LOB-onderzoeksbank

Expertisepunt LOB

Ben je bezig met het versterken van het LOB-beleid van jouw school of samenwerkingsverband? Of bereid je jezelf voor op een praktijkgericht onderzoek dat je op jouw school gaat uitvoeren? Hier vind je op toegankelijke wijze LOB-onderzoeken over thema’s zoals loopbaangesprekken of professionalisering. Van ieder onderzoek is een samenvatting beschikbaar, ook is kort beschreven hoe je de betreffende publicatie kunt gebruiken voor de LOB-praktijk.

Ben je zelf onderzoeker en mis je jouw LOB-onderzoek? Stuur ons een bericht: info@expertisepuntlob.nl

Deze databank wordt periodiek aangevuld met nieuwe LOB-onderzoeken.

We werken momenteel aan het vernieuwen van de filters op deze site. Daardoor zijn de filters tijdelijk nog niet actief of werken niet correct. In de komende periode worden deze weer ingericht en aangevuld, zodat je straks nog makkelijker passende voorbeelden kunt vinden.

Onderwijs
Jaartal
Soort publicatie

De transitie van mbo naar hbo: wat werkt en wat versterkt?

Auteurs: Muja, A., Broek, A. van den, Luyten, E., Mensvoort, C. van, Kievitsbosch, A., Kamans, E. & Vugteveen, J.

Een praktijkgericht onderzoek naar de effectiviteit van (onderwijs)activiteiten in mbo en hbo om de transitie van mbo naar hbo te versoepelen.

Het verbeteren van de mbo-hbo transitie is van groot belang, omdat deze overgang gepaard gaat met een hoge uitval en een laag studie- en studentsucces in het hbo. Meer inzicht is nodig in wat effectieve aanpakken zijn om de overgang succesvol te laten verlopen.

Dit onderzoek heeft betrekking op opbrengsten van onderwijsactiviteiten aan 'beide zijden van de poort’:

  1. mbo-activiteiten, waaronder keuzedelen, gericht op voorbereiding op een vervolgopleiding en
  2. hbo-activiteiten (met name de ‘Eerste 100 dagen’-programma’), gericht op een betere landing in het hbo).

Binnen het samenwerkingsverband Succesvolle doorstroom mbo-hbo Noord-Nederland werken mbo-instellingen en hogescholen samen om de overgang van mbo naar hbo te versoepelen. Dit gebeurt met concrete voorlichtings- en aansluitingsactiviteiten.

Doel van dit onderzoek is het achterhalen in hoeverre (werkzame bestanddelen en mechanismen van) de onderwijsactiviteiten in het mbo en hbo op zichzelf of in combinatie leiden tot studie- en studentsucces van studenten die vanuit het mbo doorstromen naar het hbo. Dit onderzoek is gebaseerd op een documentanalyse, diepte-interviews met docenten en studenten, een cohortstudie (vragenlijsten onder studenten)  en een kwalitatieve terugblik van studenten met een mbo-achtergrond op hun eerste jaar in het hbo.

>

Navigating educational choice

Auteur A.N. de Vries

Navigating educational choices: Supporting students’ person-environment fit and identity development in relation to academic success.

Sommige mensen weten al van jongs af aan wat ze later willen worden en anderen hebben geen idee. Toch is het maken van een studiekeuze voor het hoger onderwijs voor veel jongeren een lastige keuze. Regelmatig verschijnen er koppen in de krant die hierop duiden, zoals “Prinses Alexia twijfelt nog over studiekeuze: ‘Ik ben niet de enige met keuzestress’ ” (Algemeen Dagblad; Schmale & Boender, 2024) of “Bestuurskunde was geen succes, bierbrouwer bleek een droomopleiding” (NRC; Kammer, 2024). Het maken van een studiekeuze is een complex proces gezien, omdat veel adolescenten nog niet de vaardigheden hebben om hun keuzeproces te sturen, ze geconfronteerd worden met veel keuzemogelijkheden, en omdat ze vaak moeite hebben met de druk om een “goede” keuze te maken. 
In Nederland valt jaarlijks ongeveer een kwart tot een derde van de eerstejaars studenten in het hoger onderwijs uit (van den Broek et al., 2023). De helft van hen geeft achteraf aan dat ze een “verkeerde” studiekeuze hebben gemaakt. Zo’n “verkeerde” studiekeuze heeft veel impact op het welzijn van studenten en kan naast uitval ook leiden tot andere negatieve gevolgen, zoals verminderd zelfvertrouwen (Hoeschler & Backes-Gellner, 2017) en financiële problemen (Schneider & Yin, 2011). Ook voor de maatschappij als geheel kunnen “verkeerde” studiekeuzes leiden tot negatieve gevolgen, met name omdat studeren in het hoger onderwijs grotendeels van publiek geld wordt gefinancierd. 
Om meer inzicht te bieden in deze problematiek, richt wetenschappelijk onderzoek naar studiekeuzes zich meestal op één van twee verschillende benaderingen. De eerste benadering benadrukt individuele verschillen tussen aankomende studenten en neemt aan dat een “goede” studiekeuze past bij de unieke combinatie van persoonlijke kenmerken van iedere student (bijv., Holland, 1997). Ik noem een “goede” studiekeuze daarom ook liever een passende studiekeuze, want dé goede keuze bestaat niet. Er zijn immers altijd meerdere studies die goed bij iemand kunnen passen. De tweede benadering is ontwikkelingsgericht en ziet het studiekeuzeproces als een belangrijk onderdeel van identiteitsontwikkeling in het leven van adolescenten (bijv., Super, 1990). Hoewel beide benaderingen elkaar aanvullen, is het wetenschappelijk onderzoek nog vaak gericht op één van beide. Dat is een gemiste kans om inzicht te krijgen in de manier waarop docenten, decanen en andere loopbaanbegeleiders studenten kunnen ondersteunen in het navigeren door het complexe studiekeuzeproces om tot een passende studiekeuze te komen. 
In dit proefschrift integreer ik beide benaderingen om een beter begrip te krijgen van hoe het studiekeuzeproces interacteert met het maken van een passende studiekeuze. Ik richt me hierbij op aankomende studenten in het hoger onderwijs in Nederland. Ik onderzoek hoe zij optimaal kunnen worden ondersteund bij hun studiekeuzeproces, met als doel hen te helpen om een studie die past bij hun persoonlijke kenmerken te kiezen en hun studiesucces te vergroten.
 

Lees verder in de bijlage bij dit artikel

>

Kennisrotonde: Wat is de invloed van een oriëntatietraject voor de start in het mbo op uitval en swi

Martijn Peters, Marloes de Lange (2022)

 

Oriëntatietraject op het mbo als nieuw initiatief.
Hoewel de effectiviteit van initiatieven gericht op oriëntatie in het vmbo op uitval en switch in het mbo nog onbekend is, biedt de recente literatuurstudie van Korpershoek et al. (2022) inzicht in hoe een effectieve aanpak voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding van vmbo’ers er uit zou kunnen zien. Hieruit vloeien de volgen adviezen voort:

  1. Leg als school de verbinding met de beroepspraktijk door het organiseren van bijvoorbeeld snuffelstages, bedrijfsbezoeken, gastlessen door beroepsbeoefenaren en meeloopdagen in het mbo.

  2. Geef als school de leerling een actieve rol in LOB-activiteiten, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een opdracht tijdens een werkbezoek.

  3. Bied als school een samenhangend traject van LOB-activiteiten aan met betrokkenheid van mentoren, docenten en andere begeleiders (door leerlingen te enthousiasmeren en de verbinding tussen LOB-activiteiten expliciet te maken).

  4. Bouw als docent/mentor reflectie in op motieven, ambities en kwaliteiten van de leerling binnen gesprekken met de leerling.

  5. Betrek als school ouders als gesprekspartner in het studiekeuzeproces.

  6. Besteed als school aandacht aan het omgaan met verwachtingspatronen van anderen, zoals gesprekken over genderrollen en succesvolle voorbeelden van meisjes in traditionele ‘jongensberoepen’ en vice versa.

  7. Bied als school activiteiten aan die gericht zijn op het vergroten van kennis over sectoren, over vervolgonderwijs, ondernemerschap of over solliciteren, omdat deze ook positief uitwerken op het zelfvertrouwen van leerlingen om goede (loopbaan)keuzes te kunnen maken en op beeldvorming over de beroepspraktijk

>

Gelijke kansen bij tussentijds opstromen in het voortgezet onderwijs?

Suzan de Winter-Koçak, Leyla Reches (2022)

 

Een verkennend onderzoek naar beleid en praktijk van tussentijds opstromen. 

Tussentijdse opstroom (voor diplomering opstromen naar een hoger onderwijsniveau) in het voortgezet onderwijs kan ervoor zorgen dat leerlingen die een te laag advies hebben gehad alsnog op een passend niveau terechtkomen. KIS ontving tijdens eerder onderzoek naar jongeren met een migratieachtergrond signalen dat het proces rond opstroom niet altijd soepel verloopt. Reden om onderzoek te doen naar praktijk en beleid van tussentijdse opstroom.

 

Dat leerlingen met een migratieachtergrond niet altijd op het onderwijsniveau terecht komen dat past bij hun cognitieve capaciteiten, heeft onder andere te maken met de vroege selectie in het primair onderwijs. Deze pakt negatief uit voor leerlingen met een migratieachtergrond; zij krijgen vaker dan leerlingen uit andere groepen een schooladvies dat lager is dan hun scores op de eindtoets rechtvaardigen. 
Binnen het voortgezet onderwijs wordt tussentijdse opstroom gezien als een correctiemechanisme voor deze negatieve effecten van vroegselectie voor kinderen met een migratieachtergrond. Binnen dit verkennende onderzoek is er gekeken óf onderwijsinstellingen beleid hebben ontwikkeld rondom tussentijdse opstroom, wat dat beleid inhoudt en hoe zij daar in de praktijk invulling aan geven. Ook keken wij naar eventuele barrières die leerlingen met een migratieachtergrond binnen het beleid en in de praktijk van tussentijdse opstroom (kunnen) ervaren. 
 

>

Onbedoelde zelfselectie: drempels die jongeren weerhouden om voor een specifieke opleiding te kiezen

Inspectie van het Onderwijs (2022) Dit is het tweede onderzoek naar zelfselectie op weg naar het hoger onderwijs, uitgevoerd naar aanleiding van de motie-Van den Hul. Het eerste onderzoek ging in op zelfselectie bij de afweging wel of niet verder te studeren na afronding van een mbo-4-opleiding. 

Dit tweede rapport - tevens het eindrapport - beschrijft welke de rol zelfselectie speelt bij de afweging die mbo-4-studenten en havo- en vwo-scholieren maken om al dan niet voor hun favoriete opleiding in het hoger onderwijs te kiezen. Daarbij is gekeken naar drempels in opleidingen (zoals de selectieprocedure of de taal), achtergrondkenmerken van studenten (zoals geslacht of de opleiding van ouders) en naar specifieke persoonlijkheidskenmerken (zoals faalangst of risicoaversie).

>

Naar een betere startpositie op de arbeidsmarkt

Paul Bisschop, Justus van Kesteren, Koen van der Ven, Tyas Prevoo, Bas ter Weel, Ardita Muja, Marieke de Visser (ResearchNed), Maurice Crul, Zakia Essanhaji (Vrije Universiteit), Ruud Baarda (Ruud Baarda Advies) (2021).

Mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vormen zo’n 22 procent van de mbo’ers die ieder jaar een diploma van niveau 2, 3 of 4 behalen.
De achterstand bij de arbeidsmarktintrede ten opzichte van mbo’ers met een niet-westerse achtergrond ten opzichte van mbo'ers zonder migratieachtergrond komt vooral tot uiting in de duur tot een substantiële baan na afstuderen. Met name jongens met een niet-westerse migratieachtergrond die een BOL-opleiding van niveau 2 hebben gevolgd (en niet doorstuderen) doen er lang over om een substantiële baan te vinden.

Maar ook bij andere mbo-niveaus is er sprake van een achterstand in de duur tot een substantiële baan. De mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond die wel een baan vinden, verdienen op uurbasis gemiddeld meer dan mbo’ers zonder migratieachtergrond met een baan. Dit heeft te maken met selectiviteit: de meest getalenteerde en best gekwalificeerde mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vinden een baan en vaker dan mbo’ers zonder migratieachtergrond in sectoren waar hogere uurlonen verdiend worden.

De empirische analyse in dit onderzoek identificeert een aantal verklaringen voor een succesvolle, dan wel minder succesvolle overgang naar de arbeidsmarkt voor mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond.

>

Studieloopbaanontwikkeling. Toekomstbestendig beroepsonderwijs: een kans voor LOB!

>

Easy does it: An Innovative View on Developing Career Identity and Self-direction

Luken, T. (2020)

Dit artikel zet vraagtekens bij gangbare uitgangspunten in loopbaanontwikkeling en pleit voor een fundamenteel andere benadering van LOB.

____________________________

Het artikel stelt de aanname ter discussie dat loopbaancompetenties vooral via cognitieve onderwijsprogramma’s ontwikkeld kunnen worden.
Op basis van inzichten uit neurowetenschappen en psychologie wordt een alternatieve, meer systemische benadering voorgesteld.
Huidige LOB‑praktijken sluiten volgens de auteurs onvoldoende aan bij hoe mensen zich daadwerkelijk ontwikkelen, wat risico’s met zich meebrengt voor identiteit en besluitvorming.
De auteurs bepleiten meer ruimte voor exploratie, ervaring en begeleiding, met minder nadruk op reflectie en rationele keuzes.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Een algemeen aanvaard uitgangspunt op het gebied van loopbaanontwikkeling is dat loopbaanattitudes en -vaardigheden, waaronder identiteit en zelfsturing, kunnen worden ontwikkeld door middel van onderwijsprogramma's met een cognitieve focus. Het eerste doel van dit artikel is dit uitgangspunt ter discussie te stellen. Een tweede doel is het bieden van een nieuw, innovatief perspectief op loopbaanontwikkeling. 
Enkele specifieke vragen worden geformuleerd en beantwoord op basis van bronnen die voornamelijk afkomstig zijn uit neurowetenschappen en verschillende subdisciplines van de psychologie. Op basis van een systeemtheorie wordt een nieuwe aanpak voorgesteld. Een conclusie is dat huidige benaderingen in de loopbaanbegeleiding op gespannen voet staan met bevindingen en inzichten van ontwikkelingswetenschappen en hersenonderzoek. Dit brengt verschillende risico's met zich mee. Eén risico is een voortijdig afgesloten identiteitsontwikkeling. Een ander risico betreft de ontwikkeling van ineffectieve manieren van denken en beslissen. Een controletheorie die voortkomt uit de cybernetica wordt voorgesteld voor een alternatieve kijk op loopbaanontwikkeling.
De belangrijkste implicatie voor loopbaanpraktijken en -beleid is dat zelfsturing en identiteit voor de meeste leerlingen geen realistische doelen zijn. In plaats daarvan wordt aanbevolen de druk die gepaard gaat met loopbaankeuzes voor jongeren te verlichten. Meer tijd, ruimte, stimulatie en begeleiding voor exploreren en heroverweging zou moeten worden geboden, ook aan volwassenen. Begeleiding moet bestaan uit het aanbieden van voldoende gevarieerde werkervaringen en coaching wanneer mensen conflicten ervaren die het vinden van een richting belemmeren. Niet te veel nadruk moet worden gelegd op reflectie en rationeel denken. Een Acceptatie- en Commitment benadering wordt aanbevolen. Deze biedt veel nuttige inzichten en instrumenten die loopbaanprofessionals kunnen inspireren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit Engelstalige artikel, dat gepubliceerd is in een peer-reviewed internationaal tijdschrift, kan discussies voeden over fundamentele vragen rond doelen en opzet van LOB programma's.

