roep om betere studieloopbaanbegeleiding (SLB) komt vanuit verschillende kanten. Onderzoek laat zien dat SLB nog niet altijd de kwaliteit heeft die men nastreeft en dat er bij zowel SLB’ers als managers vragen leven over hoe SLB naar een hoger plan gebracht kan worden. Om SLB effectief vorm te geven, zal het beleid (visie, draagvlak, middelen en randvoorwaarden) van een opleiding zodanig vertaald moeten worden in de onderwijsorganisatie dat de betrokken actoren in de organisatie het ook kunnen aansturen en uitvoeren en daartoe de benodigde competenties hebben of kunnen ontwikkelen. In dit artikel worden zes bouwstenen beschreven met verschillende indicatoren voor de vormgeving van effectieve SLB. Elke bouwsteen wordt afgesloten met voorbeelden van tips en tricks voor de hbo-praktijk. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit artikel biedt op het gebied van visie, leeromgeving en actoren verschillende concrete aandachtspunten die invulling geven aan een zinvolle, effectieve SLB omgeving. Met name voor hbo instellingen worden ook handvatten geboden om SLB goed in te richten binnen de school, er is daarbij aandacht niet alleen voor het SLB programma, maar ook voor de context daaromheen. 

>

Career conversations in senior secondary vocational education

Mittendorff, K. (2010)

Portfolio’s en ontwikkelingsplannen zijn pas effectief binnen LOB als ze onderdeel zijn van een echte dialoog met leerlingen.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat instrumenten zoals portfolio’s en POP’s veel worden gebruikt binnen loopbaanbegeleiding, maar niet altijd het gewenste effect hebben. Studenten ervaren deze tools pas als waardevol wanneer ze worden ingezet binnen gesprekken waarin reflectie en betekenis centraal staan. Zonder die dialoog worden ze vaak als verplichting gezien en gebruiken studenten ze oppervlakkig of alleen voor studiepunten. Het voeren van goede loopbaangesprekken is daarmee bepalend voor het succes van deze instrumenten binnen LOB.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

In Nederland groeit het aantal beroepsonderwijsinstellingen en -opleidingsinstituten dat competentiegerichte leerbenaderingen implementeert, hieronder valt ook een nieuwe benadering van loopbaanbegeleiding. Deze benaderingen hebben vaak betrekking op instrumenten zoals portfolio's of persoonlijke ontwikkelingsplannen, en zijn bedoeld om studenten te ondersteunen bij hun zoektocht naar een richtingsgevoel, beroepskeuze en het ontwikkelen van hun identiteit. In deze studie werden percepties van leraren, loopbaanbegeleiders en studenten over portfolio’s en persoonlijke ontwikkelingsplannen voor loopbaanontwikkeling onderzocht op twee MBO scholen en één vmbo school. De resultaten suggereren dat deze instrumenten als nuttig worden beschouwd in een dialoogcontext. Indien gebruikt in een context zonder reflexieve dialogen tussen docenten en studenten, beschouwden studenten de instrumenten als niet nuttig en vertoonden ze coping-gedrag, zoals zich niet inzetten voor de daadwerkelijke doelen of de instrumenten alleen voltooien voor externe doeleinden / studiepunten.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek geeft met name inzichten in de wijze waarop loopbaangesprekken worden gevoerd, maar ook welke aspecten daarbij van belang zijn om in te zetten als het gaat om loopbaangesprekken voeren met leerlingen. Ook geeft het onderzoek inzicht in de wijze waarop je bijvoorbeeld een pop of portfolio effectief kan inzetten binnen een loopbaanbegeleidingscontext. 

>

Kwaliteit van reflectie.

Mittendorff, K., Donk, S.van der & Gellevij, M.

Reflectie is een kernonderdeel van loopbaanbegeleiding, maar wordt in de praktijk vaak niet effectief ingezet.

____________________________

Het artikel beschrijft hoe studieloopbaanbegeleiding is ontwikkeld om studenten bewuster keuzes te laten maken, met reflectie als belangrijk middel. In de praktijk blijkt echter dat studenten reflecteren vaak als verplicht en weinig betekenisvol ervaren, waardoor het effect beperkt blijft. Dit komt onder andere doordat zij onvoldoende begeleiding krijgen en niet goed begrijpen wat reflectie inhoudt. Het onderzoek benadrukt daarom dat niet méér, maar beter begeleide en betekenisvolle reflectie nodig is om daadwerkelijk bij te dragen aan motivatie, zelfsturing en loopbaanontwikkeling.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Veel scholen in Nederland, waaronder ook Saxion Hogescholen, zijn actief bezig met het uitvoeren van studieloopbaanbegeleiding als onderdeel van competentiegericht onderwijs. Deze ontwikkeling is (onder andere) gebaseerd op de problematiek van het voortijdig schoolverlaten, veelvuldig switchen van opleiding en het gebrek aan motivatie van studenten. Het idee is dat studenten door studieloopbaanbegeleiding leren reflecteren op hun persoonlijke ambities en motieven, daardoor bewustere keuzes kunnen maken voor hun toekomst, en zelf acties ondernemen met betrekking tot het vormgeven van de eigen ontwikkeling op het gebied van school en loopbaan. Bij het realiseren van studieloopbaanbegeleiding hanteren scholen veelal een integrale aanpak: bijna alle docenten krijgen een extra taak om studenten te begeleiden bij hun loopbaanontwikkeling en er wordt volop gebruik gemaakt van instrumenten zoals het portfolio en persoonlijk ontwikkelingsplan (pop) en activiteiten zoals loopbaangesprekken tussen docent (loopbaanbegeleider) en student.

Een van de belangrijkste thema’s die centraal staat binnen de integrale loopbaanbegeleiding is reflectie. Reflecteren is de laatste tijd in hoog tempo een hype geworden en in onderwijsland wordt reflectie soms gezien als het wondermiddel voor alle problemen. Alom wordt het vermogen tot reflectie gezien als belangrijk leerdoel voor studenten (Kinkhorst, 2010). Door te reflecteren op het eigen leren zouden studenten meer gemotiveerd moeten worden voor hun eigen leerproces of persoonlijke ontwikkeling en meer zelfsturend gedrag gaan vertonen. Door te reflecteren op de persoonlijkheid en eigen kwaliteiten zou meer begrip worden gecreëerd over de eigen motieven en ambities, studiekeuzes beter worden gemaakt en de studie-uitval verminderen. Helaas worden deze beoogde doelen nog niet altijd behaald.

Uit een aantal onderzoeken blijkt dat studenten een hekel hebben aan reflecteren en het slechts uitvoeren omdat het ‘moet’ (zie bijv. Mittendorff, Jochems, Meijers &; den Brok, 2008; Meijers, Kuijpers & Winters, 2010). Studenten worden vrijwel vanaf de eerste dag dat zij aan hun studie beginnen op velerlei manieren verplicht tot reflectie en weten daarbij niet goed wat reflecteren precies inhoudt, aldus Zijlstra & Meijers (2006). Veel studenten leggen bij reflecteren niet de verbinding met zichzelf, terwijl onderwijsactiviteiten die geassocieerd worden met reflecteren niet serieus genomen worden en ervaren worden als een verplicht nummer en er sprake is van ‘reflectiemoeheid’ (Kinkhorst, 2010). Luken (2010) geeft daarbij nog aan dat reflecteren zelfs negatieve gevolgen kan hebben, zoals piekeren of depressie. Er wordt vaak uitgegaan van de veronderstelling dat leerlingen/studenten al kunnen reflecteren, of het wel zullen leren door het gewoon (zelfstandig) te doen (Mittendorff, et al., 2008). Zelfstandig reflecteren is echter voor veel studenten - en zelfs voor veel docenten - nog heel erg moeilijk. Hieruit kunnen we concluderen dat we niet per se minder maar wel beter moeten reflecteren en dat we studenten en docenten daarbij beter zouden moeten begeleiden. Dit betekent echter dat we eerst inzicht moeten krijgen in effectieve reflectie. Wanneer is reflecteren zinvol? Als het tot bepaalde uitkomsten leidt? Welke denkprocessen zijn van belang om die uitkomsten te realiseren? Welke randvoorwaarden dragen bij aan zinvolle reflectie? En wat is de rol van de docent? In het onderwijs hebben we het zo vaak over het belang van reflectie, maar er is nog geen duidelijke omschrijving voorhanden wat we er precies mee willen, mee bedoelen, en vooral welk soort reflectie nu echt effectief is als het gaat om loopbaanleren. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit onderzoek biedt inzicht in de wijze waarop SLB in de praktijk van een aantal hbo opleidingen is vormgegeven en de wijze waarop reflectie daarbinnen een plek heeft. Het geeft naast inzicht in de praktijk en hoe dat eruitziet ook concrete handvatten t.a.v. wat werkt en wat niet werkt: wat bijvoorbeeld voor reflecteren van belang is, zodat een opleiding dit echt zinvol en effectief kan inzetten. 

>

Career learning and career learning environment in Dutch higher education

Meijers, F., & Kuijpers, M. (2014)

Loopbaancompetenties en een passende leeromgeving spelen een cruciale rol bij motivatie, studiekeuze en studiesucces van studenten.

____________________________

Het onderzoek toont aan dat loopbaancompetenties zoals reflectie, werkexploratie en netwerken samenhangen met motivatie, loopbaanidentiteit en studiesucces. Ook de leeromgeving blijkt belangrijk: studenten die praktijkervaring opdoen, eigen keuzes kunnen maken en loopbaangesprekken voeren, zijn gemotiveerder en vallen minder snel uit. Het geven van betekenis aan ervaringen tijdens loopbaangesprekken is hierbij essentieel voor ontwikkeling. Zowel begeleiding als een ondersteunende leeromgeving dragen dus bij aan beter onderbouwde loopbaankeuzes.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

De focus ligt in dit artikel op de effecten van loopbaanontwikkeling en begeleiding bij studenten (17-23 jaar) die zijn ingeschreven voor hoger onderwijs in Nederland. Eerst komt aan de orde of de ontwikkeling van loopbaancompetenties bijdraagt aan de loopbaanidentiteit, leermotivatie, zekerheid van loopbaankeuze en uitval en ook of de leeromgeving deze variabelen beïnvloedt. In de studie zijn de volgende vier loopbaancompetenties onderzocht: loopbaanreflectie, werkexploratie, loopbaansturing en netwerken. De volgende aspecten van de leeromgeving zijn meegenomen: praktijkervaringen, loopbaangesprekken en het al dan niet kunnen maken van eigen keuzes en doelen tijdens de studie. Er is een vragenlijst uitgezet onder 4.820 studenten en 371 (school) loopbaanbegeleiders van 11 hogescholen.

De resultaten laten zien dat loopbaancompetenties gerelateerd zijn aan leermotivatie, loopbaanidentiteit, zekerheid over de loopbaankeuze en drop-out dreiging. Niet alleen de loopbaancompetenties maar ook de leeromgeving draagt bij aan deze uitkomstvariabelen.  Studenten die deelnemen aan een praktijkgericht curriculum, met een focus op zelfsturing  en waarbij ze gesprekken hebben met docenten over hun studie zijn gemotiveerder om te leren, zekerder van hun loopbaankeuze en minder geneigd om hun studie te beëindigen.  

Het construeren en toekennen van betekenis bij het voeren van loopbaangesprekken is cruciaal. De ontwikkeling van persoonlijke kenmerken en kwaliteiten vindt alleen plaats wanneer degenen die leren de inhoud zinvol vinden. Om een dergelijke leeromgeving tot stand te brengen is transformatief leiderschap noodzakelijk. Dit is tot nu toe zeldzaam op Nederlandse hogescholen.

Universiteiten erkennen steeds meer dat ze een sterke verantwoordelijkheid hebben om studenten niet alleen te begeleiden in hun academische groei, maar ook in hun loopbaanontwikkeling. Universiteiten - en in het bijzonder hogescholen - kunnen deze taak om twee belangrijke redenen niet aan de publieke of private sector overlaten. Ten eerste worden universiteiten gefinancierd door de overheid en wordt daarom van hen verwacht dat zij hun studenten voldoende voorbereiden op het leven in onze geïndividualiseerde samenleving en op de arbeidsmarkt. In de tweede plaats omdat organisaties in de private en publieke sector vaak de kennis en motivatie missen om jongeren te begeleiden in hun loopbaanontwikkeling.

Een beperking in het gevonden onderzoek evenals in daadwerkelijke loopbaaninterventies op scholen, is dat ze zich richten op verandering in kennis, attitudes en besluitvormingsvaardigheden van leerlingen, terwijl het gedrag van leerlingen niet wordt onderzocht. Hughes en Karp (2004) stellen dat onderzoek zich moet concentreren op het verkennen van de relatie tussen LOB interventies en positieve gedragsresultaten van studenten. Daarom concentreert deze studie zich niet op besluitvormingsvaardigheden, attitudes of kennis maar op feitelijk loopbaangedrag. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit paper geeft aan welke elementen van loopbaanbegeleiding en -oriëntatie én van de leeromgeving in het hoger onderwijs (een positieve) invloed hebben op loopbaanidentiteit, de motivatie om te leren en zekerheid over de loopbaankeuze. 

>

Loopbaanleren als (dialogisch) probleem: een introductie. Wiens verhaal telt?

Meijers, F. (2012)

Een echte loopbaandialoog vraagt om een fundamentele verandering in de rol en identiteit van docenten.

____________________________

Het artikel laat zien dat dialoog essentieel is voor het ontwikkelen van zelfsturing bij leerlingen, maar in het onderwijs nog weinig plaats krijgt. Dit komt vooral doordat de traditionele rol van docenten gericht is op kennisoverdracht in plaats van betekenisvolle gesprekken over ervaringen. Om ruimte te maken voor loopbaandialoog, moeten docenten hun professionele identiteit ontwikkelen richting een meer begeleidende en reflectieve rol. Dit vraagt om een langdurig veranderproces binnen scholen, waarbij samenwerking, ruimte voor emoties en ondersteuning vanuit de schoolleiding belangrijke voorwaarden zijn.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De dialoog is essentieel voor het stimuleren van zelfsturing bij en door leerlingen/studenten. Toch ontbreekt deze in het Nederlandse onderwijs vrijwel geheel. Het realiseren van een loopbaandialoog is blijkbaar moeilijk. Dit heeft vooral te maken met de professionele identiteit van docenten. De organisatieonderzoeker Quinn (1991) heeft aangetoond dat in organisaties die lange tijd stabiel blijven, een cultuur ontstaat die erg aantrekkelijk is voor mensen die veel waarde hechten aan output, controle en beheer. De onderwijscultuur is tussen 1920 en 2012 qua missie, organisatie en cultuur nauwelijks veranderd: alles was en is gericht op een efficiënte overdracht van vaststaande kennis in een vaststaand curriculum. Daarmee stond en staat een docent centraal die op basis van nauwkeurig gedefinieerde vakbekwaamheid enthousiast vertelt over haar of zijn vak tegen leerlingen of studenten. Nu is echter een docent nodig die enthousiast wordt wanneer zij of hij met leerlingen/studenten kan spreken over de zin en betekenis van hun ervaringen in het praktijkgestuurde onderwijs en op basis daarvan ‘just in time’ en ‘just enough’ theorie aanlevert. Docenten zullen hun professionele identiteit moeten veranderen om meer gericht te zijn op dialoog met leerlingen. Een identiteit (dus ook een professionele identiteit) verandert men echter niet zomaar. Het is een langdurig en intensief leerproces dat eenzelfde leeromgeving vereist als nodig is om leerlingen tot meer zelfsturing te brengen (Hensel, 2010). De omgeving zal praktijkgestuurd en dialogisch moeten zijn en de docenten de kans moeten geven gaandeweg meer controle uit te oefenen over hun eigen leertraject. Dat wil zeggen dat ingezet moet worden op concrete veranderprojecten, waarbij uitgebreid gesproken kan worden over de persoonlijke zin en de betekenis voor de school/leerling/samenleving van de ervaringen die docenten in deze projecten opdoen. Concreet betekent dit dat het in het onderwijs dominante perspectief verlaten moet worden dat leren (ook van docenten) een individuele activiteit is. De nadruk moet niet meer liggen op het leren binnen maar op leren door organisaties. De vorm van dialoog die hiervoor nodig is omschrijft Shotter (1993, p. 20) als “a socially constructed myriad of spontaneous, responsive, practical, unselfconscious, but contested interactions”, een vorm die haaks staat op “the apparent representation of dialogue as converging upon a single ultimate ‘Truth’”. Een dergelijke dialoog zoekt niet a priori naar consensus maar gaat in eerste instantie uit van pluralisme en zelfs conflict. De gezamenlijkheid die ten grondslag ligt aan collectief leren is daarom geen uitonderhandelde waarheid, maar een rijke, gedeelde betekenis gefundeerd in de ideeën van alle betrokkenen. Om een dergelijke leeromgeving te realiseren moet de schoolleiding ook daadwerkelijk leidinggeven (Geijsel, Meijers & Wardekker, 2007): zij moet er niet alleen voor zorgen dat er een strategische visie is maar ook dat er sprake is van een realistische (en vooral: een niet te volle) innovatieagenda. Werkelijke veranderingen kosten immers veel tijd en energie. Tenslotte moet er ruimte zijn voor emoties. Verandering van professionele identiteit roept veel onzekerheid op. En de ‘natuurlijke’ reactie op onzekerheid is – zoals de moderne hersenwetenschappen aantonen – primair een vluchtreactie, daarna een aanvalsreactie en tenslotte een bevriesreactie. Pas nadat deze natuurlijke reacties zijn gepasseerd, is het mogelijk een echte dialoog te starten. Daarom is ruimte voor emoties en – in het verlengde daarvan – emotioneel leiderschap (de term is van Leithwood & Beatty, 2008) essentieel. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het artikel geeft aan wat de kenmerken zijn van het verandertraject op scholen, noodzakelijk om te komen tot een verandering van de professionele identiteit van docenten. Het streven is dat docenten meer gericht zijn op de dialoog met jongeren. Dat ze naast het overdragen van kennis enthousiast worden van het gesprek met leerlingen/studenten over de zin en betekenis van hun praktijkervaringen. 

>

Samenwerking in ontwikkeling

Meijers, F. (2004)

Goede LOB vraagt om een nauwe samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven, maar die samenwerking is nog onvoldoende ontwikkeld.

____________________________

Het artikel beschrijft dat vakbekwaamheid in een diensteneconomie alleen goed ontwikkeld kan worden als onderwijs en bedrijfsleven samen verantwoordelijkheid nemen voor het leerproces. In de praktijk is deze samenwerking nog vaak gescheiden, terwijl een continue dialoog tussen leerling, school en werkveld juist nodig is. Praktijkgericht onderwijs kan helpen om leren realistischer en betekenisvoller te maken. Het artikel verkent hoe de samenwerking versterkt kan worden en doet aanbevelingen om deze gezamenlijke aanpak te realiseren.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Het wordt steeds duidelijker dat in een diensteneconomie vakbekwaamheid slechts verworven kan worden in leerarrangementen die door het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven gezamenlijk zijn opgezet en waarvoor zij een gedeelde verantwoordelijkheid dragen. Dat betekent dat er – idealiter – in onderwijs dat gericht is op de ontwikkeling van hand, hoofd én hart een continue dialoog moet zijn tussen de leerling, de school en het bedrijfsleven over de vraag welke kennis op welke wijze moet worden overgedragen en getoetst. Deze ideale situatie met steeds meer vormen van praktijkgericht onderwijs om het onderwijs realistischer te maken, bestaat evenwel nog niet. Op dit moment hanteren beide partijen het principe van de verdeelde verantwoordelijkheid (‘soevereiniteit in eigen kring’). Hoe tot nieuwe vormen van samenwerking te komen?
Centraal in deze bijdrage staat de vraag hoe een dergelijke dialoog tussen het onderwijs en het bedrijfsleven gerealiseerd kan worden.  Na een beschrijving van de huidige stand van zaken, wordt het probleem van de samenwerking getypeerd en tenslotte worden aanbevelingen gedaan. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het artikel geeft suggesties voor samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het lokale en regionale bedrijfsleven met de focus op het ontwikkelen van hand, hoofd en hart van de studenten.  

>

Motivation. Individual differences in student’s educational choices and study success

Meens, E.E.M. (2018)

Een goede studiekeuze hangt minder samen met motivatie vooraf en meer met realistische ervaringen tijdens de oriëntatie.

____________________________

Uit het onderzoek blijkt dat veel eerstejaarsstudenten uitvallen door een verkeerde studiekeuze of een tegenvallende motivatie. Studenten die zich vooraf goed oriënteren en de studie echt ervaren, starten met meer intrinsieke motivatie, maar dit garandeert geen succes als het beeld niet klopt met de werkelijkheid. Het bieden van een realistisch beeld van de studie, bijvoorbeeld via meeloopdagen en proefstuderen, is daarom essentieel. Reflectie op deze ervaringen, zowel vóór als na de start van de studie, helpt studenten om bewustere keuzes te maken en uitval te verminderen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Ongeveer 30 tot 40 procent van de studenten die een hbo studie starten, stopt al met deze studie binnen het eerste jaar. Twee hoofredenen die zij zelf aangeven zijn; gebrek aan motivatie en het maken van een verkeerde studiekeuze. Evelyne Meens, onderzoeker studie(keuze)succes bij Fontys Hogescholen, deed een verdiepend onderzoek naar de individuele verschillen tussen studenten als het gaat om motivatie en studiekeuzes in relatie tot studiesucces. Écht ervaring opdoen door te ruiken, zien en proeven aan de studie en de omgeving van een hogeschool, blijkt cruciaal.

Onderzoek
Zowel aankomende als zittende studenten van Fontys Hogescholen werd gevraagd naar hun wijze van keuzes maken en hun motivatie voor de start van de studie. Daarnaast werd gekeken naar hun studiesucces, zoals studievoortgang en drop-out cijfers, maar ook naar de zachtere kanten zoals de tevredenheid over de studiekeuze, sociale en academische integratie en zelfvertrouwen.   Motivatie Studenten die vooraf goed exploreren en zich daarna pas committeren, bleken met meer intrinsieke motivatie aan een studie te beginnen. Studenten die dat niet hadden gedaan, startten hun studie meer vanuit verwachtingen van anderen. Of wisten zelfs niet meer precies de reden van hun keuze. Toch bleek motivatie voor de start van de studie uiteindelijk weinig invloed te hebben op het studiesucces na het eerste jaar. Veel studenten begonnen vanuit intrinsieke motivatie, maar vielen later toch uit, omdat de werkelijkheid tegenviel. Motivatie vooraf is bij veel aankomende studenten gebaseerd op een verwachting die niet de werkelijkheid representeert. 

Representatief beeld
Het heeft dus weinig zin om tijdens Studiekeuzechecks en Matchingsdagen naar motivatie voor een studie te vragen als deze niet gebaseerd is op realistische ervaringen. Vooraf een representatief beeld van de inhoud en moeilijkheidsgraad van de opleiding geven, onder andere via meeloop- en proefstudeerdagen, is van veel groter belang. Omdat niet iedere student zich goed oriënteert, is het juist voor die groep erg belangrijk om in de eerste periode na de start, samen met een studentcoach, te reflecteren op de eerste ervaringen in de opleiding. Vragen als ‘voel ik me hier thuis?’, ‘hoe gemotiveerd ben ik, nu ik het programma, de medestudenten en de docenten wat beter ken?’, zijn dan belangrijk om over na te denken.  

Goede oriëntatie
Aanbevelingen op basis van deze resultaten zijn dan ook dat studenten voordat ze naar het hbo komen, moeten kunnen exploreren. Ze zijn gebaat bij een goede oriëntatie vooraf waarbij ze de beoogde studie echt zelf kunnen ervaren, liefst met iemand die ze helpt op die ervaring te reflecteren. Voor de groep die niet of minder intensief oriënteert, is het gewenst om zo snel mogelijk na de start van de studie te reflecteren op de eerste ervaringen en hen bij te sturen daar waar nodig. Vanuit het onderzoek van Evelyne Meens werd hiervoor de Startthermometer ontwikkeld, een praktisch instrument dat bijdraagt aan de reflectie van eerstejaarsstudenten vlak na de start van hun studie. Via deze link lees je meer over deze tool.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Voordat leerlingen naar het hbo overstappen, zijn ze gebaat bij goede oriëntatie vooraf waarbij ze de beoogde studie écht zelf kunnen ervaren (bv. tijdens een studiekeuzeactiviteit). Verder is het belangrijk dat aan deze ervaring een reflectiemoment gekoppeld wordt, waaruit bepaalde conclusies kunnen worden getrokken (“dit past wel bij mij”, “dit past niet bij mij”, of, “ik moet nog iets uitzoeken voordat ik dat weet”). Echter, dat kan een leerling (nog) niet alleen. Het zou daarom mooi zijn wanneer er een goede samenwerking tussen het vo/mbo en het hbo bestaat, waarbij de leerling  samen met zijn decaan/mentor/loopbaancoach bij de realistische ervaring (op het hbo) stilstaat. Als gevolg van de realistische ervaringen en de reflectie daarop, zouden studiekeuzes bewuster genomen kunnen worden, waardoor de uitval -als gevolg van verkeerde studiekeuzes- zoveel mogelijk beperkt kan worden.  

>

Ouders en LOB: dat gaat prima samen!

Lusse, M., Diender, A., Kuijpers, M., Strijk, M., Hermans, A. (2018)

Ouders spelen een grotere rol in de loopbaanontwikkeling van leerlingen dan vaak zichtbaar is in schoolpraktijk.

____________________________

Uit het onderzoek blijkt dat ouders belangrijke beïnvloeders zijn in het keuzeproces van leerlingen, maar dat hun betrokkenheid op school nog vaak beperkt blijft. Scholen die ouders actief betrekken, bijvoorbeeld via opdrachten en gesprekken, zorgen voor meer verdieping in het loopbaanproces van leerlingen. Vooral de combinatie van begeleiding op school en gesprekken thuis blijkt effectief. Goede samenwerking tussen leerling, ouders en school is daarom essentieel voor een betekenisvolle invulling van LOB.

____________________________

Niet alleen de school, maar ook ouders spelen een grote rol spelen in de schoolloopbaankeuzes van leerlingen. Daarom is het van belang dat school en ouders samenwerken in de begeleiding van de leerlingen bij deze keuzes, zeker ook als ouders een hoge drempel naar school ervaren en minder zicht hebben op opleidingen en arbeidsmarkt. Zeventien grootstedelijke vmbo-scholen hebben in schooljaar 2016 – 2017 geëxperimenteerd om ouderbetrokkenheid bij LOB te realiseren. Op basis van (onderzoek naar) de ervaringen van deze scholen is een handreiking met loopbaangerichte ouderactiviteiten ontwikkeld, die vervlochten zijn in zowel het LOB curriculum als in de cyclus van ouderactiviteiten.

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderzoek laat zien dat ouders een grote invloed hebben op de loopbaankeuzes van leerlingen en daarom een belangrijke partner zijn binnen LOB. 
Tegelijkertijd blijkt dat ouders op scholen vaak nog weinig actief betrokken worden en meestal een passieve rol hebben, terwijl zij juist meer betrokken willen zijn bij keuzemomenten. 
Praktijkexperimenten op vmbo-scholen laten zien dat wanneer scholen ouders actief betrekken, bijvoorbeeld via thuisopdrachten en gezamenlijke gesprekken, de kwaliteit van reflectie bij leerlingen toeneemt en ouders beter meedenken over de loopbaan. 
Effectieve LOB ontstaat dus in de samenwerking tussen leerling, school en ouders, waarbij gesprekken thuis en op school elkaar versterken.

Wat kun je uit dit onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • Zie ouders als partners in LOB
    Ouders hebben veel invloed en kennen hun kind goed; betrek hen daarom structureel in het proces en niet alleen informerend.
  • Stimuleer het gesprek thuis
    LOB wordt sterker als leerlingen met hun ouders praten over ervaringen, interesses en keuzes, bijvoorbeeld via thuisopdrachten of reflectievragen.
  • Maak ouderbetrokkenheid actief en concreet
    Werk met activiteiten waarin ouders echt iets doen (meedenken, feedback geven), in plaats van alleen luisteren tijdens ouderavonden.
  • Verbind school en thuis
    Zorg voor samenhang tussen loopbaangesprekken op school en gesprekken thuis, zodat leerlingen in beide omgevingen reflecteren op hun ontwikkeling.
  • Ondersteun ouders in hun rol
    Ouders weten niet altijd hoe ze hun kind kunnen begeleiden; geef hen informatie en handvatten om het gesprek goed te voeren.
>

Gluren bij onze noorderburen: Een nieuwe toolkit voor onderwijsloopbaanbegeleiding uit Nederland

Luken, T. & De Folter, A. (2017)

De toolkit ACT in LOB biedt een vernieuwende aanpak om leerlingen beter te ondersteunen bij het maken van studiekeuzes.

____________________________

In het artikel wordt uitgelegd waarom vernieuwing van LOB nodig is en hoe ACT (Acceptance and Commitment Therapy) daarbij kan helpen. De toolkit bevat 25 praktische tools die gericht zijn op het omgaan met onzekerheid, het verhelderen van waarden en het loslaten van belemmerende gedachten. Met behulp van de CDDQ-test krijgen begeleiders inzicht in de keuzeproblemen van leerlingen en kunnen zij passende interventies kiezen. Voorbeelden uit de praktijk laten zien hoe deze tools ingezet worden door decanen en loopbaanbegeleiders.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel biedt een uitgebreide beschrijving van de ontwikkeling en inhoud van de toolkit ‘ACT in LOB’. Eerst wordt uitgelegd waarom innovatie van LOB noodzakelijk wordt geacht. Vervolgens worden achtergrond en inhoud van ACT (Acceptatie en Commitment Therapie) uiteengezet en wordt verduidelijkt waarom ACT gekozen is als basis voor de ontwikkeling van een innovatieve toolkit voor LOB. Tot slot komen de 25 tools van de toolkit en de CDDQ test aan de orde. Deze test biedt inzicht in de problemen die leerlingen ervaren met de studiekeuze en biedt een basis voor het kiezen van tools voor de begeleiding. Doelen van de tools zijn onder meer acceptatie van onzekerheid, mindfulness, verheldering van waarden en het loslaten van belemmerende overtuigingen. Enkele voorbeelden uit praktijken van schooldecanen en loopbaanadviseurs verhelderen het gebruik van de tools. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De beschreven toolkit is kosteloos toegankelijk. Het artikel biedt de lezer een ingang tot de tools, die gebruikt kunnen worden als aanvulling op bestaande LOB programma's. 

