LOB-onderzoeksbank

Expertisepunt LOB

Ben je bezig met het versterken van het LOB-beleid van jouw school of samenwerkingsverband? Of bereid je jezelf voor op een praktijkgericht onderzoek dat je op jouw school gaat uitvoeren? Hier vind je op toegankelijke wijze LOB-onderzoeken over thema’s zoals loopbaangesprekken of professionalisering. Van ieder onderzoek is een samenvatting beschikbaar, ook is kort beschreven hoe je de betreffende publicatie kunt gebruiken voor de LOB-praktijk.

Ben je zelf onderzoeker en mis je jouw LOB-onderzoek? Stuur ons een bericht: info@expertisepuntlob.nl

Deze databank wordt periodiek aangevuld met nieuwe LOB-onderzoeken.

We werken momenteel aan het vernieuwen van de filters op deze site. Daardoor zijn de filters tijdelijk nog niet actief of werken niet correct. In de komende periode worden deze weer ingericht en aangevuld, zodat je straks nog makkelijker passende voorbeelden kunt vinden.

Onderwijs
Jaartal
Soort publicatie

De transitie van mbo naar hbo: wat werkt en wat versterkt?

Auteurs: Muja, A., Broek, A. van den, Luyten, E., Mensvoort, C. van, Kievitsbosch, A., Kamans, E. & Vugteveen, J.

Een praktijkgericht onderzoek naar de effectiviteit van (onderwijs)activiteiten in mbo en hbo om de transitie van mbo naar hbo te versoepelen.

Het verbeteren van de mbo-hbo transitie is van groot belang, omdat deze overgang gepaard gaat met een hoge uitval en een laag studie- en studentsucces in het hbo. Meer inzicht is nodig in wat effectieve aanpakken zijn om de overgang succesvol te laten verlopen.

Dit onderzoek heeft betrekking op opbrengsten van onderwijsactiviteiten aan 'beide zijden van de poort’:

  1. mbo-activiteiten, waaronder keuzedelen, gericht op voorbereiding op een vervolgopleiding en
  2. hbo-activiteiten (met name de ‘Eerste 100 dagen’-programma’), gericht op een betere landing in het hbo).

Binnen het samenwerkingsverband Succesvolle doorstroom mbo-hbo Noord-Nederland werken mbo-instellingen en hogescholen samen om de overgang van mbo naar hbo te versoepelen. Dit gebeurt met concrete voorlichtings- en aansluitingsactiviteiten.

Doel van dit onderzoek is het achterhalen in hoeverre (werkzame bestanddelen en mechanismen van) de onderwijsactiviteiten in het mbo en hbo op zichzelf of in combinatie leiden tot studie- en studentsucces van studenten die vanuit het mbo doorstromen naar het hbo. Dit onderzoek is gebaseerd op een documentanalyse, diepte-interviews met docenten en studenten, een cohortstudie (vragenlijsten onder studenten)  en een kwalitatieve terugblik van studenten met een mbo-achtergrond op hun eerste jaar in het hbo.

>

Navigating educational choice

Auteur A.N. de Vries

Navigating educational choices: Supporting students’ person-environment fit and identity development in relation to academic success.