>

Loopbaanreflectie en onze hersenen

Luken, T. (2017)

Inzichten uit de hersenwetenschap bieden nieuwe perspectieven op hoe jongeren leren reflecteren en keuzes maken.

____________________________

Het hoofdstuk beschrijft hoe de ontwikkeling van de hersenen in de adolescentie invloed heeft op reflecteren en kiezen.
Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen bewuste en onbewuste denkprocessen die een rol spelen bij loopbaanbeslissingen.
Deze inzichten maken duidelijk dat het begeleiden van keuzes complexer is dan vaak wordt aangenomen.
Het hoofdstuk biedt handvatten voor professionals om reflectie en zelfsturing bij jongeren realistischer en effectiever te ondersteunen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit hoofdstuk biedt de lezer een overzicht van bevindingen van hersenwetenschappers, die betrekking hebben op reflecteren en kiezen in het kader van loopbaanontwikkeling.
Het eerste deel gaat over de ontwikkeling van de hersenen en enkele specifieke hersendelen in de adolescentie, met name de (ventromediale) prefrontale cortex. Wat betekent dit voor (leren) reflecteren en kiezen?
Het tweede deel beschrijft enkele deelsystemen in ons denken, met name systemen waarmee we bewust en onbewust nadenken.
Tot slot wordt de vraag gesteld wat een en ander betekent - of zou kunnen betekenen - voor professionals op het gebied van loopbaanontwikkeling, met name als het gaat om het stimuleren van reflectie en begeleiden bij kiezen. Enkele problemen die zich hierbij kunnen voordoen, worden geanalyseerd. Uit het hoofdstuk vloeien aanbevelingen voort die vooral gericht zijn op de ontwikkeling van zelfsturing op de langere termijn. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit hoofdstuk biedt discussiestof over de haalbaarheid en zinvolheid van doelen van LOB en reflectie rond zelfsturing. Het biedt bouwstenen voor visieontwikkeling en een innovatief perspectief op de praktijk. 

>

Eigen regie biedt vrijheid en autonomie. Of vergroot het de sociale verschillen?

Luken, T. (2017)

Zelfsturing wordt steeds belangrijker in een veranderende samenleving en vraagt om een andere kijk op loopbaanontwikkeling.

____________________________

Het artikel laat zien dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in loopbanen noodzakelijk maken.
Zelfsturing draait niet alleen om rationele keuzes, maar juist om het benutten van ervaringen, gevoelens en waarden.
Daarbij is zelfsturing voor alle opleidingsniveaus relevant en niet alleen voor hoger opgeleiden.
Loopbaanbegeleiders spelen een belangrijke rol door mensen te ondersteunen bij reflectie, het verhelderen van keuzes en het ontwikkelen van zelfregie.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel verdedigt de stelling dat zelfsturing vrijheid en autonomie met zich meebrengt. En dat maatschappelijke ontwikkelingen zelfsturing in de toekomst steeds meer noodzakelijk maken. 
Het artikel start met een inventarisatie van waarschijnlijke toekomstige ontwikkelingen. Deze verduidelijken waarom zelfsturing steeds meer noodzakelijk wordt. Vervolgens komen de vragen aan de orde wat zelfsturing is en hoe het zich ontwikkelt. Een vaak voorkomend misverstand is dat een bewust denkend ik het zelf zou moeten sturen. Daarmee samenhangend bestaan andere misverstanden. Bijvoorbeeld dat zelfsturing vooral iets zou zijn voor hoger opgeleiden. Of dat het bij zelfsturing vooral gaat om informatievoorziening. De auteur stelt daartegenover dat ons denken niet een leidende, maar een adviserende of assisterende rol zou moeten spelen, in dienst van een ervarend lichaam.  Vanuit dat perspectief is zelfsturing voor lager opgeleiden minstens evenzeer aan de orde als voor hoger opgeleiden. Loopbaanbegeleiders kunnen een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van zelfsturing door op het juiste moment te helpen bij het verwerken van ervaringen, het verhelderen van waarden en het ontwikkelen en affectief met elkaar vergelijken van toekomstperspectieven. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Dit artikel gaat over het wat en waarom van zelfsturing: Wat is het? Waarom is het nodig? Hoe ontwikkelt het zich? En hoe kun je daarbij helpen? De inhoud kan input bieden voor visieontwikkeling en kan ertoe bijdragen met zelfsturing aan de slag te gaan en daarbij een goede insteek te kiezen. 

>

Loopbaanleren: LOB schiet de leerling voorbij

Luken, T. (2012)

Ondanks de groeiende aandacht voor LOB blijven de resultaten achter door fundamentele problemen in de onderliggende aanpak.

____________________________

Hoewel de aandacht voor LOB sterk is toegenomen, blijven uitval en switchgedrag onder leerlingen gelijk.
Het artikel laat zien dat de oorzaken deels liggen in de theorie achter LOB en de manier waarop deze wordt toegepast.
Met name het beeld van loopbaanontwikkeling en de rol van reflectie sluiten onvoldoende aan bij wat jongeren nodig hebben.
Het artikel pleit daarom voor aanpassing van de LOB‑benadering en biedt handvatten voor verdere ontwikkeling van beleid en praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De aandacht voor loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) is in de afgelopen tien jaar explosief toegenomen. Helaas vallen de resultaten vooralsnog tegen. Veel leerlingen zijn ontevreden over LOB en nomadisch switchgedrag tussen opleidingen en uitval uit het onderwijs blijven ongeveer op hetzelfde niveau.
In dit artikel worden verklaringen gezocht op het niveau van de theorie die ten grondslag ligt aan LOB. Er worden vraagtekens gesteld bij het begrip arbeidsidentiteit, bij de kenmerken van de gewenste leeromgeving en bij praktijken op het gebied van loopbaanreflectie. Geconcludeerd wordt dat de dominante benadering van LOB weinig realistisch is en onvoldoende aansluit bij wat wij weten over wat jongeren wel en niet kunnen. Een mogelijk gevolg zou kunnen zijn dat jongeren zich suboptimaal ontwikkelen. Het artikel besluit met een aantal aanbevelingen voor aanpassingen van het onderwijsbestel en LOB.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit artikel stelt kritische vragen bij de dominante benadering van LOB en de onderliggende theorie. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's. 

>

Het dwaalspoor van de goede keuze: Naar een effectiever model van (studie)loopbaanontwikkeling

Luken, T. (2009)

Goede loopbaanbegeleiding is essentieel, maar blijkt in de praktijk lastig effectief vorm te geven.

____________________________

In onderwijs en arbeidsorganisaties bestaan veel problemen rondom loopbaanontwikkeling, zoals uitval en ontevredenheid in werk. Hoewel loopbaanbegeleiding kan helpen deze problemen te voorkomen, komt goede begeleiding nog weinig voor. Dit komt onder meer door versnippering van het vakgebied en hardnekkige denkbeelden over het maken van ‘de juiste keuze’. Het artikel pleit voor een bredere benadering van loopbaanontwikkeling, waarin reflectie en keuzebegeleiding anders worden ingevuld.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In onderwijs- en arbeidsorganisaties bestaan grote problemen op het gebied van loopbaanontwikkeling. Veel scholieren en studenten vallen uit of switchen vroeg of vaak van opleiding. Veel arbeidsrelaties zijn voor werknemer of werkgever onbevredigend, maar duren toch voort.
Uit onderzoek blijkt dat goede loopbaanbegeleiding helpt om dergelijke problemen te voorkomen of op te lossen. Hoewel hiermee in materiële en immateriële zin veel te verdienen valt, is goede loopbaanbegeleiding zeldzaam.
Hoe komt dit? Er zijn de laatste jaren in het beroepsonderwijs grote investeringen in studieloopbaanbegeleiding gedaan. Waarom leveren deze inspanningen niet meer op? Waarom wordt in arbeidsorganisaties niet meer aan loopbaanbegeleiding gedaan? Hoe kan het beter? Dit zijn enkele van de vragen die in deze oratie aan de orde komen. Voor een deel wordt de stagnatie verklaard door de versnippering van het vakgebied. Daarnaast speelt het voortbestaan van hardnekkige, inadequate, maar dominante beelden een rol, zoals het beeld van ‘de goede keuze’, die het individu moet maken door informatie te verzamelen en na te denken. Wat is daar misleidend aan? Wat zijn de consequenties? Hoe kunnen we dit beeld bijstellen? Onder meer de risico’s van reflectie komen aan de orde. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Deze oratie plaatst de studiekeuze in een breder kader van loopbaanontwikkeling. Vragen worden gesteld over gangbare benaderingen die te veel gericht zijn op het maken van "de goede keuze" en waarin reflecteren een te grote rol speelt. De tekst kan input bieden bij de ontwikkeling van een visie op LOB en bij de vormgeving van LOB programma's. 

>

Creatief, expressief en reflectief schrijven voor je loopbaan

Lengelle, R. (2014)

Loopbaanschrijven laat zien hoe schrijven kan bijdragen aan diepgaand inzicht in jezelf en richting in je loopbaan.

____________________________

Career writing is een narratieve methode waarbij creatief, expressief en reflectief schrijven wordt ingezet voor loopbaanontwikkeling. Schrijven helpt jongeren om betekenis te geven aan hun ervaringen en een persoonlijk loopbaanverhaal te construeren. Deze aanpak ondersteunt het ontwikkelen van zelfinzicht, identiteit en toekomstperspectief. Het onderzoek benadrukt dat schrijven een effectieve en toegankelijke manier is om de loopbaandialoog te versterken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

‘Career writing’, een narratieve en dialogische begeleidingsbenadering waarbij creatief, expressief en reflectief schrijven gebruikt worden om de persoonlijke (en daardoor professionele) groei op loopbaangebied bij jongeren te bevorderen. Waarom loopbaanschrijven een uitstekende manier is om in te zetten bij loopbaanleren, is terug te lezen in dit onderzoek met een gedetailleerde uitleg over de narratieve en dialogische benadering. E.e.a. wordt toegelicht aan de hand van het model van schrijven voor transformatie. Dit beschrijft het proces dat een individu doormaakt bij het construeren van een loopbaanverhaal. Zo’n verhaal is niet de feitelijke waarheid maar de narratieve waarheid; betekenisvol voor het individu in termen van ervaring, begrip van de wereld en van toekomstige mogelijkheden. Door de drie schrijfvormen: creatief, expressief en reflectief schrijven, die onderdeel van het model zijn, wordt het mogelijk door de onderscheiden leerfases te komen. Het model verschaft ook een theoretische basis voor de methode. Bij de drie schrijfvormen ziet men – door stukken van case studies te gebruiken – hoe loopbaanschrijven concreet werkt en bijdraagt aan loopbaanleren. De voorbeelden en ideeën die zijn gepresenteerd kunnen loopbaanbegeleiders helpen het nut in te zien van deze creatieve, expressieve, en reflectieve vorm van narratieve begeleiding.
In de publicatie wordt ook toegelicht waarom er bij loopbaanleren behoefte is aan dialoog maar ook hoe die vaak ontbreekt. De conclusie is dat schrijven een effectieve dialogische benadering is, ook wat betreft kosten en tijdsinvestering. Het laatste deel van het onderzoek bevat verschillende reflecties over het gebruik van loopbaanschrijven in de praktijk.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Loopbaanschrijven is een waardevol instrument voor het construeren van een loopbaanidentiteit. De voorbeelden en ideeën in de publicatie kunnen loopbaanbegeleiders helpen het nut in te zien van deze creatieve, expressieve, en reflectieve vorm van narratieve begeleiding. De beschrijving van de drie schrijfvormen geeft inzicht in loopbaanschrijven.  In de publicatie wordt de noodzaak van de loopbaandialoog benadrukt.

>

Schrijven als zelfontwikkeling

Lengelle, R. & Ashly, S. (2017)

Schrijven kan een krachtig instrument zijn om studenten te ondersteunen in hun loopbaanontwikkeling en zelfinzicht.

____________________________

Het artikel laat zien dat docenten een actievere rol kunnen spelen in loopbaanleren door gebruik te maken van narratieve schrijfmethode. 
Door transformatieve schrijfoefeningen leren studenten hun ervaringen te begrijpen en betekenis te geven aan hun loopbaan. 
Deze aanpak helpt studenten om emoties, kwaliteiten en interesses beter te herkennen en te benutten. 
Schrijven draagt daarmee bij aan het ontwikkelen van identiteit en het maken van bewuste loopbaankeuzes.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Om alle leerlingen een goede begeleiding te bieden moeten niet alleen loopbaanprofessionals maar ook docenten een actievere rol gaan spelen in loopbaanleren. In het deels Nederlandstalig en deels Engelstalige artikel wordt toegelicht dat docenten getraind moeten worden in narratieve methoden zodat zij de vaardigheden en kwaliteiten ontwikkelen die nodig zijn om het loopbaanleren bij hun studenten te bevorderen.
De hier voorgestelde benadering betreft het doen van transformatieve schrijfoefeningen door studenten in een klas/groepssituatie; zowel online als face-to-face programma’s zijn mogelijk.  Het bleek dat zelfs ervaren schrijvers vaak niet weten hoe ze via schrijven kunnen leren omgaan met grenservaringen.
Er worden 4 uitdagingen (onzekerheid, complexiteit, individualisering en emotioneel competent) beschreven en 4 casussen behandeld van mensen die schrijven voor hun persoonlijke ontwikkeling. Er is een relatie tussen de 4e uitdaging, de emotionele competentie en het schrijven voor zelfontwikkeling. Voor het maken van succesvolle loopbaankeuzes is het nodig dat men zich bewust is van de eigen emoties: deze maken immers duidelijk wat belangrijke thema’s en voorkeuren zijn en waar persoonlijke grenzen liggen.
Wanneer studenten over hun leven schrijven, blijkt dat ze niet alleen hun schrijfvaardigheden vergroten maar ook leren om betekenis te geven aan hun ervaringen en zodoende nieuwe inzichten verwerven. Je verhaal opschrijven resulteert vaak in het construeren van betekenis en identiteit.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De narratieve schrijfmethode kan ingezet worden voor persoonlijke ontwikkeling en is daarom een waardevol instrument voor loopbaanleren. Het artikel geeft docenten suggesties voor het gebruikmaken van schrijven als een transformatief proces. 

>

Loopbaanontwikkeling. Onderzoek naar ‘Competenties’ (proefschrift)

Kuijpers, M.A.C.T. (2003)

In een kenniseconomie wordt loopbaanontwikkeling steeds meer een verantwoordelijkheid van de werknemer zelf.

____________________________

Door veranderingen in economie en arbeidsmarkt wordt investeren in menselijk kapitaal en inzetbaarheid steeds belangrijker. Loopbaanontwikkeling vraagt daarbij om zelfmanagement en het ontwikkelen van specifieke loopbaancompetenties. Het onderzoek laat zien dat deze competenties uit meerdere samenhangende onderdelen bestaan en meetbaar kunnen worden gemaakt. De inzichten vormen de basis voor het huidige denken over loopbaancompetenties en hun toepassing in het onderwijs en de LOB‑praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Op (inter)nationaal en organisatorisch niveau zijn er signalen dat investeringen in menselijk kapitaal door een verschuiving van economie, arbeidsmarkt en werkende organisaties naar een kenniseconomie en op kennis gebaseerde banen steeds belangrijker worden. Investeringen in menselijk kapitaal lijken essentieel voor de inzetbaarheid van de beroepsbevolking. Inzetbaarheid verwijst in kwalitatieve, individuele zin naar loopbaanontwikkeling. Verwijzend naar loopbaanontwikkeling - zoals bij levenslang leren - wordt meer nadruk gelegd op individuele verantwoordelijkheid en zelfmanagement. Deze studie heeft tot doel meer inzicht te krijgen in wat werknemers moeten weten en doen, welke competenties ze moeten bezitten - een specifieke vorm van menselijk kapitaal - om zelfmanagement in loopbaanontwikkeling te realiseren.

