Ben je bezig met het versterken van het LOB-beleid van jouw school of samenwerkingsverband? Of bereid je jezelf voor op een praktijkgericht onderzoek dat je op jouw school gaat uitvoeren? Hier vind je op toegankelijke wijze LOB-onderzoeken over thema’s zoals loopbaangesprekken of professionalisering. Van ieder onderzoek is een samenvatting beschikbaar, ook is kort beschreven hoe je de betreffende publicatie kunt gebruiken voor de LOB-praktijk.
Ben je zelf onderzoeker en mis je jouw LOB-onderzoek? Stuur ons een bericht: info@expertisepuntlob.nl
Deze databank wordt periodiek aangevuld met nieuwe LOB-onderzoeken.
We werken momenteel aan het vernieuwen van de filters op deze site. Daardoor zijn de filters tijdelijk nog niet actief of werken niet correct. In de komende periode worden deze weer ingericht en aangevuld, zodat je straks nog makkelijker passende voorbeelden kunt vinden.
Kansrijk kiezen in het MBO: Overwegingen van jongeren bij hun studiekeuze
Jessie Bakens, Danique Eijkenboom, Didier Fouarge, Nadine van Guilik, Nico Pestel, Felix Seifert
Tegen de achtergrond van de structurele arbeidsmarktkrapte is het van maatschappelijk belang dat jongeren kiezen voor studies die niet alleen aansluiten bij hun interesses en talenten, maar ook leiden tot beroepen met goede arbeidsmarktperspectieven en maatschappelijke waarde – met name in sectoren zoals zorg, onderwijs en techniek. Zo een “kansrijke studiekeuze” is van belang voor zowel het individu als de samenleving. Het centrale doel van dit onderzoek is om beter te begrijpen hoe jongeren in het mbo hun studiekeuze maken en hoe zij gestimuleerd kunnen worden om voor kansrijke opleidingen te kiezen. Daarbij wordt onderzocht welke informatie jongeren gebruiken, via welke kanalen zij die verkrijgen, hoe zij arbeidsmarktkansen meewegen en welke afwegingen zij maken. Het onderzoek combineert literatuurstudie, kwantitatieve analyses van onderwijsdata, kwalitatief veldonderzoek op mbo-scholen en een enquête met experimentele elementen onder mbo-afgestudeerden.
Meer weten over hoe je arbeidsmarktinformatie integreert binnen het LOB-proces? Bekijk onze pagina: Informatie over de arbeidsmarkt helpt bij kansrijk kiezen!
Succesfactoren: hoe verhogen we de keuze voor een technisch profiel?
Auteurs: Jet-Net (2022).
De afgelopen jaren zien we een afname in het aantal jongeren dat kiest voor een technisch profiel op het voortgezet onderwijs en technische vervolgopleiding. Waar komt dat door? En hoe kunnen we deze trend stoppen? In opdracht van Jet-Net deed Motivaction onderzoek naar de ervaringen van de jongeren. Meer dan 1.000 jongeren (12 t/m 17 jaar) werd gevraagd naar hun profielkeuze en ervaringen met bètatechniek op school. Wat blijkt? Meer praktijkopdrachten, duiding en context bieden werkt. We verzamelden de belangrijkste inzichten uit het onderzoek in zes handige factsheets.
De kracht van verbinding! Loopbaanthematieken in het licht van verschuivende beroepsbeelden
Jeany van Beelen-Slijper, Petra Biemans, Rachelle van Harn, Ellen Sjoer, Piet Verstegen (2021)
Duurzame loopbanen vragen om een brede, samenhangende blik waarin onderwijs, arbeidsmarkt en persoonlijke ontwikkeling met elkaar verbonden worden.