Sommige mensen weten al van jongs af aan wat ze later willen worden en anderen hebben geen idee. Toch is het maken van een studiekeuze voor het hoger onderwijs voor veel jongeren een lastige keuze. Regelmatig verschijnen er koppen in de krant die hierop duiden, zoals “Prinses Alexia twijfelt nog over studiekeuze: ‘Ik ben niet de enige met keuzestress’ ” (Algemeen Dagblad; Schmale & Boender, 2024) of “Bestuurskunde was geen succes, bierbrouwer bleek een droomopleiding” (NRC; Kammer, 2024). Het maken van een studiekeuze is een complex proces gezien, omdat veel adolescenten nog niet de vaardigheden hebben om hun keuzeproces te sturen, ze geconfronteerd worden met veel keuzemogelijkheden, en omdat ze vaak moeite hebben met de druk om een “goede” keuze te maken. 
In Nederland valt jaarlijks ongeveer een kwart tot een derde van de eerstejaars studenten in het hoger onderwijs uit (van den Broek et al., 2023). De helft van hen geeft achteraf aan dat ze een “verkeerde” studiekeuze hebben gemaakt. Zo’n “verkeerde” studiekeuze heeft veel impact op het welzijn van studenten en kan naast uitval ook leiden tot andere negatieve gevolgen, zoals verminderd zelfvertrouwen (Hoeschler & Backes-Gellner, 2017) en financiële problemen (Schneider & Yin, 2011). Ook voor de maatschappij als geheel kunnen “verkeerde” studiekeuzes leiden tot negatieve gevolgen, met name omdat studeren in het hoger onderwijs grotendeels van publiek geld wordt gefinancierd. 
Om meer inzicht te bieden in deze problematiek, richt wetenschappelijk onderzoek naar studiekeuzes zich meestal op één van twee verschillende benaderingen. De eerste benadering benadrukt individuele verschillen tussen aankomende studenten en neemt aan dat een “goede” studiekeuze past bij de unieke combinatie van persoonlijke kenmerken van iedere student (bijv., Holland, 1997). Ik noem een “goede” studiekeuze daarom ook liever een passende studiekeuze, want dé goede keuze bestaat niet. Er zijn immers altijd meerdere studies die goed bij iemand kunnen passen. De tweede benadering is ontwikkelingsgericht en ziet het studiekeuzeproces als een belangrijk onderdeel van identiteitsontwikkeling in het leven van adolescenten (bijv., Super, 1990). Hoewel beide benaderingen elkaar aanvullen, is het wetenschappelijk onderzoek nog vaak gericht op één van beide. Dat is een gemiste kans om inzicht te krijgen in de manier waarop docenten, decanen en andere loopbaanbegeleiders studenten kunnen ondersteunen in het navigeren door het complexe studiekeuzeproces om tot een passende studiekeuze te komen. 
In dit proefschrift integreer ik beide benaderingen om een beter begrip te krijgen van hoe het studiekeuzeproces interacteert met het maken van een passende studiekeuze. Ik richt me hierbij op aankomende studenten in het hoger onderwijs in Nederland. Ik onderzoek hoe zij optimaal kunnen worden ondersteund bij hun studiekeuzeproces, met als doel hen te helpen om een studie die past bij hun persoonlijke kenmerken te kiezen en hun studiesucces te vergroten.
 

Lees verder in de bijlage bij dit artikel

>

Kennisrotonde: Wat is de invloed van een oriëntatietraject voor de start in het mbo op uitval en swi

Martijn Peters, Marloes de Lange (2022)

 

Oriëntatietraject op het mbo als nieuw initiatief.
Hoewel de effectiviteit van initiatieven gericht op oriëntatie in het vmbo op uitval en switch in het mbo nog onbekend is, biedt de recente literatuurstudie van Korpershoek et al. (2022) inzicht in hoe een effectieve aanpak voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding van vmbo’ers er uit zou kunnen zien. Hieruit vloeien de volgen adviezen voort:

  1. Leg als school de verbinding met de beroepspraktijk door het organiseren van bijvoorbeeld snuffelstages, bedrijfsbezoeken, gastlessen door beroepsbeoefenaren en meeloopdagen in het mbo.

  2. Geef als school de leerling een actieve rol in LOB-activiteiten, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een opdracht tijdens een werkbezoek.

  3. Bied als school een samenhangend traject van LOB-activiteiten aan met betrokkenheid van mentoren, docenten en andere begeleiders (door leerlingen te enthousiasmeren en de verbinding tussen LOB-activiteiten expliciet te maken).

  4. Bouw als docent/mentor reflectie in op motieven, ambities en kwaliteiten van de leerling binnen gesprekken met de leerling.

  5. Betrek als school ouders als gesprekspartner in het studiekeuzeproces.

  6. Besteed als school aandacht aan het omgaan met verwachtingspatronen van anderen, zoals gesprekken over genderrollen en succesvolle voorbeelden van meisjes in traditionele ‘jongensberoepen’ en vice versa.

  7. Bied als school activiteiten aan die gericht zijn op het vergroten van kennis over sectoren, over vervolgonderwijs, ondernemerschap of over solliciteren, omdat deze ook positief uitwerken op het zelfvertrouwen van leerlingen om goede (loopbaan)keuzes te kunnen maken en op beeldvorming over de beroepspraktijk

>

Gelijke kansen bij tussentijds opstromen in het voortgezet onderwijs?

Suzan de Winter-Koçak, Leyla Reches (2022)

 

Een verkennend onderzoek naar beleid en praktijk van tussentijds opstromen. 