>

Easy does it: An Innovative View on Developing Career Identity and Self-direction

Luken, T. (2020)

Dit artikel zet vraagtekens bij gangbare uitgangspunten in loopbaanontwikkeling en pleit voor een fundamenteel andere benadering van LOB.

____________________________

Het artikel stelt de aanname ter discussie dat loopbaancompetenties vooral via cognitieve onderwijsprogramma’s ontwikkeld kunnen worden.
Op basis van inzichten uit neurowetenschappen en psychologie wordt een alternatieve, meer systemische benadering voorgesteld.
Huidige LOB‑praktijken sluiten volgens de auteurs onvoldoende aan bij hoe mensen zich daadwerkelijk ontwikkelen, wat risico’s met zich meebrengt voor identiteit en besluitvorming.
De auteurs bepleiten meer ruimte voor exploratie, ervaring en begeleiding, met minder nadruk op reflectie en rationele keuzes.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Een algemeen aanvaard uitgangspunt op het gebied van loopbaanontwikkeling is dat loopbaanattitudes en -vaardigheden, waaronder identiteit en zelfsturing, kunnen worden ontwikkeld door middel van onderwijsprogramma's met een cognitieve focus. Het eerste doel van dit artikel is dit uitgangspunt ter discussie te stellen. Een tweede doel is het bieden van een nieuw, innovatief perspectief op loopbaanontwikkeling. 
Enkele specifieke vragen worden geformuleerd en beantwoord op basis van bronnen die voornamelijk afkomstig zijn uit neurowetenschappen en verschillende subdisciplines van de psychologie. Op basis van een systeemtheorie wordt een nieuwe aanpak voorgesteld. Een conclusie is dat huidige benaderingen in de loopbaanbegeleiding op gespannen voet staan met bevindingen en inzichten van ontwikkelingswetenschappen en hersenonderzoek. Dit brengt verschillende risico's met zich mee. Eén risico is een voortijdig afgesloten identiteitsontwikkeling. Een ander risico betreft de ontwikkeling van ineffectieve manieren van denken en beslissen. Een controletheorie die voortkomt uit de cybernetica wordt voorgesteld voor een alternatieve kijk op loopbaanontwikkeling.
De belangrijkste implicatie voor loopbaanpraktijken en -beleid is dat zelfsturing en identiteit voor de meeste leerlingen geen realistische doelen zijn. In plaats daarvan wordt aanbevolen de druk die gepaard gaat met loopbaankeuzes voor jongeren te verlichten. Meer tijd, ruimte, stimulatie en begeleiding voor exploreren en heroverweging zou moeten worden geboden, ook aan volwassenen. Begeleiding moet bestaan uit het aanbieden van voldoende gevarieerde werkervaringen en coaching wanneer mensen conflicten ervaren die het vinden van een richting belemmeren. Niet te veel nadruk moet worden gelegd op reflectie en rationeel denken. Een Acceptatie- en Commitment benadering wordt aanbevolen. Deze biedt veel nuttige inzichten en instrumenten die loopbaanprofessionals kunnen inspireren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit Engelstalige artikel, dat gepubliceerd is in een peer-reviewed internationaal tijdschrift, kan discussies voeden over fundamentele vragen rond doelen en opzet van LOB programma's.

>

Loopbaanreflectie en onze hersenen

Luken, T. (2017)

Inzichten uit de hersenwetenschap bieden nieuwe perspectieven op hoe jongeren leren reflecteren en keuzes maken.

____________________________

Het hoofdstuk beschrijft hoe de ontwikkeling van de hersenen in de adolescentie invloed heeft op reflecteren en kiezen.
Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen bewuste en onbewuste denkprocessen die een rol spelen bij loopbaanbeslissingen.
Deze inzichten maken duidelijk dat het begeleiden van keuzes complexer is dan vaak wordt aangenomen.
Het hoofdstuk biedt handvatten voor professionals om reflectie en zelfsturing bij jongeren realistischer en effectiever te ondersteunen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit hoofdstuk biedt de lezer een overzicht van bevindingen van hersenwetenschappers, die betrekking hebben op reflecteren en kiezen in het kader van loopbaanontwikkeling.
Het eerste deel gaat over de ontwikkeling van de hersenen en enkele specifieke hersendelen in de adolescentie, met name de (ventromediale) prefrontale cortex. Wat betekent dit voor (leren) reflecteren en kiezen?
Het tweede deel beschrijft enkele deelsystemen in ons denken, met name systemen waarmee we bewust en onbewust nadenken.
Tot slot wordt de vraag gesteld wat een en ander betekent - of zou kunnen betekenen - voor professionals op het gebied van loopbaanontwikkeling, met name als het gaat om het stimuleren van reflectie en begeleiden bij kiezen. Enkele problemen die zich hierbij kunnen voordoen, worden geanalyseerd. Uit het hoofdstuk vloeien aanbevelingen voort die vooral gericht zijn op de ontwikkeling van zelfsturing op de langere termijn. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit hoofdstuk biedt discussiestof over de haalbaarheid en zinvolheid van doelen van LOB en reflectie rond zelfsturing. Het biedt bouwstenen voor visieontwikkeling en een innovatief perspectief op de praktijk. 

>

Eigen regie biedt vrijheid en autonomie. Of vergroot het de sociale verschillen?

Luken, T. (2017)

Zelfsturing wordt steeds belangrijker in een veranderende samenleving en vraagt om een andere kijk op loopbaanontwikkeling.

____________________________

Het artikel laat zien dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in loopbanen noodzakelijk maken.
Zelfsturing draait niet alleen om rationele keuzes, maar juist om het benutten van ervaringen, gevoelens en waarden.
Daarbij is zelfsturing voor alle opleidingsniveaus relevant en niet alleen voor hoger opgeleiden.
Loopbaanbegeleiders spelen een belangrijke rol door mensen te ondersteunen bij reflectie, het verhelderen van keuzes en het ontwikkelen van zelfregie.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel verdedigt de stelling dat zelfsturing vrijheid en autonomie met zich meebrengt. En dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in de toekomst steeds meer noodzakelijk maken. 
Het artikel start met een inventarisatie van waarschijnlijke toekomstige ontwikkelingen. Deze verduidelijken waarom zelfsturing steeds meer noodzakelijk wordt. Vervolgens komen de vragen aan de orde wat zelfsturing is en hoe het zich ontwikkelt. Een vaak voorkomend misverstand is dat een bewust denkend ik het zelf zou moeten sturen. Daarmee samenhangend bestaan andere misverstanden. Bijvoorbeeld dat zelfsturing vooral iets zou zijn voor hoger opgeleiden. Of dat het bij zelfsturing vooral gaat om informatievoorziening. De auteur stelt daartegenover dat ons denken niet een leidende, maar een adviserende of assisterende rol zou moeten spelen, in dienst van een ervarend lichaam.  Vanuit dat perspectief is zelfsturing voor lager opgeleiden minstens evenzeer aan de orde als voor hoger opgeleiden. Loopbaanbegeleiders kunnen een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van zelfsturing door op het juiste moment te helpen bij het verwerken van ervaringen, het verhelderen van waarden en het ontwikkelen en affectief met elkaar vergelijken van toekomstperspectieven. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit artikel gaat over het wat en waarom van zelfsturing: Wat is het? Waarom is het nodig? Hoe ontwikkelt het zich? En hoe kun je daarbij helpen? De inhoud kan input bieden voor visieontwikkeling en kan ertoe bijdragen met zelfsturing aan de slag te gaan en daarbij een goede insteek te kiezen. 

>

Loopbaanleren: LOB schiet de leerling voorbij

Luken, T. (2012)

Ondanks de groeiende aandacht voor LOB blijven de resultaten achter door fundamentele problemen in de onderliggende aanpak.

____________________________

Hoewel de aandacht voor LOB sterk is toegenomen, blijven uitval en switchgedrag onder leerlingen gelijk.
Het artikel laat zien dat de oorzaken deels liggen in de theorie achter LOB en de manier waarop deze wordt toegepast.
Met name het beeld van loopbaanontwikkeling en de rol van reflectie sluiten onvoldoende aan bij wat jongeren nodig hebben.
Het artikel pleit daarom voor aanpassing van de LOB‑benadering en biedt handvatten voor verdere ontwikkeling van beleid en praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) is in de afgelopen tien jaar explosief toegenomen. Helaas vallen de resultaten vooralsnog tegen. Veel leerlingen zijn ontevreden over LOB en nomadisch switchgedrag tussen opleidingen en uitval uit het onderwijs blijven ongeveer op hetzelfde niveau.
In dit artikel worden verklaringen gezocht op het niveau van de theorie die ten grondslag ligt aan LOB. Er worden vraagtekens gesteld bij het begrip arbeidsidentiteit, bij de kenmerken van de gewenste leeromgeving en bij praktijken op het gebied van loopbaanreflectie. Geconcludeerd wordt dat de dominante benadering van LOB weinig realistisch is en onvoldoende aansluit bij wat wij weten over wat jongeren wel en niet kunnen. Een mogelijk gevolg zou kunnen zijn dat jongeren zich suboptimaal ontwikkelen. Het artikel besluit met een aantal aanbevelingen voor aanpassingen van het onderwijsbestel en LOB.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit artikel stelt kritische vragen bij de dominante benadering van LOB en de onderliggende theorie. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's. 

>

Het dwaalspoor van de goede keuze: Naar een effectiever model van (studie)loopbaanontwikkeling

Luken, T. (2009)

Goede loopbaanbegeleiding is essentieel, maar blijkt in de praktijk lastig effectief vorm te geven.

____________________________

In onderwijs en arbeidsorganisaties bestaan veel problemen rondom loopbaanontwikkeling, zoals uitval en ontevredenheid in werk. Hoewel loopbaanbegeleiding kan helpen deze problemen te voorkomen, komt goede begeleiding nog weinig voor. Dit komt onder meer door versnippering van het vakgebied en hardnekkige denkbeelden over het maken van ‘de juiste keuze’. Het artikel pleit voor een bredere benadering van loopbaanontwikkeling, waarin reflectie en keuzebegeleiding anders worden ingevuld.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In onderwijs- en arbeidsorganisaties bestaan grote problemen op het gebied van loopbaanontwikkeling. Veel scholieren en studenten vallen uit of switchen vroeg of vaak van opleiding. Veel arbeidsrelaties zijn voor werknemer of werkgever onbevredigend, maar duren toch voort.
Uit onderzoek blijkt dat goede loopbaanbegeleiding helpt om dergelijke problemen te voorkomen of op te lossen. Hoewel hiermee in materiële en immateriële zin veel te verdienen valt, is goede loopbaanbegeleiding zeldzaam.
Hoe komt dit? Er zijn de laatste jaren in het beroepsonderwijs grote investeringen in studieloopbaanbegeleiding gedaan. Waarom leveren deze inspanningen niet meer op? Waarom wordt in arbeidsorganisaties niet meer aan loopbaanbegeleiding gedaan? Hoe kan het beter? Dit zijn enkele van de vragen die in deze oratie aan de orde komen. Voor een deel wordt de stagnatie verklaard door de versnippering van het vakgebied. Daarnaast speelt het voortbestaan van hardnekkige, inadequate, maar dominante beelden een rol, zoals het beeld van ‘de goede keuze’, die het individu moet maken door informatie te verzamelen en na te denken. Wat is daar misleidend aan? Wat zijn de consequenties? Hoe kunnen we dit beeld bijstellen? Onder meer de risico’s van reflectie komen aan de orde. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Deze oratie plaatst de studiekeuze in een breder kader van loopbaanontwikkeling. Vragen worden gesteld over gangbare benaderingen die te veel gericht zijn op het maken van "de goede keuze" en waarin reflecteren een te grote rol speelt. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's. 

>

Creatief, expressief en reflectief schrijven voor je loopbaan

Lengelle, R. (2014)

Loopbaanschrijven laat zien hoe schrijven kan bijdragen aan diepgaand inzicht in jezelf en richting in je loopbaan.

____________________________

Career writing is een narratieve methode waarbij creatief, expressief en reflectief schrijven wordt ingezet voor loopbaanontwikkeling. Schrijven helpt jongeren om betekenis te geven aan hun ervaringen en een persoonlijk loopbaanverhaal te construeren. Deze aanpak ondersteunt het ontwikkelen van zelfinzicht, identiteit en toekomstperspectief. Het onderzoek benadrukt dat schrijven een effectieve en toegankelijke manier is om de loopbaandialoog te versterken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

‘Career writing’, een narratieve en dialogische begeleidingsbenadering waarbij creatief, expressief en reflectief schrijven gebruikt worden om de persoonlijke (en daardoor professionele) groei op loopbaangebied bij jongeren te bevorderen. Waarom loopbaanschrijven een uitstekende manier is om in te zetten bij loopbaanleren, is terug te lezen in dit onderzoek met een gedetailleerde uitleg over de narratieve en dialogische benadering. E.e.a. wordt toegelicht aan de hand van het model van schrijven voor transformatie. Dit beschrijft het proces dat een individu doormaakt bij het construeren van een loopbaanverhaal. Zo’n verhaal is niet de feitelijke waarheid maar de narratieve waarheid; betekenisvol voor het individu in termen van ervaring, begrip van de wereld en van toekomstige mogelijkheden. Door de drie schrijfvormen: creatief, expressief en reflectief schrijven, die onderdeel van het model zijn, wordt het mogelijk door de onderscheiden leerfases te komen. Het model verschaft ook een theoretische basis voor de methode. Bij de drie schrijfvormen ziet men – door stukken van case studies te gebruiken – hoe loopbaanschrijven concreet werkt en bijdraagt aan loopbaanleren. De voorbeelden en ideeën die zijn gepresenteerd kunnen loopbaanbegeleiders helpen het nut in te zien van deze creatieve, expressieve, en reflectieve vorm van narratieve begeleiding.
In de publicatie wordt ook toegelicht waarom er bij loopbaanleren behoefte is aan dialoog maar ook hoe die vaak ontbreekt. De conclusie is dat schrijven een effectieve dialogische benadering is, ook wat betreft kosten en tijdsinvestering. Het laatste deel van het onderzoek bevat verschillende reflecties over het gebruik van loopbaanschrijven in de praktijk.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Loopbaanschrijven is een waardevol instrument voor het construeren van een loopbaanidentiteit. De voorbeelden en ideeën in de publicatie kunnen loopbaanbegeleiders helpen het nut in te zien van deze creatieve, expressieve, en reflectieve vorm van narratieve begeleiding. De beschrijving van de drie schrijfvormen geeft inzicht in loopbaanschrijven.  In de publicatie wordt de noodzaak van de loopbaandialoog benadrukt.

>

Schrijven als zelfontwikkeling

Lengelle, R. & Ashly, S. (2017)

Schrijven kan een krachtig instrument zijn om studenten te ondersteunen in hun loopbaanontwikkeling en zelfinzicht.

____________________________

Het artikel laat zien dat docenten een actievere rol kunnen spelen in loopbaanleren door gebruik te maken van narratieve schrijfmethode. 
Door transformatieve schrijfoefeningen leren studenten hun ervaringen te begrijpen en betekenis te geven aan hun loopbaan. 
Deze aanpak helpt studenten om emoties, kwaliteiten en interesses beter te herkennen en te benutten. 
Schrijven draagt daarmee bij aan het ontwikkelen van identiteit en het maken van bewuste loopbaankeuzes.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Om alle leerlingen een goede begeleiding te bieden moeten niet alleen loopbaanprofessionals maar ook docenten een actievere rol gaan spelen in loopbaanleren. In het deels Nederlandstalig en deels Engelstalige artikel wordt toegelicht dat docenten getraind moeten worden in narratieve methoden zodat zij de vaardigheden en kwaliteiten ontwikkelen die nodig zijn om het loopbaanleren bij hun studenten te bevorderen.
De hier voorgestelde benadering betreft het doen van transformatieve schrijfoefeningen door studenten in een klas/groepssituatie; zowel online als face-to-face programma’s zijn mogelijk.  Het bleek dat zelfs ervaren schrijvers vaak niet weten hoe ze via schrijven kunnen leren omgaan met grenservaringen.
Er worden 4 uitdagingen (onzekerheid, complexiteit, individualisering en emotioneel competent) beschreven en 4 casussen behandeld van mensen die schrijven voor hun persoonlijke ontwikkeling. Er is een relatie tussen de 4e uitdaging, de emotionele competentie en het schrijven voor zelfontwikkeling. Voor het maken van succesvolle loopbaankeuzes is het nodig dat men zich bewust is van de eigen emoties: deze maken immers duidelijk wat belangrijke thema’s en voorkeuren zijn en waar persoonlijke grenzen liggen.
Wanneer studenten over hun leven schrijven, blijkt dat ze niet alleen hun schrijfvaardigheden vergroten maar ook leren om betekenis te geven aan hun ervaringen en zodoende nieuwe inzichten verwerven. Je verhaal opschrijven resulteert vaak in het construeren van betekenis en identiteit.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De narratieve schrijfmethode kan ingezet worden voor persoonlijke ontwikkeling en is daarom een waardevol instrument voor loopbaanleren. Het artikel geeft docenten suggesties voor het gebruikmaken van schrijven als een transformatief proces. 

>

Loopbaanontwikkeling. Onderzoek naar ‘Competenties’ (proefschrift)

Kuijpers, M.A.C.T. (2003)

In een kenniseconomie wordt loopbaanontwikkeling steeds meer een verantwoordelijkheid van de werknemer zelf.

____________________________

Door veranderingen in economie en arbeidsmarkt wordt investeren in menselijk kapitaal en inzetbaarheid steeds belangrijker. Loopbaanontwikkeling vraagt daarbij om zelfmanagement en het ontwikkelen van specifieke loopbaancompetenties. Het onderzoek laat zien dat deze competenties uit meerdere samenhangende onderdelen bestaan en meetbaar kunnen worden gemaakt. De inzichten vormen de basis voor het huidige denken over loopbaancompetenties en hun toepassing in het onderwijs en de LOB‑praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Op (inter)nationaal en organisatorisch niveau zijn er signalen dat investeringen in menselijk kapitaal door een verschuiving van economie, arbeidsmarkt en werkende organisaties naar een kenniseconomie en op kennis gebaseerde banen steeds belangrijker worden. Investeringen in menselijk kapitaal lijken essentieel voor de inzetbaarheid van de beroepsbevolking. Inzetbaarheid verwijst in kwalitatieve, individuele zin naar loopbaanontwikkeling. Verwijzend naar loopbaanontwikkeling - zoals bij levenslang leren - wordt meer nadruk gelegd op individuele verantwoordelijkheid en zelfmanagement. Deze studie heeft tot doel meer inzicht te krijgen in wat werknemers moeten weten en doen, welke competenties ze moeten bezitten - een specifieke vorm van menselijk kapitaal - om zelfmanagement in loopbaanontwikkeling te realiseren.

De doelen van dit onderzoek zijn:

  • Onderzoek naar de empirische basis voor uitbreiding van het elementaire model van menselijk kapitaal door menselijk kapitaal uit te drukken in competenties, met inbegrip van intermediaire variabelen en een brede set van outputfactoren;
  • Bijdrage aan theorieontwikkeling op het gebied van Human Resource Development met betrekking tot loopbaanontwikkeling;
  • Ontwikkeling en validatie van een instrument voor het meten van loopbaanontwikkeling.  Het proefschrift bestaat uit twee delen. Deel I beschrijft het operationalisatieproces van loopbaancompetenties. Deel II beschrijft de resultaten van een kwantitatieve studie van de structuur en het gevalideerde netwerk van het construct van loopbaancompetenties (loopbaanfactoren). 

De resultaten van dit onderzoek naar loopbaancompetenties geven aan dat het competentieconcept geen eenheid blijkt te zijn, maar het blijkt uit meerdere componenten te bestaan. Het product van de studie is een meetinstrument voor loopbaanontwikkeling dat aan meerdere betrouwbaarheids- en validiteitseisen voldoet. Bovendien geeft het inzicht in de relaties tussen loopbaanontwikkeling en variabelen in een gevalideerd netwerk van loopbaanfactoren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit proefschrift is de bron van de loopbaancompetenties die in Nederland worden gehanteerd. Op basis van dit proefschrift is onderzoek in het beroepsonderwijs gestart om na te gaan hoe jongeren kunnen worden voorbereid op een dynamische arbeidsmarkt waarin leven lang ontwikkelen vereist is, hoe loopbaancompetenties hierbij richting kunnen geven en wat voor leeromgeving hiervoor nodig is. 

>

Ouderbetrokkenheid bij Loopbaanontwikkeling van vmbo-leerlingen

Kuijpers, M., Strijk, M., Lusse, M., & van Schie, L. (2018)

Ouderbetrokkenheid speelt een belangrijke rol in de loopbaanontwikkeling van leerlingen, mits deze goed wordt georganiseerd en ingebed.

____________________________

Uit het onderzoek blijkt dat ouderbetrokkenheid bij LOB is toegenomen en positief bijdraagt aan de loopbaanontwikkeling van leerlingen. Vooral samenhangende interventies die aansluiten op het LOB‑programma op school blijken effectief. Leerlingen, ouders en leraren ervaren de activiteiten als waardevol, maar de aanpak vraagt tijd om zich verder te ontwikkelen. Belangrijk is dat ouderactiviteiten goed worden ingebed in het curriculum en worden ondersteund door duidelijke organisatie en professionalisering.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Over het algemeen genomen zien we dat de ondersteuning vanuit scholen aan ouders en de ondersteuning van ouders aan leerlingen in hun loopbaanontwikkeling is toegenomen in de loop van het project. We zien dat de interventies van het City Deal project een positieve invloed hebben op de ouderbetrokkenheid bij LOB, en ouderbetrokkenheid bij LOB weer bijdraagt aan de loopbaanontwikkeling van leerlingen. We zien dat het nauwelijks uitmaakt of je meedoet aan het project (over all verschil tussen experimentele en controlegroep), maar wel wat je doet binnen het project.

Leraren, ouders en leerlingen ervaren de loopbaangerichte ouderactiviteiten veelal positief, zien we in de resultaten van de focusgroepen. Net als in de kwantitatieve analyses, komt het beeld naar voren dat de activiteiten het meest bijdragen als zij in samenhang met elkaar ontwikkeld worden en er een doorgaande lijn ontstaat van loopbaangerichte ouderactiviteiten die in timing goed aansluiten bij de LOB-activiteiten die de leerlingen op school uitvoeren. Duidelijk is ook dat de aanpak nog tijd nodig heeft om te ontwikkelen. Zowel leraren als ouders en leerlingen leren stap voor stap hoe ze zich in de nieuwe rollen kunnen opstellen en hoe de ouderactiviteiten het beste kunnen bijdragen aan de loopbaanontwikkeling van leerlingen.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Gezien de resultaten van het onderzoek is de aanbeveling om interventies voor ouderbetrokkenheid bij LOB in de school te organiseren om loopbaanontwikkeling van leerlingen (met migratieachtergrond) te bevorderen. Het is van belang om een samenhangend geheel van interventies in te zetten, die zowel thuis als op school kunnen plaatsvinden, die samenhangen met het leren op school en in de beroepspraktijk, en daarmee onderdeel uitmaken van een doorlopende LOB-lijn in het curriculum.

Voor het realiseren van opbrengsten van ouderbetrokkenheidactiviteiten zijn er de volgende aandachtspunten van belang gebleken:

  • Zorg voor inbedding van de ouderactiviteiten in het curriculum van de leerlingen, zodat deze voortbouwen op eerdere ervaringen van leerlingen, worden voor- en nabesproken, en de opbrengst wordt gebruikt voor de keuze van een vervolgstap;
  • Zorg dat ouders vooraf worden geïnformeerd en de activiteit met ouders wordt nabesproken;
  • Formuleer haalbare opdrachten die bijdragen aan een positief gesprek met hun ouders waarin de leerling de regie heeft;  
  • Schakel het netwerk van leerlingen in van wie de ouders niet voldoende in staat zijn hen te begeleiden bij LOB;
  • Zorg voor een goede timing, voorbereiding (bijvoorbeeld van de presentaties van leerlingen) en organisatie;
  • Zet in op het ontwikkelen van beleid en faciliteiten om ouderbetrokkenheid mogelijk te maken;
  • Professionaliseer de leraren voor het beter betrekken van ouders bij LOB. 
>

Leren luisteren en loopbaanleren

Kuijpers, M. & Meijers, F. (2012)

Reflectieve en activerende loopbaangesprekken dragen bij aan de ontwikkeling van studenten, maar laten ook zien waar nog verbetering nodig is.

____________________________

Studenten ervaren dat begeleidingsgesprekken door training van docenten meer reflectief en activerend zijn geworden. Ze denken vaker na over hun kwaliteiten en praten meer over passende vervolgopleidingen en werk. Tegelijk blijft verdieping op toekomstdromen, persoonlijke waarden en talentbenoeming nog beperkt. Het onderzoek laat zien dat professionalisering van docenten bijdraagt aan betere loopbaangesprekken, maar ook verdere ontwikkeling vraagt.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Studenten uit de experimentele groep geven significant méér dan studenten uit de controlegroep aan dat de gesprekken met hun begeleiders reflectiever en activerender zijn geworden. Ze worden méér aangezet om zelf dingen te onderzoeken en om na te denken waar ze goed in zijn. Maar tegelijkertijd zijn de meeste studenten van mening dat ze nog weinig aan het denken worden gezet over hun toekomst, dat ze niet diep kunnen ingaan op dingen die zij belangrijk vinden en dat ze nog onvoldoende worden geholpen om hun talenten onder woorden te brengen. De meeste studenten uit de experimentele groep voelen zich begrepen door hun begeleider. Ze geven aan dat ze complimenten krijgen, dat hun begeleider laat merken dat ze wat kunnen en dat hun begeleider echt luistert naar wat ze zeggen.  De studenten van de experimentele groep zijn significant méér gaan praten over het werk dat bij hen past en hoe ze een vervolgopleiding kunnen kiezen dan studenten van de controlegroep. Wat betreft hun zelfbeeld komen vooral hun sterke kanten aan bod in de gesprekken. Weinig wordt nog gesproken over hun toekomstdroom, waarom ze iets willen leren, waar ze trots op zijn of wat ze belangrijk vinden.  Studenten die begeleid worden door een docent die aan de training heeft deelgenomen, geven aan dat ze méér zijn gaan nadenken over hun kwaliteiten en motieven en ook méér door hun begeleider worden aangezet om op onderzoek uit te gaan wat betreft werk en werken. Studenten die aangeven dat de begeleidingsgesprekken meer loopbaangericht zijn (geworden), zijn hun loopbaancompetenties gaan ontwikkelen. Naarmate studenten meer praten over hun zelfbeeld met hun begeleiders, ontwikkelen ze een sterkere arbeidsidentiteit.  Studenten die meer waarderende gesprekken voeren, ervaren meer loopbaaninvloed, -vertrouwen en -belangstelling. Van studenten die meer reflectieve en activerende gesprekken voeren is het gevoel van invloed juist afgenomen.  Het méér gebruiken van loopbaancompetenties maakt dat studenten een sterkere arbeidsidentiteit, loopbaaninvloed en loopbaanvertrouwen ervaren.  Docenten die het gehele professionaliseringtraject hebben gevolgd, ervaren een grotere toename in draagvlak (i.e. ondersteuning in hun werk) dan degenen die het traject niet hebben gevolgd. Maar tegelijkertijd zijn ze ook onzekerder geworden wat betreft hun begeleidingsgesprekken. Docenten die het professionaliseringstraject volledig hebben gevolgd, zijn naar hun mening deskundiger geworden in het achterhalen van waarden en normen, het leren netwerken en het zelfsturend laten worden van studenten.  Docenten die het professionaliseringstraject hebben gevolgd, geven aan dat ze veel hebben geleerd tijdens het traject. Meer dan 90 procent van de begeleiders zegt (veel) geleerd te hebben over (a) welke vragen zij kunnen stellen om begeleidingsgesprekken meer loopbaangericht te maken, (b) hoe zij zich meer kunnen richten op sterke kanten van de student, (c) hoe zij studenten kunnen helpen reflecteren en (d) hoe zij de studenten meer invloed/zelfsturing kunnen geven in de loopbaan. Meer dan 80 procent zegt (veel) geleerd te hebben over loopbaancompetenties en over hoe studenten keuzes kunnen maken. Ruim 70 procent heeft (veel) geleerd over hoe zij de studenten kunnen helpen een netwerk te gebruiken. In het onderzoek is niet aangetoond dat docenten die de training hebben gevolgd hun studenten méér aanzetten tot loopbaansturing of netwerken.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit onderzoek geeft richting aan de vorm van professionalisering van docenten op het gebied van het voeren van loopbaangesprekken. 

>

10 valkuilen én mogelijkheden bij de implementatie van LOB

Kuijpers, M., Kerkhoffs, J., Kirsten, I. (2016)

De invoering van LOB vraagt niet alleen om nieuwe structuren, maar vooral om een andere manier van denken en werken in het onderwijs.

____________________________

Bij de invoering van LOB in het vmbo liggen verschillende valkuilen op de loer die het succes kunnen belemmeren. Deze variëren van het vasthouden aan bestaande werkwijzen tot het onvoldoende betrekken van leerlingen, docenten en praktijkervaringen. Ook ontbreekt vaak samenhang, betekenis voor leerlingen en effectieve professionalisering van docenten. Het artikel benadrukt dat succesvolle implementatie vraagt om een cultuurverandering waarin reflectie, dialoog en eigenaarschap centraal staan.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Vanaf augustus 2016 wordt loopbaanleren onderdeel van de beroepsgerichte examenprogramma’s van het vmbo. Dit geeft kansen om het onderwijs zo in te richten dat leerlingen meer loopbaangericht worden voorbereid op de arbeidsmarkt van de toekomst. Maar er zijn ook valkuilen. Het risico van een dergelijke innovatieslag is dat na een tijdje wordt geconstateerd dat het ‘niet werkt’. Niet omdat het niet kán werken, maar omdat het nooit werkzaam is gemaakt. In dit artikel beschrijven Marinka Kuijpers, Jacqueline Kerkhoffs en Inge Kirsten 10 valkuilen bij de invoering van LOB in het onderwijs.