De doelen van dit onderzoek zijn:

  • Onderzoek naar de empirische basis voor uitbreiding van het elementaire model van menselijk kapitaal door menselijk kapitaal uit te drukken in competenties, met inbegrip van intermediaire variabelen en een brede set van outputfactoren;
  • Bijdrage aan theorieontwikkeling op het gebied van Human Resource Development met betrekking tot loopbaanontwikkeling;
  • Ontwikkeling en validatie van een instrument voor het meten van loopbaanontwikkeling.  Het proefschrift bestaat uit twee delen. Deel I beschrijft het operationalisatieproces van loopbaancompetenties. Deel II beschrijft de resultaten van een kwantitatieve studie van de structuur en het gevalideerde netwerk van het construct van loopbaancompetenties (loopbaanfactoren). 

De resultaten van dit onderzoek naar loopbaancompetenties geven aan dat het competentieconcept geen eenheid blijkt te zijn, maar het blijkt uit meerdere componenten te bestaan. Het product van de studie is een meetinstrument voor loopbaanontwikkeling dat aan meerdere betrouwbaarheids- en validiteitseisen voldoet. Bovendien geeft het inzicht in de relaties tussen loopbaanontwikkeling en variabelen in een gevalideerd netwerk van loopbaanfactoren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit proefschrift is de bron van de loopbaancompetenties die in Nederland worden gehanteerd. Op basis van dit proefschrift is onderzoek in het beroepsonderwijs gestart om na te gaan hoe jongeren kunnen worden voorbereid op een dynamische arbeidsmarkt waarin leven lang ontwikkelen vereist is, hoe loopbaancompetenties hierbij richting kunnen geven en wat voor leeromgeving hiervoor nodig is. 

>

Ouderbetrokkenheid bij Loopbaanontwikkeling van vmbo-leerlingen

Kuijpers, M., Strijk, M., Lusse, M., & van Schie, L. (2018)

Ouderbetrokkenheid speelt een belangrijke rol in de loopbaanontwikkeling van leerlingen, mits deze goed wordt georganiseerd en ingebed.

____________________________

Uit het onderzoek blijkt dat ouderbetrokkenheid bij LOB is toegenomen en positief bijdraagt aan de loopbaanontwikkeling van leerlingen. Vooral samenhangende interventies die aansluiten op het LOB‑programma op school blijken effectief. Leerlingen, ouders en leraren ervaren de activiteiten als waardevol, maar de aanpak vraagt tijd om zich verder te ontwikkelen. Belangrijk is dat ouderactiviteiten goed worden ingebed in het curriculum en worden ondersteund door duidelijke organisatie en professionalisering.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Over het algemeen genomen zien we dat de ondersteuning vanuit scholen aan ouders en de ondersteuning van ouders aan leerlingen in hun loopbaanontwikkeling is toegenomen in de loop van het project. We zien dat de interventies van het City Deal project een positieve invloed hebben op de ouderbetrokkenheid bij LOB, en ouderbetrokkenheid bij LOB weer bijdraagt aan de loopbaanontwikkeling van leerlingen. We zien dat het nauwelijks uitmaakt of je meedoet aan het project (over all verschil tussen experimentele en controlegroep), maar wel wat je doet binnen het project.

Leraren, ouders en leerlingen ervaren de loopbaangerichte ouderactiviteiten veelal positief, zien we in de resultaten van de focusgroepen. Net als in de kwantitatieve analyses, komt het beeld naar voren dat de activiteiten het meest bijdragen als zij in samenhang met elkaar ontwikkeld worden en er een doorgaande lijn ontstaat van loopbaangerichte ouderactiviteiten die in timing goed aansluiten bij de LOB-activiteiten die de leerlingen op school uitvoeren. Duidelijk is ook dat de aanpak nog tijd nodig heeft om te ontwikkelen. Zowel leraren als ouders en leerlingen leren stap voor stap hoe ze zich in de nieuwe rollen kunnen opstellen en hoe de ouderactiviteiten het beste kunnen bijdragen aan de loopbaanontwikkeling van leerlingen.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Gezien de resultaten van het onderzoek is de aanbeveling om interventies voor ouderbetrokkenheid bij LOB in de school te organiseren om loopbaanontwikkeling van leerlingen (met migratieachtergrond) te bevorderen. Het is van belang om een samenhangend geheel van interventies in te zetten, die zowel thuis als op school kunnen plaatsvinden, die samenhangen met het leren op school en in de beroepspraktijk, en daarmee onderdeel uitmaken van een doorlopende LOB-lijn in het curriculum.

Voor het realiseren van opbrengsten van ouderbetrokkenheidactiviteiten zijn er de volgende aandachtspunten van belang gebleken:

  • Zorg voor inbedding van de ouderactiviteiten in het curriculum van de leerlingen, zodat deze voortbouwen op eerdere ervaringen van leerlingen, worden voor- en nabesproken, en de opbrengst wordt gebruikt voor de keuze van een vervolgstap;
  • Zorg dat ouders vooraf worden geïnformeerd en de activiteit met ouders wordt nabesproken;
  • Formuleer haalbare opdrachten die bijdragen aan een positief gesprek met hun ouders waarin de leerling de regie heeft;  
  • Schakel het netwerk van leerlingen in van wie de ouders niet voldoende in staat zijn hen te begeleiden bij LOB;
  • Zorg voor een goede timing, voorbereiding (bijvoorbeeld van de presentaties van leerlingen) en organisatie;
  • Zet in op het ontwikkelen van beleid en faciliteiten om ouderbetrokkenheid mogelijk te maken;
  • Professionaliseer de leraren voor het beter betrekken van ouders bij LOB. 
>

Leren luisteren en loopbaanleren

Kuijpers, M. & Meijers, F. (2012)

Reflectieve en activerende loopbaangesprekken dragen bij aan de ontwikkeling van studenten, maar laten ook zien waar nog verbetering nodig is.

____________________________

Studenten ervaren dat begeleidingsgesprekken door training van docenten meer reflectief en activerend zijn geworden. Ze denken vaker na over hun kwaliteiten en praten meer over passende vervolgopleidingen en werk. Tegelijk blijft verdieping op toekomstdromen, persoonlijke waarden en talentbenoeming nog beperkt. Het onderzoek laat zien dat professionalisering van docenten bijdraagt aan betere loopbaangesprekken, maar ook verdere ontwikkeling vraagt.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Studenten uit de experimentele groep geven significant méér dan studenten uit de controlegroep aan dat de gesprekken met hun begeleiders reflectiever en activerender zijn geworden. Ze worden méér aangezet om zelf dingen te onderzoeken en om na te denken waar ze goed in zijn. Maar tegelijkertijd zijn de meeste studenten van mening dat ze nog weinig aan het denken worden gezet over hun toekomst, dat ze niet diep kunnen ingaan op dingen die zij belangrijk vinden en dat ze nog onvoldoende worden geholpen om hun talenten onder woorden te brengen. De meeste studenten uit de experimentele groep voelen zich begrepen door hun begeleider. Ze geven aan dat ze complimenten krijgen, dat hun begeleider laat merken dat ze wat kunnen en dat hun begeleider echt luistert naar wat ze zeggen.  De studenten van de experimentele groep zijn significant méér gaan praten over het werk dat bij hen past en hoe ze een vervolgopleiding kunnen kiezen dan studenten van de controlegroep. Wat betreft hun zelfbeeld komen vooral hun sterke kanten aan bod in de gesprekken. Weinig wordt nog gesproken over hun toekomstdroom, waarom ze iets willen leren, waar ze trots op zijn of wat ze belangrijk vinden.  Studenten die begeleid worden door een docent die aan de training heeft deelgenomen, geven aan dat ze méér zijn gaan nadenken over hun kwaliteiten en motieven en ook méér door hun begeleider worden aangezet om op onderzoek uit te gaan wat betreft werk en werken. Studenten die aangeven dat de begeleidingsgesprekken meer loopbaangericht zijn (geworden), zijn hun loopbaancompetenties gaan ontwikkelen. Naarmate studenten meer praten over hun zelfbeeld met hun begeleiders, ontwikkelen ze een sterkere arbeidsidentiteit.  Studenten die meer waarderende gesprekken voeren, ervaren meer loopbaaninvloed, -vertrouwen en -belangstelling. Van studenten die meer reflectieve en activerende gesprekken voeren is het gevoel van invloed juist afgenomen.  Het méér gebruiken van loopbaancompetenties maakt dat studenten een sterkere arbeidsidentiteit, loopbaaninvloed en loopbaanvertrouwen ervaren.  Docenten die het gehele professionaliseringtraject hebben gevolgd, ervaren een grotere toename in draagvlak (i.e. ondersteuning in hun werk) dan degenen die het traject niet hebben gevolgd. Maar tegelijkertijd zijn ze ook onzekerder geworden wat betreft hun begeleidingsgesprekken. Docenten die het professionaliseringstraject volledig hebben gevolgd, zijn naar hun mening deskundiger geworden in het achterhalen van waarden en normen, het leren netwerken en het zelfsturend laten worden van studenten.  Docenten die het professionaliseringstraject hebben gevolgd, geven aan dat ze veel hebben geleerd tijdens het traject. Meer dan 90 procent van de begeleiders zegt (veel) geleerd te hebben over (a) welke vragen zij kunnen stellen om begeleidingsgesprekken meer loopbaangericht te maken, (b) hoe zij zich meer kunnen richten op sterke kanten van de student, (c) hoe zij studenten kunnen helpen reflecteren en (d) hoe zij de studenten meer invloed/zelfsturing kunnen geven in de loopbaan. Meer dan 80 procent zegt (veel) geleerd te hebben over loopbaancompetenties en over hoe studenten keuzes kunnen maken. Ruim 70 procent heeft (veel) geleerd over hoe zij de studenten kunnen helpen een netwerk te gebruiken. In het onderzoek is niet aangetoond dat docenten die de training hebben gevolgd hun studenten méér aanzetten tot loopbaansturing of netwerken.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit onderzoek geeft richting aan de vorm van professionalisering van docenten op het gebied van het voeren van loopbaangesprekken. 

>

10 valkuilen én mogelijkheden bij de implementatie van LOB

Kuijpers, M., Kerkhoffs, J., Kirsten, I. (2016)

De invoering van LOB vraagt niet alleen om nieuwe structuren, maar vooral om een andere manier van denken en werken in het onderwijs.

____________________________

Bij de invoering van LOB in het vmbo liggen verschillende valkuilen op de loer die het succes kunnen belemmeren. Deze variëren van het vasthouden aan bestaande werkwijzen tot het onvoldoende betrekken van leerlingen, docenten en praktijkervaringen. Ook ontbreekt vaak samenhang, betekenis voor leerlingen en effectieve professionalisering van docenten. Het artikel benadrukt dat succesvolle implementatie vraagt om een cultuurverandering waarin reflectie, dialoog en eigenaarschap centraal staan.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Vanaf augustus 2016 wordt loopbaanleren onderdeel van de beroepsgerichte examenprogramma’s van het vmbo. Dit geeft kansen om het onderwijs zo in te richten dat leerlingen meer loopbaangericht worden voorbereid op de arbeidsmarkt van de toekomst. Maar er zijn ook valkuilen. Het risico van een dergelijke innovatieslag is dat na een tijdje wordt geconstateerd dat het ‘niet werkt’. Niet omdat het niet kán werken, maar omdat het nooit werkzaam is gemaakt. In dit artikel beschrijven Marinka Kuijpers, Jacqueline Kerkhoffs en Inge Kirsten 10 valkuilen bij de invoering van LOB in het onderwijs.

  1. Je blijft doen wat je al deed
  2. Je associeert vanuit je eigen ervaring wat loopbaancompetenties inhouden
  3. Keuzevakken worden niet gebruikt om te leren kiezen
  4. Praktijkervaringen worden niet loopbaangericht gebruikt
  5. De begeleidingsgesprekken zijn studie- in plaats van loopbaangericht en een monoloog in plaats van een dialoog
  6. Activiteiten staan los van de dagelijkse praktijk; wel extra werk, geen extra leren
  7. De ontwikkeling is niet zichtbaar of relevant voor de leerling
  8. Betrokkenen worden niet betrokken
  9. Je vraagt het onmogelijke van leerlingen en docenten
  10. Professionalisering is niet effectief: extra werk, richting is onduidelijk en ruimte ontbreekt

De tien valkuilen overziend, kunnen we concluderen dat het implementeren van LOB niet kan volstaan met een structuurverandering, maar dat de leercultuur moet veranderen van leren luisteren naar leren praten, nadenken en zelf sturen. Een cultuur waarin kwaliteiten, motieven en eigenaarschap van leerlingen een échte belangrijke plaats krijgen.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het artikel kan helpen bij de reflectie op LOB in de school. 

>

Managementsamenvatting LOB in de beroepsgerichte examenprogramma's

Kuijpers, M. i.s.m. de Loopbaangroep (2015)

De invoering van LOB in het vmbo laat zien dat scholen nog belangrijke stappen moeten zetten om loopbaanbegeleiding goed vorm te geven.