Tussentijdse opstroom (voor diplomering opstromen naar een hoger onderwijsniveau) in het voortgezet onderwijs kan ervoor zorgen dat leerlingen die een te laag advies hebben gehad alsnog op een passend niveau terechtkomen. KIS ontving tijdens eerder onderzoek naar jongeren met een migratieachtergrond signalen dat het proces rond opstroom niet altijd soepel verloopt. Reden om onderzoek te doen naar praktijk en beleid van tussentijdse opstroom.

 

Dat leerlingen met een migratieachtergrond niet altijd op het onderwijsniveau terecht komen dat past bij hun cognitieve capaciteiten, heeft onder andere te maken met de vroege selectie in het primair onderwijs. Deze pakt negatief uit voor leerlingen met een migratieachtergrond; zij krijgen vaker dan leerlingen uit andere groepen een schooladvies dat lager is dan hun scores op de eindtoets rechtvaardigen. 
Binnen het voortgezet onderwijs wordt tussentijdse opstroom gezien als een correctiemechanisme voor deze negatieve effecten van vroegselectie voor kinderen met een migratieachtergrond. Binnen dit verkennende onderzoek is er gekeken óf onderwijsinstellingen beleid hebben ontwikkeld rondom tussentijdse opstroom, wat dat beleid inhoudt en hoe zij daar in de praktijk invulling aan geven. Ook keken wij naar eventuele barrières die leerlingen met een migratieachtergrond binnen het beleid en in de praktijk van tussentijdse opstroom (kunnen) ervaren. 
 

>

Onbedoelde zelfselectie: drempels die jongeren weerhouden om voor een specifieke opleiding te kiezen

Inspectie van het Onderwijs (2022) Dit is het tweede onderzoek naar zelfselectie op weg naar het hoger onderwijs, uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul. Het eerste onderzoek ging in op zelfselectie bij de afweging wel of niet verder te studeren na afronding van een mbo-4-opleiding. 

Dit tweede rapport - tevens het eindrapport - beschrijft welke de rol zelfselectie speelt bij de afweging die mbo-4-studenten en havo- en vwo-scholieren maken om al dan niet voor hun favoriete opleiding in het hoger onderwijs te kiezen. Daarbij is gekeken naar drempels in opleidingen (zoals de selectieprocedure of de taal), achtergrondkenmerken van studenten (zoals geslacht of de opleiding van ouders) en naar specifieke persoonlijkheidskenmerken (zoals faalangst of risicoaversie).

>

Naar een betere startpositie op de arbeidsmarkt

Paul Bisschop, Justus van Kesteren, Koen van der Ven, Tyas Prevoo, Bas ter Weel, Ardita Muja, Marieke de Visser (ResearchNed), Maurice Crul, Zakia Essanhaji (Vrije Universiteit), Ruud Baarda (Ruud Baarda Advies) (2021).

Mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vormen zo’n 22 procent van de mbo’ers die ieder jaar een diploma van niveau 2, 3 of 4 behalen.
De achterstand bij de arbeidsmarktintrede ten opzichte van mbo’ers met een niet-westerse achtergrond ten opzichte van mbo'ers zonder migratieachtergrond komt vooral tot uiting in de duur tot een substantiële baan na afstuderen. Met name jongens met een niet-westerse migratieachtergrond die een BOL-opleiding van niveau 2 hebben gevolgd (en niet doorstuderen) doen er lang over om een substantiële baan te vinden.

Maar ook bij andere mbo-niveaus is er sprake van een achterstand in de duur tot een substantiële baan. De mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond die wel een baan vinden, verdienen op uurbasis gemiddeld meer dan mbo’ers zonder migratieachtergrond met een baan. Dit heeft te maken met selectiviteit: de meest getalenteerde en best gekwalificeerde mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vinden een baan en vaker dan mbo’ers zonder migratieachtergrond in sectoren waar hogere uurlonen verdiend worden.

De empirische analyse in dit onderzoek identificeert een aantal verklaringen voor een succesvolle, dan wel minder succesvolle overgang naar de arbeidsmarkt voor mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond.

>

Studieloopbaanontwikkeling. Toekomstbestendig beroepsonderwijs: een kans voor LOB!

>

Jongerenperspectief op de nieuwe leerweg

Youngworks (2020)

In dit onderzoek wordt  ingegaan op welke leerbehoeften jongeren op het vmbo-gtl hebben en welke kansen jongeren zien voor de nieuwe leerweg.