  1. Je blijft doen wat je al deed
  2. Je associeert vanuit je eigen ervaring wat loopbaancompetenties inhouden
  3. Keuzevakken worden niet gebruikt om te leren kiezen
  4. Praktijkervaringen worden niet loopbaangericht gebruikt
  5. De begeleidingsgesprekken zijn studie- in plaats van loopbaangericht en een monoloog in plaats van een dialoog
  6. Activiteiten staan los van de dagelijkse praktijk; wel extra werk, geen extra leren
  7. De ontwikkeling is niet zichtbaar of relevant voor de leerling
  8. Betrokkenen worden niet betrokken
  9. Je vraagt het onmogelijke van leerlingen en docenten
  10. Professionalisering is niet effectief: extra werk, richting is onduidelijk en ruimte ontbreekt

De tien valkuilen overziend, kunnen we concluderen dat het implementeren van LOB niet kan volstaan met een structuurverandering, maar dat de leercultuur moet veranderen van leren luisteren naar leren praten, nadenken en zelf sturen. Een cultuur waarin kwaliteiten, motieven en eigenaarschap van leerlingen een échte belangrijke plaats krijgen.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het artikel kan helpen bij de reflectie op LOB in de school. 

>

Managementsamenvatting LOB in de beroepsgerichte examenprogramma's

Kuijpers, M. i.s.m. de Loopbaangroep (2015)

De invoering van LOB in het vmbo laat zien dat scholen nog belangrijke stappen moeten zetten om loopbaanbegeleiding goed vorm te geven.

____________________________

LOB is sinds 2016/2017 verplicht in het vmbo en gericht op het ontwikkelen van loopbaancompetenties en het voorkomen van uitval. Uit onderzoek blijkt dat veel scholen nog tekortkomingen ervaren in visie, uitvoering en integratie van LOB in het curriculum. 
Er is vaak onvoldoende tijd, kennis en samenhang om LOB structureel en effectief vorm te geven. 
Tegelijk laten voorloperscholen zien dat een duidelijke visie, coaching en samenwerking met vervolgonderwijs en bedrijfsleven bijdragen aan sterkere LOB.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Loopbaanoriëntatie en –begeleiding (LOB) is met ingang van schooljaar 2016/2017 een verplicht onderdeel van de nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s in het vmbo. LOB is bedoeld om loopbaancompetenties bij vmbo-leerlingen te ontwikkelen, ze beter te begeleiden bij de keuze voor hun vervolgopleiding en daarmee ook voortijdige uitval op het mbo te voorkomen. In schooljaar 2014/2015 is onder leiding van Marinka Kuijpers, hoogleraar aan de Open Universiteit, geïnventariseerd of en in welke mate vmbo-scholen knelpunten ervaren bij het vormgeven van een samenhangend LOB-beleid en hoe scholen met LOB geholpen zouden kunnen worden. Hiertoe is een online enquête gehouden, ingevuld door 550 mensen waarvan een deel werkzaam is op een vmbo-school die extra aandacht besteedt aan bèta/techniek (via de programma’s M-Tech of Toptechniek in bedrijf). De vragenlijst is ingevuld door leraren (40%; de meesten zijn ook mentor), decanen (30%) en leidinggevenden (30%). Vervolgens is een kwalitatief onderzoek gehouden onder vier scholen die relatief ver zijn met hun LOB-beleid. In het schooljaar 2014/2015 blijken er nog flink wat tekortkomingen te zijn in het LOB-beleid en in de uitvoering ervan op vmboscholen. Veel respondenten (75%) weten dat LOB wordt opgenomen in de nieuwe examenprogramma’s, maar slechts weinig geënquêteerden (38%) weten wat de eisen in de examenprogramma’s zijn. LOB is volgens minder dan de helft van de respondenten beschreven in de visie van de school. Slechts een derde zegt dat LOB is geïntegreerd in alle leerjaren van het curriculum. Dit blijkt vaker het geval op scholen waar LOB decentraal is georganiseerd. Minder dan twintig procent van de leraren zegt dat LOB is geïntegreerd in de lessen binnen de sector waar ze lesgeven, bijna een derde zegt dat dit niet gebeurt. Decanen en leidinggevenden zijn er nog negatiever over: negentig procent gaat ervan uit dat LOB niet in de lessen is opgenomen. Opmerkelijk is dat minder dan de helft van de respondenten aangeeft dat er in het onderwijs aandacht is voor aansluiting op het mbo. Door in aanraking te komen met vervolgopleidingen en regionale bedrijven kunnen leerlingen een beeld krijgen van welk beroep of loopbaan bij hen zou passen. De helft van de vmbo-scholen werkt structureel samen met vervolgopleidingen ten behoeve van LOB. Veertig procent van de respondenten geeft aan samen te werken met regionale bedrijven. Vanaf 2016-2017 vormt LOB een verplicht onderdeel van het programma van leerlingen. Op het moment van het onderzoek (2014-2015) menen de meeste respondenten (driekwart) dat ze de capaciteiten hebben om LOB vorm te geven op de school. Bijv. in het curriculum opnemen dat leerlingen relevante (praktijk)ervaringen opdoen voor LOB. De helft van de mentoren, decanen en leidinggevenden acht zich in staat om in het curriculum ook vast te leggen dat leerlingen zelf keuzes kunnen maken bij de invulling van die ervaringen (bijvoorbeeld een stage of meeloopdag bij een bedrijf). Maar LOB houdt meer in, zoals het houden van loopbaangesprekken en het gestructureerd bijhouden van LOB-ontwikkelingen bij leerlingen in een loopbaandossier. Daarover zegt slechts een derde van de respondenten er voldoende tijd en capaciteit voor te hebben. Het aantal respondenten dat aangeeft dat de school de loopbaanontwikkeling van de leerlingen registreert is 36%. Opvallend is dat bijna negentig procent aangeeft dat de effecten van LOB bij hun leerlingen niet worden gemeten. Ongeveer de helft van de respondenten geeft aan behoefte te hebben aan steun bij het vormgeven van LOB, zowel voor de school als geheel als voor zichzelf in het bijzonder. Het gaat dan om allerlei aspecten: het beschrijven van LOB in de visie van de school, de integratie van LOB in het curriculum van alle leerjaren, het daadwerkelijk aanbieden van LOB aan leerlingen, het bijhouden van ontwikkelingen bij de leerlingen en het meten van de effecten. De vier onderzochte scholen die relatief ver zijn met LOB, blijken al vier tot acht jaar bezig te zijn met het vormgeven van LOB op hun school. De decanen van deze scholen zijn verantwoordelijk voor de kennisverspreiding over LOB op school en kunnen de mentoren en vakdocenten begeleiden. Ze hebben een professionele training gevolgd, bijvoorbeeld over het houden van loopbaangesprekken met leerlingen. De scholen hebben LOB vastgelegd in visiedocument en de visie vertaald naar acties per leerjaar voor leerlingen (en hun ouders), leraren, mentoren en decanen. Het ontwikkelen van loopbaancompetenties bij leerlingen maakt deel uit van het visiedocument. Op deze vooroplopende scholen hebben leerlingen zelf een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van hun LOB. De school neemt een coachende rol in: de school adviseert leerlingen bij vragen, begeleidt ze via loopbaangesprekken en stimuleert reflectie. Ook organiseren de scholen in samenwerking met vervolgopleidingen en bedrijfsleven open dagen, beroepenmarkten en stagemogelijkheden. Van de onderzochte scholen blijken de scholen die speciale focus hebben op bèta en technologie nog verder te zijn met LOB. Iedere leerling heeft een eigen LOB-mentor met wie hij of zij loopbaanbegeleidingsgesprekken heeft. Daarnaast is de klassenmentor verantwoordelijk voor de klassikale LOB-activiteiten. De opleidingen geven aan dat ondersteuning vanuit organisaties en bedrijven, onder andere via TechNet, een belangrijke succesfactor voor LOB is. Het bijhouden van een loopbaandossiers, een verplicht onderdeel van de nieuwe examenprogramma’s, is nog in ontwikkeling op de vier scholen. Dit zijn dossiers waarin de leerling zelf zijn/haar loopbaanactiviteiten bijhoudt. Ook op deze vooroplopende scholen wordt nog niet structureel bijgehouden wat het effect van de LOB-activiteiten is, iets waarin deze scholen ondersteund zouden willen worden omdat ze niet weten hoe ze dat moeten doen. Er is te concluderen dat op de meeste scholen de eerste stappen zijn gemaakt, maar er nog behoorlijke slagen gemaakt moeten worden in het implementeren van LOB. De behoefte aan ondersteuning vraagt inspanningen en investeringen op alle niveaus in het onderwijs. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De resultaten geven richting aan het vormgeven van LOB in de school.

>

Leren (en) innoveren

Kuijpers, M., Evers, A., Kreijns, K., Klaeijsen, A., & Kessels, J. (2014)

De kwaliteit van onderwijsontwikkeling hangt sterk samen met de ruimte die docenten krijgen om zich professioneel te blijven ontwikkelen.

____________________________

Docenten spelen een sleutelrol in onderwijsvernieuwingen, maar hun professionaliseringsruimte staat onder druk. Door maatschappelijke en onderwijskundige veranderingen zijn taken toegenomen, waardoor verdere uitbreiding niet mogelijk is. In plaats daarvan is ruimte nodig om anders te werken, met aandacht voor ontwikkeling van kwaliteiten en motieven van docenten. Loopbaangerichte begeleiding en gerichte ondersteuning vanuit de organisatie zijn daarbij cruciaal.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De afgelopen 20 jaar hebben 30 hervormingen in het onderwijs plaatsgevonden waarin docenten een belangrijke rol hebben gespeeld. De kwaliteit van docenten is een belangrijke verklarende factor voor de prestaties van studenten en voor de successen van de hervormingen (McKinsey, 2012). Daarom maakt professionele ontwikkeling van docenten een essentieel onderdeel uit van leven lang leren om het beroep adequaat uit te oefenen, met name bij de vernieuwingen in het onderwijs en in de voortdurend veranderende maatschappij.

De uitkomsten van dit onderzoek geven slechts een indicatie van de ervaren professionaliseringsruimte van docenten in het algemeen, maar het geeft wel te denken, bijvoorbeeld gezien de veranderingen die in VO nog te wachten staan. In Nederland is de afgelopen jaren discussie geweest over wat de uitkomsten van onderwijs moeten zijn. Hierover is nog geen consensus bereikt. Gebrek aan eensgezindheid over wat goed onderwijs is, heeft volgens de onderzoekers te maken met een overgangsfase in het onderwijs. Wetenschappelijke en maatschappelijke veranderingen hebben ertoe geleid dat er steeds iets is toegevoegd aan de taken van docenten. Ondertussen is het zoveel geworden dat het er ‘niet meer bij kan’. ‘Meer’ kan niet, dus het moet anders. Dit vergt ruimte voor professionele ontwikkeling van docenten, waarin mogelijkheden worden gecreëerd voor docenten om richting te geven aan hun professionele ontwikkeling uitgaande van het ontwikkelen en benutten van kwaliteiten en motieven van docenten. Hiervoor is loopbaangerichte begeleiding vanuit de organisatie nodig waarin zowel ruimte wordt gecreëerd om loopbaangericht te leren als richting wordt gegeven aan het leren vanuit de veranderende eisen die de maatschappij stelt en die daarmee aan het onderwijs worden gesteld. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De resultaten van het onderzoek dragen bij aan de visievorming van professionalisering van docenten.

>

LOB in het havo en vwo: Vijf uitgangspunten voor de eerste stappen

In een snel veranderende arbeidsmarkt verschuift de focus van kiezen naar het leren maken van loopbaankeuzes.

____________________________

Door veranderingen op de arbeidsmarkt worden jongeren voorbereid op beroepen die mogelijk verdwijnen, waardoor voortdurende loopbaankeuzes noodzakelijk zijn. LOB richt zich daarom op het leren ontdekken, ontwikkelen en benutten van kwaliteiten en interesses. Belangrijke elementen daarbij zijn zelfinzicht, reflectie, ervaring en het opbouwen van een netwerk. Het onderwijs speelt een cruciale rol door LOB te integreren in het curriculum en zo de zelfregie en ontwikkeling van leerlingen te versterken.

____________________________

Kuijpers, M. (2018)

Samenvatting van het onderzoek 

Volgens onderzoek van Deloitte in 2016 worden vier op de tien mbo-studenten opgeleid voor werk dat over tien tot twintig jaar mogelijk niet meer bestaat. In het hbo geldt dit voor twee op de tien en in het wo voor een op de tien studenten. Doordat werk verandert of verdwijnt, zullen werknemers hun eigen loopbaan moeten vormgeven om werk te kunnen krijgen en te behouden. Het onderwijs bereidt jongeren voor op de maatschappij. Als de maatschappij verandert, betekent dit dat het onderwijs een nieuwe opdracht krijgt. Het gaat er niet alleen om dat we jongeren laten kiezen voor een vervolgopleiding. We hebben ook de taak om jongeren te leren kiezen. Zo kunnen ze, eenmaal op de arbeidsmarkt, ook in hun verdere loopbaan keuzes blijven maken. 

  • Uitgangspunt 1: LOB is niet weten wat je kunt en wat je wilt worden, maar leren hoe je dat kunt ontdekken, ontwikkelen en benutten.
  • Uitgangspunt 2: Jongeren zouden een beter beeld van het toekomstige werk kunnen krijgen, door zich te verdiepen in werk waar hun interesse ligt en dat te verbreden door de interessante aspecten in dat werk te onderzoeken in andere beroepen.
  • Uitgangspunt 3: Loopbaanontwikkeling doe je met je hart, hoofd en voeten. Door te ervaren en te voelen wat bij je past, door reflectie en door onderzoek te doen naar een zelfbeeld en stappen te zetten om te ontwikkelen.
  • Uitgangspunt 4: Loopbaanreflectie is persoonsreflectie, geen taakreflectie, loopbaansturing is wél zelf regie nemen, maar dat niet per se alleen willen doen.
  • Uitgangspunt 5: Leer netwerken en gebruik dat netwerk om kansen te vergroten. Loopbaanontwikkeling is belangrijker nu de arbeidsmarkt veranderlijk is. Alles wat iemand leert over zichzelf, kan hij meenemen in de keuzes die hij maakt. Alles wat iemand doet wat lastig of eng is, leert diegene om stappen te zetten in het leven. Als leraar kun je het zelfbeeld, zelfvertrouwen en de zelfregie van leerlingen bevorderen. Door te kijken naar wat leerlingen kunnen en willen leren, door leerlingen te laten ervaren, door leerlingen na te laten denken en stappen te laten zetten. LOB kan in het gehele curriculum worden geïntegreerd en begint met kleine interventies in de les.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit artikel kan helpen bij de beeldvorming en de dialoog over LOB: wat doen we al en waar zouden we nog een stap in willen maken? 

>

Loopbaangericht opleiden. Een cultuurverandering?

Kuijpers, M. (2017)

 

In een veranderende arbeidsmarkt verschuift loopbaanbegeleiding van het kiezen van een beroep naar het leren maken van keuzes.

____________________________

De traditionele vraag naar één toekomstig beroep sluit niet meer aan bij de dynamische arbeidsmarkt. Jongeren moeten leren om gedurende hun loopbaan steeds opnieuw keuzes te maken. Onderwijs heeft daarom de taak om naast vakmanschap ook keuzevaardigheden en zelfinzicht te ontwikkelen. Het artikel benadrukt het belang van een LOB‑visie waarin persoonlijke ontwikkeling en loopbaancompetenties centraal staan.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De vraag 'Wat wil je later worden?' geeft tegenwoordig niet dat ene antwoord waar je vervolgens in de LOB naar toe kunt werken. In de dynamische en complexe arbeidsmarkt is een eenmalige keuze voor een beroep(sopleiding) niet voldoende om een passende baan te kunnen krijgen en behouden. Na je eerste keuze moet je keuzes blijven maken. Onderwijs heeft als doelstelling jongeren voor te bereiden op de arbeidsmarkt en heeft nu dus ook de taak om leerlingen te 'leren kiezen'.

In dit artikel gaat Marinka Kuijpers in op de vragen hoe deze verandering zich verhoudt tot 'de leerling centraal' en de cultuur waarmee we leerlingen helpen met 'keuzes maken'. Op de arbeidsmarkt draait het tegenwoordig niet alléén maar om vakmanschap. Het opleiden van jongeren tot vakbekwame beroepsbeoefenaars gaat hand in hand met het opleiden tot werkenden die zich blijven ontwikkelen. Daarvoor is het van belang dat jongeren leren ontdekken waar ze goed in zijn of willen worden en waar en hoe ze hun kwaliteiten en motieven kunnen inzetten 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het artikel kan helpen bij de visievorming van LOB. 

 

>

Loopbaangericht leven lang ontwikkelen

Prof. dr. Marinka Kuijpers en dr. Aniek Draaisma

In dit onderzoek staat de vraag centraal hoe mensen zich een leven lang kunnen ontwikkelen op een manier die zowel economisch zinvol als persoonlijk betekenisvol is.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat leven lang ontwikkelen vaak te veel is gericht op korte‑termijn scholing en te weinig op loopbanen op de lange termijn. Persoonlijke drijfveren, zingeving en eigen regie krijgen daarbij nog onvoldoende aandacht. Volgens Kuijpers en Draaisma is juist de verbinding tussen persoonlijke betekenis en economische inzetbaarheid essentieel voor duurzame ontwikkeling. Loopbaangerichte begeleiding en reflectie zijn daarom onmisbaar binnen onderwijs en werk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Het onderzoek van Kuijpers en Draaisma richt zich op loopbaangericht leven lang ontwikkelen (LLO) vanuit zowel een economisch als een zingevingsperspectief. Op basis van kwalitatieve interviews met werknemers, professionals en organisaties laten de auteurs zien dat leren in de praktijk vaak kortetermijngericht is en vooral gericht op kennis en vaardigheden. Persoonlijke drijfveren, motieven en langetermijnloopbanen krijgen daarbij minder aandacht. Het verbinden van organisatiebelangen met persoonlijke betekenis blijkt moeilijk, terwijl juist die samenhang nodig is voor duurzame inzetbaarheid. Het onderzoek laat zien dat zelfregie, reflectie en dialoog over loopbaan en ontwikkeling cruciale voorwaarden zijn voor effectief LLO.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • Richt LOB niet alleen op keuzes of doorstroom, maar op doorlopende loopbaanontwikkeling.
  • Help leerlingen en studenten hun motieven, kwaliteiten en waarden te verwoorden, niet alleen hun competenties.
  • Stimuleer zelfregie door vragen te leren stellen over leren en werk, in plaats van alleen aanbod te volgen.
  • Verbind persoonlijke betekenis (zingevingsperspectief) expliciet aan maatschappelijke en economische kansen.
  • Gebruik gesprek, reflectie en begeleiding als vaste onderdelen van loopbaanleren.

Deze tekst is gegenereerd met behulp van Co-pilot.

>

Overgangen en aansluitingen in het onderwijs. Deelrapport 1: reviewstudie naar de po-vo en de vmbo

Korpershoek, H., Beijer, C., Spithoff, M., Naayer, H.M., Timmermans, A.C., van Rooijen, M., Vugteveen, J., Opdenakker, M.-C. (2016)

Wat weten we over succesvolle overgangen in het onderwijs en welke rol speelt LOB daarin?

____________________________

Deze reviewstudie bundelt kennis over factoren die van invloed zijn op de overgangen van po naar vo en van vmbo naar mbo en laat zien dat zowel cognitieve, niet‑cognitieve als school- en omgevingsfactoren een rol spelen. Voor de LOB‑praktijk blijkt dat goede, tijdige en sectoroverstijgende loopbaanoriëntatie en -begeleiding bijdraagt aan een soepelere overgang, minder uitval en beter passende schoolloopbanen, vooral voor kwetsbare leerlingen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit rapport is de eerste deelrapportage van het project "Overgangen en aansluitingen: de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen rondom de po-vo en vmbo-mbo overgangen en de rol van verschillende factoren bij de aansluiting tussen deze onderwijssectoren." Doel van deze reviewstudie is het samenbrengen van de huidige kennis op het gebied van overgangen en aansluitingen en het komen tot een integrerend model van factoren die een rol kunnen spelen bij de overgang van po naar vo en van vmbo naar mbo.

De aansluitingsproblematiek rondom de po-vo en vmbo-mbo overgangen heeft geleid tot een groot aantal onderzoeken op dit gebied binnen en buiten Nederland, maar de kennis over de factoren die een rol kunnen spelen bij de po-vo en vmbo-mbo overgangen is versnipperd. Het samenbrengen van deze kennis is belangrijk, omdat de aansluiting tussen deze onderwijssectoren niet voor alle leerlingen optimaal verloopt. Bovendien is niet van alle factoren duidelijk in hoeverre zij een rol spelen bij de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen rondom de overgangen, bijvoorbeeld doordat allocatie- en selectiemechanismen door scholen verschillend toegepast worden. Onder allocatiemechanismen verstaan we de methoden die scholen hanteren om leerlingen op het best passende niveau te krijgen rondom de overstap tussen onderwijssectoren. Rondom de po-vo overgang betreft dit bijvoorbeeld het schooladvies dat door de aanbiedende po-school wordt afgegeven. Onder selectiemechanismen verstaan we de methoden die scholen hanteren om leerlingen toe te laten of te weigeren rondom de overstap tussen onderwijssectoren. Rondom de vmbo-mbo overgang betreft dit bijvoorbeeld de intakeprocedures die de ontvangende mboinstellingen hanteren.  

Onderzoeksvragen:

  • Welke factoren op leerling-, school- en omgevingsniveau worden in de literatuur aangedragen als factoren die een rol spelen bij de aansluiting tussen po-vo en tussen vmbo-mbo?
  • In hoeverre is sprake van generieke dan wel differentiële effecten?
  • Zijn er effecten bekend van het wijzigen van een of meerdere beleidsparameters op de aansluiting tussen de onderwijssectoren?
  • Welke beleidsruimte hebben po- en vo-scholen en mbo-instellingen om te variëren in de toegepaste allocatie- en selectiemechanismen?

De meest relevante factoren die uit de literatuur naar voren kwamen hebben we samengevat onder vijf thema's: (1) achtergrondkenmerken van leerlingen, (2) factoren in de sociale omgeving, (3) factoren wat betreft de cognitieve ontwikkeling van leerlingen, (4) factoren wat betreft de nietcognitieve ontwikkeling van leerlingen en (5) school- en omgevingsfactoren. Het betreft in veel gevallen generieke effecten (relevant voor vrijwel alle leerlingen). Daarnaast zijn verschillende differentiële effecten gevonden (relevant voor specifieke groepen leerlingen, bv. uit lagere sociale milieus). Uit de review bleek verder dat er nauwelijks effecten bekend zijn van het wijzigen van één of meer beleidsparameters op de aansluiting tussen de onderwijssectoren.  

In de tweede plaats is beoogd inzicht te krijgen in de beleidsruimte van scholen/instellingen. Hiertoe is een analyse gemaakt van het Nederlandse onderwijsbeleid. De beleidsruimte rondom de po-vo overgang is door recente beleidswijzigingen veranderd. De beschikbare ruimte voor po-scholen heeft voornamelijk betrekking op het opstellen van schooladviezen en vo-scholen hebben de ruimte om leerlingen op een hoger niveau te plaatsen dan het schooladvies. Rondom de vmbo-mbo overgang is meer eigen beleidsruimte; met uitzondering van toelating tot niveau 1 mogen mbo-instellingen – mits het toelatingsbeleid zorgvuldig (gecommuniceerd) is – zelf leerlingen toelaten tot bepaalde niveaus en/of leerlingen selecteren. Toegankelijk onderwijs blijft echter het uitgangspunt. De hoofdstukken sluiten af met kansen en belemmeringen voor leerlingen die volgen uit de beleidsruimte van scholen.  

Aanbevelingen voor beleid

  1. Scholen stimuleren in het overdragen van relevante leerlinggegevens door de communicatie tussen de verschillende aanbiedende en ontvangende onderwijssectoren te faciliteren (binnen de wettelijke kaders van privacywetgeving). Zo ontstaat ketenverantwoordelijkheid voor de schoolloopbanen van leerlingen. Terugkoppelen van schoolloopbanen in het vo naar de poschool wordt aangeraden, omdat hierdoor inzicht ontstaat over de juistheid van afgegeven schooladviezen.
  2. Behoud van de zogenoemde reparatiemogelijkheden, zoals opstroom/doorstroom naar een hoger vo- of mbo-niveau en het stapelen van vo-diploma’s.
  3. Monitoren van mogelijke neveneffecten van de huidige wet- en regelgeving omtrent allocatie en selectie van leerlingen (zoals strategisch gedrag van scholen). 
  4. Po-scholen in principe verplichten het schooladvies, indien het niveau-advies op basis van de centrale eindtoets hoger is dan het schooladvies, naar boven bij te stellen, ofwel het schooladvies te laten voorzien van beargumentering waarom bijstellen niet wenselijk wordt geacht. 
  5. Behoud van de beleidsruimte van vo-scholen en mbo-instellingen om leerlingen de best passende schoolloopbaan te kunnen bieden en een warme overdracht te kunnen garanderen (zoals de huidige beleidsruimte omtrent doorlopende leerlijnen vmbo-mbo en via het vernieuwde beleid rondom loopbaanoriëntatie en -begeleiding).

Aanbevelingen voor onderzoek

  1. Onderzoek naar de effecten van onderbelicht gebleven factoren: (1) onderwijskwaliteit, (lokale) toelatingsbeleid van vo-scholen en mbo-instellingen, invloed van ondersteuning bij de overstap (schoolniveau), (2) provinciaal, gemeentelijk en lokaal beleid (o.m. afspraken tussen scholen onderling; omgevingsniveau) en (3) leerpotentieel, het hebben van een zorgindicatie en ouderbetrokkenheid (leerlingniveau).
  2. Onderzoek naar de effecten van méér en structurelere informatieoverdracht over leerlingen rondom de po-vo overgang.
  3. Longitudinaal onderzoek naar de vmbo-mbo overgang, met voor- en nametingen van de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen.

Aanbevelingen voor de onderwijspraktijk

  1. Het schooladvies baseren op voldoende informatie over de capaciteiten en het functioneren van de leerling om zo de best passende schoolloopbaan voor leerlingen te kunnen garanderen.
  2. Overleg tussen de onderwijssectoren over het verder verbeteren van de aansluiting tussen de onderwijssectoren voor alle, maar met name voor kwetsbare, leerlingen, zodat waar nodig maatwerk geleverd kan worden.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

 In de reviewstudie wordt een aantal onderzoeken beschreven waarin de rol van LOB op de schoolloopbanen van leerlingen is onderzocht, specifiek gericht op de vmbo-mbo overgang. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat goede LOB in het vmbo kan bijdragen aan een soepele overgang naar het mbo.  

Loopbaanoriëntatie en -begeleiding wordt door leerlingen belangrijk gevonden bij het maken van een keuze voor een geschikte vervolgopleiding, zoals voorlichting over de (doorstroom)mogelijkheden en ondersteuning door student counselors. Een loopbaangerichte begeleiding op school en in de praktijk (bv. tijdens stages) in zowel het vmbo als het mbo draagt bij aan de loopbaancompetenties van leerlingen.  

Middels LOB worden leerlingen (zowel tijdens het vmbo als het mbo) begeleid bij het maken van keuzes omtrent vakken, sectoren, vervolgopleidingen en/of toekomstige arbeidsmarktposities. LOB biedt leerlingen de kans hun inzicht in eigen talenten en interesses verder te ontwikkelen. Dit vergroot de kans op een succesvol ervaren overgang wat betreft zowel cognitieve aspecten (passend bij de talenten van de leerling) als niet-cognitieve aspecten (passend bij de interesses van de leerling), maar het biedt leerlingen ook informatie over keuzemogelijkheden die na de overgang bestaan.  

Versterking van LOB is echter noodzakelijk. Ondanks dat LOB al jaren op de agenda van vo-scholen staat, wordt het nog onvoldoende ingezet om leerlingen te ondersteunen in hun ontwikkeling. Uit onderzoek blijkt dat er nog steeds veel leerlingen zijn die niet weten welke vervolgopleiding ze moeten kiezen en hierdoor meer kans lopen op vertraging, uitval of zelfs niet beginnen aan een vervolgopleiding. Een aanzienlijk deel van de leerlingen is ontevreden over de aandacht die besteed wordt aan LOB in het vo. Het is van belang dat LOB op het juiste moment wordt aangeboden, zeker in een gesegmenteerd onderwijssysteem zoals Nederland dat kent. Ook zou het LOB aanbod van voscholen goed aan moeten sluiten op het aanbod van mbo-instellingen. Daardoor ligt verdere samenwerking tussen de verschillende onderwijssectoren voor de hand.

>

Onderzoek naar het keuzedeel voorbereiding hbo in het economisch domein

Klatter, E., Bruijn-Smolders, M. de, & Slijper, J. (2019)

Hoe kan de doorstroom van mbo‑studenten naar het hbo beter worden voorbereid en begeleid?

____________________________

Het onderzoek onderzoekt in hoeverre het keuzedeel Voorbereiding Hbo bijdraagt aan betere studiekeuzeprocessen en studievaardigheden van mbo‑studenten die willen doorstromen naar het hbo. De nulmeting laat zien dat er duidelijke verschillen zijn tussen studentgroepen, wat kansen biedt om LOB en studieloopbaanbegeleiding gerichter in te zetten bij de overgang van mbo naar hbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Emancipatie via het onderwijs, specifiek langs de beroepsgerichte route (v)mbo naar hbo, is nog niet optimaal. Zo behaalde in 2016 nog niet de helft van de doorstromers uit het mbo na twee jaar de propedeuse (Herweijer & Turkenburg, 2016). Met als doel de doorstroom van mbo-studenten naar het hbo te bevorderen, trekken de Rotterdamse Regionale Opleidingscentra (ROC’s) en hogescholen samen op om invulling te geven aan het keuzedeel Voorbereiding Hbo (K0125) in het economisch domein, “De Rotterdamse Aanpak” genaamd. De lectoraten Studiesucces van Hogeschool  Rotterdam  en Hogeschool Inholland onderzoeken gezamenlijk in een monitoring onderzoek met een pretestposttest design, in hoeverre dit keuzedeel bijdraagt aan de kwaliteit van studiekeuzeprocessen en de ontwikkeling van studievaardigheden, ten gunste van de doorstroom naar het hbo. De studie in het paper betreft een verslag van de nulmeting onder studenten in het laatste leerjaar aan het mbo in het economisch domein. De nulmeting geeft een beeld van de scores op studiekeuzeprocessen en studievaardigheden waarbij voor studiekeuzeprocessen significante verschillen geconstateerd worden tussen studiekeuze statussen (conform model van Marcia, 1980) van studenten naar geslacht en mbo-instelling. Voor studievaardigheden blijkt uit deze nulmeting dat vrouwelijke mbo studenten significant hoger scoren als het gaat om metacognitieve strategieën (plannen, monitoren en time management). Dit impliceert dat mannelijke mbo-studenten vooral zouden kunnen profiteren van de hbo-studievaardigheden als onderdeel van het keuzedeel voorbereiding hbo. Hoe deze verschillen zich verhouden tot studievoortgang in het hbo, wordt na meting 2 in het hbo zichtbaar. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Studiekeuze en studievaardigheden zijn twee onderwerpen die vaak aan bod komen in de LOBpraktijk. Dit onderzoek tracht, door studenten zelf te ondervragen naar hun ervaringen met deze onderwerpen, in beeld te brengen hoe het gesteld is met hun exploratie naar en commitment aan een studiekeuze en welke studievaardigheden sterk zijn, dan wel waar ze nog aan kunnen werken.