____________________________

LOB is sinds 2016/2017 verplicht in het vmbo en gericht op het ontwikkelen van loopbaancompetenties en het voorkomen van uitval. Uit onderzoek blijkt dat veel scholen nog tekortkomingen ervaren in visie, uitvoering en integratie van LOB in het curriculum. 
Er is vaak onvoldoende tijd, kennis en samenhang om LOB structureel en effectief vorm te geven. 
Tegelijk laten voorloperscholen zien dat een duidelijke visie, coaching en samenwerking met vervolgonderwijs en bedrijfsleven bijdragen aan sterkere LOB.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Loopbaanoriëntatie en –begeleiding (LOB) is met ingang van schooljaar 2016/2017 een verplicht onderdeel van de nieuwe beroepsgerichte examenprogramma’s in het vmbo. LOB is bedoeld om loopbaancompetenties bij vmbo-leerlingen te ontwikkelen, ze beter te begeleiden bij de keuze voor hun vervolgopleiding en daarmee ook voortijdige uitval op het mbo te voorkomen. In schooljaar 2014/2015 is onder leiding van Marinka Kuijpers, hoogleraar aan de Open Universiteit, geïnventariseerd of en in welke mate vmbo-scholen knelpunten ervaren bij het vormgeven van een samenhangend LOB-beleid en hoe scholen met LOB geholpen zouden kunnen worden. Hiertoe is een online enquête gehouden, ingevuld door 550 mensen waarvan een deel werkzaam is op een vmbo-school die extra aandacht besteedt aan bèta/techniek (via de programma’s M-Tech of Toptechniek in bedrijf). De vragenlijst is ingevuld door leraren (40%; de meesten zijn ook mentor), decanen (30%) en leidinggevenden (30%). Vervolgens is een kwalitatief onderzoek gehouden onder vier scholen die relatief ver zijn met hun LOB-beleid. In het schooljaar 2014/2015 blijken er nog flink wat tekortkomingen te zijn in het LOB-beleid en in de uitvoering ervan op vmboscholen. Veel respondenten (75%) weten dat LOB wordt opgenomen in de nieuwe examenprogramma’s, maar slechts weinig geënquêteerden (38%) weten wat de eisen in de examenprogramma’s zijn. LOB is volgens minder dan de helft van de respondenten beschreven in de visie van de school. Slechts een derde zegt dat LOB is geïntegreerd in alle leerjaren van het curriculum. Dit blijkt vaker het geval op scholen waar LOB decentraal is georganiseerd. Minder dan twintig procent van de leraren zegt dat LOB is geïntegreerd in de lessen binnen de sector waar ze lesgeven, bijna een derde zegt dat dit niet gebeurt. Decanen en leidinggevenden zijn er nog negatiever over: negentig procent gaat ervan uit dat LOB niet in de lessen is opgenomen. Opmerkelijk is dat minder dan de helft van de respondenten aangeeft dat er in het onderwijs aandacht is voor aansluiting op het mbo. Door in aanraking te komen met vervolgopleidingen en regionale bedrijven kunnen leerlingen een beeld krijgen van welk beroep of loopbaan bij hen zou passen. De helft van de vmbo-scholen werkt structureel samen met vervolgopleidingen ten behoeve van LOB. Veertig procent van de respondenten geeft aan samen te werken met regionale bedrijven. Vanaf 2016-2017 vormt LOB een verplicht onderdeel van het programma van leerlingen. Op het moment van het onderzoek (2014-2015) menen de meeste respondenten (driekwart) dat ze de capaciteiten hebben om LOB vorm te geven op de school. Bijv. in het curriculum opnemen dat leerlingen relevante (praktijk)ervaringen opdoen voor LOB. De helft van de mentoren, decanen en leidinggevenden acht zich in staat om in het curriculum ook vast te leggen dat leerlingen zelf keuzes kunnen maken bij de invulling van die ervaringen (bijvoorbeeld een stage of meeloopdag bij een bedrijf). Maar LOB houdt meer in, zoals het houden van loopbaangesprekken en het gestructureerd bijhouden van LOB-ontwikkelingen bij leerlingen in een loopbaandossier. Daarover zegt slechts een derde van de respondenten er voldoende tijd en capaciteit voor te hebben. Het aantal respondenten dat aangeeft dat de school de loopbaanontwikkeling van de leerlingen registreert is 36%. Opvallend is dat bijna negentig procent aangeeft dat de effecten van LOB bij hun leerlingen niet worden gemeten. Ongeveer de helft van de respondenten geeft aan behoefte te hebben aan steun bij het vormgeven van LOB, zowel voor de school als geheel als voor zichzelf in het bijzonder. Het gaat dan om allerlei aspecten: het beschrijven van LOB in de visie van de school, de integratie van LOB in het curriculum van alle leerjaren, het daadwerkelijk aanbieden van LOB aan leerlingen, het bijhouden van ontwikkelingen bij de leerlingen en het meten van de effecten. De vier onderzochte scholen die relatief ver zijn met LOB, blijken al vier tot acht jaar bezig te zijn met het vormgeven van LOB op hun school. De decanen van deze scholen zijn verantwoordelijk voor de kennisverspreiding over LOB op school en kunnen de mentoren en vakdocenten begeleiden. Ze hebben een professionele training gevolgd, bijvoorbeeld over het houden van loopbaangesprekken met leerlingen. De scholen hebben LOB vastgelegd in visiedocument en de visie vertaald naar acties per leerjaar voor leerlingen (en hun ouders), leraren, mentoren en decanen. Het ontwikkelen van loopbaancompetenties bij leerlingen maakt deel uit van het visiedocument. Op deze vooroplopende scholen hebben leerlingen zelf een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van hun LOB. De school neemt een coachende rol in: de school adviseert leerlingen bij vragen, begeleidt ze via loopbaangesprekken en stimuleert reflectie. Ook organiseren de scholen in samenwerking met vervolgopleidingen en bedrijfsleven open dagen, beroepenmarkten en stagemogelijkheden. Van de onderzochte scholen blijken de scholen die speciale focus hebben op bèta en technologie nog verder te zijn met LOB. Iedere leerling heeft een eigen LOB-mentor met wie hij of zij loopbaanbegeleidingsgesprekken heeft. Daarnaast is de klassenmentor verantwoordelijk voor de klassikale LOB-activiteiten. De opleidingen geven aan dat ondersteuning vanuit organisaties en bedrijven, onder andere via TechNet, een belangrijke succesfactor voor LOB is. Het bijhouden van een loopbaandossiers, een verplicht onderdeel van de nieuwe examenprogramma’s, is nog in ontwikkeling op de vier scholen. Dit zijn dossiers waarin de leerling zelf zijn/haar loopbaanactiviteiten bijhoudt. Ook op deze vooroplopende scholen wordt nog niet structureel bijgehouden wat het effect van de LOB-activiteiten is, iets waarin deze scholen ondersteund zouden willen worden omdat ze niet weten hoe ze dat moeten doen. Er is te concluderen dat op de meeste scholen de eerste stappen zijn gemaakt, maar er nog behoorlijke slagen gemaakt moeten worden in het implementeren van LOB. De behoefte aan ondersteuning vraagt inspanningen en investeringen op alle niveaus in het onderwijs. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De resultaten geven richting aan het vormgeven van LOB in de school.

>

Leren (en) innoveren

Kuijpers, M., Evers, A., Kreijns, K., Klaeijsen, A., & Kessels, J. (2014)

De kwaliteit van onderwijsontwikkeling hangt sterk samen met de ruimte die docenten krijgen om zich professioneel te blijven ontwikkelen.

____________________________

Docenten spelen een sleutelrol in onderwijsvernieuwingen, maar hun professionaliseringsruimte staat onder druk. Door maatschappelijke en onderwijskundige veranderingen zijn taken toegenomen, waardoor verdere uitbreiding niet mogelijk is. In plaats daarvan is ruimte nodig om anders te werken, met aandacht voor ontwikkeling van kwaliteiten en motieven van docenten. Loopbaangerichte begeleiding en gerichte ondersteuning vanuit de organisatie zijn daarbij cruciaal.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De afgelopen 20 jaar hebben 30 hervormingen in het onderwijs plaatsgevonden waarin docenten een belangrijke rol hebben gespeeld. De kwaliteit van docenten is een belangrijke verklarende factor voor de prestaties van studenten en voor de successen van de hervormingen (McKinsey, 2012). Daarom maakt professionele ontwikkeling van docenten een essentieel onderdeel uit van leven lang leren om het beroep adequaat uit te oefenen, met name bij de vernieuwingen in het onderwijs en in de voortdurend veranderende maatschappij.

De uitkomsten van dit onderzoek geven slechts een indicatie van de ervaren professionaliseringsruimte van docenten in het algemeen, maar het geeft wel te denken, bijvoorbeeld gezien de veranderingen die in VO nog te wachten staan. In Nederland is de afgelopen jaren discussie geweest over wat de uitkomsten van onderwijs moeten zijn. Hierover is nog geen consensus bereikt. Gebrek aan eensgezindheid over wat goed onderwijs is, heeft volgens de onderzoekers te maken met een overgangsfase in het onderwijs. Wetenschappelijke en maatschappelijke veranderingen hebben ertoe geleid dat er steeds iets is toegevoegd aan de taken van docenten. Ondertussen is het zoveel geworden dat het er ‘niet meer bij kan’. ‘Meer’ kan niet, dus het moet anders. Dit vergt ruimte voor professionele ontwikkeling van docenten, waarin mogelijkheden worden gecreëerd voor docenten om richting te geven aan hun professionele ontwikkeling uitgaande van het ontwikkelen en benutten van kwaliteiten en motieven van docenten. Hiervoor is loopbaangerichte begeleiding vanuit de organisatie nodig waarin zowel ruimte wordt gecreëerd om loopbaangericht te leren als richting wordt gegeven aan het leren vanuit de veranderende eisen die de maatschappij stelt en die daarmee aan het onderwijs worden gesteld. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De resultaten van het onderzoek dragen bij aan de visievorming van professionalisering van docenten.

>

LOB in het havo en vwo: Vijf uitgangspunten voor de eerste stappen

In een snel veranderende arbeidsmarkt verschuift de focus van kiezen naar het leren maken van loopbaankeuzes.

____________________________

Door veranderingen op de arbeidsmarkt worden jongeren voorbereid op beroepen die mogelijk verdwijnen, waardoor voortdurende loopbaankeuzes noodzakelijk zijn. LOB richt zich daarom op het leren ontdekken, ontwikkelen en benutten van kwaliteiten en interesses. Belangrijke elementen daarbij zijn zelfinzicht, reflectie, ervaring en het opbouwen van een netwerk. Het onderwijs speelt een cruciale rol door LOB te integreren in het curriculum en zo de zelfregie en ontwikkeling van leerlingen te versterken.

____________________________

Kuijpers, M. (2018)

Samenvatting van het onderzoek 

Volgens onderzoek van Deloitte in 2016 worden vier op de tien mbo-studenten opgeleid voor werk dat over tien tot twintig jaar mogelijk niet meer bestaat. In het hbo geldt dit voor twee op de tien en in het wo voor een op de tien studenten. Doordat werk verandert of verdwijnt, zullen werknemers hun eigen loopbaan moeten vormgeven om werk te kunnen krijgen en te behouden. Het onderwijs bereidt jongeren voor op de maatschappij. Als de maatschappij verandert, betekent dit dat het onderwijs een nieuwe opdracht krijgt. Het gaat er niet alleen om dat we jongeren laten kiezen voor een vervolgopleiding. We hebben ook de taak om jongeren te leren kiezen. Zo kunnen ze, eenmaal op de arbeidsmarkt, ook in hun verdere loopbaan keuzes blijven maken. 

  • Uitgangspunt 1: LOB is niet weten wat je kunt en wat je wilt worden, maar leren hoe je dat kunt ontdekken, ontwikkelen en benutten.
  • Uitgangspunt 2: Jongeren zouden een beter beeld van het toekomstige werk kunnen krijgen, door zich te verdiepen in werk waar hun interesse ligt en dat te verbreden door de interessante aspecten in dat werk te onderzoeken in andere beroepen.
  • Uitgangspunt 3: Loopbaanontwikkeling doe je met je hart, hoofd en voeten. Door te ervaren en te voelen wat bij je past, door reflectie en door onderzoek te doen naar een zelfbeeld en stappen te zetten om te ontwikkelen.
  • Uitgangspunt 4: Loopbaanreflectie is persoonsreflectie, geen taakreflectie, loopbaansturing is wél zelf regie nemen, maar dat niet per se alleen willen doen.
  • Uitgangspunt 5: Leer netwerken en gebruik dat netwerk om kansen te vergroten. Loopbaanontwikkeling is belangrijker nu de arbeidsmarkt veranderlijk is. Alles wat iemand leert over zichzelf, kan hij meenemen in de keuzes die hij maakt. Alles wat iemand doet wat lastig of eng is, leert diegene om stappen te zetten in het leven. Als leraar kun je het zelfbeeld, zelfvertrouwen en de zelfregie van leerlingen bevorderen. Door te kijken naar wat leerlingen kunnen en willen leren, door leerlingen te laten ervaren, door leerlingen na te laten denken en stappen te laten zetten. LOB kan in het gehele curriculum worden geïntegreerd en begint met kleine interventies in de les.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Dit artikel kan helpen bij de beeldvorming en de dialoog over LOB: wat doen we al en waar zouden we nog een stap in willen maken? 

>

Loopbaangericht opleiden. Een cultuurverandering?

Kuijpers, M. (2017)

 

In een veranderende arbeidsmarkt verschuift loopbaanbegeleiding van het kiezen van een beroep naar het leren maken van keuzes.

____________________________

De traditionele vraag naar één toekomstig beroep sluit niet meer aan bij de dynamische arbeidsmarkt. Jongeren moeten leren om gedurende hun loopbaan steeds opnieuw keuzes te maken. Onderwijs heeft daarom de taak om naast vakmanschap ook keuzevaardigheden en zelfinzicht te ontwikkelen. Het artikel benadrukt het belang van een LOB‑visie waarin persoonlijke ontwikkeling en loopbaancompetenties centraal staan.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De vraag 'Wat wil je later worden?' geeft tegenwoordig niet dat ene antwoord waar je vervolgens in de LOB naar toe kunt werken. In de dynamische en complexe arbeidsmarkt is een eenmalige keuze voor een beroep(sopleiding) niet voldoende om een passende baan te kunnen krijgen en behouden. Na je eerste keuze moet je keuzes blijven maken. Onderwijs heeft als doelstelling jongeren voor te bereiden op de arbeidsmarkt en heeft nu dus ook de taak om leerlingen te 'leren kiezen'.

In dit artikel gaat Marinka Kuijpers in op de vragen hoe deze verandering zich verhoudt tot 'de leerling centraal' en de cultuur waarmee we leerlingen helpen met 'keuzes maken'. Op de arbeidsmarkt draait het tegenwoordig niet alléén maar om vakmanschap. Het opleiden van jongeren tot vakbekwame beroepsbeoefenaars gaat hand in hand met het opleiden tot werkenden die zich blijven ontwikkelen. Daarvoor is het van belang dat jongeren leren ontdekken waar ze goed in zijn of willen worden en waar en hoe ze hun kwaliteiten en motieven kunnen inzetten 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het artikel kan helpen bij de visievorming van LOB. 

 

>

Loopbaangericht leven lang ontwikkelen

Prof. dr. Marinka Kuijpers en dr. Aniek Draaisma

In dit onderzoek staat de vraag centraal hoe mensen zich een leven lang kunnen ontwikkelen op een manier die zowel economisch zinvol als persoonlijk betekenisvol is.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat leven lang ontwikkelen vaak te veel is gericht op korte‑termijn scholing en te weinig op loopbanen op de lange termijn. Persoonlijke drijfveren, zingeving en eigen regie krijgen daarbij nog onvoldoende aandacht. Volgens Kuijpers en Draaisma is juist de verbinding tussen persoonlijke betekenis en economische inzetbaarheid essentieel voor duurzame ontwikkeling. Loopbaangerichte begeleiding en reflectie zijn daarom onmisbaar binnen onderwijs en werk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Het onderzoek van Kuijpers en Draaisma richt zich op loopbaangericht leven lang ontwikkelen (LLO) vanuit zowel een economisch als een zingevingsperspectief. Op basis van kwalitatieve interviews met werknemers, professionals en organisaties laten de auteurs zien dat leren in de praktijk vaak kortetermijngericht is en vooral gericht op kennis en vaardigheden. Persoonlijke drijfveren, motieven en langetermijnloopbanen krijgen daarbij minder aandacht. Het verbinden van organisatiebelangen met persoonlijke betekenis blijkt moeilijk, terwijl juist die samenhang nodig is voor duurzame inzetbaarheid. Het onderzoek laat zien dat zelfregie, reflectie en dialoog over loopbaan en ontwikkeling cruciale voorwaarden zijn voor effectief LLO.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

  • Richt LOB niet alleen op keuzes of doorstroom, maar op doorlopende loopbaanontwikkeling.
  • Help leerlingen en studenten hun motieven, kwaliteiten en waarden te verwoorden, niet alleen hun competenties.
  • Stimuleer zelfregie door vragen te leren stellen over leren en werk, in plaats van alleen aanbod te volgen.
  • Verbind persoonlijke betekenis (zingevingsperspectief) expliciet aan maatschappelijke en economische kansen.
  • Gebruik gesprek, reflectie en begeleiding als vaste onderdelen van loopbaanleren.

Deze tekst is gegenereerd met behulp van Co-pilot.

>

Overgangen en aansluitingen in het onderwijs. Deelrapport 1: reviewstudie naar de po-vo en de vmbo

Korpershoek, H., Beijer, C., Spithoff, M., Naayer, H.M., Timmermans, A.C., van Rooijen, M., Vugteveen, J., Opdenakker, M.-C. (2016)

Wat weten we over succesvolle overgangen in het onderwijs en welke rol speelt LOB daarin?

____________________________

Deze reviewstudie bundelt kennis over factoren die van invloed zijn op de overgangen van po naar vo en van vmbo naar mbo en laat zien dat zowel cognitieve, niet‑cognitieve als school- en omgevingsfactoren een rol spelen. Voor de LOB‑praktijk blijkt dat goede, tijdige en sectoroverstijgende loopbaanoriëntatie en -begeleiding bijdraagt aan een soepelere overgang, minder uitval en beter passende schoolloopbanen, vooral voor kwetsbare leerlingen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit rapport is de eerste deelrapportage van het project "Overgangen en aansluitingen: de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen rondom de po-vo en vmbo-mbo overgangen en de rol van verschillende factoren bij de aansluiting tussen deze onderwijssectoren." Doel van deze reviewstudie is het samenbrengen van de huidige kennis op het gebied van overgangen en aansluitingen en het komen tot een integrerend model van factoren die een rol kunnen spelen bij de overgang van po naar vo en van vmbo naar mbo.