Samenvatting van het onderzoek 

Welke leerbehoeften hebben jongeren op het vmbo-gtl en welke kansen zien jongeren voor de nieuwe leerweg? 

Om het jongerenperspectief op het samenvoegen van de gemengde- en theoretische leerweg in een nieuwe leerweg in kaart te brengen, voerden we een kwalitatief onderzoek uit onder jongeren in het vmbo-gtl, havo en mbo. Ook gingen we in gesprek met jongeren uit de pilot Technologie & Toepassing (T&T) over hun ervaringen. Vanwege het beperkte aantal gesprekken (n=42) zijn inzichten indicatief van aard, vooral als het gaat om verschillen tussen subgroepen. Vrijwel alle ondervraagde jongeren reageren positief op het idee van een nieuwe leerweg met een praktijkgericht programma. Het praktijkgericht programma kan op verschillende manieren inspelen op leerbehoeften van jongeren, die naar hun zeggen in het huidige vmbo onvoldoende worden vervuld. Dit onderzoek geeft inzicht in twee grote kansen. 

Het praktijkgericht programma kan inspelen op een sterke behoefte aan praktische vaardigheden

Jongeren hebben behoefte aan meer aandacht voor praktische vaardigheden binnen het vmbo-gtl, zoals zelfstandig werken, plannen, samenwerken en presenteren. Deze vaardigheden komen nu onvoldoende aan bod. Door gebrek aan ervaring met plannen en zelfstandig werken, geven jongeren die doorstromen naar de havo aan dat ze minder goed prioriteiten weten te stellen. Ze missen begeleiding van docenten. Door gebrek aan ervaring met samenwerken en presenteren, vinden met name mbo’ers het lastig om vorm te geven aan groepsopdrachten en vinden ze presenteren spannend. Jongeren zien toegevoegde waarde in een praktijkgericht programma, omdat ze denken dat dit soort vaardigheden een prominente rol krijgen binnen de praktijkgerichte opdrachten. Door vaker met deze vaardigheden aan de slag te gaan, doen ze ervaringen op die de overstap naar een vervolgopleiding kan vergemakkelijken. Ook zien ze het opdoen van deze vaardigheden in het algemeen als nuttig voor het toekomstige werkleven. 

Het praktijkgericht programma speelt in op LOB-behoeften van jongeren

Met betrekking tot loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) op het voortgezet onderwijs kan onderscheid worden gemaakt tussen twee overkoepelende thema’s: het ontdekken van jezelf (Wat kan ik goed?) en het ontdekken van je toekomst (Hoe zie ik mijn toekomst?). Dit onderscheid baseren we op basis van inzichten uit voorgaande onderzoeken naar leerbehoeften van jongeren met betrekking tot LOB. In het huidige onderwijs vinden jongeren dat LOB-activiteiten vaak te veel op één van de twee thema’s gericht zijn. Volgens jongeren kan een nieuwe leerweg inspelen op de behoefte om deze thema’s samen te brengen, doordat alle leerlingen straks een praktijkgericht programma volgen. Door het praktijkgericht programma ontdekken ze bijvoorbeeld wat verschillende werkvelden inhouden en welke onderwerpen aan bod komen in het werkveld. Ook kunnen ze ontdekken of ze het leuk vinden om met soortgelijke opdrachten aan de slag te gaan in de toekomst, of juist helemaal niet. Tegelijkertijd geeft deze ervaring ook meer inzicht in hun eigen kwaliteiten. Toch staat het traject ook voor enkele uitdagingen, waar rekening mee moet worden gehouden bij de invulling van de nieuwe leerweg en de praktijkgerichte programma ’s. Daarom formuleren we hieronder drie concrete adviezen:  

De nieuwe leerweg vraagt om een duidelijk en overzichtelijk aanbod aan praktijkgerichte programma’s

Jongeren hebben behoefte aan bondige informatie over de verschillen tussen de praktijkgerichte programma’s en de inhoud van de werelden daarbinnen. Enerzijds willen jongeren zelf keuzes maken binnen de nieuwe leerweg. Anderzijds willen ze binnen het praktijkgerichte programma aan de hand genomen worden, omdat ze aan de start van de bovenbouw nog niet goed weten wat hen aanspreekt. Voor scholen ligt hierbij de uitdaging om te zoeken naar een goede balans tussen sturing vanuit de school/leraar en de autonomie van jongeren.  