Beide methodes lenen zich goed voor feedback aan studenten en studieloopbaanbegeleiders, en hier is in de ontwikkeling van het keuzedeel Voorbereiding Hbo ook gebruik van gemaakt. Studenten krijgen op deze manier inzicht in hun ontwikkeling van studiekeuzegedrag en studievaardigheden als zij de overstap maken van mbo naar hbo, en studieloopbaanbegeleiders kunnen hierop inspelen in de praktijk. 

>

Talentgerichte loopbaangesprekken

Huizinga, T., Woudt-Mittendorff, K. (2017)

Wat maakt een loopbaangesprek voor leerlingen echt leerzaam en stimulerend?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat loopbaangesprekken bijdragen aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties wanneer ze gericht zijn op reflectie, talenten en betekenisvolle ervaringen van leerlingen. Voor effectieve LOB‑gesprekken is het cruciaal dat mentoren starten vanuit de ervaringen van de leerling, goed doorvragen en beschikken over sterke gespreksvaardigheden zoals actief luisteren en oogcontact.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Om loopbaancompetenties te ontwikkelen is het van groot belang dat er in het onderwijs goede loopbaangesprekken met leerlingen gevoerd worden waarin reflectie een plek krijgt, waarin leerlingen worden aangesproken op hun talenten en waarin we leerlingen kunnen stimuleren meer actie te ondernemen en meer onderzoek te doen. Docenten en mentoren worden ook steeds meer gevraagd om leerlingen te begeleiden rondom deze aspecten (studiekeuze, loopbaanontwikkeling) maar onderzoek wijst uit dat dit nog niet altijd leidt tot de gewenste praktijken (Kuijpers, Meijers & Bakker, 2006).  

Verscheidene onderwijsinstellingen in het VO geven daarbij aan dat ze te maken hebben met groepen docenten die deze slag graag willen maken maar nog niet de juiste handvatten hebben om dit te doen. In het bijzonder gaat het dan om het voeren van deze gesprekken met leerlingen over hun loopbaan en toekomst. Om deze redenen is in het project ‘Talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek’ samen met scholen een methodiek ontwikkeld voor het voeren van goede loopbaangesprekken.  

Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de wijze waarop mentoren loopbaangesprekken nu daadwerkelijk voeren en welke werkzame principes we daaruit kunnen destilleren als het gaat om het voeren van goede gesprekken met leerlingen. Aan deze doelen zijn de volgende onderzoeksvragen gekoppeld:  

  1. Hoe kunnen we de inhoud, vorm en relatie van loopbaangesprekken kenmerken?
  2. Hoe ervaren leerlingen deze gesprekken, ten aanzien van de inhoud, vorm en relatie?
  3. Wat zijn werkzame principes van goede loopbaangesprekken?  

Om antwoord te geven op deze vragen is een kwalitatieve studie uitgevoerd (Yin, 2003).  

Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat mentoren de methodiek deels in de gesprekken toepassen. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat de insteek van het gesprek ook loopbaanoriëntatie en begeleiding is. In dit type gesprekken bespreken de mentoren, waar mogelijk, de talenten en kwaliteiten van de leerlingen of proberen koppelingen te maken met de ingebrachte betekenisvolle ervaringen, zodat de leerling nieuwe talenten en kwaliteiten ontdekt. Het starten vanuit een betekenisvolle ervaring van de leerling zelf zou nog meer ingezet kunnen worden. Hierbij is vooral de start van het gesprek van belang, aangezien daar de basis voor de vervolgstappen en bijbehorende acties worden bepaald.  

In de voorliggende rapportage doen we verslag van deze kwantitatieve studie. Naast dit kwalitatieve onderzoek is binnen het project ook kwantitatief onderzoek uitgevoerd door middel van vragenlijstonderzoek, zie hiervoor het rapport van Truijen, Woudt-Mittendorff en Pullen (2017). 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOBpraktijk?

Op basis van de inzichten wordt aanbevolen om tijdens loopbaangesprekken veel sterker in te zetten op het starten vanuit de betekenisvolle ervaring of de talenten van de leerling, aangezien hierdoor meer mogelijkheden worden geboden voor reflectie.  De analyses van de loopbaangesprekken tonen aan dat ook de reguliere gespreksvaardigheden van de mentoren extra getraind dienen te worden in de ontwerpsessies. Vooral het doorvragen en het oogcontact tussen mentor en leerling zijn hierin aandachtspunten. Het doorvragen draagt bij aan de reflectie, maar zorgt er ook voor dat de leerling ervaart dat de mentor actief luistert naar hetgeen er verteld wordt. Het oogcontact tussen mentor en leerling tijdens het gesprek zorgt ook dat non-verbale uitingen van de leerlingen meegenomen kunnen worden in het gesprek (bijv. vragend gezicht of enthousiasme). 

>

Wikken en Wegen in het hoger onderwijs. Over studieloopbanen en instellingsbeleid

Herweijer, L. & Turkenburg, M. (2016)

Hoe kunnen scholen en het hoger onderwijs jongeren beter begeleiden naar een passende en succesvolle studiekeuze?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat instellingen in het hoger onderwijs verschillende routes, intake‑instrumenten en begeleidingsvormen gebruiken om studenten op de juiste plek te krijgen, maar dat switch en uitval nog steeds hoog zijn. Voor LOB ligt de sleutel in betere studievoorlichting, realistischer beroepsbeelden, het durven geven van negatieve adviezen waar nodig en het versterken van binding tussen student en opleiding.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit onderzoek is het gebruik van verschillende routes naar het hoger onderwijs in kaart gebracht, evenals de achtergronden van de studenten die deze routes benutten. Ook zijn veranderingen in studieloopbanen en verschillen tussen studenten met uiteenlopende vooropleidingen onderzocht. Daarnaast zijn met vertegenwoordigers van hogescholen en universiteiten gesprekken gevoerd over de wijze waarop deze instellingen invulling geven aan het beleid om studenten op de goede plek te krijgen en studiesucces te bevorderen, en hun ervaringen daarmee. Instellingen in het hoger onderwijs voeren een gevarieerd beleid op het gebied van de intake, plaatsing en begeleiding van studenten ter bevordering van een goede studiekeuze en studiesucces. Er is verschil in aanpak tussen instellingen, maar vaak ook tussen de verschillende opleidingen binnen een instelling. De betrokkenen zijn voorzichtig positief over de studiekeuzecheck. Knelpunten doen zich voor bij de docenten die studenten over hun studiekeuze moeten adviseren – men wil niet graag een negatief advies geven; en bij de studenten zelf: zij beschouwen het soms als een toelatingsexamen, maar nemen bij een negatieve uitslag dat advies toch niet altijd ter harte. Terwijl instellingen iets selectiever in hun aannamebeleid kunnen zijn, zoals bij niet-verwante doorstroom van mbo’ers naar het hbo, laten ze dat soms na. Hbo’ers die naar het wetenschappelijk onderwijs doorstromen, moeten wel speciale doorstroomprogramma’s volgen en deficiënties wegwerken; hetzelfde geldt voor havisten in het hbo met een niet-passend profiel. Over het algemeen vinden de instellingen dat de toegankelijkheid in het hoger onderwijs niet is afgenomen; wel vindt men dat de selectiviteit na de poort is toegenomen. Men lijkt huiverig voor meer selectiviteit voor de poort, ook al zijn op dit moment de switch en uitval soms nog groot. De betrokkenen vinden de criteria op grond waarvan men kan selecteren echter onvoldoende bewezen. Bovendien vindt men het belangrijk dat het onderwijs zijn emancipatiefunctie behoudt. Uit de gesprekken met de instellingen bleek dat er twijfel en onzekerheid is over wat bewezen juiste criteria zijn om studenten adequaat te kunnen adviseren en plaatsen. Wel hebben instellingen het beeld dat decentrale selectie bijdraagt aan minder uitval en verhoging van het rendement, omdat beter gekwalificeerde en gemotiveerde – en daarmee meer kansrijke – studenten instromen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Er is verbetering mogelijk in de studievoorlichting en informatie over het soort beroepen dat men met een studie kan uitoefenen, nu zo veel jongeren switchen en uitvallen. Loopbaanoriëntatie en begeleiding in het voorafgaande onderwijs kunnen bijdragen aan een goede studiekeuze en het terugdringen van uitval in de vervolgopleidingen, ook al is het geen garantie dat studenten de juiste keuze maken.
Instellingen voor hoger onderwijs zouden bij opleidingen met een evident hoge uitval wat vaker een negatief advies moeten durven geven in het belang van de student en daarbij kunnen wijzen op alternatieven.

Verdere professionalisering van docenten gericht op het realiseren van binding: het scheppen van een band tussen student en instelling kan bijdragen aan beter verloop van studieloopbanen. Misschien is er wat te leren van opleidingen die er nu al beter in slagen om die binding tot stand te brengen. 

>

De rol van arbeidsmarktinformatie in de opleidingskeuze van mbo'ers.

Fouarge, D., Künn, A., & Punt, D. (2017)

In hoeverre nemen jongeren arbeidsmarktkansen mee in hun studiekeuze – en wat betekent dat voor LOB?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat jongeren hun studiekeuze baseren op interesses en competenties, maar dat arbeidsmarktperspectieven wel degelijk invloed hebben, vooral wanneer deze expliciet worden gepresenteerd. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat het integreren van heldere en transparante arbeidsmarktinformatie kan helpen om betere, realistischer keuzes te maken en spijt of mismatch met de arbeidsmarkt te voorkomen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit rapport is opgesteld in het kader van het Project OnderwijsArbeidsmarkt, dat als doel heeft om de transparantie van de arbeidsmarkt te vergroten. De centrale vraag in dit rapport is in welke mate studiekiezers gebruik maken van arbeidsmarktinformatie bij het maken van hun opleidingskeuzes. In het bijzonder gaan wij in op de afruil tussen preferenties, competenties en arbeidsmarktperspectieven in het studiekeuzeproces. De bevindingen zijn als volgt:  

  • Veel factoren spelen een rol in de studie- en beroepskeuze van jongeren. Ten eerste spelen (academische) prestaties en verwachtingen ten aanzien van de eigen capaciteiten en de match met de voor de opleiding vereiste competenties een rol. Deze verwachtingen zijn zelf een functie van de sociale context (invloed van ouders en vrienden) en eerder opgedane ervaringen. Ten tweede kan de keuze voor een opleiding volgens de menselijk kapitaal theorie worden beschouwd als elke andere vorm van investeringen: een afweging tussen de kosten (tijd en geld dat in opleiding wordt geïnvesteerd) en de baten (kans op werk en loon) van de investering in een opleiding.  
  • Het studiekeuzeproces is niet altijd het resultaat van een rationele overweging die jongeren maken ten aanzien van wat zij met hun opleiding kunnen bereiken. Toch blijkt uit wetenschappelijke literatuur dat jongeren wel degelijk reageren op informatie over de arbeidsmarktkansen van opleidingen, en dat deze informatie de studiekeuze beïnvloedt. In de literatuur vinden wij aanwijzingen dat jongeren na informatieverschaffing: 1) hogere verwachtingen hebben over de opbrengsten van onderwijs; 2) een sterkere intentie om in het onderwijs te blijven; 3) vaker voor vervolgonderwijs kiezen; 4) specifieke opleidingen kiezen met goede perspectieven op werk en loon. Deze literatuur is echter nog schaars en de exacte grootte van het effect van arbeidsmarktinformatie op de studiekeuze verschilt tussen onderzoeken.
  • Uit de literatuur blijkt dat het effect van arbeidsmarktinformatie op de studiekeuze verschilt naar sociale herkomst. Voor jongeren uit lage sociaaleconomische milieus geldt dat zij meer gevoelig zijn voor de gegeven arbeidsmarktinformatie, wellicht omdat bij hen de informatieachterstand groter is.
  • Wij vinden dat in de studiekeuze van mbo’ers arbeidsmarktperspectieven op plek 3 staan, achter wat men leuk vindt en goed kan. Evengoed neemt bijna 50% van de mbo’ers arbeidsmarktperspectieven mee in hun studiekeuze.
  • Mbo’ers worden met name door hun ouders beïnvloed in hun studiekeuze. Ouders blijken vooral effectief in het in beeld brengen van wat de mbo’ers leuk vinden en goed kunnen. Decanen en mentoren scoren minder goed als het gaat om mbo’ers een goed beeld te geven van de carrièremogelijkheden van opleidingen.
  • Eigen analyses op een speciale module van de mbo-monitor laten zien dat jongeren die carrièreperspectieven (heel) sterk hebben laten meewegen in hun keuze voor een mboopleiding een gunstigere arbeidsmarktsituatie hebben: ze hebben vaker werk, verdienen een hoger uurloon, hebben vaker werk op niveau en een betere aansluiting met de studierichting en zijn meer tevreden met hun functie/beroep. Ook rapporteren zij minder vaak spijt te hebben van hun opleidingskeuze.
  • In een keuze-experiment (vignetstudie) waarin jongeren moesten kiezen tussen twee mbo programma’s, gaan wij in op de afruil tussen preferenties, competenties en arbeidsmarktperspectieven. Onze analyses suggereren ten eerste dat jongeren gevoelig zijn voor de verwachte arbeidsmarktperspectieven van opleidingen bij het maken van hun keuze. Ten tweede komt naar voren dat het signaal ‘slecht’ (of het nu gaat op slecht passend bij interesses, of slechte arbeidsmarktkansen) een groter effect heeft op het niet kiezen voor een opleiding dan de tegenovergestelde boodschap ‘goed’ op de kans dat de opleiding wél gekozen wordt. Ten derde suggereren onze analyses dat studiekiezers bereid zouden zijn om te switchen van de opleiding van hun eerste voorkeur naar hun tweede voorkeur als de arbeidsmarktperspectieven voor de opleiding van hun tweede keuze beter zijn en als dit ze expliciet wordt verteld.   

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

LOB praktijk is er op gericht om jongeren te laten leren en ervaren wat studieprogramma’s inhouden, wat kenmerken van beroepen zijn en hoe deze passen bij de hun preferenties en competenties. Aandacht voor de arbeidsmarktkansen van opleidingen en beroepen is er in LOB praktijk nauwelijks. Dit is merkwaardig want een opleiding kiezen zonder aandacht te schenken aan de arbeidsmarktkansen van de opleiding kan resulteren in spijt van de gemaakte keuze en een gemiste aansluiting met de arbeidsmarkt. De bevindingen in dit rapport suggereren dat jongeren, afgezien van de standaard LOB activiteiten die zij ondernemen, baat hebben van transparante arbeidsmarktinformatie over de arbeidsmarktkansen van opleidingen. Het in het LOB praktijk integreren van informatie over de arbeidsmarktkansen van opleidingen die scholieren leuk en passend is aan te bevelen omdat het hen helpt betere keuzes te maken. 

>

Aansluiting Technisch Onderwijs en de Arbeidsmarkt

Fouarge, D., Bakens, J., & Bijlsma, I. (2018)

Wat zeggen de loopbanen van technici over arbeidsmarktkansen en studiekeuzes in de techniek?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat er grote tekorten zijn aan technisch personeel, terwijl veel technisch opgeleiden uiteindelijk in niet‑technische beroepen werken, waar hun vaardigheden ook waardevol blijken. Voor LOB is het belangrijk om jongeren expliciet te laten zien dat technische opleidingen brede en goede baankansen bieden, zowel binnen als buiten de techniek, en daarmee aantrekkelijk perspectief bieden op werk en inkomen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit rapport wordt data gepresenteerd om meer inzicht te krijgen in de omvang van technisch geschoold personeel dat in een niet-technisch beroep werkt. Daarnaast wordt data gepresenteerd die inzicht kan verschaffen in de factoren die een mogelijke rol spelen bij dit fenomeen, zoals de veranderende inhoud van werk waardoor er steeds meer technisch personeel nodig is voor niettechnische beroepen, de aansluiting tussen het techniekonderwijs en de arbeidsmarkt, en de kenmerken van technische en niet-technische beroepen. Dit resulteert in een overzicht van de omvang van het probleem van de aansluiting van technisch onderwijs en de arbeidsmarkt, en de baankenmerken die hierbij voorkomen.  

Er is sprake van een grote frictie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technici, met grote knelpunten in de personeelsvoorziening als gevolg. Bovendien komt een grote groep technici niet terecht in een typisch technisch beroep en waaiert uit over verschillende niet-technische beroepen. Enerzijds laten de cijfers duidelijk zien dat niet-technisch opgeleide mensen bijna nooit in een technisch beroep werken, dus dat er specifieke kennis nodig is voor technische beroepen die voornamelijk geleerd wordt tijdens een technische studie. Aan de andere kant geven veel technici met een niet-technisch beroep aan dat hun studie ook redelijk goed tot goed aansluit bij hun huidige functie. Dit geeft aan dat technische vaardigheden ook steeds vaker van pas komen in niettechnische beroepen. Als de vraag naar technisch geschoolden voor niet-technische beroepen steeds groter wordt, is het de vraag of dit uiteindelijk wel gezien moet worden als een uitstroom van technici uit de technische sector en als mismatch tussen opleiding en arbeidsmarktpositie.  

Technische beroepen wijken op een aantal punten sterk af van niet-technische beroepen. Zo zijn zowel de deeltijdfactor als het aandeel vrouwen relatief laag. Enerzijds kan de lage deeltijdfactor in technische beroepen duiden op een conservatieve werkkring, maar anderzijds zijn er veel technische beroepen waarvan de werkzaamheden dag en nacht doorgaan en er bijvoorbeeld in ploegendiensten gewerkt moet worden. In de metalektro-sector is een roep om meer mogelijkheden voor deeltijd werk om ook vrouwen te binden aan de sector. Het behouden van vrouwen met een technische opleiding voor een technisch beroep kan een oplossing zijn voor het capaciteitsprobleem van werkgevers in de techniek. Het tekort aan goed gekwalificeerd personeel op de arbeidsmarkt, zoals dat door werkgevers wordt aangegeven, moet op een andere manier worden opgelost.    

Daarnaast blijkt dat het loon voor hbo- en wo-technici hoger is in niet-technische beroepen. Aangezien dit ook gevonden worden voor recent gediplomeerden, worden deze resultaten in ieder geval voor deze groep niet bepaald door het feit dat bepaalde niet-technische beroepen, zoals manager, een hoger loon hebben. Als personeel schaars is, dan stijgen de lonen. Dit kan een verklaring zijn voor de hogere lonen van technici in niet-technische beroepen omdat technici daar schaarser zijn. Een andere verklaring is dat lonen in de techniek, door bijvoorbeeld cao’s of internationale concurrentie en outsourcing, lager liggen dan in andere sectoren. Een andere verklaring voor het hogere loon van technici buiten de techniek kan zijn dat de beste technici hogere lonen kunnen onderhandelen en daardoor niet in de techniek terecht komen. In hoeverre het loonverschil tussen technische en niet-technische beroepen voor mensen met meer ervaring in stand blijft door de bovenstaande redenen, of dat ook de samenstelling van niet-technische beroepen een rol speelt (zoals managers die een hoger loon hebben), kan in vervolg onderzoek bekeken worden.     

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De kansen op werk met een diploma uit de techniek voor mbo, hbo en wo gediplomeerden zijn doorgaans beter dan in andere domeinen. Uit onderzoek is gebleken dat jongeren de baankansen na diplomering wel degelijk overwegen wanneer deze expliciet gecommuniceerd worden naast informatie over de mate waarin de opleiding passend is bij de voorkeuren, maar ook dat jongeren bereid zijn voor een studie te kiezen die net minder past bij hun voorkeur wanneer deze opleiding betere kansen op werk heeft. Ons onderzoek suggereert dat het expliciet laten zien van de betere baankansen in technische studies er voor zou kunnen zorgen dat jongeren vaker voor dergelijke studies kiezen. Hierdoor zouden zijn sneller aan werk kunnen komen en kan de krapte aan personeel in het technische domein worden tegengegaan.  

>

Stroomlijnen. Onderzoek naar de doorstroom van vmbo naar havo

Esch, W.van, Neuvel, J. (2007)

Wat bepaalt het succes van vmbo‑leerlingen die willen doorstromen naar de havo?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat doorstroom van vmbo naar havo kansen biedt, maar dat succes sterk afhangt van taalvaardigheid, studievaardigheden, motivatie en werkhouding. Gezamenlijke en structurele begeleiding door vmbo‑ en havo‑scholen kan de slaagkans vergroten en meer vmbo‑leerlingen helpen het havo succesvol af te ronden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Om meer zicht te krijgen op feiten, ervaringen en opvattingen over de doorstroom van vmbo naar havo, heeft de Adviesgroep vmbo aan CINOP Expertisecentrum gevraagd om nader onderzoek. Dit rapport is daarvan het resultaat. Het brengt feiten in beeld over het percentage dat doorstroomt, maar ook over de kansen om het havo met succes af te ronden. Daarnaast komen ervaringen en opvattingen aan de orde van havo-scholen met de leerlingen uit beide leerwegen. Daaruit blijkt dat havo-scholen allerlei waarborgen inbouwen voordat zij besluiten tot toelating. Het vmbo-diploma op zich wordt als onvoldoende garantie op succes beschouwd.
Het onderzoek leert ook dat een deel van de instromers uit het vmbo het havo niet met succes afmaakt en een deel daar wel in slaagt.  Naar inschatting van havo’s schiet 30 tot 40 procent van de tl’ers op een of meer onderdelen tekort, dan wel beheersen ze deze onvoldoende. Daarbij gaat het om de beheersing van het Nederlands, van schrijven en lezen, van moderne vreemde talen, van wiskunde en van gedragskenmerken, zoals leermotivatie, werkhouding en zelfstandigheid. Overigens zijn er grote verschillen tussen havo’s wat betreft de inschatting van de genoemde aspecten. Havo’s geven tenslotte aan dat inzet, motivatie en werkhouding van doorslaggevende betekenis zijn voor het welslagen van vmbo’ers op het havo. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het succes van vmbo-ers op het havo zou wel eens groter kunnen worden als havoscholen en vmboscholen zich gezamenlijk inspannen voor het stelselmatig begeleiden van de instromers uit het vmbo. Wij hopen dat het onderzoek bijdraagt aan het ontwikkelen van structurele inspanningen om de overgang van vmbo naar havo beter te laten verlopen en dat daardoor meer vmbo’ers met succes het havo zullen afsluiten.
e resultaten van dit onderzoek lijken er in ieder geval op te wijzen, dat er nog potentieel zit voor een succesvolle voortzetting van de schoolloopbaan in het havo voor vmbo-ers. 

>

Nabij op afstand: ouders en het mbo

Esch, W. van, R. Petit & F. Smit (2011)

Welke rol kunnen ouders spelen in het studiesucces en de loopbaanoriëntatie van mbo‑studenten?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat ouderbetrokkenheid in het mbo vaak beperkt is, terwijl ouders wel degelijk op afstand een belangrijke rol spelen bij motivatie, toekomstperspectief en loopbaanoriëntatie. Voor LOB biedt dit kansen door ouders structureel en laagdrempelig te betrekken bij intake, voorlichting en oriëntatieactiviteiten, zodat de dialoog over de loopbaan thuis kan worden versterkt.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Nabij op afstand verkent de literatuur over dit thema en de initiatieven die mbo-instellingen nemen om ouders te betrekken bij het onderwijs.
Ouderbetrokkenheid op het mbo is geen gemeengoed. Vaak is er alleen contact op formele momenten zoals bij de diploma-uitreiking of als er problemen zijn. Toch zijn er ook instellingen die hier wel sterk in investeren. Zij zien het contact met ouders als een noodzakelijke voorwaarde voor het schoolsucces van deelnemers.
De rol van ouders van mbo’ers is duidelijk anders dan in het primair en voortgezet onderwijs. Jongeren zijn (bijna) volwassen en zien hun ouders vaak liever niet op school of zich bemoeien met huiswerk. Tegelijkertijd blijven ouders wel degelijk een belangrijke rol spelen, maar meer op afstand. Zij zijn bijvoorbeeld belangrijke gesprekspartners als het gaat om het belang van de opleiding voor het toekomstperspectief en loopbaanoriëntatie. Onderwijsinstellingen kunnen met deze literatuurverkenning en goede voorbeelden ideeën opdoen om ouderbetrokkenheid binnen de eigen instelling vorm te geven.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Met dit verkennend onderzoek is enig zicht ontstaan op voorkomende aanpakken, belemmerende en bevorderlijke factoren. Wel zijn de ervaringen contextspecifiek en beperkt in aantal en is hiermee niet in algemene zin te zeggen ‘hoe het moet’. De ervaringen kunnen wel een bron van ideeën vormen en suggesties opleveren. De onderzoekers noemen er een aantal op basis van literatuur en interviews. Voor instellingen die beginnen met ouderbetrokkenheid is het aan te raden om eerst een meerjarenplan te maken met niet te hoge ambities. Belangrijk is dat er binnen de instelling iemand is die ‘de kar gaat trekken’, naast een directie die dit belangrijk vindt, stimuleert en faciliteert. In de communicatie met ouders zijn tien-minutengesprekken niet voldoende. Zorg dat ouders erbij horen en dat hun rol en inzet van begin af aan duidelijk is. En betrek ze niet pas wanneer zich problemen voordoen. Ouders kunnen bij reguliere activiteiten worden betrokken, bij het intakegesprek, bij voorlichtingsbijeenkomsten of presentaties van studenten. Dit kost weinig extra tijd en leidt tot meer contactmomenten. De ‘dialoog’ over de loopbaan wordt voor een belangrijk deel thuis gevoerd. Zorg dat ouders kunnen mee-oriënteren op vervolgopleidingen en beroepen, meegaan naar open dagen en bedrijfsbezoeken zodat zij hier thuis verder over deze ervaringen kunnen praten. Verder worden praktische tips gegeven, bijvoorbeeld over contact onderhouden met moeilijk bereikbare ouders en hoe te handelen bij verzuim. 

>

Sociaal kapitaal in het mbo: slagboom of hefboom? Onderzoek onder mbo'ers en docenten.

Esch, W. van, Petit, R., Neuvel, J., & Karsten, S. (2011)

Hoe belangrijk zijn netwerken en sociale contacten voor de loopbaanontwikkeling van mbo‑studenten?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat het sociaal kapitaal van mbo‑studenten sterk verschilt en grote invloed heeft op studiesucces, stagekansen en loopbaankeuzes. Juist studenten met een klein of beperkt netwerk kunnen baat hebben bij extra ondersteuning vanuit school, bijvoorbeeld door maatschappelijke participatie, samenwerking met verenigingen en gerichte begeleiding bij loopbaanvragen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Deze studie gaat over het sociaal kapitaal van mbo’ers. Kapitaal verwijst naar iets waardevols, bij sociaal kapitaal zijn het de relaties tussen mensen die waardevol zijn. Het kan gaan om mensen die men via studie of werk leert kennen of via vrijetijdsactiviteiten; denk aan de sportclub waar de trainer jongeren wijst op een sportopleiding of ouders met elkaar praten over welke opleiding voor hun zoon of dochter geschikt zou zijn. We weten al het nodige over het sociaal kapitaal van volwassenen, maar hoe zit dat met dat van jongeren, en nog meer specifiek dat van mbo’ers. Over deze vraag gaat dit onderzoek. Sociaal kapitaal valt (groten)deels samen met wat we tegenwoordig netwerken noemen. In netwerken van mbo’ers bevinden zich allerlei mensen die hen kunnen helpen bij bijvoorbeeld het succesvol afronden van hun studie, bij het gemakkelijker vinden van een stageplaats, een vervolgopleiding, of een baan op de arbeidsmarkt. We weten dat volwassenen die personen kennen met beroepen met veel prestige, eerder een baan vinden, of een betere baan, of een beter betaalde baan. Onderzocht is hoe het netwerk van mbo-studenten eruitziet. Hoeveel beroepsbeoefenaren zij kennen en welke beroepen voorkomen in hun netwerk. En daarnaast er ook hulpbronnen zijn in de netwerken; mensen die kunnen helpen bij schoolopdrachten, bij het vinden van een stageplek en bij de studie-en beroepskeuze. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Studenten op het mbo verschillen enorm van elkaar als het gaat om het netwerk. Sommigen hebben een rijk sociaal leven en een groot en gevarieerd netwerk van beroepsbeoefenaren. Anderen daarentegen kunnen nergens terecht voor hulp of een goed gesprek, bijvoorbeeld over de beroepskeuze. Juist voor die laatste categorie kan de school iets extra’s betekenen en hen helpen hun sociaal kapitaal te versterken. Maar hoe?
Als rode draad in het onderzoek kwam naar voren dat maatschappelijke participatie, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk of lidmaatschap van een vereniging, het sociaal kapitaal ten goede komt. Jongeren leren hierdoor meer mensen kennen met allerlei verschillende beroepen en ook meer mensen die hun kunnen helpen bij hun leerloopbaan. Maatschappelijke participatie is niet voor alle jongeren vanzelfsprekend. De school zou kunnen bevorderen dat jongeren maatschappelijk actief zijn, door bijvoorbeeld schoolopdrachten te verbinden aan vrijwilligerswerk of samen te werken met het plaatselijke club/verenigingsleven. Ook in de sociale contacten van studenten onderling kan de school iets betekenen, bijvoorbeeld door het organiseren van feesten of sportactiviteiten. Verder kunnen scholen jongeren die in hun netwerk van familie, vrienden en kennissen weinig hulp kunnen verwachten, extra begeleiding bieden. Deze jongeren zijn immers vooral op de school aangewezen bij belangrijke keuzes. 