____________________________
In dit onderzoek wordt een integraal model gepresenteerd waarin loopbaanontwikkeling vanuit meerdere perspectieven wordt benaderd. Het model laat zien dat keuzes en loopbaanontwikkeling niet los te zien zijn van veranderingen in werk, samenleving en onderwijs. Door verschillende thema’s samen te brengen ontstaat een completer beeld van wat nodig is voor toekomstbestendige loopbanen. De publicatie benadrukt dat samenwerking tussen onderwijs, arbeidsmarkt en professionals essentieel is om leerlingen en studenten goed voor te bereiden.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
De kennis die is verzameld in het lectoraat 'Beroepen in Transitie' van Inholland samen met lectoraat Duurzame Talentontwikkeling van De Haagse Hogeschool is gebundeld en verwerkt in een modulaire publicatie, waarin loopbaanthematieken van diverse kanten worden benaderd. De doelgroep omvat opleiders, slb'ers, decanen, hrm-wedewerkers en beleidsmedewerkers.
Gepleit wordt voor een integrale kijk en daarvoor is een conceptueel model ontwikkeld , genaamd 'Ecosysteem van Loopbaanthematieken'. Het conceptueel model ziet er als volgt uit:
De kennis die in de onderzoeken is verzameld, is gebundeld in een modulaire publicatie. Het conceptueel model staat centraal in deze modulaire publicatie. De verschillende onderdelen gaan in op de verschillende aspecten die in het model verwerkt zijn. De centrale boodschap is dat álle puzzelstukjes van het conceptueel model nodig zijn om tot duurzame loopbanen te komen in een complexe veranderende wereld. De publicatie richt zich bewust op een breed publiek, zodat velen hiervan kennis kunnen nemen. Loopbanen worden benaderd vanuit kiezende jongeren, studenten en docenten, professionals, werkgevers en opleidingsorganisaties, én er wordt gekeken naar de veranderingen die plaatsvinden in de omgeving, in het werk zelf en bij specifieke doelgroepen op de arbeidsmarkt in Nederland. De zes modules zijn:
- Module 1: van ladder naar klimrek.
Over keuzeprocessen en beroepsbeelden. - Module 2: omgevingskrachten en verandering van werk.
Over beroepsbeelden die veranderen. - Module 3: verschuivingen op de arbeidsmarkt in Nederland.
Over kansverschillen in duurzame loopbanen. - Module 4: toekomstbestending beroepsonderwijs.
Er is altijd een grens om voorbij te bewegen. - Module 5: de rol van hrm bij duurzame loopbanen.
Over schuivende beroepsbeelden in arbeidsorganisaties. - Module 6: en de keuze is reuze!
Jongerenmodule.
De modules zijn los van elkaar te lezen, maar het interessante is als je een module leest vanuit een ander perspectief. Dus kijk als decaan naar de module over de verandering van werk (module 2) of hoe organisatie met duurzame loopbanen kunnen omgaan (module 5).
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
We moeten jongeren voorbereiden op een arbeidsmarkt die niet statisch is, maar voortdurend in beweging. Als we toekomstbestendig willen opleiden en LOB hierop willen laten aansluiten, moeten we de wereld van kiezende jongeren, de opleiders en de arbeidsmarkt nader tot elkaar brengen. Om dit in betere banen te leiden, zullen we moeten proberen de schotten af te breken die tussen kiezende jongeren, opleiders en de arbeidsmarkt bestaan. Het leggen van structurele en intensievere relaties tussen deze drie werelden kan voor alle partijen winst opleveren. De opdrachten die terug te vinden zijn in met name Module 6, hebben voor ogen jongeren op een andere manier in aanraking te brengen met de veranderende arbeidsmarkt. Ook de QR-codes van de posters ‘Studiekeuzegeluk’ en ‘Leven Lang Ontwikkelen’ leiden toe naar interactieve opdrachten, met als doel te ‘ontschotten’.
Kennisrotonde: Wat is de invloed van een oriëntatietraject voor de start in het mbo op uitval en swi
Martijn Peters, Marloes de Lange (2022)
Oriëntatietrajecten in het mbo bieden kansen om studiekeuzes beter te onderbouwen, maar vragen om een sterke LOB‑aanpak om effectief te zijn.