Belang dat scholen in de praktijkgerichte programma’s een geleidelijke weg naar meer zelfstandigheid aanbieden

Een belangrijke voorwaarde bij het aanleren van die nieuwe vaardigheden, is een duidelijke opbouw van het praktijkgerichte programma. Jongeren hebben behoefte aan structuur en willen niet gelijk in het diepe gegooid worden. Het is daarom belangrijk dat scholen een stapsgewijze opbouw hanteren in de uitvoering van het praktijkgerichte programma. Begin laagdrempelig en help jongeren actief bij het maken van planningen en contact leggen met mensen buiten school. Geef jongeren bij elke volgende opdracht steeds iets meer vrijheid of verantwoordelijkheid. Op die manier bouwen jongeren zelfvertrouwen op in hun kwaliteiten en leren ze steeds meer eigen invulling geven aan een opdracht.  

Belang van een duidelijke omschrijving (frame) van de nieuwe leerweg

De nieuwe leerweg roept een aantal twijfels op. Zo maken jongeren zich zorgen over achteruitgang van het opleidingsniveau bij het samenvoegen van vmbo-gl en vmbo-tl. Jongeren denken dat vmbo-gl een lager niveau is dan vmbo-tl. Ook zet het frame ‘praktijkgericht’ ze op het verkeerde been: praktijkgericht betekent in hun ogen met de handen werken en associëren ze met vmbo-basis en vmbo-kader. Het is belangrijk om die twijfels in de communicatie rondom de nieuwe leerweg weg te nemen. Bijvoorbeeld door de term ‘praktijkgericht’ los te laten. Een tweede twijfel betreft de vraag of de nieuwe leerweg voldoende voorbereidt op het havo. Het is daarom belangrijk dat jongeren op voorhand inzicht krijgen hoe de nieuwe leerweg wél een goede voorbereiding kan vormen. Leg bijvoorbeeld nadruk op het aanleren van nuttige vaardigheden voor het havo en neem in communicatie de angst weg onvoldoende vakinhoudelijke kennis op te doen voor de havo. Tot slot vraagt de nieuwe leerweg om een passende naam. Jongeren worstelen met de naamgeving. Enerzijds zijn ze positiever over mavo dan over vmbo: vmbo klinkt lager. Anderzijds vinden ze vmbo beter passen bij de inhoud van de nieuwe leerweg, want vanuit de nieuwe leerweg stromen de meeste jongeren door naar het mbo (en vmbo staat voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). De praktijkgerichte programma's focussen op toepassing van kennis en vaardigheden in de praktijk, waar mavo in de ogen van jongeren focust op theorie. Misschien moet de nieuwe leerweg een nieuwe naam krijgen en loskomen van het ‘oude’ vmbo en mavo. Een nieuwe naam zou kunnen focussen op de extra uitdaging die de nieuwe leerweg te bieden heeft, in een levensechte leeromgeving. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Voor de verdere ontwikkeling van de praktijkgerichte programma’s is het belangrijk om in te spelen op de sterke behoefte aan praktische vaardigheden én tegelijkertijd de praktijkgerichte programma’s loopbaangericht te maken.

Download het volledige onderzoek

>

Ontwikkeling van onderwijsarrangementen voor een succesvolle doorstroom vmbo-mbo-hbo

Jenniskens, T., Leest, B., Wolbers, M., Bremer, B., Bokdam, J., de Lange, M., Peters, M. (2021)

Doorstroom in het beroepsonderwijs staat volop in de aandacht. Hoewel het Nederlandse onderwijssysteem goede mogelijkheden biedt voor stapsgewijs opstromen binnen de beroepskolom, zijn de problemen rondom succesvolle doorstroom groot. Overgangsmomenten in schoolloopbanen zijn kwetsbaar vanwege gebrek aan eenduidige verantwoordelijkheid vanuit de betrokken onderwijsinstellingen. Vanuit de behoefte maatwerk te leveren en regionaal samen te werken aan verbeterde doorstroom hebben drie onderwijsinstellingen (COG, Graafschap College en HAN) het initiatief genomen samen met onderzoekers van KBA, Oberon en HAN te komen tot dit onderzoeksvoorstel.