>

The transition to post-secondary vocational education

Elffers, L. (2011)

Waarom is de overgang naar het mbo voor veel jongeren een kwetsbaar moment in hun schoolloopbaan?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat de overstap naar het mbo voor veel studenten moeilijk is en dat studiesucces in het eerste jaar sterk samenhangt met ervaren aansluiting, realistische verwachtingen en ondersteuning vanuit thuis. Voor LOB onderstreept dit het belang van intensieve begeleiding bij de vmbo‑mbo‑overgang, vooral voor studenten met schulden, minder ouderlijke steun of een verhoogd risico op uitval.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Voor veel studenten blijkt de overgang naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) lastig: het aantal voortijdig schoolverlaters piekt in het eerste jaar na de overgang naar het mbo. Louise Elffers volgde eerstejaars MBO-studenten en onderzocht welke factoren bijdragen aan het studiesucces of de uitval in het eerste jaar. Om het studiesucces van MBO-studenten  te  bevorderen, is het nodig meer te weten te komen over de precieze factoren die hen  belemmeren  in  hun schoolloopbaan. Omdat de achtergronden van schooluitval divers zijn, is daarbij naar verschillende invloedssferen, zowel binnen als buiten de school, gekeken. Voor de preventie van uitval is het met name belangrijk om factoren te identificeren die beïnvloedbaar zijn met onderwijs-gerelateerde interventies. Uit haar studie blijkt dat de inhoudelijke aansluiting die studenten ervaren in hun mbo-opleiding hun studiesucces in het eerste jaar sterk beïnvloedt. Er lijkt echter sprake te zijn van een kloof tussen de aanvankelijke verwachtingen van studenten en hun feitelijke ervaringen. Hoge verwachtingen kunnen de kans op uitval in sommige gevallen verhogen, onder meer onder studenten met een migratie-achtergrond. Elffers stelt ook dat het hebben van schulden een sterk verstorende invloed heeft op het studiesucces. Ouderlijke ondersteuning speelt een belangrijke rol in de schoolloopbaan van de studenten. Studenten met een verhoogd risico op uitval, zoals jongeren uit armere of lager opgeleide gezinnen, ervaren over het algemeen minder ouderlijke ondersteuning. Veel zogeheten risicoleerlingen hebben moeite om het hoofd boven water te houden, met name in de eerste maanden. Elffers doet aanbevelingen om deze jongeren beter te ondersteunen in hun schoolloopbaan. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek beschrijft waarom het belangrijk is om studenten te begeleiden bij het navigeren bij de overstap van het vmbo naar het mbo, met name wanneer studenten minder ondersteuning hebben in hun thuisomgeving. Het laat zien hoe de binding met de onderwijsomgeving zich ontwikkelt gedurende het eerste jaar en welke factoren daarop van invloed zijn. 

>

Op weg naar het hbo. Havo-leerlingen en mbo-studenten over de overstap naar het hbo

Elffers, L.& Vervoort, M. (2018)

Wat hebben havisten en mbo‑studenten nodig om goed voorbereid de overstap naar het hbo te maken?

____________________________

Het onderzoek brengt de overwegingen, verwachtingen en ondersteuningsbehoeften van laatstejaars havisten en mbo‑4‑studenten bij de overgang naar het hbo in kaart en laat zien dat deze groepen verschillende behoeften hebben. Voor LOB ligt de sleutel in gerichte voorbereiding en begeleiding, met extra aandacht voor studievaardigheden, praktijkgericht werken en kwetsbare groepen zoals mbo‑studenten, mannen en eerstegeneratie‑studenten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Een belangrijke vraag voor havo- en mbo-instellingen, maar ook voor het hbo zelf, is wat zij kunnen doen om leerlingen en studenten optimaal voor te bereiden op de overstap naar het hbo. Daarvoor is het nodig beter zicht te krijgen op de overwegingen van havisten en mbo’ers om wel of niet door te studeren in het hbo, op de verwachtingen die ze hebben van het verloop van hun overstap naar het hbo, en op hun ondersteuningsbehoeften bij het maken van de overstap.  In dit onderzoek wordt een beeld geschetst van de overwegingen, verwachtingen en ondersteuningsbehoeften van laatstejaars havisten en mbo-4-studenten voorafgaand aan hun overstap naar het hbo. Daarbij wordt telkens getoetst op welke punten deze twee groepen van elkaar verschillen. Havisten en mbo’ers verschillen echter ook op een aantal andere aspecten dan hun vooropleiding, en die verschillen kunnen eveneens van invloed zijn op het verloop van de overstap naar het hbo. Zo zijn mbostudenten vaker dan havisten afkomstig uit gezinnen met een migratie-achtergrond, en ook hebben ze vaker ouders die zelf geen hoger onderwijs hebben gevolgd. Dit zijn twee kenmerken die samenhangen met een verhoogd risico op uitval in het hbo. Het is daarom van belang te toetsen in hoeverre de gevonden verschillen zijn toe te schrijven aan een verschil in onderwijsachtergrond of aan een verschil in thuisachtergrond.
De bevindingen van dit onderzoek bieden input voor het evalueren en verbeteren van de voorbereiding en begeleiding die aankomend studenten wordt geboden in aanloop naar hun overstap naar het hbo. De resultaten geven voor het mbo en het havo een aantal gerichte aanknopingspunten om hun leerlingen en studenten te kunnen ondersteunen bij het maken van de overstap naar het hbo. Zo lijkt in het mbo nog flink winst te behalen in de informatievoorziening over doorstroom naar het hbo, en in de voorbereiding op specifieke hbo-studievaardigheden. Mbostudenten geven in dit onderzoek op verschillende punten aan dat zij meer ondersteuning zouden willen krijgen van hun school dan op dit moment het geval is. In het havo lijkt met name behoefte te bestaan aan meer voorbereiding op het praktijkgerichte werken dat beroepsonderwijs kenmerkt, en mag de nadruk op kennis en werken aan de hand van theorie juist een tandje minder van de respondenten. Naast de specifieke bevindingen met betrekking tot het havo en het mbo, vragen ook de bevindingen met betrekking tot mannelijke studenten en eerstegeneratie-studenten om aandacht. Mannen hebben vaker twijfels over een goed verloop van hun overstap naar het hbo en hebben met name behoefte aan hulp bij het leren plannen. Eerstegeneratie-studenten geven duidelijk aan voor ondersteuning in hun studieloopbaan niet altijd goed bij hun familie terecht te kunnen en meer hulp van de hbo-instelling nodig te hebben. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek brengt in beeld op welke specifieke punten verschillende studentgroepen ondersteuningsbehoefte hebben bij de overstap naar het hbo. 

>

Career learning environments in vocational education

Draaisma, A. (2018)

Wat is er nodig om loopbaanoriëntatie en -begeleiding duurzaam te verankeren in het mbo?

____________________________

Het onderzoek naar het project LOB in het mbo laat zien dat docenten zich loopbaangerichter zijn gaan opstellen, maar dat deze verandering vaak niet structureel werd geborgd in schoolbeleid en organisatie. Duurzame LOB‑implementatie vraagt om sterk leiderschap, een gedeelde visie, collectieve leerprocessen en continue dialoog tussen docenten en leidinggevenden, met voldoende balans tussen richting en ruimte.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Om een loopbaangerichte leeromgeving te bevorderen namen 37 mbo-instellingen deel aan het stimuleringsproject ‘LOB in het mbo’ (2010 tot 2015), dat werd uitgevoerd door MBO Diensten. Docenten werden getraind om betere loopbaangesprekken met studenten te voeren. Daarnaast kregen alle participerende scholen professionele begeleiding om loopbaanreflectiegesprekken en een vraag- en praktijk gestuurd curriculum te integreren in hun beleid.  

Uit het promotie-onderzoek gericht op dit project blijkt dat docenten zelf aangaven meer loopbaangericht te zijn in de benadering van hun studenten dan aan het begin van het project. Daarmee leek een verandering in cultuur gestart. Deze werd echter nauwelijks geborgd in de schoolstructuur: de uitvoering van LOB was grotendeels de verantwoordelijkheid van individuele docenten en leidde niet tot structurele veranderingen. Voor deze uitkomsten werd een aantal verklaringen gevonden.  

Ten eerste was er sprake van een onvolledig collectief leerproces van de docenten. De docenten wilden wel leren en werken met hun teamgenoten maar, dit leerproces beperkte zich doorgaans tot formele leermomenten waar kennis werd overgedragen. Daarnaast misten de docenten betrokkenheid bij een gezamenlijke visie op het veranderproces, en konden ze het project en hun rol daarin lange tijd niet plaatsen.  

Ook ontbrak het aan een goede balans tussen instructie en eigen ruimte. Projectleiders gaven vaak aan dat een ‘bottom-up’ benadering werd gehanteerd met heel veel vrijheid, maar de meeste docenten ervoeren juist te weinig richting wat betreft de ambities en bedoeling van het veranderproces. Scholen waarbij duidelijke kaders en richting werden geschetst, maar waar ook ruimte was voor eigen inbreng en ontwikkeling, ontwikkelden zich wel positief tot een loopbaangerichte leeromgeving. 

Ten slotte bleek er weinig structurele communicatie tussen docenten van dezelfde teams en scholen plaats te vinden. Er was ook weinig contact tussen managers en docenten over het veranderproces. De docenten en projectmanagers hadden daar wel veel behoefte aan. Individuele begeleiding bij het leerproces, en communicatie over het waarom en hoe werd gemist. In de casestudie waar structurele communicatie wel een integraal onderdeel van de implementatie was, was de school op grote schaal bezig met creatie van loopbaangerichte leeromgevingen en bleek hiervoor voldoende draagvlak aanwezig.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek richtte zich op de LOB implementatieprocessen in het mbo, maar de aanbevelingen zijn overdraagbaar naar de andere sectoren.  

Het is slim leidinggevenden vanaf het begin stevig bij het LOB te betrekken. Teamleiders, maar ook directeuren, zijn hard nodig voor duidelijkheid over de doelen en de weg, facilitering van het traject en het begeleiden van de individuele leerprocessen van docenten. Daarnaast is het raadzaam om een collectief leerproces als implementatiemodel te hanteren; dit garandeert dat alle fasen van leren cyclisch doorlopen worden, wat tot gezamenlijke en duurzame verandering leidt (zie: Castelijns, Vermeulen en Kools, 2013; en Lodders, 2013). Ten slotte is het raadzaam structureel overleg over de implementatie en borging te organiseren met verschillende lagen binnen de organisatie, waarbij ook ruimte is voor dilemma’s, onzekerheid en succesverhalen.  

Teamleiders, directeuren en zelfs een College van Bestuur zouden vanaf de eerste dag helder moeten zijn over de doelen en de strategie. Maar het is ook aan te raden om samen met docenten en middenmanagers een visie te ontwikkelen, om gevoelens van autonomie en gedeelde verantwoordelijkheid te stimuleren, en het perspectief en de expertise van de docenten mee te nemen. Het voeren van de dialoog met individuele medewerkers draagt bij aan steun tijdens de individuele leerprocessen die onvermijdelijk ook optreden, en die steun en aandacht is hard nodig tijdens veranderingen in routines en basisaannames. Iedere docent blijkt zijn eigen individuele, onzekere leerproces door te maken, en heeft behoefte aan steun, aandacht en advies. In dialoog kan de balans beter bewaakt worden tussen sturing en ruimte, zoals passend bij de school en de situatie.  

Ten slotte is het aan de docenten om zo nodig begeleiding te vragen tijdens hun leerproces. Het is voor een leidinggevende niet altijd makkelijk om in te schatten wat een groep of individu nodig heeft. Ook dragen zij de meeste verantwoordelijkheid voor de leeromgeving van de student, en het is grotendeels aan hen om de lespraktijk aan te passen aan wat de samenleving vraagt van toekomstige werknemers.

>

Kiezen voor technisch VMBO: De rol van ouders en hun beeld van techniek

De Vleeschouwer, E., Wiemers, S., Zandvliet, K. (2020)

Welke rol spelen ouders en beeldvorming bij het keuzeproces van vmbo‑leerlingen, vooral richting techniek?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat ouders een belangrijke, vaak onbewuste rol spelen in het keuzeproces van hun kind en over het algemeen een positief beeld hebben van techniek, al denken velen dat aanleg een voorwaarde is. Voor LOB ligt de grootste winst in het goed informeren en betrekken van ouders, het benadrukken dat technische vaardigheden te leren zijn en het laten zien hoe breed en veelzijdig de technieksector is, met extra aandacht voor ouders met een migratieachtergrond.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De rol van ouders

Ouders spelen een belangrijke rol in het keuzeproces van leerlingen. In de literatuur wordt dit door leerlingen zelf en door scholen aangegeven. Uit onze enquête komt naar voren dat ouders hun eigen rol als minder groot zien. De invloed van ouders in het keuzeproces is vaker onbewust dan bewust en begint al vanaf jonge leeftijd, dat wil zeggen vanaf de basisschool. In de literatuur wordt gevonden dat achtergrondkenmerken van ouders van belang zijn voor de profielkeuze van hun kind. In onze enquête is deze samenhang niet bevestigd: er blijkt weinig verschil tussen groepen ouders te bestaan. Dit betekent voor de voorlichtingspraktijk dat het indelen van ouders in doelgroepen op basis van achtergrondkenmerken waarschijnlijk weinig zinvol is in het vmbo. De te kiezen benadering voor het betrekken van ouders bij de profielkeuze is van andere factoren afhankelijk.  

Uit onze enquêteresultaten blijkt een duidelijke samenhang te bestaan tussen de mate waarin ouders zich (laten) informeren over de profielkeuze en de invloed die zij denken te hebben op de keuze van hun kind. Hoe beter geïnformeerd ouders zijn, hoe meer invloed zij denken te hebben. Hoewel het oorzakelijk verband niet nader te bepalen is, kan deze samenhang wel nuttig zijn bij het vormgeven van initiatieven voor ouderparticipatie rond de profielkeuze.  

Beeldvorming

De enquête wijst uit dat het overgrote deel van de ouders van vmbo-leerlingen een redelijk positief beeld heeft van techniek en technische beroepen. Als we de ouders vragen naar het eerste wat bij hen opkomt als ze aan techniek denken, noemen ze wat vaker meer “traditionele” beroepen of aspecten. Een opvallende uitkomst van de enquête is dat een meerderheid van de ouders meent dat je voor techniek aanleg moet hebben. Ouders met een migratieachtergrond blijken een iets minder goed beeld te hebben van hoe breed de technieksector is. Ook heeft deze groep vaker een negatief beeld over de arbeidsomstandigheden in de technieksector: zij denken vaker dat technisch werk onveilig of gevaarlijk en zwaar is.  

De keuze voor techniek wordt deels al bepaald door de keuze voor een middelbare school. Niet alle vmbo-scholen bieden namelijk technische profielen aan. Leerlingen van scholen zonder techniekprofiel zullen minder snel in contact komen met technische opleidingen en beroepen. Ouders en leerlingen laten zich bij de keuze voor een middelbare school nauwelijks leiden door het aanbod van de school. Zij kijken vaker naar de afstand van huis naar school en de ervaringen van anderen. De mogelijkheden worden vaak pas ontdekt als het kind al op de school zit, waarna er niet snel meer van school wordt gewisseld.  

Instrumenten

Vmbo-scholen proberen leerlingen en ouders te helpen bij de profielkeuze door middel van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB). Er zijn diverse instrumenten, benaderingen en adviezen beschikbaar voor de inrichting van LOB op vmbo-scholen, zoals bedrijfsbezoeken en één-op-één gesprekken met de leerling, ouders en mentor. Het LOB-beleid verschilt per school. Uit de enquête blijkt dat de meeste ouders zich voldoende geïnformeerd voelen, wat erop duidt dat de instrumenten aansluiten bij hun behoeften. In de open antwoorden bij de enquête worden één-opéén gesprekken vaak genoemd als tip voor scholen om leerlingen en ouders te helpen bij de profielkeuze.  

Er zijn twee concrete handreikingen beschikbaar voor het vergroten van de ouderbetrokkenheid bij de profielkeuze op het vmbo. Uit deze handreikingen blijkt dat het van belang is om te zorgen dat er niet te veel contactmomenten worden gepland, met het doel deelname voor ouders laagdrempelig te houden en te zorgen dat het organisatorisch behapbaar blijft voor scholen. Er wordt geadviseerd om de contactmomenten te integreren met bestaande bijeenkomsten, zoals het rapportgesprek en plenaire ouderavonden. Aanvullend op de contactmomenten kunnen bijvoorbeeld thuisopdrachten worden ingezet. Het is de bedoeling dat ouders en kind deze opdrachten samen uitvoeren. Daardoor dragen deze in principe bij aan een grotere betrokkenheid van de ouders bij de keuze van hun kind.  

Ouders denken nog vaak dat je voor techniek aanleg moet hebben. Het is dus van belang om aandacht te besteden aan het feit dat technische vaardigheden aan te leren zijn. Dit kan leerlingen die weinig vertrouwen in hun technische capaciteiten hebben, stimuleren om toch voor techniek te kiezen. 

Uit de enquête en groepsgesprekken blijkt dat ouders een goed beeld van techniek hebben. Het blijft wel belangrijk om hen te laten zien dat techniek een brede sector is. Door de link te leggen tussen techniek en andere sectoren, zoals de zorg, wordt de sector ook voor jongeren met andere interessegebieden aantrekkelijker.  

Aanknopingspunten

Het is evident dat ouders moeten worden betrokken bij het keuzeproces. De vraag is in welke mate de beïnvloeding zich zou moeten richten op (a) de profielkeuze in algemene zin en (b) de keuze voor techniek. Mogelijkheden om deelname aan het technisch vmbo te bevorderen, zijn op basis van dit onderzoek vooral te vinden in:

  • Leerlingen en hun ouders op scholen zonder een technisch profiel informeren over technische keuzevakken binnen de eigen school of technische profielen op andere scholen. Scholen zonder technisch profiel kunnen technische beroepsgerichte keuzevakken aanbieden om zo de keuze voor techniek te stimuleren. 
  • Duidelijker maken dat technische vaardigheden zijn te leren en dat aanleg hiervoor geen voorwaarde is.
  • Beïnvloeden van de beeldvorming van ouders met een migratieachtergrond (in ieder geval in grootstedelijk gebied).  

Tot slot geven de onderzoeksresultaten weinig aanleiding om verschillende groepen ouders te onderscheiden op basis van achtergrondkenmerken of andere factoren. Alleen ouders met een migratieachtergrond lijken een wat negatiever beeld te hebben van techniek, hoewel de verschillen op basis van de enquête niet erg groot zijn. Verschillen zitten vermoedelijk vooral in “zachte kenmerken”, zoals de aard van de relatie tussen ouder en kind. Het is wenselijk dat er een instrument wordt ingezet dat scholen in een vrij vroeg stadium in staat stelt vast te stellen of ouders goed geïnformeerd zijn, bijvoorbeeld door middel van individuele gesprekken tussen school en ouders. Op deze manier kan er vervolgens extra aandacht worden besteed aan ouders die meer behoefte aan hebben aanvullende informatie of begeleiding. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Ouders spelen een belangrijke rol in het keuzeproces van leerlingen. Het beeld dat zij van techniek hebben is positief. Om deelname aan het technisch vmbo te bevorderen, zien wij de volgende aanknopingspunten richting ouders:

  • Laat zien dat techniek een brede sector is, die raakvlakken heeft met andere sectoren.
  • Benadruk dat technische vaardigheden zijn aan te leren en dat aanleg hiervoor geen voorwaarde is.
  • Stel in een vroeg stadium vast of ouders goed geïnformeerd zijn over het keuzeproces, zodat er extra aandacht kan worden besteed aan ouders die meer behoefte hebben aan aanvullende informatie of begeleiding.
  • Besteed hierbij extra aandacht aan ouders met een migratieachtergrond, omdat zij over het algemeen een wat negatiever beeld hebben van techniek.
  • Informeer leerlingen en hun ouders op scholen zonder een technisch profiel over technische keuzevakken binnen de eigen school of technische profielen op andere scholen.
>

Kiezen van een opleiding. Van ervaring naar zelfsturing. Can it be done?

Den Boer, P.R. (2009)

Wat betekent arbeidsidentiteitsontwikkeling voor LOB en hoe kan het onderwijs dit gericht ondersteunen?

____________________________

Het onderzoek presenteert een model waarin arbeidsidentiteit ontstaat door een combinatie van relevante praktijkervaringen en reflectie, die samen leiden tot zelfkennis en loopbaanontwikkeling. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat scholen ervaringsleren centraal moeten stellen en onderwijs praktijk‑, dialoog‑ en vraaggericht moeten inrichten, met ruimte voor eigen vragen en ambities van leerlingen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek is opgebouwd in een viertal hoofdstukken waarin wordt beschreven wat het belang en de context is van keuzeprocessen, wat – gezien de kennis uit empirie en theorie – een goed model kan zijn om deze keuzeprocessen te beschouwen en wat dit denkkader betekent voor de onderwijspraktijk.  

Inhoudelijk wordt op grond van empirische kennis en theoretische overwegingen, een model gepresenteerd voor arbeidsidentiteitsontwikkeling (zelfkennis gerelateerd aan arbeid). Deze kennis, zo laat de auteur uit eigen onderzoek zien, wordt ontwikkeld door het opdoen van relevantie praktijkervaring in combinatie met de verwerking daarvan (reflectie). Elk afzonderlijk hebben ervaring noch reflectie effect op de ontwikkeling van deze zelfkennis. Voor onderwijs betekent dit dat er voor leerlingen gelegenheid georganiseerd moet worden om ervaring op te doen en die ervaring door middel van reflectie te verwerken. Dat vereist van onderwijs dat het praktijkgericht, dialooggericht en vraaggericht is.

Elk van deze elementen wordt uitgewerkt. Met name vraaggerichtheid vinden veel scholen een lastig onderwerp. De auteur stelt dat het onderwijs hier aan de hand van twee leidende vragen mee om zou kunnen gaan, namelijk: 1. Wat wil je hier halen? En 2. Hoe kunnen wij jou daar zo goed mogelijk bij helpen? Hierbij hoort dat de leerlingen en studenten worden ondersteund in het zicht krijgen op de eigen wensen en ambities en dat hiervoor (voldoende) ruimte beschikbaar wordt gesteld in het curriculum. Het advies dat hier wordt gegeven is om vroeg te beginnen. Na de basisvorming moet een kind eigenlijk al in aanraking worden gebracht met minimaal twee bedrijfstakken. Door inzicht te geven in de beroepsdilemma’s, wordt direct appel gedaan op de vraag wat het individu zou doen als hij/zij wordt geconfronteerd met dit dilemma. De ontwikkeling van de arbeidsidentiteit stopt dus zeker niet bij de start van een beroepsopleiding, maar hoort daar verder te worden ontwikkeld. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

LOB is ervaringsleren. Dat wil zeggen dat lerenden in staat gesteld moeten worden relevante praktijkervaring op te doen en die (door middel van reflectie) te verwerken. Van een school vraagt dat praktijkgerichtheid, dialooggerichtheid en vraaggerichtheid. 

>

A routine perspective on implementing reflective career conversations in education

Den Boer, P., & Hoeve, A. (2017)

Hoe krijgen scholen meer grip op het duurzaam invoeren van reflectieve loopbaangesprekken?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat de implementatie van loopbaanreflectie en bijbehorende gespreksvoering diep ingrijpt in bestaande routines van docenten, teams en management. Door routines expliciet te maken en bewust te werken aan routineverandering, kunnen scholen voorkomen dat loopbaangesprekken een tijdelijke ‘hype’ worden en daadwerkelijk bijdragen aan betekenisvolle loopbaanbegeleiding.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit artikel staat de vraag centraal hoe scholen meer grip kunnen krijgen op de implementatie van loopbaanreflectie en de bijbehorende gespreksvoering. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de begrippen ‘routine’ en ‘routineverandering’. Op basis van de kennis die op dit terrein bestaat wordt duidelijk hoe diep zo’n implementatieproces ingrijpt in de organisatie, zowel op elke docent individueel, als op het niveau van het docententeam en het management van de school. Routines worden in de wetenschappelijke literatuur beschouwd als ‘terugkerende collectieve handelingspatronen’. (Denk aan een team dat zonder dat er enig overleg is de werkzaamheden start:  mensen weten als vanzelf wie wat wanneer moet doen). Routines ontstaan min of meer vanzelf en mensen zijn geneigd ze in stand te houden omdat dit hen een aantal belangrijke voordelen oplevert: ze zijn een baken van zekerheid. Verandering van routines is een lastige klus, helemaal als de omgeving onzeker is. In dit artikel passeren een aantal mogelijkheden voor routineverandering de revue. Daarbij wordt nagegaan wat elk daarvan van het management van een organisatie vereist. In het artikel wordt betoogd dat onderkennen wat van iedereen gevraagd wordt, doorslaggevend is voor het succes van een implementatieproces. De begrippen routine en routineveranderingen maken dat op detailniveau mogelijk.  

Reflectieve loopbaangesprekken vormen een onmisbaar instrument in de loopbaanbegeleiding van leerlingen in het beroepsonderwijs. Deze gesprekken helpen leerlingen om te leren van hun (werk)ervaringen en meer inzicht te krijgen in hun drijfveren op de arbeidsmarkt. Onderzoek toont aan dat het in een samenleving waarin verandering de enige constante lijkt te worden, belangrijk is om te weten wat de eigen drijfveren in het werk zijn. De invoering en uitvoering van reflectieve loopbaangesprekken in het Nederlandse beroepsonderwijs verloopt echter moeizaam. In dit artikel introduceren we het concept ‘routines’ om de aard van deze problemen beter te begrijpen. Het concept ‘routine’ stelt ons in staat om veel gedetailleerder te begrijpen wat er nodig is om de vereiste gedragsveranderingen bij docenten, leerlingen en het management teweeg te brengen. Het besef van de complexiteit van dit proces en de bereidheid om te investeren zijn noodzakelijke voorwaarden om te voorkomen dat reflectieve loopbaangesprekken de volgende ‘gimmick’ of ‘trendy innovatie’ worden. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Verandering is altijd moeilijk. Routines zijn een nuttig hulpmiddel om inzicht te krijgen in de kern van de problemen en daar iets aan te doen. Wanneer je organisatie verandering omarmt, is het van cruciaal belang te beseffen dat dit voor iedereen een belasting vormt, van het topmanagement tot de werkvloer. Wederzijdse ondersteuning, zowel binnen als tussen de verschillende lagen van de organisatie, is essentieel voor succes. Zonder die ondersteuning ontstaat er alleen maar de volgende trendy innovatie. 

>

“Verander SLC. Maak het nuttig, maak het persoonlijk!”

Commissie Kuijpers (2015)

Wat betekent een onvoorspelbare arbeidsmarkt voor studiekeuzes en de rol van loopbaanontwikkeling in het onderwijs?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat traditionele, rationele studiekeuze‑modellen onvoldoende passen bij een arbeidsmarkt die steeds dynamischer en onzekerder wordt. Daarom krijgt het onderwijs de opdracht om studenten actief te leren hun loopbaan te ontwikkelen via reflectie, ervaring, maatwerk en loopbaancompetenties, zodat zij zelf regie kunnen nemen over leren en werken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De arbeidsmarkt is sinds enkele decennia sterk aan verandering onderhevig onder invloed van technologisering, globalisering en individualisering. Doordat de arbeidsmarkt continu en onvoorspelbaar verandert, wordt volgens verschillende wetenschappers de traditionele loopbaan vervangen door een ‘boundaryless career’ waarin mensen van werk en werkplek veranderen (DeFillippi & Arthur, 1994), en een ‘protean career’, een loopbaan die flexibel, veelzijdig en aangepast is (Hall, 1996). Loopbanen van werknemers hebben niet langer het verloop zoals dit op een stabiele arbeidsmarkt het geval is. Complexiteit, dynamiek, kans en constructie van de eigen loopbaan zijn termen die in wetenschappelijke loopbaantheorieën naar voren komen, en die niet eerder werden gebruikt als kenmerken van een loopbaan (McKay, Bright & Pryor, 2005). Werknemers moeten flexibel inzetbaar zijn en een leven lang leren om werk te kunnen krijgen en behouden. Kiezen voor een beroep met vaste taken en verantwoordelijkheden voor het gehele leven is niet langer afdoende. Mensen moeten zelf vorm en betekenis geven aan hun loopbaan en zijn genoodzaakt voortdurend keuzes te maken in werk en leren. Als fundamenteel andere eisen aan werknemers worden gesteld, heeft het onderwijs een taak studenten hierop voor te bereiden – naast de verantwoordelijkheid studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt.
Opleiden voor een beroep met vaste taken, zoals wij het beroep op dit moment kennen, moet worden uitgebreid met de opdracht studenten hun loopbaan te leren ontwikkelen, zodat zij keuzes kunnen maken in het combineren van leren en werk, wat hun carrière ten goede zal komen. In het onderwijs wordt er vooral vanuitgegaan dat studenten op rationele gronden loopbaankeuzes en -plannen maken. Echter, voor een rationele keuze moeten de alternatieven en de consequenties van de keuze bekend zijn. De kiezer moet over een methode beschikken om de voor- en nadelen van de keuze af te wegen en een duidelijk doel voor ogen hebben om te kunnen bepalen wat het beste alternatief is (Taborsky, 1992).
In de hedendaagse praktijk zijn deze voorwaarden moeilijk te realiseren. Informatie is kwalitatief onvoldoende, kwantitatief te omvangrijk en te veranderlijk om een goed beeld te krijgen (Dols, 2008). Jongeren blijken maar beperkt in staat om keuzes op langere termijn te maken (Dijksterhuis & Meurs, 2006), en bovendien maakt de onvoorspelbaarheid van de toekomst als gevolg van moderniserings- en globaliseringsprocessen dat het weinig zin heeft een gedetailleerd plan te maken van de gewenste loopbaan (Mitchell, Levin & Krumboltz, 1999). Onderzoek wijst uit dat begeleiding op basis van het geven van informatie en advies bij het maken van keuzes onvoldoende effectief is. Studenten maken veelal keuzes op basis van onbewuste en ondoordachte redenen; zij hebben geen realistisch zelf- en beroepsbeeld en vertonen korte termijn gedrag als het gaat om keuzes. Kortom, zij blijken slecht in staat om hun loopbaan te ontwikkelen in een richting en op een wijze die bij hen past.
In toenemende mate wordt gepleit voor een benadering waarin de student niet als passief (informatieverwerkend), maar als actief (lerend) subject centraal staat (Blustein, 2006; Baert, Dekeyser en Sterck, 2002). Een manier om zelf vorm te leren geven aan de persoonlijke loopbaan is door het inzetten van loopbaancompetenties (Kuijpers 2003, & 2012). Kuijpers en Meijers hebben in 2009 onderzocht in hoeverre loopbaancompetenties in het hbo ontwikkeld worden en welke leeromgeving de loopbaanontwikkeling van studenten kan bevorderen. Het is de taak van het onderwijs om de ‘loopbaanontwikkelcapaciteit’ van studenten te vergroten.  