____________________________
Steeds meer mbo‑instellingen bieden een oriëntatiejaar aan waarin studenten zich breder kunnen ontwikkelen en verdiepen in opleidings- en beroepsmogelijkheden. Hoewel het effect op uitval en switch nog niet duidelijk is, sluiten deze trajecten aan bij inzichten over effectieve loopbaanbegeleiding. Belangrijk daarbij zijn praktijkervaring, een actieve rol van de leerling en samenhang tussen activiteiten. Daarnaast dragen reflectie, ouderbetrokkenheid en realistische beeldvorming bij aan betere en bewustere keuzes.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Oriëntatietraject op het mbo als nieuw initiatief.
Steeds meer roc’s bieden sinds kort een oriëntatietraject aan voor aankomend mbo studenten, waarin ze verder leren, persoonlijk kunnen groeien en uitgebreid kennis kunnen maken met beroepen en beroepsopleidingen. ROC TOP in Amsterdam heeft in het schooljaar 2019-2020 het initiatief genomen tot het eerste oriëntatietraject in het mbo, het zogeheten Mind the gap-jaar. Inmiddels heeft dit andere roc’s geïnspireerd tot het starten van een Mjaar of vergelijkbaar oriëntatietraject. In het schooljaar 2023-2024 start het ministerie van OCW een experiment met een oriëntatieprogramma (Rijksoverheid.nl, 2022). Het M-jaar is voor iedereen die een mbo-opleiding wil doen, maar nog niet weet welke. Het is vooral gericht op vmbo’ers met een diploma kaderberoepsgerichte of theoretische leerweg, omdat de urgentie voor deze doelgroep het hoogst is vanwege de leerplicht. Havisten (met of zonder diploma) die over willen stappen naar het mbo zijn ook welkom. Havisten en vwo'ers met een diploma hebben een M-jaar minder nodig; zij konden al kiezen voor een tussenjaar om de keuze voor een vervolgopleiding uit te stellen, aangezien zij wel in het bezit zijn van een startkwalificatie. Studenten die het M-jaar volgen staan ingeschreven bij de mbo-instelling, maar volgen het traject voorafgaand aan de definitieve keuze voor een beroepsopleiding.
Effectiviteit van oriëntatietrajecten in het mbo nog onbekend
Er is nog geen wetenschappelijk onderzoek bekend naar de effectiviteit van oriëntatietrajecten in het mbo op uitval en switch in het mbo. Er zijn wel LOB-initiatieven in het voortgezet onderwijs die bedoeld zijn om de oriëntatie op vervolgonderwijs te verbeteren, zodat er een meer weloverwogen keuze voor gemaakt kan worden, wat ook één van de belangrijkste doelen is van een oriëntatietraject in het mbo. Ook bestaan er initiatieven voor tussenjaren in het hoger onderwijs, die zich net als een M-jaar richten op het oriënteren op vervolgopleidingen en als inspiratiebron gediend hebben voor het ontwikkelen ervan. Om toch iets te zeggen over de mogelijke werking van een oriëntatietraject voor de start in het mbo op uitval en switch in het mbo, grijpen we terug op literatuur waarin de effectiviteit van LOB-initiatieven in het voortgezet onderwijs is onderzocht en de effectiviteit van tussenjaren in het hoger onderwijs wordt bestudeerd.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Hoewel de effectiviteit van initiatieven gericht op oriëntatie in het vmbo op uitval en switch in het mbo nog onbekend is, biedt de recente literatuurstudie van Korpershoek et al. (2022) inzicht in hoe een effectieve aanpak voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding van vmbo’ers er uit zou kunnen zien. Hieruit vloeien de volgen adviezen voort:
-
Leg als school de verbinding met de beroepspraktijk door het organiseren van bijvoorbeeld snuffelstages, bedrijfsbezoeken, gastlessen door beroepsbeoefenaren en meeloopdagen in het mbo.
-
Geef als school de leerling een actieve rol in LOB-activiteiten, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een opdracht tijdens een werkbezoek.
-
Bied als school een samenhangend traject van LOB-activiteiten aan met betrokkenheid van mentoren, docenten en andere begeleiders (door leerlingen te enthousiasmeren en de verbinding tussen LOB-activiteiten expliciet te maken).
-
Bouw als docent/mentor reflectie in op motieven, ambities en kwaliteiten van de leerling binnen gesprekken met de leerling.
-
Betrek als school ouders als gesprekspartner in het studiekeuzeproces.