De aansluitingsproblematiek rondom de po-vo en vmbo-mbo overgangen heeft geleid tot een groot aantal onderzoeken op dit gebied binnen en buiten Nederland, maar de kennis over de factoren die een rol kunnen spelen bij de po-vo en vmbo-mbo overgangen is versnipperd. Het samenbrengen van deze kennis is belangrijk, omdat de aansluiting tussen deze onderwijssectoren niet voor alle leerlingen optimaal verloopt. Bovendien is niet van alle factoren duidelijk in hoeverre zij een rol spelen bij de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen rondom de overgangen, bijvoorbeeld doordat allocatie- en selectiemechanismen door scholen verschillend toegepast worden. Onder allocatiemechanismen verstaan we de methoden die scholen hanteren om leerlingen op het best passende niveau te krijgen rondom de overstap tussen onderwijssectoren. Rondom de po-vo overgang betreft dit bijvoorbeeld het schooladvies dat door de aanbiedende po-school wordt afgegeven. Onder selectiemechanismen verstaan we de methoden die scholen hanteren om leerlingen toe te laten of te weigeren rondom de overstap tussen onderwijssectoren. Rondom de vmbo-mbo overgang betreft dit bijvoorbeeld de intakeprocedures die de ontvangende mboinstellingen hanteren.  

Onderzoeksvragen:

  • Welke factoren op leerling-, school- en omgevingsniveau worden in de literatuur aangedragen als factoren die een rol spelen bij de aansluiting tussen po-vo en tussen vmbo-mbo?
  • In hoeverre is sprake van generieke dan wel differentiële effecten?
  • Zijn er effecten bekend van het wijzigen van een of meerdere beleidsparameters op de aansluiting tussen de onderwijssectoren?
  • Welke beleidsruimte hebben po- en vo-scholen en mbo-instellingen om te variëren in de toegepaste allocatie- en selectiemechanismen?

De meest relevante factoren die uit de literatuur naar voren kwamen hebben we samengevat onder vijf thema's: (1) achtergrondkenmerken van leerlingen, (2) factoren in de sociale omgeving, (3) factoren wat betreft de cognitieve ontwikkeling van leerlingen, (4) factoren wat betreft de nietcognitieve ontwikkeling van leerlingen en (5) school- en omgevingsfactoren. Het betreft in veel gevallen generieke effecten (relevant voor vrijwel alle leerlingen). Daarnaast zijn verschillende differentiële effecten gevonden (relevant voor specifieke groepen leerlingen, bv. uit lagere sociale milieus). Uit de review bleek verder dat er nauwelijks effecten bekend zijn van het wijzigen van één of meer beleidsparameters op de aansluiting tussen de onderwijssectoren.  

In de tweede plaats is beoogd inzicht te krijgen in de beleidsruimte van scholen/instellingen. Hiertoe is een analyse gemaakt van het Nederlandse onderwijsbeleid. De beleidsruimte rondom de po-vo overgang is door recente beleidswijzigingen veranderd. De beschikbare ruimte voor po-scholen heeft voornamelijk betrekking op het opstellen van schooladviezen en vo-scholen hebben de ruimte om leerlingen op een hoger niveau te plaatsen dan het schooladvies. Rondom de vmbo-mbo overgang is meer eigen beleidsruimte; met uitzondering van toelating tot niveau 1 mogen mbo-instellingen – mits het toelatingsbeleid zorgvuldig (gecommuniceerd) is – zelf leerlingen toelaten tot bepaalde niveaus en/of leerlingen selecteren. Toegankelijk onderwijs blijft echter het uitgangspunt. De hoofdstukken sluiten af met kansen en belemmeringen voor leerlingen die volgen uit de beleidsruimte van scholen.  

Aanbevelingen voor beleid

  1. Scholen stimuleren in het overdragen van relevante leerlinggegevens door de communicatie tussen de verschillende aanbiedende en ontvangende onderwijssectoren te faciliteren (binnen de wettelijke kaders van privacywetgeving). Zo ontstaat ketenverantwoordelijkheid voor de schoolloopbanen van leerlingen. Terugkoppelen van schoolloopbanen in het vo naar de poschool wordt aangeraden, omdat hierdoor inzicht ontstaat over de juistheid van afgegeven schooladviezen.
  2. Behoud van de zogenoemde reparatiemogelijkheden, zoals opstroom/doorstroom naar een hoger vo- of mbo-niveau en het stapelen van vo-diploma’s.
  3. Monitoren van mogelijke neveneffecten van de huidige wet- en regelgeving omtrent allocatie en selectie van leerlingen (zoals strategisch gedrag van scholen). 
  4. Po-scholen in principe verplichten het schooladvies, indien het niveau-advies op basis van de centrale eindtoets hoger is dan het schooladvies, naar boven bij te stellen, ofwel het schooladvies te laten voorzien van beargumentering waarom bijstellen niet wenselijk wordt geacht. 
  5. Behoud van de beleidsruimte van vo-scholen en mbo-instellingen om leerlingen de best passende schoolloopbaan te kunnen bieden en een warme overdracht te kunnen garanderen (zoals de huidige beleidsruimte omtrent doorlopende leerlijnen vmbo-mbo en via het vernieuwde beleid rondom loopbaanoriëntatie en -begeleiding).

Aanbevelingen voor onderzoek

  1. Onderzoek naar de effecten van onderbelicht gebleven factoren: (1) onderwijskwaliteit, (lokale) toelatingsbeleid van vo-scholen en mbo-instellingen, invloed van ondersteuning bij de overstap (schoolniveau), (2) provinciaal, gemeentelijk en lokaal beleid (o.m. afspraken tussen scholen onderling; omgevingsniveau) en (3) leerpotentieel, het hebben van een zorgindicatie en ouderbetrokkenheid (leerlingniveau).
  2. Onderzoek naar de effecten van méér en structurelere informatieoverdracht over leerlingen rondom de po-vo overgang.
  3. Longitudinaal onderzoek naar de vmbo-mbo overgang, met voor- en nametingen van de cognitieve en niet-cognitieve ontwikkeling van leerlingen.

Aanbevelingen voor de onderwijspraktijk

  1. Het schooladvies baseren op voldoende informatie over de capaciteiten en het functioneren van de leerling om zo de best passende schoolloopbaan voor leerlingen te kunnen garanderen.
  2. Overleg tussen de onderwijssectoren over het verder verbeteren van de aansluiting tussen de onderwijssectoren voor alle, maar met name voor kwetsbare, leerlingen, zodat waar nodig maatwerk geleverd kan worden.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

 In de reviewstudie wordt een aantal onderzoeken beschreven waarin de rol van LOB op de schoolloopbanen van leerlingen is onderzocht, specifiek gericht op de vmbo-mbo overgang. Uit deze onderzoeken komt naar voren dat goede LOB in het vmbo kan bijdragen aan een soepele overgang naar het mbo.  

Loopbaanoriëntatie en -begeleiding wordt door leerlingen belangrijk gevonden bij het maken van een keuze voor een geschikte vervolgopleiding, zoals voorlichting over de (doorstroom)mogelijkheden en ondersteuning door student counselors. Een loopbaangerichte begeleiding op school en in de praktijk (bv. tijdens stages) in zowel het vmbo als het mbo draagt bij aan de loopbaancompetenties van leerlingen.  

Middels LOB worden leerlingen (zowel tijdens het vmbo als het mbo) begeleid bij het maken van keuzes omtrent vakken, sectoren, vervolgopleidingen en/of toekomstige arbeidsmarktposities. LOB biedt leerlingen de kans hun inzicht in eigen talenten en interesses verder te ontwikkelen. Dit vergroot de kans op een succesvol ervaren overgang wat betreft zowel cognitieve aspecten (passend bij de talenten van de leerling) als niet-cognitieve aspecten (passend bij de interesses van de leerling), maar het biedt leerlingen ook informatie over keuzemogelijkheden die na de overgang bestaan.  

Versterking van LOB is echter noodzakelijk. Ondanks dat LOB al jaren op de agenda van vo-scholen staat, wordt het nog onvoldoende ingezet om leerlingen te ondersteunen in hun ontwikkeling. Uit onderzoek blijkt dat er nog steeds veel leerlingen zijn die niet weten welke vervolgopleiding ze moeten kiezen en hierdoor meer kans lopen op vertraging, uitval of zelfs niet beginnen aan een vervolgopleiding. Een aanzienlijk deel van de leerlingen is ontevreden over de aandacht die besteed wordt aan LOB in het vo. Het is van belang dat LOB op het juiste moment wordt aangeboden, zeker in een gesegmenteerd onderwijssysteem zoals Nederland dat kent. Ook zou het LOB aanbod van voscholen goed aan moeten sluiten op het aanbod van mbo-instellingen. Daardoor ligt verdere samenwerking tussen de verschillende onderwijssectoren voor de hand.

>

Onderzoek naar het keuzedeel voorbereiding hbo in het economisch domein

Klatter, E., Bruijn-Smolders, M. de, & Slijper, J. (2019)

Hoe kan de doorstroom van mbo‑studenten naar het hbo beter worden voorbereid en begeleid?

____________________________

Het onderzoek onderzoekt in hoeverre het keuzedeel Voorbereiding Hbo bijdraagt aan betere studiekeuzeprocessen en studievaardigheden van mbo‑studenten die willen doorstromen naar het hbo. De nulmeting laat zien dat er duidelijke verschillen zijn tussen studentgroepen, wat kansen biedt om LOB en studieloopbaanbegeleiding gerichter in te zetten bij de overgang van mbo naar hbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Emancipatie via het onderwijs, specifiek langs de beroepsgerichte route (v)mbo naar hbo, is nog niet optimaal. Zo behaalde in 2016 nog niet de helft van de doorstromers uit het mbo na twee jaar de propedeuse (Herweijer & Turkenburg, 2016). Met als doel de doorstroom van mbo-studenten naar het hbo te bevorderen, trekken de Rotterdamse Regionale Opleidingscentra (ROC’s) en hogescholen samen op om invulling te geven aan het keuzedeel Voorbereiding Hbo (K0125) in het economisch domein, “De Rotterdamse Aanpak” genaamd. De lectoraten Studiesucces van Hogeschool  Rotterdam  en Hogeschool Inholland onderzoeken gezamenlijk in een monitoring onderzoek met een pretestposttest design, in hoeverre dit keuzedeel bijdraagt aan de kwaliteit van studiekeuzeprocessen en de ontwikkeling van studievaardigheden, ten gunste van de doorstroom naar het hbo. De studie in het paper betreft een verslag van de nulmeting onder studenten in het laatste leerjaar aan het mbo in het economisch domein. De nulmeting geeft een beeld van de scores op studiekeuzeprocessen en studievaardigheden waarbij voor studiekeuzeprocessen significante verschillen geconstateerd worden tussen studiekeuze statussen (conform model van Marcia, 1980) van studenten naar geslacht en mbo-instelling. Voor studievaardigheden blijkt uit deze nulmeting dat vrouwelijke mbo studenten significant hoger scoren als het gaat om metacognitieve strategieën (plannen, monitoren en time management). Dit impliceert dat mannelijke mbo-studenten vooral zouden kunnen profiteren van de hbo-studievaardigheden als onderdeel van het keuzedeel voorbereiding hbo. Hoe deze verschillen zich verhouden tot studievoortgang in het hbo, wordt na meting 2 in het hbo zichtbaar. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Studiekeuze en studievaardigheden zijn twee onderwerpen die vaak aan bod komen in de LOBpraktijk. Dit onderzoek tracht, door studenten zelf te ondervragen naar hun ervaringen met deze onderwerpen, in beeld te brengen hoe het gesteld is met hun exploratie naar en commitment aan een studiekeuze en welke studievaardigheden sterk zijn, dan wel waar ze nog aan kunnen werken.

Beide methodes lenen zich goed voor feedback aan studenten en studieloopbaanbegeleiders, en hier is in de ontwikkeling van het keuzedeel Voorbereiding Hbo ook gebruik van gemaakt. Studenten krijgen op deze manier inzicht in hun ontwikkeling van studiekeuzegedrag en studievaardigheden als zij de overstap maken van mbo naar hbo, en studieloopbaanbegeleiders kunnen hierop inspelen in de praktijk. 

>

Talentgerichte loopbaangesprekken

Huizinga, T., Woudt-Mittendorff, K. (2017)

Wat maakt een loopbaangesprek voor leerlingen echt leerzaam en stimulerend?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat loopbaangesprekken bijdragen aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties wanneer ze gericht zijn op reflectie, talenten en betekenisvolle ervaringen van leerlingen. Voor effectieve LOB‑gesprekken is het cruciaal dat mentoren starten vanuit de ervaringen van de leerling, goed doorvragen en beschikken over sterke gespreksvaardigheden zoals actief luisteren en oogcontact.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Om loopbaancompetenties te ontwikkelen is het van groot belang dat er in het onderwijs goede loopbaangesprekken met leerlingen gevoerd worden waarin reflectie een plek krijgt, waarin leerlingen worden aangesproken op hun talenten en waarin we leerlingen kunnen stimuleren meer actie te ondernemen en meer onderzoek te doen. Docenten en mentoren worden ook steeds meer gevraagd om leerlingen te begeleiden rondom deze aspecten (studiekeuze, loopbaanontwikkeling) maar onderzoek wijst uit dat dit nog niet altijd leidt tot de gewenste praktijken (Kuijpers, Meijers & Bakker, 2006).  

Verscheidene onderwijsinstellingen in het VO geven daarbij aan dat ze te maken hebben met groepen docenten die deze slag graag willen maken maar nog niet de juiste handvatten hebben om dit te doen. In het bijzonder gaat het dan om het voeren van deze gesprekken met leerlingen over hun loopbaan en toekomst. Om deze redenen is in het project ‘Talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek’ samen met scholen een methodiek ontwikkeld voor het voeren van goede loopbaangesprekken.  

Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de wijze waarop mentoren loopbaangesprekken nu daadwerkelijk voeren en welke werkzame principes we daaruit kunnen destilleren als het gaat om het voeren van goede gesprekken met leerlingen. Aan deze doelen zijn de volgende onderzoeksvragen gekoppeld:  

  1. Hoe kunnen we de inhoud, vorm en relatie van loopbaangesprekken kenmerken?
  2. Hoe ervaren leerlingen deze gesprekken, ten aanzien van de inhoud, vorm en relatie?
  3. Wat zijn werkzame principes van goede loopbaangesprekken?  

Om antwoord te geven op deze vragen is een kwalitatieve studie uitgevoerd (Yin, 2003).  

Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat mentoren de methodiek deels in de gesprekken toepassen. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat de insteek van het gesprek ook loopbaanoriëntatie en begeleiding is. In dit type gesprekken bespreken de mentoren, waar mogelijk, de talenten en kwaliteiten van de leerlingen of proberen koppelingen te maken met de ingebrachte betekenisvolle ervaringen, zodat de leerling nieuwe talenten en kwaliteiten ontdekt. Het starten vanuit een betekenisvolle ervaring van de leerling zelf zou nog meer ingezet kunnen worden. Hierbij is vooral de start van het gesprek van belang, aangezien daar de basis voor de vervolgstappen en bijbehorende acties worden bepaald.  

In de voorliggende rapportage doen we verslag van deze kwantitatieve studie. Naast dit kwalitatieve onderzoek is binnen het project ook kwantitatief onderzoek uitgevoerd door middel van vragenlijstonderzoek, zie hiervoor het rapport van Truijen, Woudt-Mittendorff en Pullen (2017). 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOBpraktijk?