In de discussienotitie ‘Onderwijskwaliteit en kwaliteitscultuur’, onderdeel van de ‘Conferentiebundel Slotconferentie HO-tour’ (2015) wordt gesteld dat het onderwijs niet alleen de taak heeft studenten voor te bereiden op de arbeidsmarkt door kwalificatie, maar eveneens wordt uitgedaagd talenten, behoeften en ambities van individuele studenten meer centraal te stellen. Om dat te bereiken moet een reflectieve houding van studenten worden gestimuleerd, zodat zij het uiterste uit zichzelf kunnen halen en zelf meer de verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen voor hun leerproces. Dit sluit aan bij de in de vorige paragraaf genoemde loopbaancompetenties.
Goed onderwijs verschilt per student en hiervoor is maatwerk nodig. Voor docenten betekent dit permanente professionalisering volgens de discussienotitie. De kwaliteit van het onderwijs zou alleen studiesucces op kunnen leveren als de leeromgeving studenten, docenten en bestuurders motiveert om het beste uit zichzelf en uit elkaar te halen. Maatschappelijke ontwikkelingen noodzaken hogescholen om expliciet strategische keuzes te maken “in wat onderwezen wordt, hoe het onderwezen wordt, wie onderwijst, wat geleerd wordt, hoe geleerd wordt, wie leert, en waarom het geleerd wordt”. Minister Jet Bussemaker van OCW schrijft in haar voorwoord in de conferentiebundel: “In het onderwijs in de 21ste eeuw staat talentontwikkeling centraal. Studenten zullen ook zelf meer regie over hun eigen opleidingstraject willen krijgen. Dit betekent dat er op opleidingen een goede balans moet zijn tussen de vakinhoudelijke basis en ruimte voor persoonlijke keuze. Uit de HO-tour komt naar voren dat de keuzeruimte binnen en buiten de opleiding nog aanzienlijk kan worden vergroot.” Volgens Bussemaker kan de ruimte worden benut door het opdoen van ervaringen en moet keuzeruimte gepaard gaan met goede persoonlijke begeleiding; een loopbaangerichte leeromgeving. Zij geeft aan dat personalisatie van het leren permanente professionalisering van de docent vergt. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De uitkomsten van het onderzoek geven richting aan het vormgeven van studieloopbaancoaching in hbo en mbo.

>

Talentgerichte loopbaangesprekken

Brouwer-Truijen, K., Woudt-Mittendorff, K. & Pullen, A. (2017)

Hoe kunnen loopbaangesprekken bijdragen aan betere studiekeuzes en meer interesse in techniek?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat onvoldoende begeleiding bij studiekeuzes bijdraagt aan uitval en het tekort aan leerlingen die voor bèta‑opleidingen kiezen. Talentgerichte loopbaangesprekken, gecombineerd met praktijkervaringen in techniek en een actieve luisterhouding van de mentor, versterken loopbaancompetenties en helpen leerlingen betere en bewustere keuzes te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderwijs worstelt al jaren met problemen rondom studiekeuzes van leerlingen. Het voortijdig schoolverlaten en het veelvuldig switchen worden gekoppeld aan het feit dat zij geen goede keuze zouden maken. Ook is er een groot tekort aan jongeren die kiezen voor een bèta-opleiding. Een belangrijke oorzaak van deze problemen is onvoldoende begeleiding van jongeren bij het maken van hun studiekeuze. Goede loopbaangesprekken stimuleren hen tot reflectie en spreken hen aan op hun talenten. Jongeren kunnen er zo beter achter komen wie ze zelf zijn en wat ze in de toekomst willen. Veel docenten willen hier graag een rol in spelen, maar hebben nog te weinig handvatten. Docenten, mentoren en decanen kunnen loopbaangesprekken gebruiken om leerlingen te enthousiasmeren voor bèta. Daarnaast is het nuttig om hen ervaringen in de technische beroepspraktijk aan te bieden. Juist de combinatie met loopbaangesprekken kan jongeren helpen bij het maken van een goede studiekeuze.  

Samen met docenten is een methodiek voor het voeren van talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek ontworpen. Daarbij zijn docenten geprofessionaliseerd op dat gebied. Vervolgens is de methodiek ingevoerd en zijn de resultaten gemeten.  

De resultaten van het onderzoek laten zien dat in de verschillende VO-scholen er in het algemeen weinig aandacht wordt besteed aan het bespreken van 'betekenisvolle ervaringen en emoties' en 'techniek'. Leerlingen geven aan dat er vooral aandacht wordt besteed aan 'reflecteren en activeren' en het 'bespreken van de toekomst'. Leerlingen geven aan dat ze in redelijke mate over loopbaancompetenties beschikken, maar in mindere mate bezig zijn met het opbouwen en onderhouden van contacten (netwerken) en dat ze op pro-actieve wijze studie- en werkmogelijkheden (loopbaanvorming) kunnen onderzoeken.  De ontwikkelde methodiek, met meer aandacht in het loopbaangesprek voor betekenisvolle ervaringen, emoties, reflecteren, activeren, bespreken van de toekomst en techniek, draagt positief bij aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties van leerlingen.  

De insteek van het gesprek is een belangrijke voorwaarde voor de mate waarin gesproken wordt over talenten en kwaliteiten. Wanneer de loopbaanactiviteit centraal staat, wordt er nauwelijks een koppeling gemaakt met de talenten en kwaliteiten van de leerlingen. Wanneer het gesprek over hobby's of een bijbaan gaat, staat dit meer centraal. De mentoren passen de methodiek van talentgerichte loopbaangesprekken gedeeltelijk toe. Tijdens goede loopbaangesprekken heeft de mentor een actieve luisterhouding, stelt verdiepingsvragen en vat samen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Uit het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen voor mentoren en decanen gedestilleerd worden:

  • Probeer vaker met leerlingen in gesprek te gaan over betekenisvolle ervaringen of emoties.
  • Laat mentoren meer kennis maken met de achtergronden van techniek, mogelijke stereotyperingen en mindsets van leerlingen.
  • Probeer ook in de lagere klassen van vmbo, havo en vwo te reflecteren op talenten, interesses en activiteiten aan bod te laten komen.
  • Probeer in het gesprek minder leidend en helpend te zijn, en te laveren tussen enerzijds streng (confronterend) en anderzijds ruimte gevend. 
>

Vijf jaar werken aan keuzeprocessen. Opbrengsten en bottle necks.

Boer, P.R. den & Kuijpers, M. (2014)

Wat levert langdurig en regionaal samenwerken aan LOB nu écht op voor leerlingen en scholen?

____________________________

Het vijfjarige project Keuzeprocessen in West‑Brabant laat zien dat scholen concreet werk hebben gemaakt van praktijkervaring, reflectie en loopbaansturing, vooral in het vmbo. Hoewel er duidelijke vooruitgang is geboekt in aandacht voor LOB en arbeidsidentiteit, vraagt duurzame opbrengst om langdurige inzet, vasthoudendheid en verdere doorontwikkeling - met name in het mbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In deze publicatie worden de opbrengsten en knelpunten weergegeven als gevolg van een vijf jaar durend project van keuzeprocessen dat is uitgevoerd in de regio West-Brabant. 21 scholen zijn dit project gestart met als doel schooluitval te verminderen, leerlingen te motiveren en een betere aansluiting in de beroepskolom te realiseren.   Hiervoor zijn een aantal projecten gestart. Ter begeleiding van dit proces is door ROC West-Brabant een lector keuzeprocessen aangesteld. Bovendien hebben de scholen drie jaar geparticipeerd in een landelijk onderzoek. In deze publicatie kijken we terug op de periode van 2009 tot en met 2013 waarin gewerkt is aan keuzeprocessen. Daarbij staan twee vragen centraal:

  • Was het mogelijk om binnen vmbo en mbo concreet vorm te geven aan het opdoen van praktijkervaring, de verwerking daarvan en enige vorm van (geleide) zelfsturing en zo ja, hoe zag dat eruit?
  • Leidden de gekozen vormen van ervaring opdoen, verwerking daarvan en zelfsturing tot een toename bij leerlingen van hun loopbaancompetenties en hun arbeidsidentiteit?

Het theoretische kader van keuzeprocessen wordt toegelicht, alsmede de ontwikkeling van het zelfbeeld (en dus arbeidsidentiteit) via het werken aan de loopbaancompetenties. De centrale vraag tijdens het onderzoek luidt: In hoeverre hangen door de scholen ontwikkelde interventies gericht op het opdoen van ervaring, de verwerking van die ervaring en omgaan met de vragen die dat bij leerlingen oproept samen met de loopbaancompetenties en arbeidsidentiteit van de leerlingen? 
Er is gekozen voor een gedecentraliseerde aanpak met richtlijnen om het project zo laagdrempelig mogelijk te laten verlopen.  Vandaar dat is geïnventariseerd welke interventies de verschillende scholen gebruiken; in het kader van het opdoen van (werk) ervaring, de verwerking daarvan en de vraaggerichtheid van de vmbo-scholen in hun onderwijsaanbod. 

Als conclusie van het onderzoeksproject is geformuleerd dat er verschillende activiteiten zijn ontwikkeld in het vmbo. De meeste basis- en kaderberoepsgerichte opleidingen hadden al aardig wat materiaal liggen, maar vooral de theoretische leerweg heeft een vernieuwing doorgemaakt tijdens het project. Met name de loopbaanreflectie heeft een kwalitatieve slag gemaakt.
Scholen hebben ervaren dat deelname aan het project ervoor heeft gezorgd dat er intensiever is gewerkt aan een loopbaangerichte leeromgeving. Scholen die veel praktijk binnen en buiten de school hebben aangeboden zijn kwalitatief (volgens de leerlingen) het meest gegroeid in het werken aan arbeidsidentiteit van leerlingen. Een individuele aanpak hierbij levert meer op dan een groepsaanpak. De conclusies vanuit het mbo zijn vanwege te geringe input niet goed en kwalitatief te duiden. Er zijn dus minder bevindingen te vermelden, maar de resultaten lijken erop te wijzen dat door de opleidingen meer vraaggericht aan te bieden de verwerving van loopbaancompetentie en arbeidsidentiteit meer wordt gestimuleerd.
De belangrijkste conclusie bij alle deelnemende scholen is dat er meer aandacht voor LOB is gekomen en meer mensen weten dat het gaat om het opdoen van arbeidservaring en het hebben van een goed loopbaangesprek daarover. De resultaten en conclusies roepen ook vragen op met betrekking tot de geslaagdheid van het project. Is het dat wel met deze opbrengsten? Waarom lijkt het succes op het vmbo hoger te zijn dan in het mbo?  Is dit nu voldoende basis om door te gaan op de ingeslagen weg? En hoe moet die weg er dan uit zien? Kernvraag blijft uiteraard: is de vernieuwing nu geslaagd? 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Als je als school begint aan LOB of dit element intensiveert, wees je er dan van bewust dat dit een langdurig proces is dat veel vasthoudendheid en geduld vraagt. Vijf jaar is zo voorbij en als het daarbij blijft zijn alle behaalde resultaten binnen de kortste keren weer verdwenen. 

>

Diepte-analyse loopbaangesprekken: welk docent gedrag helpt?

Boer, P. den & Stukker, E (2014)

Wat maakt een loopbaangesprek echt leerzaam en richtinggevend voor de ontwikkeling van studenten?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat loopbaanleren ontstaat door een krachtige combinatie van betekenisvolle ervaringen en zorgvuldige verwerking daarvan in reflectiegesprekken. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat begeleiders moeten doorvragen op ervaringen, emoties en overtuigingen, zodat het gesprek leidt tot zelfinzicht én concrete actiestappen in de loopbaanontwikkeling.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderzoek is gebaseerd op een aantal projecten die tot doel hadden activiteiten te organiseren passend bij het model waarin de combinatie van ervaring en verwerking leidt tot arbeidsidentiteit, die op zijn beurt weer leidt tot (geleide) zelfsturing. In een aantal andere onderzoeken (Mittendorff, 2010; Mittendorff, Van der Donk en Gellevij, 2012; Van Loon, 2011) wordt geconstateerd dat de organisatie van ervaring in andere situaties slechts beperkt voorkomt en de verwerking c.q. reflectie in belangrijke mate ‘in het luchtledige’ plaatsvindt. De begeleiders hebben beperkt inzicht in het proces waar ze met hun gedrag een bijdrage aan leveren en geven soms ook aan het gevoel te hebben ‘maar wat te doen, in de hoop dat het wat oplevert voor de studenten’. In de hier onderzochte reflectiegesprekken gaan dingen minder goed dan wenselijk zou zijn, maar er gaan ook een flink aantal dingen goed. En wat mogelijk nog belangrijker is: de begeleiders, docenten en managers zijn gericht bezig een proces in te richten waarvan we op basis van ons onderzoek met enige zekerheid kunnen concluderen dat het zal bijdragen aan loopbaanleren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Probeer in een loopbaangesprek zo veel mogelijk door te vragen totdat de lerende een inzicht over zichzelf krijgt, en aan te sporen tot actie, gebaseerd op dat inzicht. Probeer te vermijden dat emoties, overtuigingen en wensen van lerenden worden genegeerd, er te snel conclusies worden getrokken of het gesprek wordt gebruikt om ‘even iets uit te leggen’.  

>

Loopbaancompetenties voor loopbaansucces: realiteit of verbeelding?

Boer, P. den & Meijers, F. (2019)

Wat vraagt het ontwikkelen van loopbaancompetenties werkelijk van leerlingen én van LOB‑gesprekken?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat het concept loopbaancompetentie vaak te instrumenteel wordt toegepast, doordat een stevige theoretische en empirische basis ontbreekt. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat reflectiegesprekken zich moeten richten op betekenisgeving van praktijkervaringen, via doelgerichte gespreksvoering die bijdraagt aan de ontwikkeling van een arbeidsidentiteit.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het concept ‘loopbaancompetentie’ mist vooral een theoretische basis. Ook de empirische basis laat te wensen over. Het gevolg van het ontbreken van een goede theorie in het onderwijs, is dat loopbaancompetenties voornamelijk instrumenteel worden ingezet, waardoor leerlingen uiteindelijk geen vaardigheden leren om hun eigen loopbaan succesvol te managen. We bieden een alternatief, dat wel gebaseerd is op theorie. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het is van belang zich bewust te zijn van de leerprocessen die ten grondslag liggen aan het verwerven van een arbeidsidentiteit. De loopbaancompetenties suggereren dat die allemaal hetzelfde zijn en dat is nadrukkelijk niet het geval. Reflectiegesprekken dienen erop gericht te zijn lerenden te helpen betekenis te geven aan opgedane praktijkervaringen. Daarvoor is specifieke gespreksvoering nodig.  

>

Beroepsdilemma’s als sleutel tot betekenisvol leren

Boer, P. den, A. K. Jager & H. R. M. Smulders (2003)

Hoe kunnen jongeren leren om zelf richting te geven aan hun loopbaan in een onzekere en veranderende toekomst?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat beroepsidentiteitsontwikkeling ontstaat door het opdoen én verwerken van betekenisvolle (grens)ervaringen en samenhangt met het vermogen tot zelfsturing in de loopbaan. Voor LOB betekent dit dat onderwijs minder moet focussen op oriënteren en meer op confronteren met beroepsdilemma’s, maatwerk biedt en ruimte creëert voor goede gesprekken die leiden tot zelfinzicht.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek gaat in op de manier waarop leerlingen hun beroepsidentiteit ontwikkelen en of en hoe zich dat verhoudt tot het vermogen om sturing te geven aan hun verdere loopbaan. Het onderzoek had als hoofdvraag: hoe bereiden we jongeren zo goed mogelijk voor op een toekomst die in toenemende mate gekenmerkt wordt door onzekerheid?  

Het onderzoeksrapport schetst de maatschappelijke en onderwijskundige context waarin het onderzoek geplaatst moet worden. Daarna volgt de onderzoeksopzet, operationalisering en instrumentering van het onderzoek. Verder worden de gegevens op zowel opleidings- als leerlingniveau beschreven en geanalyseerd. Ook de verbanden tussen opleiding/school en identiteitsontwikkeling worden onderzocht met als doel tot een conclusie te komen waarin aanbevelingen worden geformuleerd voor verder onderzoek en onderwijsontwikkeling.  

De context is dat we in een overgang van de kenniseconomie zitten waarin meer kennis wordt geproduceerd en kennis korter zal worden gebruikt. Dit leidt ertoe dat het leren voor een beroep van zeker naar onzeker verschuift. De onderzoekers stellen dat dit resulteert in de paradigmashift dat leerlingen niet moeten aanpassen aan de arbeidsmarkt, maar dat leerlingen moeten worden voorzien van instrumenten omsturing te nemen en houden op hun loopbaan(ontwikkeling).  

In het rapport wordt uitgebreid ingegaan op verschillende benaderingen van het thema identiteitsontwikkeling. Op basis daarvan wordt gekozen voor een procesgericht model (hoe ontwikkelt zich een identiteit?), omdat dit het best past bij de onderzoeksvraag. Op grond van theoretische inzichten wordt gekozen voor een model waarbij mensen door het opdoen van (grens)ervaringen en de verwerking daarvan een identiteit ontwikkelen en dat die identiteit van invloed is op het vorm kunnen geven aan de verdere loopbaan. Daarbij wordt opgemerkt dat het proces van beroepsidentiteitsontwikkeling cyclisch is.  

Belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn:

  1. Beroepsidentiteitsontwikkeling wordt geoperationaliseerd door de mate waarin leerlingen met beroepsdillema’s zijn geconfronteerd.
  2. Dat deze ontwikkeling ontstaat onder invloed van de aard van de opgedane ervaring (hoe heftiger hoe beter) en de mate waarin die verwerkt is (veel gesprekken erover).
  3. Dat de intensiteit van de ervaring en de mate van verwerking alleen samen een effect hebben op de ontwikkeling van de beroepsidentiteit. Er is een relatie tussen de mate van ontwikkelding van de identiteit en de mate waarin de onderzochten een beeld hebben wat ze verder willen met hun loopbaan (aanzetten tot zelfsturing).  

Waar beroepsdilemma’s als een mooie leer- en ontwikkelingskans voor leerlingen wordt gezien, is er ook discussie over. De manier waarop een beroepsdilemma wordt aangevlogen is erg persoonlijk en daarmee geen vast gegeven voor beroepsidentiteitsontwikkeling. Uit het onderzoek komen ook aanbevelingen voor de onderwijsinstellingen. Zo wordt gesteld dat men beter kan werken met confronteren in plaats van oriënteren (stuur op kennismaking met beroepsdilemma’s). Ook is duidelijk geworden dat bescheidenheid in het didactische zal leiden tot meer zelfexploratie. Dat wil zeggen dat docenten minder kennis overdragen, met als doel zelfexploratie te stimuleren. Het derde advies is om maatwerk te leveren, omdat een loopbaanontwikkeling nu eenmaal niet uniform is.  

Er wordt ook een advies gedaan om verder onderzoek te gaan uitvoeren op het gebied van concepten, instrumenten en relaties rond identiteitsontwikkeling en om praktijk- of actieonderzoek te doen naar de effectiviteit van maatwerk en de manier om dat te realiseren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Als je er als onderwijsinstelling op uit bent om scholieren te helpen zelf (mede) richting te geven aan hun loopbaan, is het zaak omstandigheden te creëren waarin die lerenden relevante (grens)ervaringen op kunnen doen en die goed kunnen verwerken (met gesprekken erover die leiden tot betekenisverlening). 

>

Reflectie op routine

Boer, P. den & Hoeve, A. (2017)

Wat vraagt het écht van een school om loopbaangesprekken op een betekenisvolle manier te verankeren in het onderwijs?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat het invoeren van loopbaanreflectiegesprekken een ingrijpende innovatie is, omdat het bestaande routines van docenten, teams en leidinggevenden fundamenteel verandert. Succesvolle implementatie vraagt om explicitering van oude en nieuwe routines, ruimte om te experimenteren en intensieve begeleiding, zodat loopbaangespreksvoering meer wordt dan een nieuw ‘kunstje’.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit artikel laten we zien dat de invoering van loopbaanreflectiegesprekken (als onderdeel van loopbaangespreksvoering) in onderwijsorganisaties diep ingrijpt op de bestaande praktijk en beschouwd moet worden als een majeure innovatie. Om de diepte van deze ingreep en de consequenties daarvan in beeld te brengen, maken we gebruik van de begrippen ‘routine’ en ‘routineverandering’. We laten zien dat de implementatie van reflectie als onderdeel van loopbaangespreksvoering een simultaan proces is dat zich binnen en tussen verschillende lagen in de (onderwijs)organisatie afspeelt. Het vraagt ander gedrag van docenten en daarmee nieuwe routines van opleidingsteams, omdat het gaat over persoonlijke ervaringskennis en niet over generieke reproduceerbare kennis. De introductie van (persoons)reflectie grijpt daarmee diep in op de bestaande routines van docenten.
Ook leidinggevenden moeten nieuw gedrag aanleren dat haaks staat op hun bestaande repertoire om in staat te zijn het proces van betekenisverlening te begeleiden dat docenten doormaken. Veranderingen als deze moeten daarom gezien worden als een grenservaring voor zowel het individu als de organisatie. Het begrip routine helpt daarbij de rollen en patronen van betrokkenen (docenten, management) preciezer te beschrijven en er op basis daarvan beter mee om te gaan. Een werkgemeenschap zal bestaande routines niet zomaar opgeven. In tijden van chaos, waar vernieuwing vaak mee gepaard gaat, zijn routines een baken van zekerheid waarop men graag terugvalt.
Tegelijkertijd zijn routines niet zo onveranderlijk als vaak wordt vermoed. Sterker, routines zijn zelf een bron van verandering. Het meest beloftevolle aangrijpingspunt voor verandering is het expliciet maken van bestaande routines en het expliciteren van gewenste nieuwe routines. Door ze te expliciteren, worden betrokkenen zich bewust van de aard en oorsprong van de eigen routine, maar ook van ingeweven fouten in een dergelijk patroon. Als we de complexiteit van het veranderingsproces niet erkennen en er daarom niet in investeren, blijft loopbaangespreksvoering het volgende ‘kunstje’ waar we over 10 jaar net zo over zullen spreken als over competentiegericht leren, de tweede fase voortgezet onderwijs, de basisvorming, en vele andere op fundamentele routineverandering gerichte vernieuwingen die in goede bedoelingen zijn gesmoord.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Als je begint met het invoeren van loopbaangesprekken in je school, is het van belang je te realiseren dat dit voor veel docenten, begeleiders en andere betrokkenen een ingrijpende verandering is, die vergelijkbaar is met een (grens)ervaring van een student op zijn/haar eerste stage. De begeleiding van deze professionals op hun beurt vraagt veel van management en schoolorganisatie. Het is daarom belangrijk ervoor te zorgen dat er voor al deze betrokkenen ruimte en aandacht is. Alleen dan ontstaat een omgeving die veilig genoeg is om te experimenteren en echt te vernieuwen. Anders is het gevaar groot van oude wijn in nieuwe zakken. 

>

Loopbaanleren en de school

Boer, P. den & Bakker, J. (2008)

Wat vraagt loopbaanleren écht van het onderwijs, leerlingen én docenten?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat loopbaanleren leerlingen helpt betekenis te geven aan leren door reflectie, dialoog, praktijkgerichtheid en vraagsturing, en daarom vroeg en structureel moet worden ingebed. Een succesvolle loopbaangerichte leeromgeving vraagt echter een ingrijpende verandering van het onderwijs en een heroriëntatie van docenten op hun professionele rol, ondersteund door passende begeleiding en leiderschap.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel onderzoekt het belang van loopbaanleren, de bijdrage van het onderwijs en de benodigde randvoorwaarden om loopbaanleren in een school te organiseren. 
Zicht op de (levens)loopbaan en vooral het kunnen omgaan met de dilemma’s daarbinnen vormt de rode draad in het onderwijs. De concrete invulling daarvan zal voor elke student anders zijn.
Een (levens)loopbaan is niet hetzelfde als een goed geplande loopbaan. Loopbaanleren is parallel leren: het gaat om ontdekken wat beroepsdilemma’s met je doen en hoe je daar betekenis aan geeft of wil geven. Loopbaanleren vraagt tijd. Er moet dus vroeg mee begonnen worden.  
Het onderzoek laat zien dat loopbaanleren staat of valt met een aantal kenmerken van onderwijs. Meijers, Kuijpers en Bakker (2006) noemen: reflectie, dialoog, praktijkgerichtheid en vraagsturing. De eerste twee lukken vaak nog wel, hoewel de kwaliteit ervan niet altijd duidelijk is. De derde is al lastiger voor het algemeen vormend onderwijs.
In het artikel worden een aantal voorbeelden beschreven. Het voorbeeld uit Zeeland (Bakker, Nijman en Den Boer, 2007) laat zien dat er over de gehele linie veel wordt gedaan om vraagsturing in het onderwijs centraal te stellen. Echter is de kwaliteit nog niet altijd duidelijk, zo lieten ook Meijers c.s (2006) zien. Dit komt deels doordat er te weinig bekend is over vraagsturing. Wel weten we:

  • Vraagsturing is niet hetzelfde als sturing door de vrager (leerling); die heeft daar meestal immers onvoldoende overzicht voor;
  • Vaak wordt door scholen invulling gegeven aan vraagsturing door middel van fijnconfectie: het onderwijsaanbod wordt fijnmazig gestructureerd; op basis daarvan kan de leerling (al dan niet onder begeleiding van een docent) een pakket samenstellen; dat helpt maar is geen vraagsturing;
  • Maatwerk vraagt veel van docent en student en van de onderwijsorganisatie; het zal dus vrijwel altijd gaan om mengvormen van een-op-een begeleidingsgesprekken met vormen van flexibilisering van het back office (roosters, lokalen, docenten) en andere vormen van maatwerk (zie De Bruin en Van Esch, 2001);
  • Voor de organisatie van het back office is kennis nodig op basis waarvan voorspellingen gedaan kunnen worden over leerlingstromen, zodat scholen op basis daarvan afwegingen tussen kosten en baten kunnen maken (zie Bakker, Den Boer & Nieuwenhuis, in voorbereiding).  

In het kader van loopbaanleren gaat het dus enerzijds om het faciliteren van trajecten die jongeren in staat stellen hun loopbaancompetenties en (het begin van) een arbeidsidentiteit te ontwikkelen. Anderzijds gaat het om het faciliteren van een route door onderwijsprogramma’s die past bij wat de jongere wil behalen en die bovendien leidt tot een kwalificerend diploma. Het gaat dus praktisch om het organiseren van confrontaties met de beroepspraktijk zo vroeg mogelijk tijdens de opleiding en gedurende die hele opleiding en het organiseren van goede gesprekken daarover. Het gaat tevens om het aanpassen van het onderwijsprogramma en aan de wensen die daaruit voortvloeien.    

Als er aan dit soort zaken gewerkt wordt is dat een ingrijpende verandering van de huidige gang van zaken binnen onderwijs. Dat betekent dat de professionals die daar werken – docenten, ondersteunend personeel, management – hun gangbare routines zullen moeten uitbreiden met nieuwe routines. Dat vereist een grote inspanning van de onderwijsorganisatie als geheel.    

Hier werkt loopbaanleren als een Drosteplaatje. Wil loopbaanleren kans van slagen hebben dan moet het betekenis krijgen voor docenten. Zij beschikken op dit moment over een verzameling werkzame routines waar ze op vertrouwen. Die routines maken de kern uit van de werkgemeenschap, ze zijn beproefd in de praktijk. Verandering van die routines vereist heronderhandeling met de beroepsbeoefenaren over hun professionele of arbeidsidentiteit. Het valt te verwachten dat het opdoen van grenservaringen (in vernieuwingsexperimenten bijvoorbeeld) en een goede verwerking daarvan doorslaggevend zullen zijn voor het opbouwen van (nieuwe) kennis van de docent over zichzelf in de beroepssituatie en daarmee voor het slagen van de vernieuwing (loopbaanleren van de leerling) (zie Holmes, 2004 en Geijsel & Meijers, 2005). 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het inrichten van een loopbaangerichte leeromgeving is een ingrijpende verandering in de onderwijsorganisatie. Dat vraagt veel van docenten én leidinggevenden. Vaak wordt vol goede moed aan (elementen van) loopbaanleren begonnen, maar wil het echt kans van slagen hebben dan moet het niet alleen voor deelnemers maar ook voor docenten tot een heroriëntatie op hun beroep leiden. Dat vraagt in verschillende fasen van het veranderingsproces, verschillende vormen van (bege)leiding. 

>

Werk verandert, 21st century skills in de praktijk

Biemans, P., Sjoer, E., Brouwer, R., Potting, K. (2017)

Hoe bereid je jongeren voor op werk dat continu verandert en steeds andere vaardigheden vraagt?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat 21st century skills in alle onderzochte beroepen belangrijk zijn, maar steeds een andere invulling krijgen afhankelijk van de beroepscontext. Voor LOB betekent dit dat jongeren begeleid moeten worden met actuele, realistische beroepsbeelden en dat vaste lijstjes met vaardigheden onvoldoende zijn voor een goede studiekeuze.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Welke concrete veranderingen hebben plaatsgevonden op het werk en welke 21st century skills zijn of worden essentieel om het werk te kunnen blijven uitvoeren? Deze vraag stelden lectoren Petra Biemans (Hogeschool Inholland) en Ellen Sjoer (De Haagse Hogeschool) zichzelf. Het antwoord op deze vraag is te vinden in het boek ‘Werk verandert. 21st century skills in de praktijk'. Spelen onderwijsinstellingen voldoende en tijdig in op de vaardigheden die toekomstbestendige werknemers en ondernemers nodig hebben? Of krijgen studenten zodra ze de arbeidsmarkt betreden een cultuurshock omdat het onderwijs achterblijft? In deze publicatie worden de veranderingen bij vijf zeer verschillende beroepen in beeld gebracht: politieagent, piloot, bankmedewerker, verpleegkundige en accountant. Uit het onderzoek blijkt dat 21st century skills bij alle onderzochte beroepen een rol spelen, maar overal net weer anders. Kortom: 21st century skills krijgen hun betekenis in de context van het beroep en ‘lijstjes’ met skills volstaan dus niet.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De publicatie brengt in beeld wat er bij verschillende beroepen op de werkvloer en in de dagelijkse praktijk verandert en welke rol 21st century skills hierbij spelen. Het betreft vijf zeer verschillende beroepen, maar de veranderingen laten duidelijke patronen zien. De conclusies zijn belangrijk om mee te nemen in studiekeuzeprocessen van jongeren, zodat men niet op grond van verouderde beelden kiest. Verder is het belangrijk dat 21st century skills niet overal hetzelfde zijn: communicatie is voor een bankmedewerker anders dan voor een politieagent of verpleegkundige. Het betreft maatwerk en de context bepaalt de kleur.  