-
Besteed als school aandacht aan het omgaan met verwachtingspatronen van anderen, zoals gesprekken over genderrollen en succesvolle voorbeelden van meisjes in traditionele ‘jongensberoepen’ en vice versa.
-
Bied als school activiteiten aan die gericht zijn op het vergroten van kennis over sectoren, over vervolgonderwijs, ondernemerschap of over solliciteren, omdat deze ook positief uitwerken op het zelfvertrouwen van leerlingen om goede (loopbaan)keuzes te kunnen maken en op beeldvorming over de beroepspraktijk.
Wel of niet naar de hogeschool? Mechanismen van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces
Inspectie van het Onderwijs (2021)
Onbedoelde zelfselectie zorgt ervoor dat sommige mbo‑studenten afzien van het hbo, ondanks dat zij de capaciteiten hebben om door te stromen.
____________________________
Het onderzoek laat zien dat mbo‑studenten soms afzien van een vervolgstudie door ervaren drempels zoals studiekosten, studieduur en de verwachte moeilijkheidsgraad. Persoonlijke factoren zoals faalangst, gebrek aan steun vanuit ouders en negatieve invloed van de omgeving versterken deze neiging. Niet alle drempels wegen voor iedereen even zwaar, maar bepaalde groepen laten zich er vaker door afschrikken. De resultaten tonen dat keuzes om niet door te studeren niet altijd inhoudelijk gemotiveerd zijn, maar vaak voortkomen uit onzekerheid en percepties van het hbo.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit rapport bevat de eerste resultaten van een onderzoek naar zelfselectie. De Inspectie van het Onderwijs heeft dit deelonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul, waarin de regering werd verzocht om een onderzoek te (laten) doen naar de factoren die ervoor zorgen dat jongeren afzien van een vervolgstudie in het hoger onderwijs terwijl ze wel de benodigde kwalificaties hebben. De vraag is waardoor deze onbedoelde vorm van zelfselectie wordt veroorzaakt. Dit tussenrapport richt zich op mbo 4-studenten in het laatste jaar van hun opleiding. Via een vragenlijst- en vignettenonderzoek hebben we achterhaald welke factoren voor welke groepen studenten een rol spelen bij zelfselectie. Daartoe hebben de mbo 4-studenten verschillende fictieve situaties voorgelegd gekregen en is hen telkens gevraagd aan te geven of ze onder de beschreven hypothetische omstandigheden een keuze voor het hbo zouden maken.
In een addendum zijn de achterliggende mechanismen van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces van mbo 4 studenten beschreven: Addendum tussenrapportage: De invloed van kenmerken van studenten en scholieren bij de keuze voor doorstuderen in het hoger onderwijs.
Conclusies
Een aantal belangrijke kenmerken (zowel van het onderwijsstelsel als van de student) leiden er toe dat mbo-studenten afzien van een vervolgopleiding, terwijl ze wel de kwalificatie en vaardigheden daartoe hebben:
- Uit literatuuronderzoek blijkt dat studiekosten, de duur van de opleiding, de verwachte moeilijkheidsgraad en het imago dat mbo’ers hebben in het hbo, drempels kunnen vormen voor mbo’ers om verder te studeren. De studiekosten werd ook in de vragenlijst door mbo’ers het vaakst genoemd als een belangrijke belemmerende factor voor verdere studie. Daarnaast laat het literatuuronderzoek zien dat factoren als het opleidingsniveau en het inkomen van de ouders, migratieachtergrond, onzekerheid, faalangst en eerdere negatieve schoolervaringen een rol spelen. Al deze factoren interacteren op verschillende manieren; een drempel kan voor de ene groep zwaarder wegen dan voor een andere groep.