De volgende onderzoeksvragen staan centraal:

  1. Wat zijn binnen de betrokken onderwijsinstellingen geobserveerde knelpunten die de overgang vmbo-mbo en mbo-hbo bemoeilijken?
  2. Welke wetenschappelijke kennis is reeds voorhanden om deze knelpunten bij de overgang vmbombo en mbo-hbo te verminderen?
  3. Hoe kan deze kennis vertaald worden naar succesvolle arrangementen die de doorstroom vmbo-mbo en mbo-hbo bij de betrokken instellingen bevorderen en waar moeten deze, indien nodig, na evaluatie worden bijgesteld?
  4. Wat is de bijdrage van de geïmplementeerde arrangementen aan het verminderen van de geobserveerde knelpunten binnen de betrokken onderwijsinstellingen?  

Het onderzoek bevat drie fasen. Fase 1 bestaat uit een analyse van de knelpunten (nulmeting) en het ontwerpen van onderwijsarrangementen vmbo-mbo-hbo door middel van designteams van docenten en onderzoekers. In fase 2 worden de ontworpen arrangementen als pilot ingevoerd in het onderwijs binnen de betrokken onderwijsinstellingen. In fase 3 vindt een verdere implementatie van de herontworpen arrangementen plaats. Door middel van een eindmeting wordt geëvalueerd in hoeverre de onderwijsarrangementen de eerder geconstateerde knelpunten hebben verminderd.

Voor dit praktijkgerichte onderzoeksproject, gesubsidieerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO), is ingezet op regionale samenwerking van vmbo-, mbo- en hboinstellingen om een betere verbinding in de beroepskolom te kunnen realiseren. Hiertoe is nadrukkelijk de samenwerking gezocht met docenten, die samen met onderzoekers aan de slag zijn gegaan in zogeheten designteams. Lopende initiatieven bij mbo- en hbo-instellingen ter bevordering van doorstroom zijn vaak topdown georganiseerd. Door docenten en onderwijsmedewerkers die dicht bij studenten staan te betrekken in de aanpak van de aansluitingsproblematiek en bij het ontwikkelen van initiatieven, ontstaat een bottom-up aanpak die dicht bij de inhoud en de praktijk van de opleiding staat. Dit onderzoek heeft ingespeeld op deze behoefte door ruimte te bieden om initiatieven te ontwikkelen voor en door docenten en studenten, met oog voor wetenschappelijke kennis en de heersende beleidsmaatregelen. De methode van design thinking die werd toegepast, is gebaseerd op de betrokkenheid van docenten en studenten, en borgt een aanpak waarin probleemanalyse en evaluatie een belangrijke plaats innemen, om te komen tot verbeterde evidence-based aanpakken.

In dit onderzoeksproject zijn in schooljaren 2017-2018 tot en met 2020-2021 (uiteindelijk) vijf designteams van docenten en onderzoekers aan de slag gegaan: twee teams hebben zich gericht op de overgang vmbo-mbo en drie teams op de overgang mbo-hbo. Het onderzoek bestond in de praktijk uit vijf casestudies, met een vergelijkbare aanpak (design thinking) en doelstelling (een arrangement ontwerpen gericht op bevordering van een soepele doorstroom), maar met elk hun eigen probleemanalyse en vraagstelling die leidde tot vijf uiteenlopende onderwijsarrangementen.  Vijf teams van docenten en onderzoekers hebben aan de hand van de design thinking methode, met betrokkenheid van studenten, vijf doorstroominitiatieven ontworpen. Voor de overstap vmbo-mbo is een doorlopende leerlijn logistiek ontworpen en een beroepsoriëntatietraject voor vmbo-leerlingen bestaande uit speeddates met beroepsbeoefenaars, een stagemarkt en een stage. Voor de overgang mbo-hbo is een docentenuitwisselingsprogramma voor mbo- en hbo docenten ontwikkeld, een digitale ‘knapzak’ met instrumenten voor LOB voor docenten en een LOB survivaldag voor tweedejaars mbo-studenten door hbo-studenten. Bij elk onderwijsarrangement is op passende wijze de pilot geëvalueerd en – waar mogelijk binnen de coronabeperkingen – een eindevaluatie uitgevoerd. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek geeft inzicht in knelpunten die er (kunnen) spelen bij de overgangen van vmbo-mbo en van mbo-hbo en bevat een ‘ideeënbron’ voor interventies en maatregelen ter bevordering van de doorstroom welke is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Daarnaast geeft het rapport voorbeelden van arrangementen ter bevordering van de doorstroom en het studiekeuzeproces die in het kader van het onderzoek gepilot zijn en de eerste ervaringen met deze arrangementen zijn beschreven.

Ook interessant:

>