>

‘Weerbaar en wendbaar’ als succesfactor. ECBO (expertisecentrum beroepsonderwijs), ‘s Hertogenbosch

Beelen-Slijper, J. van. (2018)

Wat hebben mbo‑studenten nodig om de overstap naar het hbo succesvol te maken?

____________________________

Ongeveer 40% van de mbo‑4‑studenten stroomt door naar het hbo, maar een aanzienlijk deel valt uit door knelpunten in didactiek, abstractieniveau en studievaardigheden. Het onderzoek laat zien dat LOB effectiever wordt wanneer oriëntatie zich richt op beroepscontexten en hbo‑leerervaringen, zodat studenten beter voorbereid, weerbaarder en wendbaarder zijn bij de overgang naar het hbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Rond 40% van de mbo-studenten van niveau 4 kiest na diplomering voor doorstuderen in het hbo. Een overgang die voor menigeen problemen oplevert. Het percentage uitvallers in het eerste jaar is aanzienlijk. Hoe komt dat, waar liggen de struikelblokken en: wat te doen om die transitie soepeler te laten verlopen? Zijn mbo’ers wel ‘weerbaar en wendbaar’ genoeg voor het hbo?

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De transitie van mbo naar hbo kan verbeterd worden door bij oriëntatieactiviteiten het accent te leggen op beroepscontexten of beroepstaken, in plaats van op het beroep zelf of kansen op werk in de beroepssector. Want niet alleen jongeren zelf veranderen nog veel, maar daarnaast verandert ook de arbeidsmarkt om hen heen razendsnel. Het is aan te bevelen bij LOB-activiteiten aandacht te schenken aan specifieke ‘struikelblokken’ waar mbo’ers tegenaan lopen bij de transitie van mbo naar hbo. Mbo’ers blijken meer moeite te hebben met de andere lesdidactiek in het hbo, de complexiteit en het abstractieniveau van de leerstof en beschikken niet altijd over de juiste planningsvaardigheden. Kennismaking met concreet lesmateriaal uit het hbo, ervaren hoe de lessen zelf eruit zien en in welk tempo de lessen worden aangeboden kan de mbo’er meer weerbaar en wendbaar maken bij de overstap van mbo naar hbo. 

>

LOB-Kompas voor de 21e eeuw

Slijper, J., Sjoer, E., Biemans, P., van Harn, R. (2020)

Hoe kun je jongeren op een eigentijdse manier begeleiden bij studiekeuzes in een snel veranderende arbeidsmarkt?

____________________________

Het LOB‑Kompas voor de 21e eeuw is ontwikkeld om leerlingen, docenten en ouders op een vernieuwende manier kennis te laten maken met de toekomst van werk en loopbanen. Door ervaringsgerichte en exploratieve activiteiten leren leerlingen zichzelf beter kennen en maken zij meer onderbouwde profiel‑ en studiekeuzes op basis van realistische beroepsbeelden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dat LOB anders moet lijkt evident, maar hoe kunnen we op een stimulerende manier jongeren helpen te navigeren in de richting die henzelf vooruitbrengt en tegelijkertijd rekening houdt met de veranderingen op de arbeidsmarkt? Deze lastige vraag was de aanleiding om dit LOB-Kompas voor de 21e eeuw te schrijven. Dit LOB-Kompas is een eerste aanzet om leerlingen, docenten én ouders op een andere manier te laten kennismaken met veranderingen in de beroepspraktijk. Het doel van deze LOB 2.0. methode is te worden ingezet als aanvullende module op de ‘traditionele’ LOB-methodes, zodat keuzebegeleiding toekomstbestendig wordt ingestoken en deze de leerling optimaal voorbereidt op een loopbaan die bij hem/haar past. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het uitgangspunt van dit toekomstbestendige LOB-kompas is ervaringsgerichte activiteiten die kunnen helpen een leerling inzicht te geven in wat hem of haar drijft. Je kunt pas iets kiezen van een menukaart als je weet hoe de gerechten smaken, en gerechten die niet op de menukaart van een jongere voorkomen, zullen ook niet gekozen worden. De exploratieopdrachten hebben een duidelijke focus op de beroepsbeelden: Welke nieuwe beroepen zijn er, wat is het beeld dat leerlingen hebben van traditionele beroepen en wat moet je ervoor kennen en kunnen? De opdrachten moedigen aan te exploreren in de breedte, d.w.z. kennismaken met sectoren of beroepen waarvan leerlingen nog geen beeld hebben en tot exploreren in de diepte naar beroepen of sectoren waarvan het beeld nog onvolledig of mogelijk niet realistisch is. Juist door hiermee aan de slag te gaan kan dit jongeren helpen inzicht te krijgen in: wie ben ik, wat wil ik en wat kan ik? Dit LOB-Kompas voor de 21e eeuw beoogt zo jongeren verder op weg te helpen met het maken van een meer gefundeerde profiel- of studiekeuze, gebaseerd op ervaringen en realistische beroepsbeelden. Daarnaast wordt ingegaan op de rol van ouders en hoe deze meer te betrekken bij LOB.

Doelgroep en opzet

Dit 'LOB-kompas voor de 21 eeuw' is met name bestemd voor leerlingen in de (voor)laatste klassen van de havo en het VWO. Het LOB-onderwijsproduct bestaat uit vier stappen. Deels kunnen deze in de klas worden uitgevoerd tijdens de (mentor)lessen, deels buiten de (mentor)lessen om. De LOB-activiteiten eindigen met een presentatie, waarbij ook ouders aanwezig zijn. 

>

Een andere benadering van studiesucces. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs

Beelen-Slijper, J. van. (2017)

Wat helpt jongeren om een studiekeuze te maken die écht bij hen past en leidt tot studiesucces?

____________________________

Het onderzoek volgt 89 hbo‑studenten Rechten en Sociaal Juridische Dienstverlening en laat zien hoe studiekeuze, identiteitsontwikkeling en oriëntatieactiviteiten samenhangen met studiesucces. Studenten die intensief oriënteerden en hun keuze baseerden op de inhoud van de studie (in plaats van het toekomstige beroep) bleken succesvoller en hadden minder kans op teleurstelling en uitval.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit artikel gaat in op en reflecteert op de dissertatie 'En wat kan ik dan later worden?' (Slijper, 2017). Het betreft een longitudinaal onderzoek naar het studiekeuzeproces van 89 studenten HBO-Rechten en Sociaal Juridische Dienstverlening, en de betekenis daarvan voor studiesucces. De respondenten werden drie keer geïnterviewd voorafgaand aan en tijdens het eerste studiejaar. De gevolgde oriëntatieactiviteiten zijn onderzocht in relatie tot studiesucces. Tevens werd met de Groningen Identity Development Scale (Kunnen & Van der Gaag, 2011) de identiteitsontwikkeling van jongeren onderzocht op het gebied studiekeuze. De exploratieve opzet van het onderzoek heeft inzicht geboden in ervaringen, successen en mislukkingen bij de overstap naar het hbo en waar de knelpunten liggen bij specifieke groepen. Wat betreft de identiteitsontwikkeling van de onderzochte groep, blijken juridische hbo-studenten significant vaker dan leeftijdsgenoten een studie te kiezen vanuit een foreclosure status. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Een belangrijke conclusie is dat het niet loont om het toekomstige beroep leidend te laten zijn bij de studiekeuze. Teleurstellingen en studie-uitval zijn dan een vrij waarschijnlijk gevolg. Jongeren die hebben deelgenomen aan intensieve oriëntatie-activiteiten kiezen hun studie minder op basis van het toekomstige beroep, maar eerder op basis van de inhoud van de studie en zijn succesvoller. 

>

From a teacher-oriented to a learner-oriented approach to teaching: The role of teachers’ collective

Assen, H. (2018)

Wat vraagt leerlinggericht onderwijs van docenten, en wat betekent dat voor de manier waarop we LOB vormgeven?

____________________________

In dit onderzoek laat Hanneke Assen zien dat de overgang van docentgestuurd naar leerlinggericht onderwijs niet vanzelf gaat. Hoewel veel docenten leerlinggericht willen werken, blijkt er vaak een kloof tussen overtuiging en handelen. Collectief leren, professionele dialoog en aandacht voor de begeleidingsrol zijn cruciaal om leerlingen écht eigenaarschap te laten ontwikkelen – een kernvoorwaarde voor effectieve LOB.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

In haar proefschrift From a teacher-oriented to a learner-oriented approach to teaching: The role of teachers’ collective learning processes onderzoekt Hanneke Assen (2018) hoe docenten de overgang kunnen maken van een docentgestuurde naar een learner‑oriented (leerlinggerichte) onderwijsbenadering. Centraal staat de vraag waarom deze omslag in de praktijk vaak moeizaam verloopt, zelfs wanneer docenten in overtuiging wél leerlinggericht onderwijs willen geven. 

Uit het onderzoek blijkt dat er regelmatig een kloof bestaat tussen wat docenten zeggen te willen (leerlinggericht) en wat zij daadwerkelijk doen in de les of begeleiding (vaak toch docentgestuurd). Deze kloof hangt samen met diepgewortelde professionele identiteiten, routines en externe factoren zoals curriculumdruk, toetsing en tijdgebrek.

Een belangrijk inzicht uit de studie is dat verandering niet alleen een individueel leerproces is, maar vooral een collectief proces. Docenten blijken beter in staat om hun rol te veranderen wanneer zij in teamverband leren, reflecteren en met elkaar in dialoog gaan over hun pedagogische keuzes en dilemma’s. Dialoog en gezamenlijke betekenisgeving spelen hierbij een sleutelrol.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De bevindingen van Assen zijn zeer relevant voor LOB, waar leerlinggericht werken en het stimuleren van eigenaarschap centraal staan.

LOB vraagt om een andere rol van de begeleider
LOB veronderstelt dat leerlingen actief reflecteren, keuzes onderzoeken en regie nemen over hun loopbaan. Dit onderzoek laat zien dat dat alleen lukt wanneer begeleiders bewust afstand nemen van een sturende of oplossingsgerichte rol, en zich meer positioneren als coach of gespreksleider. Dat is geen vanzelfsprekende rol en vraagt om oefening en reflectie.

Leerlinggericht werken vraagt teamontwikkeling, niet alleen individueel leren
Het onderzoek benadrukt het belang van collectief leren. Voor LOB betekent dit dat een gezamenlijke visie binnen het team essentieel is. Wanneer mentoren, decanen en docenten verschillend kijken naar eigenaarschap en begeleiding, vallen leerlingen gemakkelijk terug in ‘afhankelijk gedrag’. Structurele uitwisseling over LOB‑gesprekken en -ervaringen helpt om hierin consistenter te worden.

Maak ruimte voor professionele dialoog over LOB
Assen laat zien dat dialoog tussen docenten cruciaal is om overtuigingen en handelen dichter bij elkaar te brengen. In de LOB‑praktijk kan dat bijvoorbeeld door:

  • samen loopbaangesprekken te bespreken;
  • voorbeelden te analyseren van leerlinggerichte én docentgestuurde interventies;
  • dilemma’s (zoals “wanneer stuur ik wel en wanneer niet?”) expliciet te maken.

Wees je bewust van belemmerende structuren
Net als in het onderzoek spelen ook binnen LOB externe factoren een rol, zoals toetsdruk, beperkte tijd en vaststaande programma’s. Het is helpend om deze belemmeringen niet te individualiseren (“ik kan dit niet”), maar ze gezamenlijk te onderzoeken en waar mogelijk aan te passen.

LOB is een cultuurverandering, geen methode
Een belangrijke boodschap uit het onderzoek is dat echte leerlinggerichtheid niet bereikt wordt door alleen nieuwe materialen of werkvormen in te voeren. Voor LOB betekent dit: een reflectie-instrument of portfolio werkt pas écht als de begeleidingshouding aansluit bij de bedoeling ervan.

Deze tekst is gegenereerd met behulp van Co-pilot.

>

Arbeidsmarktinformatie in loopbaanoriëntatie en -begeleiding van leerlingen in het vo

Bijlard, A. (2011)

Goede loopbaankeuzes van leerlingen vragen om meer dan alleen kennis over kansrijke beroepen.

____________________________

Onderzoek laat zien dat loopbaanbeslissingen beter worden ondersteund wanneer leerlingen beschikken over brede arbeidsmarktinformatie. Het gaat daarbij niet alleen om baankansen, maar ook om informatie over competenties, opleidingen, arbeidsvoorwaarden en ervaringen van werkenden. In de praktijk wordt deze informatie nog onvoldoende en niet efficiënt benut door leerlingen en LOB‑begeleiders. Versterking van professionele vaardigheden, tijd en ruimte voor begeleiding zijn daarom essentieel voor effectief LOB‑onderwijs.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Sturing van loopbaanbeslissingen neemt toe bij een grotere beschikbaarheid van brede arbeidsmarktinformatie. Alleen kennis over beschikbaarheid van werk in de toekomst stuurt loopbaanbeslissingen niet. Brede arbeidsmarktinformatie omvat ook kennis van benodigde competenties, vooropleiding, salaris, oordelen van werkgevers en werknemers. Brede arbeidsmarktinformatie levert de school aan haar leerlingen door hen ten eerste in kennis te stellen en ten tweede te oefenen in het gebruik van internetbronnen met informatie over de Nederlandse arbeidsmarkt. Om leerlingen adequaat te laten oefenen met het gebruik van arbeidsmarktinformatie dienen zoek-, selectie- en reflectievaardigheden bij loopbaanbegeleiders versterkt te worden.

Voorbeelden van arbeidsmarktinformatiesystemen in Canada, het VK en Australië sluiten niet direct aan op wat in Nederland beschikbaar is. Een vergelijking laat zien dat buiten Nederland arbeidsmarktinformatie in een bredere definitie wordt gebruikt dan in Nederland. De paar jaar waarin de presentatie van arbeidsmarktinformatie via internet zich in Nederland heeft ontwikkeld laat zien dat ook in Nederland meer informatie volgens de bredere definitie wordt aangeboden. Dat is een aanbevelenswaardige verbetering. Zonder een representatief oordeel te kunnen geven op basis van een breed onderzoek, zijn er tekenen die wijzen op een weinig efficiënt gebruik van de huidig beschikbare informatie door LOB-begeleiders en leerlingen in het vo. Het meewegen van arbeidsmarktinformatie door docenten, mentoren en decanen vraagt meer professionele kennis en vaardigheden dan nu voorhanden is. ICT-, zoek- en interpretatievaardigheden zijn onder de maat. Daarnaast is een goed ontwikkeld vermogen noodzakelijk om met leerlingen op voet van gelijkwaardigheid te communiceren over de betekenis van die informatie bij de loopbaanbeslissingen van elke leerling afzonderlijk. De schoolleiding van havo en vmbo is verantwoordelijk voor het creëren en in stand houden van randvoorwaarden waardoor LOB-begeleiders in hun vaardigheden gesterkt worden en zij vervolgens met hun leerlingen voldoende tijd en ruimte hebben om in gesprek te gaan. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het is belangrijk dat leerlingen arbeidsmarktinformatie meenemen bij loopbaankeuzes. Om leerlingen adequaat te laten oefenen met het gebruik van arbeidsmarktinformatie dienen zoek-, selectie- en reflectievaardigheden bij loopbaanbegeleiders versterkt te worden. De kennis en vaardigheden van LOB-begeleiders moeten hiervoor versterkt worden en zij hebben voldoende tijd en ruimte nodig om hierover met de leerlingen in gesprek te gaan. 

>

De overgang van het mbo naar de arbeidsmarkt. De positie van jongeren met een migratieachtergrond

Bisschop, P. Zwetsloot, J. Weel, B. ter, Kesteren, J.van (2020)

Dit rapport onderzoekt hoe mbo‑afgestudeerden de overstap naar de arbeidsmarkt maken en waar hardnekkige verschillen tussen groepen ontstaan.

____________________________

Het rapport analyseert de arbeidsmarktpositie van mbo’ers sinds 2006, met speciale aandacht voor verschillen tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond. Daarbij wordt gekeken naar participatie, inkomen en de tijd tot een substantiële baan, zowel op korte als lange termijn. Uit de analyses blijkt dat sociaaleconomische achtergrond, studiekeuzes, stages en bijbanen een grote rol spelen, maar een aanzienlijk deel van de verschillen onverklaard blijft. Ook technologische veranderingen blijken de kansen van vooral mbo’ers met een niet‑westerse migratieachtergrond negatief te beïnvloeden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit rapport belicht de overgang van het mbo naar de arbeidsmarkt voor alle mbo’ers in de periode vanaf het studiejaar 2006/2007. De analyses gaan in op verschillen in arbeidsmarktpositie tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond, met onderscheid tussen jongens en meisjes. Verschillen in arbeidsmarktparticipatie zijn de belangrijkste uitkomstmaat, naast verschillen in inkomen en duur tot een substantiële baan na afstuderen. Met behulp van decomposities wordt het verschil in succes tussen verschillende groepen in beeld gebracht, waarbij wordt ingegaan op sociaaleconomische achtergronden, keuzes en factoren tijdens de opleiding. Naast het korte-termijnsucces wordt in beeld gebracht hoe de posities tien jaar na afstuderen zijn en worden de rol van de stand van de conjunctuur en de gevolgen van technologische verandering geanalyseerd.

Algemeen

Mbo’ers vormen ieder jaar gezamenlijk de grootste groep nieuwe werkenden. Het aantal mbo’ers dat jaarlijks afstudeert is de afgelopen jaren stabiel en bevindt zich op een niveau van ongeveer 70.000 per jaar. In de periode 2006-2014 was sprake van groei van de jonge aanwas. De arbeidsmarktparticipatie van deze jongeren ligt tussen 70 en 95 procent afhankelijk van het gevolgde opleidingsniveau en de studierichting. Op alle niveaus is het aantal afgestudeerden dat een BBL-opleiding heeft gevolgd met een kwart gedaald, terwijl de participatie van deze groep het hoogst is (groter dan 90 procent). Ook hebben jongeren met een BBL-opleiding sneller een substantiële baan en verdienen ze meer. De doorstroom binnen het mbo is toegenomen, vooral van mbo-2-niveau naar hogere niveaus. De studierichtingen die worden gekozen zijn qua aandelen relatief stabiel over de onderzochte periode. Het aandeel jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond dat via het mbo de arbeidsmarkt betreedt is gestegen van 10 naar 15 procent.  

Participatie

Er bestaan een jaar na afstuderen relatief grote verschillen in arbeidsmarktparticipatie tussen Nederlandse jongeren en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Die verschillen lopen voor sommige groepen op tot wel 30 procent en worden maar deels verklaard door sociaaleconomische kenmerken en keuzes. Het onverklaarde deel bedraagt voor veel groepen minimaal de helft. Een verklaring voor de geringere participatie is dat veel jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond na een onsuccesvolle zoekperiode terug het onderwijs in gaan. Opvallend is dat het switchen van opleiding nauwelijks effect heeft op arbeidsmarktparticipatie en positie. Daarnaast valt op dat jongens vaker een studierichting hebben gekozen met een slechter arbeidsmarktvooruitzicht en minder vaak een BBL-opleiding hebben gevolgd. Meisjes met een niet-westerse migratieachtergrond hebben dikwijls te maken met een andere thuissituatie dan Nederlandse meisjes en hebben vaker al een kind bij het betreden van de arbeidsmarkt. Een tweede verklaring voor de geringere participatie is dat Nederlandse jongeren vaker een betaalde stage hebben gelopen en ook vaker een bijbaan hebben. Deze bijbaan is daarnaast vaker substantieel van aard waardoor relevante werkervaring wordt opgedaan. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hebben daarentegen vaker een stage gelopen waaruit geen baan is voortgekomen en  lopen bovendien vaker stage bij bedrijven waar veel mensen met een niet-westerse achtergrond werken. Uit de analyses blijkt dat een betaalde stage en het hebben van een bijbaan bijdragen aan een succesvolle start op de Nederlandse arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie één jaar na afstuderen van afgestudeerde mbo’ers hangt samen met de sociaaleconomische status van ouders en de buurt waarin afgestudeerden zijn opgegroeid. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hebben vaker ouders met een laag inkomen. Daarnaast ontvangen de ouders van deze jongeren vaker een uitkering, hebben ze een lagere opleiding en wonen ze in minder goede buurten. 

Lange termijn 

Tien jaar na afstuderen bestaan nog steeds verschillen in arbeidsmarktparticipatie tussen Nederlandse mbo’ers en degenen met een niet-westerse migratieachtergrond. Voor de meeste groepen zijn die lager geworden maar voor Marokkaanse jongens groter. Het valt op dat mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een uitkering ontvangen. Tevens blijkt dat sociaaleconomische status van ouders nog steeds een grote rol speelt bij het verklaren van de verschillen in participatie. Daarnaast blijkt er een zekere mate van hysterese van het inkomen te bestaan. Jongeren die zijn gestart in een baan met een laag inkomen, hebben een grotere kans op een laag inkomen vier jaar na afstuderen. Dit geldt vooral voor het maandinkomen en het jaarinkomen, niet zozeer voor het uurloon. Gezien de verschillen in arbeidsmarktparticipatie (en daarmee gewerkte uren), hebben jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een laag maand- en jaarinkomen in vergelijking met Nederlandse jongeren. Ten slotte is gekeken naar de kwaliteit van het werk vier jaar na het betreden van de arbeidsmarkt. In de administratieve data is informatie beschikbaar over het type contract. Dit gebruiken we als maat voor de kwaliteit van het werk. Het blijkt dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een oproep- of uitzendcontract hebben en veel minder vaak een contract voor onbepaalde tijd.  

Technologische verandering  

De effecten van technologische verandering hebben impact op de arbeidsmarktpositie van mbo’ers. Deze impact is gemeten op basis van het aandeel routinematige taken in een beroep dat kan worden gekoppeld aan een mbo-opleiding. Routinematige taken zijn taken die onder druk staan van automatisering, robotisering en digitalisering, omdat dit soort taken effectiever en efficiënter door nieuwe technologie kunnen worden uitgevoerd dan door de mens. Op mbo-2- en mbo-3- niveau bestaat een negatieve correlatie tussen de mate van routinematigheid van een beroep en de kans op werk. Het valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd in beroepen met een hogere mate van routinematigheid wat hun kansen op werk schaadt. Dit geldt zowel voor jongens als meisjes.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het rapport geeft informatie over verstandige studiekeuzes ten aanzien van de arbeidsmarkt en verklaringen voor de achterstand van mbo’ers met een migratieachtergrond bij de overgang naar de arbeidsmarkt. Door het inzicht waar jongeren met een migratieachtergrond momenteel vaak tegenaanlopen kunnen jongeren in het vmbo en mbo gericht geadviseerd worden. Concreet: welke leerweg en opleidingsrichting kunnen jongeren kiezen om hun kansen te vergroten? Het rapport biedt ook bewijs voor de belangrijke rol die stages en bijbanen hebben in het vergroten van de arbeidsmarktkansen. Ook de conclusie dat er ondanks de gemaakte keuzes, een groot deel van de verschillen in arbeidsparticipatie tussen jongeren zonder en jongeren met een migratieachtergrond nog onverklaard blijft is de moeite waard om te bespreken. Dat zit in aanvullende factoren die in andere onderzoeken wordt uitgezocht, zoals verschillen in werknemersvaardigheden of voorkeuren van werkgevers.

>

Ongelijke toegang tot stage en werk van hbo’ers met een migratieachtergrond

Klooster, E., Meng, C., Bles, P. Monker, D., Walz, G. (2020)

Hbo‑afgestudeerden met een migratieachtergrond hebben aantoonbaar minder kans op werk, ondanks een vergelijkbare opleiding.

____________________________

Uit onderzoek onder hbo‑afgestudeerden, onderwijsprofessionals en werkgevers blijkt dat ongelijkheid op de arbeidsmarkt al tijdens de studie ontstaat. Factoren als beperkte begeleiding, minder effectieve netwerken en ervaren discriminatie spelen daarbij een belangrijke rol. Opleidingen kunnen bijdragen aan gelijke kansen door intensiever contact met werkgevers en gerichte ondersteuning bij stage, sollicitatie en loopbaanontwikkeling. De bevindingen onderstrepen het belang van structurele, curriculumgebonden LOB‑activiteiten om arbeidsmarktkansen te vergroten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Hbo’ers met een migratieachtergrond hebben meer moeite om na hun afstuderen werk te vinden dan hbo’ers zonder die achtergrond. Onder leiding van Eva Klooster van Klooster Onderzoek & Advies en Christoph Meng van het Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) is onderzocht welke factoren tijdens en na de hbo-studie van invloed zijn op de verschillen in baankansen tussen afgestudeerden met en zonder een migratieachtergrond, en vooral ook hoe dit probleem aangepakt kan worden. Het onderzoek bestond uit een enquête onder zo’n 8000 hbo-afgestudeerden en 75 interviews met hbo’ers, onderwijsprofessionals en werkgevers.

Uit het onderzoek blijkt dat, voor gelijke toegang tot de arbeidsmarkt voor hbo-studenten, aanpassingen in het onderwijs nodig zijn. Het was al eerder vastgesteld dat de studiekeuze iets van het verschil in arbeidsmarktkansen verklaart. Studenten met een migratieachtergrond kiezen namelijk relatief vaker een studie met ongunstige arbeidsmarktkansen. Dit onderzoek laat zien dat de studiefase van invloed is op de ongelijke arbeidsmarktpositie van studenten met en zonder migratieachtergrond. De onderzoeksuitkomsten bieden ook handvatten voor het werken aan een gelijkere toegang tot de arbeidsmarkt.  

Opleidingen kunnen bijdragen aan gelijke kansen door het contact met bedrijven te intensiveren. Daarnaast heeft ook het contact met docenten – een bekende voorwaarde voor studiesucces – invloed op de kans op stage en werk. Hoe beter het contact, hoe eerder mogelijke problemen worden ondervangen. De nadruk die het hbo legt op ‘de eigen verantwoordelijkheid’ van de student kan er in de praktijk echter voor zorgen dat problemen die studenten ervaren met het vinden van stages of discriminatie niet of te laat worden gesignaleerd. Soms lijkt dit paradoxaal genoeg mede het gevolg van de wens van hbo-onderwijsprofessionals om juist niet te stigmatiseren en geen verschil te maken tussen studenten met of zonder migratieachtergrond. Op verschillende opleidingen misten de onderzoekers deskundigheid en overeenstemming van onderwijsprofessionals op het terrein van discriminatie. 

Veel geïnterviewde hbo’ers met een migratieachtergrond vermoeden zelf (wel eens) gediscrimineerd te zijn, vooral vanuit de ervaring dat sollicitaties niet worden beantwoord. De geïnterviewde werkgevers herkennen dat vooral ‘open sollicitaties’ weinig kans maken op een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek. Studenten met een migratieachtergrond zouden om hun kansen te vergroten veel brieven sturen, waaronder ook open sollicitaties. De onderzoekers adviseren de opleidingen dan ook om studenten niet langer te stimuleren op deze wijze te solliciteren en om studenten beter te informeren over hun rechten tijdens het sollicitatieproces.  

Het netwerk dat de hbo’er opbouwt – via bijbanen, stages, traineeships en online-profilering – bepaalt in hoge mate de kans om in beeld te komen bij werkgevers. Maar hbo’ers met een migratieachtergrond hebben vaker een bijbaan of een startersbaan buiten de sector waarvoor zij worden/zijn opgeleid. Opleidingen kunnen meer voorlichting geven over hoe bijbanen en startersbanen bijdragen aan toegang tot de arbeidsmarkt. Met betere begeleiding van het contact met werkgevers en het daarbij betrekken van rolmodellen uit diverse groepen kunnen de opleidingen concreet bijdragen aan gelijkere arbeidsmarktkansen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek eindigt met concrete adviezen aan de opleidingen en studenten over hoe zij tijdens de studiefase kunnen bijdragen aan gelijke(re) toegang tot de stage- en arbeidsmarkt. De adviezen vallen grotendeels op het terrein van LOB. De onderzoekers laten zien wat het belang is van gedegen voorlichting aan studenten over ‘actief netwerken’, gericht solliciteren i.p.v. open sollicitaties en een bewuste keuze van bijbanen. Ook laten zij zien dat opleidingen die studenten tijdens de studie/LOB-uren in contact brengen met succesvolle alumni uit het werkveld bijdragen aan zelfvertrouwen en daarmee aan kansen. Belangrijk advies is om de voorbereiding op stage en werk (ook sollicitatietraining en gastlessen) binnen het curriculum te plaatsen. Wanneer dit soort activiteiten buiten de lesuren plaatsvinden, worden de studenten die er het meest belang bij hebben, het minst bereikt. 

>

Professionaliteit van loopbaanbegeleiding

Euroguidance (2015)

Dit document geeft inzicht in hoe mbo‑instellingen invulling geven aan professionele loopbaanontwikkeling en waar kansen liggen voor versterking.

____________________________

Op basis van gesprekken met vijf mbo‑instellingen zijn portretten opgesteld van de professionaliteit rond LOB. Deze portretten vormden de basis voor aangescherpte aanbevelingen in samenspraak met LOB‑betrokkenen en experts. De aanbevelingen richten zich op visie en beleid, de professionaliteit van loopbaanbegeleiders en onderwijskundig leiderschap. Het document biedt daarmee concrete handvatten om LOB structureel te verbeteren binnen het mbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit document brengt de huidige stand van zaken van professionaliteit rond loopbaanontwikkeling en -begeleiding in het mbo in kaart. Vervolgens worden er aanbevelingen aan stakeholders gedaan over hoe de LOB-professionaliteit kan worden versterkt. Er zijn met vijf mbo-scholen gesprekken gevoerd. Per onderwijsinstelling zijn drie tot vijf gesprekken gevoerd met verschillende geledingen. Op basis van die gesprekken, websites en beschikbare beleids- en LOB-visiedocumenten is er per school een ‘Portret Professionaliteit Loopbaanontwikkeling en-Begeleiding’ gemaakt. Deze portretten zijn besproken met een groep LOB-betrokkenen en LOB-experts die aanbevelingen hebben gedaan op basis waarvan ze zijn aangescherpt of aangevuld. De LOB-aanbevelingen betreffen drie thema’s:

  • Visie, beleid en strategie
  • Professionaliteit van loopbaanbegeleiders
  • Onderwijskundig leiderschap

Per thema wordt de stand van zaken geschetst en worden aanbevelingen geschreven voor het mbo-veld en voor de lerarenopleidingen.