Op basis van de inzichten wordt aanbevolen om tijdens loopbaangesprekken veel sterker in te zetten op het starten vanuit de betekenisvolle ervaring of de talenten van de leerling, aangezien hierdoor meer mogelijkheden worden geboden voor reflectie.  De analyses van de loopbaangesprekken tonen aan dat ook de reguliere gespreksvaardigheden van de mentoren extra getraind dienen te worden in de ontwerpsessies. Vooral het doorvragen en het oogcontact tussen mentor en leerling zijn hierin aandachtspunten. Het doorvragen draagt bij aan de reflectie, maar zorgt er ook voor dat de leerling ervaart dat de mentor actief luistert naar hetgeen er verteld wordt. Het oogcontact tussen mentor en leerling tijdens het gesprek zorgt ook dat non-verbale uitingen van de leerlingen meegenomen kunnen worden in het gesprek (bijv. vragend gezicht of enthousiasme). 

>

Wikken en Wegen in het hoger onderwijs. Over studieloopbanen en instellingsbeleid

Herweijer, L. & Turkenburg, M. (2016)

Hoe kunnen scholen en het hoger onderwijs jongeren beter begeleiden naar een passende en succesvolle studiekeuze?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat instellingen in het hoger onderwijs verschillende routes, intake‑instrumenten en begeleidingsvormen gebruiken om studenten op de juiste plek te krijgen, maar dat switch en uitval nog steeds hoog zijn. Voor LOB ligt de sleutel in betere studievoorlichting, realistischer beroepsbeelden, het durven geven van negatieve adviezen waar nodig en het versterken van binding tussen student en opleiding.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit onderzoek is het gebruik van verschillende routes naar het hoger onderwijs in kaart gebracht, evenals de achtergronden van de studenten die deze routes benutten. Ook zijn veranderingen in studieloopbanen en verschillen tussen studenten met uiteenlopende vooropleidingen onderzocht. Daarnaast zijn met vertegenwoordigers van hogescholen en universiteiten gesprekken gevoerd over de wijze waarop deze instellingen invulling geven aan het beleid om studenten op de goede plek te krijgen en studiesucces te bevorderen, en hun ervaringen daarmee. Instellingen in het hoger onderwijs voeren een gevarieerd beleid op het gebied van de intake, plaatsing en begeleiding van studenten ter bevordering van een goede studiekeuze en studiesucces. Er is verschil in aanpak tussen instellingen, maar vaak ook tussen de verschillende opleidingen binnen een instelling. De betrokkenen zijn voorzichtig positief over de studiekeuzecheck. Knelpunten doen zich voor bij de docenten die studenten over hun studiekeuze moeten adviseren – men wil niet graag een negatief advies geven; en bij de studenten zelf: zij beschouwen het soms als een toelatingsexamen, maar nemen bij een negatieve uitslag dat advies toch niet altijd ter harte. Terwijl instellingen iets selectiever in hun aannamebeleid kunnen zijn, zoals bij niet-verwante doorstroom van mbo’ers naar het hbo, laten ze dat soms na. Hbo’ers die naar het wetenschappelijk onderwijs doorstromen, moeten wel speciale doorstroomprogramma’s volgen en deficiënties wegwerken; hetzelfde geldt voor havisten in het hbo met een niet-passend profiel. Over het algemeen vinden de instellingen dat de toegankelijkheid in het hoger onderwijs niet is afgenomen; wel vindt men dat de selectiviteit na de poort is toegenomen. Men lijkt huiverig voor meer selectiviteit voor de poort, ook al zijn op dit moment de switch en uitval soms nog groot. De betrokkenen vinden de criteria op grond waarvan men kan selecteren echter onvoldoende bewezen. Bovendien vindt men het belangrijk dat het onderwijs zijn emancipatiefunctie behoudt. Uit de gesprekken met de instellingen bleek dat er twijfel en onzekerheid is over wat bewezen juiste criteria zijn om studenten adequaat te kunnen adviseren en plaatsen. Wel hebben instellingen het beeld dat decentrale selectie bijdraagt aan minder uitval en verhoging van het rendement, omdat beter gekwalificeerde en gemotiveerde – en daarmee meer kansrijke – studenten instromen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Er is verbetering mogelijk in de studievoorlichting en informatie over het soort beroepen dat men met een studie kan uitoefenen, nu zo veel jongeren switchen en uitvallen. Loopbaanoriëntatie en begeleiding in het voorafgaande onderwijs kunnen bijdragen aan een goede studiekeuze en het terugdringen van uitval in de vervolgopleidingen, ook al is het geen garantie dat studenten de juiste keuze maken.
Instellingen voor hoger onderwijs zouden bij opleidingen met een evident hoge uitval wat vaker een negatief advies moeten durven geven in het belang van de student en daarbij kunnen wijzen op alternatieven.

Verdere professionalisering van docenten gericht op het realiseren van binding: het scheppen van een band tussen student en instelling kan bijdragen aan beter verloop van studieloopbanen. Misschien is er wat te leren van opleidingen die er nu al beter in slagen om die binding tot stand te brengen. 

>

De rol van arbeidsmarktinformatie in de opleidingskeuze van mbo'ers.

Fouarge, D., Künn, A., & Punt, D. (2017)

In hoeverre nemen jongeren arbeidsmarktkansen mee in hun studiekeuze – en wat betekent dat voor LOB?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat jongeren hun studiekeuze baseren op interesses en competenties, maar dat arbeidsmarktperspectieven wel degelijk invloed hebben, vooral wanneer deze expliciet worden gepresenteerd. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat het integreren van heldere en transparante arbeidsmarktinformatie kan helpen om betere, realistischer keuzes te maken en spijt of mismatch met de arbeidsmarkt te voorkomen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit rapport is opgesteld in het kader van het Project OnderwijsArbeidsmarkt, dat als doel heeft om de transparantie van de arbeidsmarkt te vergroten. De centrale vraag in dit rapport is in welke mate studiekiezers gebruik maken van arbeidsmarktinformatie bij het maken van hun opleidingskeuzes. In het bijzonder gaan wij in op de afruil tussen preferenties, competenties en arbeidsmarktperspectieven in het studiekeuzeproces. De bevindingen zijn als volgt:  

  • Veel factoren spelen een rol in de studie- en beroepskeuze van jongeren. Ten eerste spelen (academische) prestaties en verwachtingen ten aanzien van de eigen capaciteiten en de match met de voor de opleiding vereiste competenties een rol. Deze verwachtingen zijn zelf een functie van de sociale context (invloed van ouders en vrienden) en eerder opgedane ervaringen. Ten tweede kan de keuze voor een opleiding volgens de menselijk kapitaal theorie worden beschouwd als elke andere vorm van investeringen: een afweging tussen de kosten (tijd en geld dat in opleiding wordt geïnvesteerd) en de baten (kans op werk en loon) van de investering in een opleiding.  
  • Het studiekeuzeproces is niet altijd het resultaat van een rationele overweging die jongeren maken ten aanzien van wat zij met hun opleiding kunnen bereiken. Toch blijkt uit wetenschappelijke literatuur dat jongeren wel degelijk reageren op informatie over de arbeidsmarktkansen van opleidingen, en dat deze informatie de studiekeuze beïnvloedt. In de literatuur vinden wij aanwijzingen dat jongeren na informatieverschaffing: 1) hogere verwachtingen hebben over de opbrengsten van onderwijs; 2) een sterkere intentie om in het onderwijs te blijven; 3) vaker voor vervolgonderwijs kiezen; 4) specifieke opleidingen kiezen met goede perspectieven op werk en loon. Deze literatuur is echter nog schaars en de exacte grootte van het effect van arbeidsmarktinformatie op de studiekeuze verschilt tussen onderzoeken.
  • Uit de literatuur blijkt dat het effect van arbeidsmarktinformatie op de studiekeuze verschilt naar sociale herkomst. Voor jongeren uit lage sociaaleconomische milieus geldt dat zij meer gevoelig zijn voor de gegeven arbeidsmarktinformatie, wellicht omdat bij hen de informatieachterstand groter is.
  • Wij vinden dat in de studiekeuze van mbo’ers arbeidsmarktperspectieven op plek 3 staan, achter wat men leuk vindt en goed kan. Evengoed neemt bijna 50% van de mbo’ers arbeidsmarktperspectieven mee in hun studiekeuze.
  • Mbo’ers worden met name door hun ouders beïnvloed in hun studiekeuze. Ouders blijken vooral effectief in het in beeld brengen van wat de mbo’ers leuk vinden en goed kunnen. Decanen en mentoren scoren minder goed als het gaat om mbo’ers een goed beeld te geven van de carrièremogelijkheden van opleidingen.
  • Eigen analyses op een speciale module van de mbo-monitor laten zien dat jongeren die carrièreperspectieven (heel) sterk hebben laten meewegen in hun keuze voor een mboopleiding een gunstigere arbeidsmarktsituatie hebben: ze hebben vaker werk, verdienen een hoger uurloon, hebben vaker werk op niveau en een betere aansluiting met de studierichting en zijn meer tevreden met hun functie/beroep. Ook rapporteren zij minder vaak spijt te hebben van hun opleidingskeuze.
  • In een keuze-experiment (vignetstudie) waarin jongeren moesten kiezen tussen twee mbo programma’s, gaan wij in op de afruil tussen preferenties, competenties en arbeidsmarktperspectieven. Onze analyses suggereren ten eerste dat jongeren gevoelig zijn voor de verwachte arbeidsmarktperspectieven van opleidingen bij het maken van hun keuze. Ten tweede komt naar voren dat het signaal ‘slecht’ (of het nu gaat op slecht passend bij interesses, of slechte arbeidsmarktkansen) een groter effect heeft op het niet kiezen voor een opleiding dan de tegenovergestelde boodschap ‘goed’ op de kans dat de opleiding wél gekozen wordt. Ten derde suggereren onze analyses dat studiekiezers bereid zouden zijn om te switchen van de opleiding van hun eerste voorkeur naar hun tweede voorkeur als de arbeidsmarktperspectieven voor de opleiding van hun tweede keuze beter zijn en als dit ze expliciet wordt verteld.   

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

LOB praktijk is er op gericht om jongeren te laten leren en ervaren wat studieprogramma’s inhouden, wat kenmerken van beroepen zijn en hoe deze passen bij de hun preferenties en competenties. Aandacht voor de arbeidsmarktkansen van opleidingen en beroepen is er in LOB praktijk nauwelijks. Dit is merkwaardig want een opleiding kiezen zonder aandacht te schenken aan de arbeidsmarktkansen van de opleiding kan resulteren in spijt van de gemaakte keuze en een gemiste aansluiting met de arbeidsmarkt. De bevindingen in dit rapport suggereren dat jongeren, afgezien van de standaard LOB activiteiten die zij ondernemen, baat hebben van transparante arbeidsmarktinformatie over de arbeidsmarktkansen van opleidingen. Het in het LOB praktijk integreren van informatie over de arbeidsmarktkansen van opleidingen die scholieren leuk en passend is aan te bevelen omdat het hen helpt betere keuzes te maken. 

>

Aansluiting Technisch Onderwijs en de Arbeidsmarkt

Fouarge, D., Bakens, J., & Bijlsma, I. (2018)

Wat zeggen de loopbanen van technici over arbeidsmarktkansen en studiekeuzes in de techniek?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat er grote tekorten zijn aan technisch personeel, terwijl veel technisch opgeleiden uiteindelijk in niet‑technische beroepen werken, waar hun vaardigheden ook waardevol blijken. Voor LOB is het belangrijk om jongeren expliciet te laten zien dat technische opleidingen brede en goede baankansen bieden, zowel binnen als buiten de techniek, en daarmee aantrekkelijk perspectief bieden op werk en inkomen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit rapport wordt data gepresenteerd om meer inzicht te krijgen in de omvang van technisch geschoold personeel dat in een niet-technisch beroep werkt. Daarnaast wordt data gepresenteerd die inzicht kan verschaffen in de factoren die een mogelijke rol spelen bij dit fenomeen, zoals de veranderende inhoud van werk waardoor er steeds meer technisch personeel nodig is voor niettechnische beroepen, de aansluiting tussen het techniekonderwijs en de arbeidsmarkt, en de kenmerken van technische en niet-technische beroepen. Dit resulteert in een overzicht van de omvang van het probleem van de aansluiting van technisch onderwijs en de arbeidsmarkt, en de baankenmerken die hierbij voorkomen.  

Er is sprake van een grote frictie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor technici, met grote knelpunten in de personeelsvoorziening als gevolg. Bovendien komt een grote groep technici niet terecht in een typisch technisch beroep en waaiert uit over verschillende niet-technische beroepen. Enerzijds laten de cijfers duidelijk zien dat niet-technisch opgeleide mensen bijna nooit in een technisch beroep werken, dus dat er specifieke kennis nodig is voor technische beroepen die voornamelijk geleerd wordt tijdens een technische studie. Aan de andere kant geven veel technici met een niet-technisch beroep aan dat hun studie ook redelijk goed tot goed aansluit bij hun huidige functie. Dit geeft aan dat technische vaardigheden ook steeds vaker van pas komen in niettechnische beroepen. Als de vraag naar technisch geschoolden voor niet-technische beroepen steeds groter wordt, is het de vraag of dit uiteindelijk wel gezien moet worden als een uitstroom van technici uit de technische sector en als mismatch tussen opleiding en arbeidsmarktpositie.  

Technische beroepen wijken op een aantal punten sterk af van niet-technische beroepen. Zo zijn zowel de deeltijdfactor als het aandeel vrouwen relatief laag. Enerzijds kan de lage deeltijdfactor in technische beroepen duiden op een conservatieve werkkring, maar anderzijds zijn er veel technische beroepen waarvan de werkzaamheden dag en nacht doorgaan en er bijvoorbeeld in ploegendiensten gewerkt moet worden. In de metalektro-sector is een roep om meer mogelijkheden voor deeltijd werk om ook vrouwen te binden aan de sector. Het behouden van vrouwen met een technische opleiding voor een technisch beroep kan een oplossing zijn voor het capaciteitsprobleem van werkgevers in de techniek. Het tekort aan goed gekwalificeerd personeel op de arbeidsmarkt, zoals dat door werkgevers wordt aangegeven, moet op een andere manier worden opgelost.    

Daarnaast blijkt dat het loon voor hbo- en wo-technici hoger is in niet-technische beroepen. Aangezien dit ook gevonden worden voor recent gediplomeerden, worden deze resultaten in ieder geval voor deze groep niet bepaald door het feit dat bepaalde niet-technische beroepen, zoals manager, een hoger loon hebben. Als personeel schaars is, dan stijgen de lonen. Dit kan een verklaring zijn voor de hogere lonen van technici in niet-technische beroepen omdat technici daar schaarser zijn. Een andere verklaring is dat lonen in de techniek, door bijvoorbeeld cao’s of internationale concurrentie en outsourcing, lager liggen dan in andere sectoren. Een andere verklaring voor het hogere loon van technici buiten de techniek kan zijn dat de beste technici hogere lonen kunnen onderhandelen en daardoor niet in de techniek terecht komen. In hoeverre het loonverschil tussen technische en niet-technische beroepen voor mensen met meer ervaring in stand blijft door de bovenstaande redenen, of dat ook de samenstelling van niet-technische beroepen een rol speelt (zoals managers die een hoger loon hebben), kan in vervolg onderzoek bekeken worden.     

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De kansen op werk met een diploma uit de techniek voor mbo, hbo en wo gediplomeerden zijn doorgaans beter dan in andere domeinen. Uit onderzoek is gebleken dat jongeren de baankansen na diplomering wel degelijk overwegen wanneer deze expliciet gecommuniceerd worden naast informatie over de mate waarin de opleiding passend is bij de voorkeuren, maar ook dat jongeren bereid zijn voor een studie te kiezen die net minder past bij hun voorkeur wanneer deze opleiding betere kansen op werk heeft. Ons onderzoek suggereert dat het expliciet laten zien van de betere baankansen in technische studies er voor zou kunnen zorgen dat jongeren vaker voor dergelijke studies kiezen. Hierdoor zouden zijn sneller aan werk kunnen komen en kan de krapte aan personeel in het technische domein worden tegengegaan.  