- Ons empirisch onderzoek laat zien dat afzonderlijke bekeken sociale achtergrondkenmerken als leeftijd, migratieachtergrond, opleiding van de ouders en een eventuele fysieke of psychische beperking van invloed zijn op de ingeschatte kans om aan een vervolgopleiding in het hbo te beginnen. Ook het sociale netwerk van de student en de eerdere schoolprestaties hangen hier mee samen. Echter als we deze kenmerken in samenhang analyseren blijkt een beperkt aantal een significant effect te hebben. Dit betreft:
a. studenten met ouders/verzorgers die weinig stimuleren tot verdere studie in het hoger onderwijs;
b. studenten die onzeker zijn over het eigen kunnen in het hoger onderwijs (faalangst);
c. studenten met vrienden die negatief staan ten opzichte van het hoger onderwijs;
d. studenten die weleens een jaar hebben gedoubleerd;
e. studenten die stress voor een naderend examen ervaren. - De vier drempels die uit het literatuuronderzoek naar voren kwamen zijn middels vignetten aan de mbo’ers voorgelegd. Op die manier zijn ze ook onderling vergelijkbaar in de mate waarop ze zelfselectie beïnvloeden. Alle vier blijken ze van belang. Studieduur heeft daarbij het grootste gevolg. Bij een langere studieduur zien meer mbo 4-studenten af van verdere studie. Het imago van het hbo, voorgelegd als het gegeven dat mbo’ers harder moeten werken dan havisten, blijkt de minst grote drempel. De gepercipieerde moeilijkheidsgraad (niveauverschil tussen mbo en hbo) en de voorwaarden voor een studielening (studiekosten) zitten daartussenin. Verder blijkt dat bij verschillende drempels de migratieachtergrond, het sociale netwerk, faalangst, examenstress, risicoaversie en een fysieke of psychische beperking een rol spelen bij zelfselectie, maar dat het per drempel verschilt welke groepen studenten zich laten ontmoedigen of afschrikken.
Aanbevelingen
We doen de volgende aanbevelingen om zelfselectie onder mbo 4-studenten te verminderen:
- Stimuleer doorlopende leerlijnen door als mbo en hbo gezamenlijk meer passend aanbod te ontwikkelen.
- Beperk financiële drempels voor mbo 4-studenten om de mbo-hbodoorstroom te bevorderen.
- Schenk in het mbo structureel aandacht aan het mechanisme van onbedoelde zelfselectie in het keuzeproces van laatstejaars mbo 4- studenten.
Vervolg
Belemmeringen die met de keuze voor een specifieke opleiding te maken hebben, komen in een volgend rapport uitgebreid aan de orde.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het onderzoek laat zien dat bepaalde groepen mbo-studenten zich laten afschrikken door kenmerken van het hbo, terwijl dat niet altijd terecht is. Om die reden kiezen deze mbo’ers ervoor om van het hbo af te zien. De drempels in het hbo die deze studenten ervaren worden door hen hoger ingeschat dan door andere mbo-studenten. Dit heeft te maken met de achtergrond van deze studenten en soms met bepaalde eigenschappen. Voor decanen en loopbaanbegeleiders is het relevant alert te zijn op het onderscheid tussen een ‘positieve’ keuze om niet verder te studeren - de student kan prima aan de slag op de arbeidsmarkt en ambieert dit ook - en een ‘negatieve’ keuze om niet verder te studeren: de student zou wel graag verder gaan in het hbo, maar laat zich weerhouden door oneigenlijke motieven. Uit het onderzoek blijkt dat redenen voor zo’n ‘negatieve’ keuze te maken hebben met de duur van de hbo-opleiding, de veronderstelde moeilijkheidsgraad, studiekosten en het imago van het hbo. Studenten zonder een migratieachtergrond, met een sociaal netwerk dat negatief staat ten opzichte van het hbo, met faalangst, examenstress, of risicoaversie of met een fysieke of psychische beperking maken vaker een negatieve keuze vanwege deze drempels in het hbo dan anderen. In studiebegeleidings- en loopbaantrajecten zou hier expliciet aandacht aan besteed kunnen worden.
Onbedoelde zelfselectie: drempels die jongeren weerhouden om voor een specifieke opleiding te kiezen
Inspectie van het Onderwijs (2022)
Onbedoelde zelfselectie speelt een grotere rol in studiekeuzes dan vaak wordt gedacht en kan kansen in het hoger onderwijs beperken.