Visie, beleid en strategie

De ideale opmaat voor een structurele verandering in je organisatie kent drie stappen. Zo ook het doorvoeren van de professionaliteitverbetering van Loopbaanontwikkeling en -begeleiding (LOB). Je gaat van visie (het waarom) naar beleid (het wat). Vervolgens bedenk je een strategie om het beleid uit te voeren (het hoe). Wat ondernemen mbo-instellingen zoal om deze ‘drietrapsraket’ in de lucht te krijgen? En wat zijn de knelpunten? Deze stappen lijken vrij simpel, maar uit de gevoerde gesprekken blijkt dat er veel komt kijken bij deze cruciale stappen. Er is geen standaardformule voor LOB. Iedere onderwijsinstelling moet zijn eigen visie opstellen.

Professionaliteit van loopbaanbegeleiders

Voor de ontwikkeling en uitvoering van professionele loopbaanbegeleiding maakt de loopbaanbegeleider het verschil. Duidelijkheid in rollen, taken en competenties geeft een kader om vast te stellen hoe het met diens professionaliteit gesteld is. Overeenkomstig de ontwikkeldoelen van loopbaanbegeleiders en opleidingsteams krijgt het professionaliseringsbeleid vorm en inhoud. Hoe gebeurt dit in de praktijk? Wat betreft bovenstaande duidelijkheid valt er nog veel te winnen.  

Onderwijskundig leiderschap

Om binnen opleidingsteams loopbaanbegeleiding voor zowel studenten als medewerkers werkelijkheid te laten worden, zijn gerichte aandacht en sturing nodig. Aan alleen visie, beleid en strategie heb je niet genoeg. Het onderwijskundig leiderschap is nodig om LOB echt te laten landen op de werkvloer. Hier is nog veel winst te behalen. Dat kan eigenlijk alleen als teamleiders/opleidingsmanagers – die onderwijskundig leiderschap uitvoeren – voldoende handvatten hebben. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Naar aanleiding van de geschetste portretten zijn overstijgende aanbevelingen beschreven op drie thema’s:

  • Visie, beleid en strategie
  • Professionaliteit van loopbaanbegeleiders
  • Onderwijskundig leiderschap  

Deze aanbevelingen kunnen helpen om de professionaliteit van de ondersteuning van loopbaanontwikkeling van studenten en docenten versterken. Zie ook de digitale versie van het document voor een duidelijk overzicht van deze aanbevelingen. In de jaren na deze verkenning heeft Euroguidance NL Het Raamwerk voor Loopbaanbegeleiding Jongeren (2017) ontwikkeld om scholen handvatten te geven in de vormgeving en uitvoering van LOB-beleid. Het raamwerk heeft geen verplichtend karakter en ondersteunt de volgende doelen:

  • Ondersteuning van loopbaanprofessionals bij het versterken van de kwaliteit van de loopbaanontwikkeling en –begeleiding van jongeren binnen de scholen.
  • Het vergemakkelijken van de discussie binnen de onderwijsorganisatie: verstaan we hetzelfde onder loopbaanbegeleiding? Welke verwachtingen hebben wij ten aanzien van de kwaliteit van loopbaanprofessionals?
  • Betere afstemming van onderwijsaanbod door LOB-opleiders op vragen en wensen van het afnemend veld.
  • Ondersteuning van HR-beleid binnen scholen en de professionalisering van loopbaanprofessionals. 
>

Jongerenperspectief op LOB, rapport YoungWorks

Schuurman, J., Mudde, A. L. (2020)

Jongeren zien loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) als waardevol, maar ervaren dat het huidige aanbod beter kan aansluiten bij hun behoeften.

____________________________

Jongeren hebben overwegend positieve ervaringen met LOB, maar zijn kritisch over de huidige invulling. Ze missen vooral persoonlijk maatwerk, betekenisvolle gesprekken en meer praktijkgerichte, levendige vormen. LOB‑activiteiten sluiten nu vaak onvoldoende aan op hun ontwikkelfase en laten te weinig samenhang zien. Het onderzoek laat zien dat juist hier kansen liggen om LOB relevanter en effectiever te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Welke behoeften hebben jongeren op het gebied van LOB en welke kansen zien ze voor verbeteringen op hun school/onderwijsinstelling?

Als je met jongeren in gesprek gaat over LOB, valt op dat vrijwel iedereen positieve ervaringen heeft gehad en de essentie van LOB – na enige uitleg - als zeer waardevol ziet. Tegelijkertijd zijn veel jongeren kritisch. Kritisch op hoe LOB nu vaak vorm krijgt en kritisch op wat ze nog missen op het gebied van LOB. Dit onderzoek biedt dan ook inzicht in een aantal grotere kansen. We benoemen deze hieronder kort samengevat. Bij de beschrijving van de resultaten verderop in dit rapport maken we, waar relevant, onderscheid tussen opleidingsniveaus, fasen binnen de opleiding en besteden we aandacht aan de loopbaancompetenties. De belangrijkste kansen en uitdagingen op het vlak van LOB zijn:

  • Persoonlijke relevantie:
    Jongeren hebben behoefte aan meer maatwerk op het gebied van LOB, waarbij de invulling en inhoud is afgestemd op zowel persoonlijke behoeften als de fase van ontwikkeling van de leerling of student. Hierbij hechten ze veel waarde aan persoonlijk contact, juist dan is er ruimte voor maatwerk. De rol van een mentor of coach, waarmee ze een persoonlijke band kunnen opbouwen en die met ze in gesprek gaat, waarderen jongeren dan ook zeer. Tegelijkertijd vinden ze dat deze ruimte nu te vaak ontbreekt. LOB vindt nu veelal plaats in groepsverband (tijdens mentor-/SLB-/LOB-uren), waarbij iedereen dezelfde activiteiten doorloopt, terwijl de behoeften binnen een groep sterk verschillen en er te weinig tijd is voor een persoonlijk gesprek. Jongeren zien leeftijdsgenoten bovendien niet als een geschikte gesprekspartner op het vlak van veel LOB-gerelateerde onderwerpen. Ze zoeken óf ervaringsexperts (bijvoorbeeld studenten die een stap verder zijn of alumni) óf mensen in hun omgeving die met ze mee kunnen denken vanuit een coachende rol (een mentor/ouder).
  • Een levendige vorm:  
    Jongeren zijn positief over projecten waarbij ze praktijkervaringen opdoen bij organisaties, of aan de slag gaan met echte vraagstukken. Dat geldt ook voor stages. Als ze na afloop van dat soort ervaringen reflecteren op hun drijfveren en kwaliteiten, ontwikkelen ze zelfinzicht en leren ze over hun talenten en (on)mogelijkheden. Hier zijn jongeren sterk naar op zoek, bewust of onbewust. De mate waarin jongeren praktijkervaringen opdoen varieert echter sterk. Veel jongeren vinden dat hier nu nog te weinig ruimte voor is. Daarbij heeft het invullen van te lange en saaie vragenlijsten voor veel jongeren geen toegevoegde waarde en lijkt dit zijn doel daarmee voorbij te schieten. Dat geldt zowel voor te lange invulreflectie-opdrachten als voor het invullen van studiekeuze- en beroepentesten. De opbrengst van testen is te voorspelbaar of te ver uit de richting, waardoor jongeren zich hier niet door geholpen voelen. Bovendien worden jongeren hierdoor kritisch op LOB; het voelt eerder als een nutteloze verplichting dan als een kans om meer over jezelf en je mogelijke rol in de wereld te ontdekken. Belangrijk is dan ook dat reflectie na een activiteit of ervaring wel plaatsvindt, maar in een meer levendige vorm.
  • Herkenbare LOB.
    Jongeren zijn nu nog (deels) niet bekend met het begrip LOB, ook al hebben ze er wel eens van gehoord. Bekendheid met LOB is geen doel op zich, maar biedt wel een kans. Nu tellen veel LOB-activiteiten niet bij elkaar op. Jongeren zien zelf geen samenhang of een doorlopende LOB-lijn, die ze vanaf het voortgezet onderwijs voorbereidt op een vervolgopleiding en de arbeidsmarkt. De gebruikte terminologie is over verschillende opleidingsniveaus niet consistent. Door dit gebrek aan een eenduidige taal is het moeilijker voor jongeren om samenhang te zien. Het zou zinvol zijn als jongeren bewuster gaan ervaren dat ze tijdens hun hele onderwijsloopbaan met LOB bezig zijn en wat de toegevoegde waarde daarvan is. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Zoals de titel beschrijft: het onderzoek laat het jongerenperspectief zien op LOB. Op overkoepelend niveau zien we een aantal grotere kansen. Om de kansen uit het onderzoek te benutten is een vertaalslag naar de eigen praktijk nodig. Bijvoorbeeld binnen de onderwijsinstelling of in een samenwerkingsverband. We adviseren om te kijken op welke kansen de meeste ruimte voor verbeteringen mogelijk is en hier een plan op te maken. Pak bijvoorbeeld het thema ‘Een levendige vorm’ en kijk hoe je jongeren op een andere manier maatwerk kunt gaan bieden en laten reflecteren. Waar de grootste kans ligt, is schoolafhankelijk. In lijn met de aanpak van dit onderzoek adviseren we om hier met de eigen jongerendoelgroep over in gesprek te gaan: wat vinden zij dat er goed gaat en wat kan er beter op het gebied van LOB? 

>

De impact van de coronapandemie op de arbeidsmarktpositie van jonge werkenden

Henri Bussink, Bas ter Weel, Iris Klinker (2021)

Dit onderzoek analyseert de impact van de coronapandemie op de arbeidsmarktpositie van jonge werkenden.

____________________________

De baankansen van jonge werkenden zijn hersteld na corona en liggen weer op het oude niveau of hoger. Tegelijk is de ongelijkheid tussen opleidingsniveaus toegenomen. In zwaar getroffen sectoren is de arbeidsmobiliteit groter, maar ook de kans op afstroom naar tijdelijke banen of een uitkering. Veel jongeren werken daar bovendien bij bedrijven met NOW‑loonsteun. De loonontwikkeling blijft in deze situaties duidelijk achter.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

In het onderzoek De impact van de coronapandemie op de arbeidsmarktpositie van jonge werkenden analyseert SEO Economisch Onderzoek hoe jongeren de coronacrisis op de arbeidsmarkt hebben ervaren. Uit de verschillende monitors blijkt dat de gemiddelde baankansen van jonge werkenden na een korte dip zijn hersteld en zelfs hoger liggen dan vóór de pandemie. Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat deze positieve ontwikkeling niet voor alle groepen gelijk is. Met name lager en middelbaar opgeleide mannen zagen hun kansen iets afnemen, terwijl hoger opgeleiden en vrouwen juist profiteerden. 
Daarnaast toont het onderzoek aan dat jongeren in sectoren die hard werden geraakt door corona – zoals de horeca, luchtvaart en reisbranche – vaker afhankelijk bleven van tijdelijke steunmaatregelen zoals de NOW-regeling. In sommige van deze sectoren nam de mobiliteit af, terwijl jongeren vaker overstapten naar sectoren als zorg, overheid, detailhandel en bouw. Het onderzoek maakt duidelijk dat de pandemie bestaande verschillen en ongelijkheid op de arbeidsmarkt heeft versterkt, vooral naar opleidingsniveau.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek van SEO onderstreept het belang van LOB dat verder gaat dan ‘de juiste keuze maken’ en gericht is op het ontwikkelen van duurzame loopbaanvaardigheden.

  1. Benadruk wendbaarheid en brede inzetbaarheid
    Jongeren met een meer generieke opleiding bleken tijdens de coronacrisis beter in staat om van sector te wisselen. In de LOB‑praktijk betekent dit dat aandacht voor overdraagbare vaardigheden – zoals reflectie, communicatie en probleemoplossend vermogen – essentieel is, ongeacht niveau of richting.
  2. Maak leerlingen bewust van context en conjunctuur
    De pandemie laat zien dat externe factoren grote invloed hebben op loopbanen. Door dit expliciet te bespreken binnen LOB leren leerlingen dat loopbanen zelden lineair verlopen en dat bijsturen normaal is. Dat helpt om realistische verwachtingen te ontwikkelen en om te gaan met onzekerheid.
  3. Extra aandacht voor kwetsbare groepen
    Omdat lager en middelbaar opgeleide jongeren gemiddeld kwetsbaarder zijn gebleken op de arbeidsmarkt, vraagt LOB hier om maatwerk. Denk aan meer ondersteuning bij oriëntatie, netwerkontwikkeling en het leren verwoorden van kwaliteiten en ervaringen.
  4. Stimuleer zelfreflectie bij ervaringen en keuzes
    Het onderzoek laat zien dat mobiliteit tussen sectoren belangrijk was voor het behoud van werk. In LOB‑gesprekken kan daarom sterker worden ingezoomd op wat leerlingen leren van stages, bijbanen en oriëntatieactiviteiten, en hoe deze ervaringen bijdragen aan hun beroepsbeeld en zelfinzicht.
  5. Normaliseer switchen en bijstellen
    Tot slot bevestigt het onderzoek dat overstappen, uitstellen of heroriënteren onderdeel is van moderne loopbanen. Door dit te normaliseren binnen LOB verlaag je de druk op ‘de ene juiste keuze’ en vergroot je het vertrouwen van leerlingen in hun eigen loopbaanproces.

Deze tekst is gegenereerd met behulp van Co-pilot.

Download het volledige onderzoek

>

Verbeteren van de doorstroom vmbo-mbo-hbo

Bremer, B., Bokdam, J. Bulder, E. Oberon. (2022)

Goede ondersteuning bij de overstap tussen onderwijsniveaus is cruciaal om uitval in het beroepsonderwijs te voorkomen.

____________________________

De overgangen vmbo‑mbo en mbo‑hbo zijn kwetsbaar en leiden regelmatig tot uitval. In een praktijkgericht onderzoek zochten onderwijsinstellingen samen naar oplossingen. Met design thinking ontwikkelden docenten en studenten vijf doorstroominitiatieven. Vooral de studentgerichte interventies bleken effectief en relevant voor de LOB‑praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het Nederlandse beroepsonderwijs biedt leerlingen de mogelijkheid om stapsgewijs door te stromen, van vmbo naar mbo en hbo. In de praktijk zijn deze overgangsmomenten kwetsbaar, waardoor veel leerlingen en studenten uitvallen in of net na de overgang van vmbo naar mbo en van mbo naar hbo.

Veel instellingen willen studenten beter ondersteunen in de overstap naar vervolgonderwijs. Dat vraagt om samenwerking waarbij instellingen samen oplossingen zoeken voor knelpunten op de schakelmomenten in de onderwijsketen. In een praktijkgericht onderzoek, gesubsidieerd door het NRO, hebben drie vmbo-, mbo- en hbo-scholen samen met onderzoekers van de Oberon, KBA Nijmegen en de HAN onderzocht hoe ze aanpakken kunnen ontwerpen voor soepelere overgangen vmbo-mbo en mbo-hbo.

Vijf teams van docenten en onderzoekers hebben aan de hand van de design thinking methode, met betrokkenheid van studenten, vijf doorstroominitiatieven ontworpen. Voor de overgang vmbo-mbo is een doorlopende leerlijn logistiek ontworpen en een beroepsoriëntatietraject voor vmbo-leerlingen, bestaande uit speeddates met beroepsbeoefenaars, een stagemarkt en een stage. Voor de overgang mbo-hbo is een docentenuitwisselingsprogramma voor mbo- en hbo-docenten ontwikkeld, een digitale ‘knapzak’ met instrumenten voor LOB voor docenten en een hbo-survivaldag voor tweedejaars mbo-studenten, door hbo-studenten.  

De interventies die het meest direct op studenten waren gericht, de hbo-survivaldag, het speeddaten en de stage(markt), zijn positief door de doelgroep ontvangen. De docentenuitwisseling is ook positief beoordeeld door de deelnemende docenten. De ‘Knapzak’ met instrumenten voor LOB voor docenten is redelijk positief ontvangen, maar wordt nog weinig gebruikt en lijkt hiermee toch niet voldoende te voorzien in een vraag van de docenten. De doorlopende leerlijn logistiek is een beproefde methode om de vmbo-mbo doorstroom te verbeteren en kan snel resultaten laten zien in termen van vergroting en verbetering van de doorstroom.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek geeft inzicht in knelpunten die er (kunnen) spelen bij de overgangen van vmbo-mbo en van mbo-hbo.
Het onderzoek bevat een ‘ideeënbron’ voor interventies en maatregelen ter bevordering van de doorstroom, welke is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Daarnaast geeft het rapport voorbeelden van arrangementen ter bevordering van de doorstroom en het studiekeuzeproces, en worden de eerste ervaringen met deze arrangementen beschreven.

>

Jongerenperspectief op de nieuwe leerweg

Youngworks (2020)

In dit onderzoek wordt ingegaan op welke leerbehoeften jongeren op het vmbo-gtl hebben en welke kansen jongeren zien voor de nieuwe leerweg.

____________________________

Jongeren staan positief tegenover een nieuwe, praktijkgerichte leerweg binnen het vmbo‑gtl. Zij missen nu vooral aandacht voor praktische vaardigheden en gerichte loopbaanoriëntatie. Het praktijkgericht programma helpt bij het ontdekken van interesses, kwaliteiten en vervolgkeuzes. Wel zijn duidelijkheid, structuur en zorgvuldige communicatie essentieel voor een succesvolle invoering.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Welke leerbehoeften hebben jongeren op het vmbo-gtl en welke kansen zien jongeren voor de nieuwe leerweg? 

Om het jongerenperspectief op het samenvoegen van de gemengde- en theoretische leerweg in een nieuwe leerweg in kaart te brengen, voerden we een kwalitatief onderzoek uit onder jongeren in het vmbo-gtl, havo en mbo. Ook gingen we in gesprek met jongeren uit de pilot Technologie & Toepassing (T&T) over hun ervaringen. Vanwege het beperkte aantal gesprekken (n=42) zijn inzichten indicatief van aard, vooral als het gaat om verschillen tussen subgroepen. Vrijwel alle ondervraagde jongeren reageren positief op het idee van een nieuwe leerweg met een praktijkgericht programma. Het praktijkgericht programma kan op verschillende manieren inspelen op leerbehoeften van jongeren, die naar hun zeggen in het huidige vmbo onvoldoende worden vervuld. Dit onderzoek geeft inzicht in twee grote kansen. 

Het praktijkgericht programma kan inspelen op een sterke behoefte aan praktische vaardigheden

Jongeren hebben behoefte aan meer aandacht voor praktische vaardigheden binnen het vmbo-gtl, zoals zelfstandig werken, plannen, samenwerken en presenteren. Deze vaardigheden komen nu onvoldoende aan bod. Door gebrek aan ervaring met plannen en zelfstandig werken, geven jongeren die doorstromen naar de havo aan dat ze minder goed prioriteiten weten te stellen. Ze missen begeleiding van docenten. Door gebrek aan ervaring met samenwerken en presenteren, vinden met name mbo’ers het lastig om vorm te geven aan groepsopdrachten en vinden ze presenteren spannend. Jongeren zien toegevoegde waarde in een praktijkgericht programma, omdat ze denken dat dit soort vaardigheden een prominente rol krijgen binnen de praktijkgerichte opdrachten. Door vaker met deze vaardigheden aan de slag te gaan, doen ze ervaringen op die de overstap naar een vervolgopleiding kan vergemakkelijken. Ook zien ze het opdoen van deze vaardigheden in het algemeen als nuttig voor het toekomstige werkleven. 

Het praktijkgericht programma speelt in op LOB-behoeften van jongeren

Met betrekking tot loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) op het voortgezet onderwijs kan onderscheid worden gemaakt tussen twee overkoepelende thema’s: het ontdekken van jezelf (Wat kan ik goed?) en het ontdekken van je toekomst (Hoe zie ik mijn toekomst?). Dit onderscheid baseren we op basis van inzichten uit voorgaande onderzoeken naar leerbehoeften van jongeren met betrekking tot LOB. In het huidige onderwijs vinden jongeren dat LOB-activiteiten vaak te veel op één van de twee thema’s gericht zijn. Volgens jongeren kan een nieuwe leerweg inspelen op de behoefte om deze thema’s samen te brengen, doordat alle leerlingen straks een praktijkgericht programma volgen. Door het praktijkgericht programma ontdekken ze bijvoorbeeld wat verschillende werkvelden inhouden en welke onderwerpen aan bod komen in het werkveld. Ook kunnen ze ontdekken of ze het leuk vinden om met soortgelijke opdrachten aan de slag te gaan in de toekomst, of juist helemaal niet. Tegelijkertijd geeft deze ervaring ook meer inzicht in hun eigen kwaliteiten. Toch staat het traject ook voor enkele uitdagingen, waar rekening mee moet worden gehouden bij de invulling van de nieuwe leerweg en de praktijkgerichte programma ’s. Daarom formuleren we hieronder drie concrete adviezen. 

De nieuwe leerweg vraagt om een duidelijk en overzichtelijk aanbod aan praktijkgerichte programma’s

Jongeren hebben behoefte aan bondige informatie over de verschillen tussen de praktijkgerichte programma’s en de inhoud van de werelden daarbinnen. Enerzijds willen jongeren zelf keuzes maken binnen de nieuwe leerweg. Anderzijds willen ze binnen het praktijkgerichte programma aan de hand genomen worden, omdat ze aan de start van de bovenbouw nog niet goed weten wat hen aanspreekt. Voor scholen ligt hierbij de uitdaging om te zoeken naar een goede balans tussen sturing vanuit de school/leraar en de autonomie van jongeren.  

Belang dat scholen in de praktijkgerichte programma’s een geleidelijke weg naar meer zelfstandigheid aanbieden

Een belangrijke voorwaarde bij het aanleren van die nieuwe vaardigheden, is een duidelijke opbouw van het praktijkgerichte programma. Jongeren hebben behoefte aan structuur en willen niet gelijk in het diepe gegooid worden. Het is daarom belangrijk dat scholen een stapsgewijze opbouw hanteren in de uitvoering van het praktijkgerichte programma. Begin laagdrempelig en help jongeren actief bij het maken van planningen en contact leggen met mensen buiten school. Geef jongeren bij elke volgende opdracht steeds iets meer vrijheid of verantwoordelijkheid. Op die manier bouwen jongeren zelfvertrouwen op in hun kwaliteiten en leren ze steeds meer eigen invulling geven aan een opdracht.  

Belang van een duidelijke omschrijving (frame) van de nieuwe leerweg

De nieuwe leerweg roept een aantal twijfels op. Zo maken jongeren zich zorgen over achteruitgang van het opleidingsniveau bij het samenvoegen van vmbo-gl en vmbo-tl. Jongeren denken dat vmbo-gl een lager niveau is dan vmbo-tl. Ook zet het frame ‘praktijkgericht’ ze op het verkeerde been: praktijkgericht betekent in hun ogen met de handen werken en associëren ze met vmbo-basis en vmbo-kader. Het is belangrijk om die twijfels in de communicatie rondom de nieuwe leerweg weg te nemen. Bijvoorbeeld door de term ‘praktijkgericht’ los te laten. Een tweede twijfel betreft de vraag of de nieuwe leerweg voldoende voorbereidt op de havo. Het is daarom belangrijk dat jongeren op voorhand inzicht krijgen hoe de nieuwe leerweg wél een goede voorbereiding kan vormen. Leg bijvoorbeeld nadruk op het aanleren van nuttige vaardigheden voor de havo en neem in communicatie de angst weg onvoldoende vakinhoudelijke kennis op te doen voor de havo.
Tot slot vraagt de nieuwe leerweg om een passende naam. Jongeren worstelen met de naamgeving. Enerzijds zijn ze positiever over mavo dan over vmbo: vmbo klinkt lager. Anderzijds vinden ze vmbo beter passen bij de inhoud van de nieuwe leerweg, want vanuit de nieuwe leerweg stromen de meeste jongeren door naar het mbo (en vmbo staat voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). De praktijkgerichte programma's focussen op toepassing van kennis en vaardigheden in de praktijk, waar mavo in de ogen van jongeren focust op theorie. Misschien moet de nieuwe leerweg een nieuwe naam krijgen en loskomen van het ‘oude’ vmbo en mavo. Een nieuwe naam zou kunnen focussen op de extra uitdaging die de nieuwe leerweg te bieden heeft, in een levensechte leeromgeving. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Voor de verdere ontwikkeling van de praktijkgerichte programma’s is het belangrijk om in te spelen op de sterke behoefte aan praktische vaardigheden én tegelijkertijd de praktijkgerichte programma’s loopbaangericht te maken.

Download het volledige onderzoek

>

Ontwikkeling van onderwijsarrangementen voor een succesvolle doorstroom vmbo-mbo-hbo

Jenniskens, T., Leest, B., Wolbers, M., Bremer, B., Bokdam, J., de Lange, M., Peters, M. (2021)

Een soepele doorstroom tussen vmbo, mbo en hbo is essentieel voor studiesucces, maar blijkt in de praktijk lastig te realiseren.

____________________________

De doorstroom in het beroepsonderwijs kent veel knelpunten bij de overgangen vmbo-mbo en mbo-hbo. Om deze aan te pakken is een praktijkgericht onderzoek opgezet door onderwijsinstellingen en onderzoekers. In designteams zijn onderwijsarrangementen ontwikkeld en getest om de aansluiting en loopbaanoriëntatie te verbeteren. Het onderzoek biedt inzicht en concrete, wetenschappelijk onderbouwde ideeën voor de LOB-praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Doorstroom in het beroepsonderwijs staat volop in de aandacht. Hoewel het Nederlandse onderwijssysteem goede mogelijkheden biedt voor stapsgewijs opstromen binnen de beroepskolom, zijn de problemen rondom succesvolle doorstroom groot. Overgangsmomenten in schoolloopbanen zijn kwetsbaar vanwege gebrek aan eenduidige verantwoordelijkheid vanuit de betrokken onderwijsinstellingen. Vanuit de behoefte maatwerk te leveren en regionaal samen te werken aan verbeterde doorstroom hebben drie onderwijsinstellingen (COG, Graafschap College en HAN) het initiatief genomen samen met onderzoekers van KBA, Oberon en HAN te komen tot dit onderzoeksvoorstel.

De volgende onderzoeksvragen staan centraal:

  1. Wat zijn binnen de betrokken onderwijsinstellingen geobserveerde knelpunten die de overgang vmbo-mbo en mbo-hbo bemoeilijken?
  2. Welke wetenschappelijke kennis is reeds voorhanden om deze knelpunten bij de overgang vmbo-mbo en mbo-hbo te verminderen?
  3. Hoe kan deze kennis vertaald worden naar succesvolle arrangementen die de doorstroom vmbo-mbo en mbo-hbo bij de betrokken instellingen bevorderen en waar moeten deze, indien nodig, na evaluatie worden bijgesteld?
  4. Welke bijdrage leveren de geïmplementeerde arrangementen aan het verminderen van de geobserveerde knelpunten binnen de betrokken onderwijsinstellingen?  

Het onderzoek bevat drie fasen. Fase 1 bestaat uit een analyse van de knelpunten (nulmeting) en het ontwerpen van onderwijsarrangementen vmbo-mbo-hbo door middel van designteams van docenten en onderzoekers. In fase 2 worden de ontworpen arrangementen als pilot ingevoerd in het onderwijs binnen de betrokken onderwijsinstellingen. In fase 3 vindt een verdere implementatie van de herontworpen arrangementen plaats. Door middel van een eindmeting wordt geëvalueerd in hoeverre de onderwijsarrangementen de eerder geconstateerde knelpunten hebben verminderd.

Voor dit praktijkgerichte onderzoeksproject, gesubsidieerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO), is ingezet op regionale samenwerking van vmbo-, mbo- en hbo instellingen om een betere verbinding in de beroepskolom te kunnen realiseren. Hiertoe is nadrukkelijk de samenwerking gezocht met docenten, die samen met onderzoekers aan de slag zijn gegaan in zogeheten designteams. Lopende initiatieven bij mbo- en hbo instellingen ter bevordering van doorstroom zijn vaak top-down georganiseerd. Door docenten en onderwijsmedewerkers die dicht bij studenten staan te betrekken in de aanpak van de aansluitingsproblematiek en bij het ontwikkelen van initiatieven, ontstaat een bottom-up aanpak die dicht bij de inhoud en de praktijk van de opleiding staat. Dit onderzoek heeft ingespeeld op deze behoefte door ruimte te bieden om initiatieven te ontwikkelen voor en door docenten en studenten, met oog voor wetenschappelijke kennis en de heersende beleidsmaatregelen. De toegepaste methode van design thinking is gebaseerd op de betrokkenheid van docenten en studenten. De methode borgt een aanpak waarin probleem analyse en evaluatie een belangrijke plaats innemen, om te komen tot verbeterde evidence-based aanpakken.

In dit onderzoeksproject zijn in schooljaren 2017/2018 tot en met 2020/2021 (uiteindelijk) vijf designteams van docenten en onderzoekers aan de slag gegaan: twee teams hebben zich gericht op de overgang vmbo-mbo en drie teams op de overgang mbo-hbo. Het onderzoek bestond in de praktijk uit vijf case studies, met een vergelijkbare aanpak (nl.: design thinking) en doelstelling (nl.: een arrangement ontwerpen gericht op bevordering van een soepele doorstroom), maar met elk hun eigen probleemanalyse en vraagstelling die leidde tot vijf uiteenlopende onderwijsarrangementen.  
Vijf teams van docenten en onderzoekers hebben aan de hand van de design thinking methode, met betrokkenheid van studenten, vijf doorstroominitiatieven ontworpen. Voor de overstap vmbo-mbo is een doorlopende leerlijn logistiek ontworpen en een beroepsoriëntatietraject voor vmbo-leerlingen, bestaande uit speeddates met beroepsbeoefenaars, een stagemarkt en een stage.
Voor de overgang mbo-hbo is een docentenuitwisselingsprogramma voor mbo- en hbo docenten ontwikkeld, een digitale ‘knapzak’ met instrumenten voor LOB voor docenten en een LOB-survivaldag voor tweedejaars mbo-studenten door hbo-studenten. Bij elk onderwijsarrangement is op passende wijze de pilot geëvalueerd en – waar mogelijk binnen de coronabeperkingen – een eindevaluatie uitgevoerd. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek geeft inzicht in knelpunten die er (kunnen) spelen bij de overgangen van vmbo-mbo en van mbo-hbo en bevat een ‘ideeënbron’ voor interventies en maatregelen ter bevordering van de doorstroom, welke is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Daarnaast geeft het rapport voorbeelden van arrangementen ter bevordering van de doorstroom en het studiekeuzeproces.

Ook interessant:

>