>

Stroomlijnen. Onderzoek naar de doorstroom van vmbo naar havo

Esch, W.van, Neuvel, J. (2007)

Wat bepaalt het succes van vmbo‑leerlingen die willen doorstromen naar de havo?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat doorstroom van vmbo naar havo kansen biedt, maar dat succes sterk afhangt van taalvaardigheid, studievaardigheden, motivatie en werkhouding. Gezamenlijke en structurele begeleiding door vmbo‑ en havo‑scholen kan de slaagkans vergroten en meer vmbo‑leerlingen helpen het havo succesvol af te ronden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Om meer zicht te krijgen op feiten, ervaringen en opvattingen over de doorstroom van vmbo naar havo, heeft de Adviesgroep vmbo aan CINOP Expertisecentrum gevraagd om nader onderzoek. Dit rapport is daarvan het resultaat. Het brengt feiten in beeld over het percentage dat doorstroomt, maar ook over de kansen om het havo met succes af te ronden. Daarnaast komen ervaringen en opvattingen aan de orde van havo-scholen met de leerlingen uit beide leerwegen. Daaruit blijkt dat havo-scholen allerlei waarborgen inbouwen voordat zij besluiten tot toelating. Het vmbo-diploma op zich wordt als onvoldoende garantie op succes beschouwd.
Het onderzoek leert ook dat een deel van de instromers uit het vmbo het havo niet met succes afmaakt en een deel daar wel in slaagt.  Naar inschatting van havo’s schiet 30 tot 40 procent van de tl’ers op een of meer onderdelen tekort, dan wel beheersen ze deze onvoldoende. Daarbij gaat het om de beheersing van het Nederlands, van schrijven en lezen, van moderne vreemde talen, van wiskunde en van gedragskenmerken, zoals leermotivatie, werkhouding en zelfstandigheid. Overigens zijn er grote verschillen tussen havo’s wat betreft de inschatting van de genoemde aspecten. Havo’s geven tenslotte aan dat inzet, motivatie en werkhouding van doorslaggevende betekenis zijn voor het welslagen van vmbo’ers op het havo. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het succes van vmbo-ers op het havo zou wel eens groter kunnen worden als havoscholen en vmboscholen zich gezamenlijk inspannen voor het stelselmatig begeleiden van de instromers uit het vmbo. Wij hopen dat het onderzoek bijdraagt aan het ontwikkelen van structurele inspanningen om de overgang van vmbo naar havo beter te laten verlopen en dat daardoor meer vmbo’ers met succes het havo zullen afsluiten.
e resultaten van dit onderzoek lijken er in ieder geval op te wijzen, dat er nog potentieel zit voor een succesvolle voortzetting van de schoolloopbaan in het havo voor vmbo-ers. 

>

Nabij op afstand: ouders en het mbo

Esch, W. van, R. Petit & F. Smit (2011)

Welke rol kunnen ouders spelen in het studiesucces en de loopbaanoriëntatie van mbo‑studenten?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat ouderbetrokkenheid in het mbo vaak beperkt is, terwijl ouders wel degelijk op afstand een belangrijke rol spelen bij motivatie, toekomstperspectief en loopbaanoriëntatie. Voor LOB biedt dit kansen door ouders structureel en laagdrempelig te betrekken bij intake, voorlichting en oriëntatieactiviteiten, zodat de dialoog over de loopbaan thuis kan worden versterkt.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Nabij op afstand verkent de literatuur over dit thema en de initiatieven die mbo-instellingen nemen om ouders te betrekken bij het onderwijs.
Ouderbetrokkenheid op het mbo is geen gemeengoed. Vaak is er alleen contact op formele momenten zoals bij de diploma-uitreiking of als er problemen zijn. Toch zijn er ook instellingen die hier wel sterk in investeren. Zij zien het contact met ouders als een noodzakelijke voorwaarde voor het schoolsucces van deelnemers.
De rol van ouders van mbo’ers is duidelijk anders dan in het primair en voortgezet onderwijs. Jongeren zijn (bijna) volwassen en zien hun ouders vaak liever niet op school of zich bemoeien met huiswerk. Tegelijkertijd blijven ouders wel degelijk een belangrijke rol spelen, maar meer op afstand. Zij zijn bijvoorbeeld belangrijke gesprekspartners als het gaat om het belang van de opleiding voor het toekomstperspectief en loopbaanoriëntatie. Onderwijsinstellingen kunnen met deze literatuurverkenning en goede voorbeelden ideeën opdoen om ouderbetrokkenheid binnen de eigen instelling vorm te geven.  

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Met dit verkennend onderzoek is enig zicht ontstaan op voorkomende aanpakken, belemmerende en bevorderlijke factoren. Wel zijn de ervaringen contextspecifiek en beperkt in aantal en is hiermee niet in algemene zin te zeggen ‘hoe het moet’. De ervaringen kunnen wel een bron van ideeën vormen en suggesties opleveren. De onderzoekers noemen er een aantal op basis van literatuur en interviews. Voor instellingen die beginnen met ouderbetrokkenheid is het aan te raden om eerst een meerjarenplan te maken met niet te hoge ambities. Belangrijk is dat er binnen de instelling iemand is die ‘de kar gaat trekken’, naast een directie die dit belangrijk vindt, stimuleert en faciliteert. In de communicatie met ouders zijn tien-minutengesprekken niet voldoende. Zorg dat ouders erbij horen en dat hun rol en inzet van begin af aan duidelijk is. En betrek ze niet pas wanneer zich problemen voordoen. Ouders kunnen bij reguliere activiteiten worden betrokken, bij het intakegesprek, bij voorlichtingsbijeenkomsten of presentaties van studenten. Dit kost weinig extra tijd en leidt tot meer contactmomenten. De ‘dialoog’ over de loopbaan wordt voor een belangrijk deel thuis gevoerd. Zorg dat ouders kunnen mee-oriënteren op vervolgopleidingen en beroepen, meegaan naar open dagen en bedrijfsbezoeken zodat zij hier thuis verder over deze ervaringen kunnen praten. Verder worden praktische tips gegeven, bijvoorbeeld over contact onderhouden met moeilijk bereikbare ouders en hoe te handelen bij verzuim. 

>

Sociaal kapitaal in het mbo: slagboom of hefboom? Onderzoek onder mbo'ers en docenten.

Esch, W. van, Petit, R., Neuvel, J., & Karsten, S. (2011)

Hoe belangrijk zijn netwerken en sociale contacten voor de loopbaanontwikkeling van mbo‑studenten?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat het sociaal kapitaal van mbo‑studenten sterk verschilt en grote invloed heeft op studiesucces, stagekansen en loopbaankeuzes. Juist studenten met een klein of beperkt netwerk kunnen baat hebben bij extra ondersteuning vanuit school, bijvoorbeeld door maatschappelijke participatie, samenwerking met verenigingen en gerichte begeleiding bij loopbaanvragen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Deze studie gaat over het sociaal kapitaal van mbo’ers. Kapitaal verwijst naar iets waardevols, bij sociaal kapitaal zijn het de relaties tussen mensen die waardevol zijn. Het kan gaan om mensen die men via studie of werk leert kennen of via vrijetijdsactiviteiten; denk aan de sportclub waar de trainer jongeren wijst op een sportopleiding of ouders met elkaar praten over welke opleiding voor hun zoon of dochter geschikt zou zijn. We weten al het nodige over het sociaal kapitaal van volwassenen, maar hoe zit dat met dat van jongeren, en nog meer specifiek dat van mbo’ers. Over deze vraag gaat dit onderzoek. Sociaal kapitaal valt (groten)deels samen met wat we tegenwoordig netwerken noemen. In netwerken van mbo’ers bevinden zich allerlei mensen die hen kunnen helpen bij bijvoorbeeld het succesvol afronden van hun studie, bij het gemakkelijker vinden van een stageplaats, een vervolgopleiding, of een baan op de arbeidsmarkt. We weten dat volwassenen die personen kennen met beroepen met veel prestige, eerder een baan vinden, of een betere baan, of een beter betaalde baan. Onderzocht is hoe het netwerk van mbo-studenten eruitziet. Hoeveel beroepsbeoefenaren zij kennen en welke beroepen voorkomen in hun netwerk. En daarnaast er ook hulpbronnen zijn in de netwerken; mensen die kunnen helpen bij schoolopdrachten, bij het vinden van een stageplek en bij de studie-en beroepskeuze. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Studenten op het mbo verschillen enorm van elkaar als het gaat om het netwerk. Sommigen hebben een rijk sociaal leven en een groot en gevarieerd netwerk van beroepsbeoefenaren. Anderen daarentegen kunnen nergens terecht voor hulp of een goed gesprek, bijvoorbeeld over de beroepskeuze. Juist voor die laatste categorie kan de school iets extra’s betekenen en hen helpen hun sociaal kapitaal te versterken. Maar hoe?
Als rode draad in het onderzoek kwam naar voren dat maatschappelijke participatie, bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk of lidmaatschap van een vereniging, het sociaal kapitaal ten goede komt. Jongeren leren hierdoor meer mensen kennen met allerlei verschillende beroepen en ook meer mensen die hun kunnen helpen bij hun leerloopbaan. Maatschappelijke participatie is niet voor alle jongeren vanzelfsprekend. De school zou kunnen bevorderen dat jongeren maatschappelijk actief zijn, door bijvoorbeeld schoolopdrachten te verbinden aan vrijwilligerswerk of samen te werken met het plaatselijke club/verenigingsleven. Ook in de sociale contacten van studenten onderling kan de school iets betekenen, bijvoorbeeld door het organiseren van feesten of sportactiviteiten. Verder kunnen scholen jongeren die in hun netwerk van familie, vrienden en kennissen weinig hulp kunnen verwachten, extra begeleiding bieden. Deze jongeren zijn immers vooral op de school aangewezen bij belangrijke keuzes. 

>

The transition to post-secondary vocational education

Elffers, L. (2011)

Waarom is de overgang naar het mbo voor veel jongeren een kwetsbaar moment in hun schoolloopbaan?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat de overstap naar het mbo voor veel studenten moeilijk is en dat studiesucces in het eerste jaar sterk samenhangt met ervaren aansluiting, realistische verwachtingen en ondersteuning vanuit thuis. Voor LOB onderstreept dit het belang van intensieve begeleiding bij de vmbo‑mbo‑overgang, vooral voor studenten met schulden, minder ouderlijke steun of een verhoogd risico op uitval.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Voor veel studenten blijkt de overgang naar het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) lastig: het aantal voortijdig schoolverlaters piekt in het eerste jaar na de overgang naar het mbo. Louise Elffers volgde eerstejaars MBO-studenten en onderzocht welke factoren bijdragen aan het studiesucces of de uitval in het eerste jaar. Om het studiesucces van MBO-studenten  te  bevorderen, is het nodig meer te weten te komen over de precieze factoren die hen  belemmeren  in  hun schoolloopbaan. Omdat de achtergronden van schooluitval divers zijn, is daarbij naar verschillende invloedssferen, zowel binnen als buiten de school, gekeken. Voor de preventie van uitval is het met name belangrijk om factoren te identificeren die beïnvloedbaar zijn met onderwijs-gerelateerde interventies. Uit haar studie blijkt dat de inhoudelijke aansluiting die studenten ervaren in hun mbo-opleiding hun studiesucces in het eerste jaar sterk beïnvloedt. Er lijkt echter sprake te zijn van een kloof tussen de aanvankelijke verwachtingen van studenten en hun feitelijke ervaringen. Hoge verwachtingen kunnen de kans op uitval in sommige gevallen verhogen, onder meer onder studenten met een migratie-achtergrond. Elffers stelt ook dat het hebben van schulden een sterk verstorende invloed heeft op het studiesucces. Ouderlijke ondersteuning speelt een belangrijke rol in de schoolloopbaan van de studenten. Studenten met een verhoogd risico op uitval, zoals jongeren uit armere of lager opgeleide gezinnen, ervaren over het algemeen minder ouderlijke ondersteuning. Veel zogeheten risicoleerlingen hebben moeite om het hoofd boven water te houden, met name in de eerste maanden. Elffers doet aanbevelingen om deze jongeren beter te ondersteunen in hun schoolloopbaan. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek beschrijft waarom het belangrijk is om studenten te begeleiden bij het navigeren bij de overstap van het vmbo naar het mbo, met name wanneer studenten minder ondersteuning hebben in hun thuisomgeving. Het laat zien hoe de binding met de onderwijsomgeving zich ontwikkelt gedurende het eerste jaar en welke factoren daarop van invloed zijn. 

>

Op weg naar het hbo. Havo-leerlingen en mbo-studenten over de overstap naar het hbo

Elffers, L.& Vervoort, M. (2018)

Wat hebben havisten en mbo‑studenten nodig om goed voorbereid de overstap naar het hbo te maken?

____________________________

Het onderzoek brengt de overwegingen, verwachtingen en ondersteuningsbehoeften van laatstejaars havisten en mbo‑4‑studenten bij de overgang naar het hbo in kaart en laat zien dat deze groepen verschillende behoeften hebben. Voor LOB ligt de sleutel in gerichte voorbereiding en begeleiding, met extra aandacht voor studievaardigheden, praktijkgericht werken en kwetsbare groepen zoals mbo‑studenten, mannen en eerstegeneratie‑studenten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Een belangrijke vraag voor havo- en mbo-instellingen, maar ook voor het hbo zelf, is wat zij kunnen doen om leerlingen en studenten optimaal voor te bereiden op de overstap naar het hbo. Daarvoor is het nodig beter zicht te krijgen op de overwegingen van havisten en mbo’ers om wel of niet door te studeren in het hbo, op de verwachtingen die ze hebben van het verloop van hun overstap naar het hbo, en op hun ondersteuningsbehoeften bij het maken van de overstap.  In dit onderzoek wordt een beeld geschetst van de overwegingen, verwachtingen en ondersteuningsbehoeften van laatstejaars havisten en mbo-4-studenten voorafgaand aan hun overstap naar het hbo. Daarbij wordt telkens getoetst op welke punten deze twee groepen van elkaar verschillen. Havisten en mbo’ers verschillen echter ook op een aantal andere aspecten dan hun vooropleiding, en die verschillen kunnen eveneens van invloed zijn op het verloop van de overstap naar het hbo. Zo zijn mbostudenten vaker dan havisten afkomstig uit gezinnen met een migratie-achtergrond, en ook hebben ze vaker ouders die zelf geen hoger onderwijs hebben gevolgd. Dit zijn twee kenmerken die samenhangen met een verhoogd risico op uitval in het hbo. Het is daarom van belang te toetsen in hoeverre de gevonden verschillen zijn toe te schrijven aan een verschil in onderwijsachtergrond of aan een verschil in thuisachtergrond.
De bevindingen van dit onderzoek bieden input voor het evalueren en verbeteren van de voorbereiding en begeleiding die aankomend studenten wordt geboden in aanloop naar hun overstap naar het hbo. De resultaten geven voor het mbo en het havo een aantal gerichte aanknopingspunten om hun leerlingen en studenten te kunnen ondersteunen bij het maken van de overstap naar het hbo. Zo lijkt in het mbo nog flink winst te behalen in de informatievoorziening over doorstroom naar het hbo, en in de voorbereiding op specifieke hbo-studievaardigheden. Mbostudenten geven in dit onderzoek op verschillende punten aan dat zij meer ondersteuning zouden willen krijgen van hun school dan op dit moment het geval is. In het havo lijkt met name behoefte te bestaan aan meer voorbereiding op het praktijkgerichte werken dat beroepsonderwijs kenmerkt, en mag de nadruk op kennis en werken aan de hand van theorie juist een tandje minder van de respondenten. Naast de specifieke bevindingen met betrekking tot het havo en het mbo, vragen ook de bevindingen met betrekking tot mannelijke studenten en eerstegeneratie-studenten om aandacht. Mannen hebben vaker twijfels over een goed verloop van hun overstap naar het hbo en hebben met name behoefte aan hulp bij het leren plannen. Eerstegeneratie-studenten geven duidelijk aan voor ondersteuning in hun studieloopbaan niet altijd goed bij hun familie terecht te kunnen en meer hulp van de hbo-instelling nodig te hebben. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek brengt in beeld op welke specifieke punten verschillende studentgroepen ondersteuningsbehoefte hebben bij de overstap naar het hbo. 