____________________________
Het onderzoek laat zien dat studenten hun opleidingskeuze niet alleen baseren op inhoud, maar ook op ervaren drempels zoals selectie, kosten en taal. Deze drempels beïnvloeden sommige groepen sterker, bijvoorbeeld studenten met faalangst of minder ervaring met het hoger onderwijs. Hierdoor kiezen zij soms voor een andere opleiding dan hun eerste voorkeur. De resultaten benadrukken het belang van bewustwording van deze mechanismen en gerichte begeleiding om keuzes beter te onderbouwen.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit is het tweede onderzoek naar zelfselectie op weg naar het hoger onderwijs, uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul. Het eerste onderzoek ging in op zelfselectie bij de afweging wel of niet verder te studeren na afronding van een mbo-4-opleiding.
Dit tweede rapport - tevens het eindrapport - beschrijft welke de rol zelfselectie speelt bij de afweging die mbo-4-studenten en havo- en vwo-scholieren maken om al dan niet voor hun favoriete opleiding in het hoger onderwijs te kiezen. Daarbij is gekeken naar drempels in opleidingen (zoals de selectieprocedure of de taal), achtergrondkenmerken van studenten (zoals geslacht of de opleiding van ouders) en naar specifieke persoonlijkheidskenmerken (zoals faalangst of risicoaversie).
Met een vraqenlijst- en een vignettenonderzoek zijn drempels in opleidingen en kenmerken van aspirant studenten onderzocht: welke drempels en kenmerken veroorzaken dat aspirant studenten wel voor de ene en niet voor de andere opleiding kiezen? De drempels en kenmerken die in het onderzoek zijn opgenomen, zijn afgeleid uit wetenschappelijke literatuur en lopende discussies in het onderwijsveld. Hier volgen de belangrijkste uitkomsten.
Conclusies
Zowel kenmerken van leerlingen en studenten als drempels in opleidingen zijn van invloed op zelfselectie. Sommige drempels zijn voor bepaalde groepen mbo-4- studenten en havo- en vwoleerlingen hoger dan voor anderen.
Wie kiest er voor decentrale selectie? En wie kiest voor een opleiding die loot?
Eerst is vo-leerlingen en mbo-studenten gevraagd of ze zouden kiezen voor een selectieve opleiding. Dit is gevraagd voor selectieve opleidingen met decentrale selectie en voor selectieve opleidingen die loten. Sommige groepen studenten blijken minder geneigd zijn te kiezen voor decentrale selectie of loting dan andere groepen studenten. Zo hebben persoonlijkheidskenmerken (leen- en risicoaversie) bij zowel mbo’ers als bij havisten en vwo’ers een negatieve invloed op het kiezen voor een opleiding die decentraal selecteert. Het sociale netwerk speelt een negatieve rol bij zowel mbo’ers, havisten als vwo’ers in de neiging te kiezen voor een opleiding die loot. Bij de keuze voor een opleiding die loot zijn ook het inkomen van de ouders voor mbo’ers en de opleiding van de ouders voor havisten van invloed. Een relatief laag inkomen en relatief laag opgeleide ouders maken de keuze voor een opleiding die loot minder waarschijnlijk. Deze resultaten laten nog niet zien of de betreffende aspirant studenten wél voor de opleiding hadden gekozen als er geen sprake was van selectie. Om dit aan te tonen is zogeheten vignettenonderzoek uitgevoerd. Een vignet is een situatieschets waarin kenmerken van opleidingen worden gevarieerd. De respondenten worden bij verschillende vignetten gevraagd wat zij onder die omstandigheden zouden doen.
Wie ziet af van een opleiding vanwege kenmerken van die opleiding?
Het vignettenonderzoek laat zien dat bepaalde groepen studenten minder vaak kiezen voor een opleiding met een drempel dan voor eenzelfde ‘drempelloze’ opleiding. Deze groepen zien ook in sterkere mate af van opleidingen met een drempel dan anderen. De groepen studenten die vanwege drempels in het hoger onderwijs meer geneigd zijn tot zelfselectie zijn zeer divers en wisselen per drempel. Voor de drie grootste drempels geldt het volgende:
- Engels als instructietaal vormt onder mbo’ers vooral een drempel voor vrouwen, studenten met faalangst en studenten met een Nederlandse achtergrond. Onder havisten gaat dit op voor vrouwen, leerlingen van wie de ouders geen wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, leerlingen met examenstress en voor leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Voor de gemiddelde vwo’er is deze drempel niet bijzonder hoog, maar faalangstige vwo’ers en vwo’ers met een Nederlandse achtergrond hebben wel iets meer last van deze drempel dan andere vwo’ers.
- Als een opleiding extra kosten vraagt vormt dit onder mbo’ers vooral een drempel voor vrouwen en studenten met faalangst. Onder vwo’ers geldt dit met name voor de leerlingen met ouders uit de lagere-inkomensgroepen, leerlingen die ooit zijn blijven zitten en voor leerlingen met examenstress.
- Een ongelukkige timing van de selectieprocedure (bijvoorbeeld vlak voor het eindexamen) is een extra hoge drempel voor oudere mbo’ers, voor mbo’ers die een westerse migratieachtergrond hebben, die hbo-opgeleide ouders hebben, uit de lagereinkomensgroepen komen of die een leenaversie hebben. Onder vwo’ers zijn het de oudere leerlingen, leerlingen met een leenaversie of leerlingen met examenstress die er bovengemiddeld last van hebben.
De omvang van de groep die uitvalt door zelfselectie verschilt. Sommige drempels hebben weinig zelfselectie tot gevolg, ook doordat bepaalde risicogroepen klein zijn. Daardoor is zelfselectie onder bijvoorbeeld faalangstige vo-leerlingen en mbo-studenten niet snel zichtbaar in instroomcijfers.
Aanbevelingen
De inspectie beveelt aan dat vooropleidingen en opleidingen in het hoger onderwijs structureel en tijdig aandacht besteden aan het mechanisme van onbedoelde zelfselectie bij de keuze voor vervolgonderwijs van verschillende groepen mbo-4- studenten, havisten en vwo’ers. Houd daarbij rekening met verschillen tussen aanleverend onderwijs (mbo, havo en vwo) en met verschillen tussen kwetsbare groepen. Aan hoger onderwijs-opleidingen die wijzigingen overwegen die mogelijke drempels opwerpen, wordt aanbevolen het risico van zelfselectie te betrekken in de afweging tussen alternatieven. Tenslotte beveelt de inspectie in het kader van de kansengelijkheidsagenda aan de inzichten in mechanismen van onbedoelde zelfselectie te benutten bij het bevorderen van kansengelijkheid.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het onderzoek toont aan dat leerlingen en studenten soms voor een andere opleiding in het hoger onderwijs kiezen dan voor de opleiding die hun voorkeur heeft. Dit heeft dan niet te maken met de inhoud van de opleiding of met de kwalificaties van de kandidaat, maar met bezwaren die hier los van staan. Dergelijke bezwaren, of drempels die worden ervaren, zijn bijvoorbeeld de instructietaal, extra kosten, of het feit dat er wordt geselecteerd. Sommige groepen scholieren en studenten zijn hier gevoeliger voor dan anderen. Dat laatste maakt het des te belangrijker hier in het studiekeuzetraject alert op te zijn. Kiest deze scholier of student voor een vervolgopleiding vanuit een faalangstig perspectief, of vanuit de context dat thuis geen ervaring met het hoger onderwijs is en ziet hij daarom drempels die er vanuit een ander perspectief niet – of in mindere mate - zijn? Aandacht in studiekeuzebegeleiding voor keuze-overwegingen die losstaan van de inhoud van opleidingen kan een ander licht werpen op het hoger onderwijs.
Aandacht voor bijvoorbeeld Engels als instructietaal of aandacht voor het risico van falen bij selectieve opleidingen kan helpen bij een weloverwogen keuze voor een vervolgstudie.
Op weg naar een toekomst. Werkexploratie in het vmbo
Petit, R., Meijer, J., Karssen, M. & Kuijpers, M. (2019)
Werkexploratie helpt leerlingen om een realistischer beeld van beroepen te krijgen, maar vraagt om een zorgvuldige invoering in het onderwijs.
____________________________
Uit het onderzoek blijkt dat leerlingen en mentoren positief zijn over werkexploratie, omdat het leerlingen helpt beroepen beter te begrijpen. Tegelijkertijd laten de resultaten zien dat de effecten nog beperkt zijn, vooral doordat programma’s vaak nog niet volledig zijn ingevoerd. Wel blijkt dat meer en actievere werkexploratie samenhangt met meer motivatie, betere loopbaancompetenties en grotere keuzezekerheid. Het succes hangt daarom sterk af van een goede opbouw, actieve betrokkenheid van leerlingen en een zorgvuldige implementatie binnen de school.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Veel jongeren hebben moeite om zich een beeld te vormen van beroepen die zij kunnen kiezen. Wat hierbij helpt is zelf zien en ervaren hoe het ertoe gaat in de praktijk; ook wel ‘werkexploratie’ genoemd. Voorbeelden zijn een werkbezoek of praktijkopdracht in een bedrijf. Werkexploratie is een van de vijf ‘loopbaancompetenties’ waaraan vmbo-scholen aandacht besteden in het onderwijs en die sinds kort ook geëxamineerd worden. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ondersteunde tien scholen in een aantal grote steden bij het maken van een goed werkexploratieprogramma. De opbrengsten hiervan zijn onderzocht door herhaald vragenlijsten af te nemen bij leerlingen en door groepsinterviews af te nemen bij leerlingen en hun mentoren.
De bevindingen van de leerlingen en hun mentoren zijn overwegend positief. De meeste leerlingen hebben naar eigen zeggen een duidelijker beeld gekregen van beroepen en de mentoren zijn eveneens positief. Zij vinden het werkexploratieprogramma een eerste stap in de goede richting. Uit het vragenlijstonderzoek blijkt echter geen significant effect van de ontwikkelde werkexploratieprogramma’s op de scholen. Een voor de hand liggende verklaring is dat de scholen meer tijd nodig hadden om de programma’s overal goed te kunnen implementeren. Bij geen van de scholen is het gelukt om het gehele werkexploratieprogramma uit te voeren zoals het is bedoeld. De meeste scholen zetten het programma dan ook voort, vaak na wat verbeteringen te hebben aangebracht door de nieuwe inzichten gedurende dit project. Wel bleek - los van de werkexploratieprogramma’s - dat een groter aanbod aan werkexploratie-activiteiten vanuit school en meer ondernomen activiteiten op dit gebied door leerlingen, samen te gaan met hogere scores op attitude t.a.v. de loopbaan, loopbaancompetenties, keuzezekerheid en een groter –voor beroepskeuze relevant – netwerk.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Vmbo-scholen die een werkexploratie-programma willen inzetten in het onderwijs, kunnen gebruik maken van de ontwikkelde materialen in dit project. Deze zijn beschikbaar in de vorm van een Handreiking Werkexploratie.
Geleerde lessen die vmbo-scholen mee kunnen nemen in hun praktijk zijn:
- Begin klein en overzichtelijk, breid pas uit na succes.
- Neem voldoende tijd voor experimenteren en implementeren.
- Betrek het hele team vanaf de ontwikkeling zodat het werkexploratieprogramma ook van hen is (en zich niet beperkt tot enkele enthousiaste individuen).
- Start het programma vroeg, bijvoorbeeld in het tweede leerjaar, op een moment dat leerlingen nog keuzes moeten maken.
- Een opbouw van brede oriëntatie in de onderbouw en meer focus op beroepen in de bovenbouw voorkomt dat het voor leerlingen te snel over specifieke beroepen gaat en het daardoor minder aansluit bij de fase waarin zij zich bevinden.
- Zorg ervoor dat leerlingen bij een stage of werkbezoek een actieve rol hebben; iets mogen doen dat met het werk in het bedrijf te maken heeft.
- Vermijd schriftelijke opdrachten zonder gespreksvoering. Dit komt vooral voor bij reflectieopdrachten. Invulformulieren en reflectieverslagen vinden leerlingen saai en nutteloos, zeker als daar door de mentor niet op wordt teruggekomen.
- Maak verwachtingen van het programma duidelijk, zowel aan leerlingen als aan mentoren.