>

Career learning environments in vocational education

Draaisma, A. (2018)

Wat is er nodig om loopbaanoriëntatie en -begeleiding duurzaam te verankeren in het mbo?

____________________________

Het onderzoek naar het project LOB in het mbo laat zien dat docenten zich loopbaangerichter zijn gaan opstellen, maar dat deze verandering vaak niet structureel werd geborgd in schoolbeleid en organisatie. Duurzame LOB‑implementatie vraagt om sterk leiderschap, een gedeelde visie, collectieve leerprocessen en continue dialoog tussen docenten en leidinggevenden, met voldoende balans tussen richting en ruimte.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Om een loopbaangerichte leeromgeving te bevorderen namen 37 mbo-instellingen deel aan het stimuleringsproject ‘LOB in het mbo’ (2010 tot 2015), dat werd uitgevoerd door MBO Diensten. Docenten werden getraind om betere loopbaangesprekken met studenten te voeren. Daarnaast kregen alle participerende scholen professionele begeleiding om loopbaanreflectiegesprekken en een vraag- en praktijk gestuurd curriculum te integreren in hun beleid.  

Uit het promotie-onderzoek gericht op dit project blijkt dat docenten zelf aangaven meer loopbaangericht te zijn in de benadering van hun studenten dan aan het begin van het project. Daarmee leek een verandering in cultuur gestart. Deze werd echter nauwelijks geborgd in de schoolstructuur: de uitvoering van LOB was grotendeels de verantwoordelijkheid van individuele docenten en leidde niet tot structurele veranderingen. Voor deze uitkomsten werd een aantal verklaringen gevonden.  

Ten eerste was er sprake van een onvolledig collectief leerproces van de docenten. De docenten wilden wel leren en werken met hun teamgenoten maar, dit leerproces beperkte zich doorgaans tot formele leermomenten waar kennis werd overgedragen. Daarnaast misten de docenten betrokkenheid bij een gezamenlijke visie op het veranderproces, en konden ze het project en hun rol daarin lange tijd niet plaatsen.  

Ook ontbrak het aan een goede balans tussen instructie en eigen ruimte. Projectleiders gaven vaak aan dat een ‘bottom-up’ benadering werd gehanteerd met heel veel vrijheid, maar de meeste docenten ervoeren juist te weinig richting wat betreft de ambities en bedoeling van het veranderproces. Scholen waarbij duidelijke kaders en richting werden geschetst, maar waar ook ruimte was voor eigen inbreng en ontwikkeling, ontwikkelden zich wel positief tot een loopbaangerichte leeromgeving. 

Ten slotte bleek er weinig structurele communicatie tussen docenten van dezelfde teams en scholen plaats te vinden. Er was ook weinig contact tussen managers en docenten over het veranderproces. De docenten en projectmanagers hadden daar wel veel behoefte aan. Individuele begeleiding bij het leerproces, en communicatie over het waarom en hoe werd gemist. In de casestudie waar structurele communicatie wel een integraal onderdeel van de implementatie was, was de school op grote schaal bezig met creatie van loopbaangerichte leeromgevingen en bleek hiervoor voldoende draagvlak aanwezig.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek richtte zich op de LOB implementatieprocessen in het mbo, maar de aanbevelingen zijn overdraagbaar naar de andere sectoren.  

Het is slim leidinggevenden vanaf het begin stevig bij het LOB te betrekken. Teamleiders, maar ook directeuren, zijn hard nodig voor duidelijkheid over de doelen en de weg, facilitering van het traject en het begeleiden van de individuele leerprocessen van docenten. Daarnaast is het raadzaam om een collectief leerproces als implementatiemodel te hanteren; dit garandeert dat alle fasen van leren cyclisch doorlopen worden, wat tot gezamenlijke en duurzame verandering leidt (zie: Castelijns, Vermeulen en Kools, 2013; en Lodders, 2013). Ten slotte is het raadzaam structureel overleg over de implementatie en borging te organiseren met verschillende lagen binnen de organisatie, waarbij ook ruimte is voor dilemma’s, onzekerheid en succesverhalen.  

Teamleiders, directeuren en zelfs een College van Bestuur zouden vanaf de eerste dag helder moeten zijn over de doelen en de strategie. Maar het is ook aan te raden om samen met docenten en middenmanagers een visie te ontwikkelen, om gevoelens van autonomie en gedeelde verantwoordelijkheid te stimuleren, en het perspectief en de expertise van de docenten mee te nemen. Het voeren van de dialoog met individuele medewerkers draagt bij aan steun tijdens de individuele leerprocessen die onvermijdelijk ook optreden, en die steun en aandacht is hard nodig tijdens veranderingen in routines en basisaannames. Iedere docent blijkt zijn eigen individuele, onzekere leerproces door te maken, en heeft behoefte aan steun, aandacht en advies. In dialoog kan de balans beter bewaakt worden tussen sturing en ruimte, zoals passend bij de school en de situatie.  

Ten slotte is het aan de docenten om zo nodig begeleiding te vragen tijdens hun leerproces. Het is voor een leidinggevende niet altijd makkelijk om in te schatten wat een groep of individu nodig heeft. Ook dragen zij de meeste verantwoordelijkheid voor de leeromgeving van de student, en het is grotendeels aan hen om de lespraktijk aan te passen aan wat de samenleving vraagt van toekomstige werknemers.

>

Kiezen voor technisch VMBO: De rol van ouders en hun beeld van techniek

De Vleeschouwer, E., Wiemers, S., Zandvliet, K. (2020)

Welke rol spelen ouders en beeldvorming bij het keuzeproces van vmbo‑leerlingen, vooral richting techniek?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat ouders een belangrijke, vaak onbewuste rol spelen in het keuzeproces van hun kind en over het algemeen een positief beeld hebben van techniek, al denken velen dat aanleg een voorwaarde is. Voor LOB ligt de grootste winst in het goed informeren en betrekken van ouders, het benadrukken dat technische vaardigheden te leren zijn en het laten zien hoe breed en veelzijdig de technieksector is, met extra aandacht voor ouders met een migratieachtergrond.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De rol van ouders

Ouders spelen een belangrijke rol in het keuzeproces van leerlingen. In de literatuur wordt dit door leerlingen zelf en door scholen aangegeven. Uit onze enquête komt naar voren dat ouders hun eigen rol als minder groot zien. De invloed van ouders in het keuzeproces is vaker onbewust dan bewust en begint al vanaf jonge leeftijd, dat wil zeggen vanaf de basisschool. In de literatuur wordt gevonden dat achtergrondkenmerken van ouders van belang zijn voor de profielkeuze van hun kind. In onze enquête is deze samenhang niet bevestigd: er blijkt weinig verschil tussen groepen ouders te bestaan. Dit betekent voor de voorlichtingspraktijk dat het indelen van ouders in doelgroepen op basis van achtergrondkenmerken waarschijnlijk weinig zinvol is in het vmbo. De te kiezen benadering voor het betrekken van ouders bij de profielkeuze is van andere factoren afhankelijk.  

Uit onze enquêteresultaten blijkt een duidelijke samenhang te bestaan tussen de mate waarin ouders zich (laten) informeren over de profielkeuze en de invloed die zij denken te hebben op de keuze van hun kind. Hoe beter geïnformeerd ouders zijn, hoe meer invloed zij denken te hebben. Hoewel het oorzakelijk verband niet nader te bepalen is, kan deze samenhang wel nuttig zijn bij het vormgeven van initiatieven voor ouderparticipatie rond de profielkeuze.  

Beeldvorming

De enquête wijst uit dat het overgrote deel van de ouders van vmbo-leerlingen een redelijk positief beeld heeft van techniek en technische beroepen. Als we de ouders vragen naar het eerste wat bij hen opkomt als ze aan techniek denken, noemen ze wat vaker meer “traditionele” beroepen of aspecten. Een opvallende uitkomst van de enquête is dat een meerderheid van de ouders meent dat je voor techniek aanleg moet hebben. Ouders met een migratieachtergrond blijken een iets minder goed beeld te hebben van hoe breed de technieksector is. Ook heeft deze groep vaker een negatief beeld over de arbeidsomstandigheden in de technieksector: zij denken vaker dat technisch werk onveilig of gevaarlijk en zwaar is.  

De keuze voor techniek wordt deels al bepaald door de keuze voor een middelbare school. Niet alle vmbo-scholen bieden namelijk technische profielen aan. Leerlingen van scholen zonder techniekprofiel zullen minder snel in contact komen met technische opleidingen en beroepen. Ouders en leerlingen laten zich bij de keuze voor een middelbare school nauwelijks leiden door het aanbod van de school. Zij kijken vaker naar de afstand van huis naar school en de ervaringen van anderen. De mogelijkheden worden vaak pas ontdekt als het kind al op de school zit, waarna er niet snel meer van school wordt gewisseld.  

Instrumenten

Vmbo-scholen proberen leerlingen en ouders te helpen bij de profielkeuze door middel van loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB). Er zijn diverse instrumenten, benaderingen en adviezen beschikbaar voor de inrichting van LOB op vmbo-scholen, zoals bedrijfsbezoeken en één-op-één gesprekken met de leerling, ouders en mentor. Het LOB-beleid verschilt per school. Uit de enquête blijkt dat de meeste ouders zich voldoende geïnformeerd voelen, wat erop duidt dat de instrumenten aansluiten bij hun behoeften. In de open antwoorden bij de enquête worden één-opéén gesprekken vaak genoemd als tip voor scholen om leerlingen en ouders te helpen bij de profielkeuze.  

Er zijn twee concrete handreikingen beschikbaar voor het vergroten van de ouderbetrokkenheid bij de profielkeuze op het vmbo. Uit deze handreikingen blijkt dat het van belang is om te zorgen dat er niet te veel contactmomenten worden gepland, met het doel deelname voor ouders laagdrempelig te houden en te zorgen dat het organisatorisch behapbaar blijft voor scholen. Er wordt geadviseerd om de contactmomenten te integreren met bestaande bijeenkomsten, zoals het rapportgesprek en plenaire ouderavonden. Aanvullend op de contactmomenten kunnen bijvoorbeeld thuisopdrachten worden ingezet. Het is de bedoeling dat ouders en kind deze opdrachten samen uitvoeren. Daardoor dragen deze in principe bij aan een grotere betrokkenheid van de ouders bij de keuze van hun kind.  

Ouders denken nog vaak dat je voor techniek aanleg moet hebben. Het is dus van belang om aandacht te besteden aan het feit dat technische vaardigheden aan te leren zijn. Dit kan leerlingen die weinig vertrouwen in hun technische capaciteiten hebben, stimuleren om toch voor techniek te kiezen. 

Uit de enquête en groepsgesprekken blijkt dat ouders een goed beeld van techniek hebben. Het blijft wel belangrijk om hen te laten zien dat techniek een brede sector is. Door de link te leggen tussen techniek en andere sectoren, zoals de zorg, wordt de sector ook voor jongeren met andere interessegebieden aantrekkelijker.  

Aanknopingspunten

Het is evident dat ouders moeten worden betrokken bij het keuzeproces. De vraag is in welke mate de beïnvloeding zich zou moeten richten op (a) de profielkeuze in algemene zin en (b) de keuze voor techniek. Mogelijkheden om deelname aan het technisch vmbo te bevorderen, zijn op basis van dit onderzoek vooral te vinden in:

  • Leerlingen en hun ouders op scholen zonder een technisch profiel informeren over technische keuzevakken binnen de eigen school of technische profielen op andere scholen. Scholen zonder technisch profiel kunnen technische beroepsgerichte keuzevakken aanbieden om zo de keuze voor techniek te stimuleren. 
  • Duidelijker maken dat technische vaardigheden zijn te leren en dat aanleg hiervoor geen voorwaarde is.
  • Beïnvloeden van de beeldvorming van ouders met een migratieachtergrond (in ieder geval in grootstedelijk gebied).  

Tot slot geven de onderzoeksresultaten weinig aanleiding om verschillende groepen ouders te onderscheiden op basis van achtergrondkenmerken of andere factoren. Alleen ouders met een migratieachtergrond lijken een wat negatiever beeld te hebben van techniek, hoewel de verschillen op basis van de enquête niet erg groot zijn. Verschillen zitten vermoedelijk vooral in “zachte kenmerken”, zoals de aard van de relatie tussen ouder en kind. Het is wenselijk dat er een instrument wordt ingezet dat scholen in een vrij vroeg stadium in staat stelt vast te stellen of ouders goed geïnformeerd zijn, bijvoorbeeld door middel van individuele gesprekken tussen school en ouders. Op deze manier kan er vervolgens extra aandacht worden besteed aan ouders die meer behoefte aan hebben aanvullende informatie of begeleiding. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Ouders spelen een belangrijke rol in het keuzeproces van leerlingen. Het beeld dat zij van techniek hebben is positief. Om deelname aan het technisch vmbo te bevorderen, zien wij de volgende aanknopingspunten richting ouders:

  • Laat zien dat techniek een brede sector is, die raakvlakken heeft met andere sectoren.
  • Benadruk dat technische vaardigheden zijn aan te leren en dat aanleg hiervoor geen voorwaarde is.
  • Stel in een vroeg stadium vast of ouders goed geïnformeerd zijn over het keuzeproces, zodat er extra aandacht kan worden besteed aan ouders die meer behoefte hebben aan aanvullende informatie of begeleiding.
  • Besteed hierbij extra aandacht aan ouders met een migratieachtergrond, omdat zij over het algemeen een wat negatiever beeld hebben van techniek.
  • Informeer leerlingen en hun ouders op scholen zonder een technisch profiel over technische keuzevakken binnen de eigen school of technische profielen op andere scholen.
>

Kiezen van een opleiding. Van ervaring naar zelfsturing. Can it be done?

Den Boer, P.R. (2009)

Wat betekent arbeidsidentiteitsontwikkeling voor LOB en hoe kan het onderwijs dit gericht ondersteunen?

____________________________

Het onderzoek presenteert een model waarin arbeidsidentiteit ontstaat door een combinatie van relevante praktijkervaringen en reflectie, die samen leiden tot zelfkennis en loopbaanontwikkeling. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat scholen ervaringsleren centraal moeten stellen en onderwijs praktijk‑, dialoog‑ en vraaggericht moeten inrichten, met ruimte voor eigen vragen en ambities van leerlingen.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek is opgebouwd in een viertal hoofdstukken waarin wordt beschreven wat het belang en de context is van keuzeprocessen, wat – gezien de kennis uit empirie en theorie – een goed model kan zijn om deze keuzeprocessen te beschouwen en wat dit denkkader betekent voor de onderwijspraktijk.  

Inhoudelijk wordt op grond van empirische kennis en theoretische overwegingen, een model gepresenteerd voor arbeidsidentiteitsontwikkeling (zelfkennis gerelateerd aan arbeid). Deze kennis, zo laat de auteur uit eigen onderzoek zien, wordt ontwikkeld door het opdoen van relevantie praktijkervaring in combinatie met de verwerking daarvan (reflectie). Elk afzonderlijk hebben ervaring noch reflectie effect op de ontwikkeling van deze zelfkennis. Voor onderwijs betekent dit dat er voor leerlingen gelegenheid georganiseerd moet worden om ervaring op te doen en die ervaring door middel van reflectie te verwerken. Dat vereist van onderwijs dat het praktijkgericht, dialooggericht en vraaggericht is.

Elk van deze elementen wordt uitgewerkt. Met name vraaggerichtheid vinden veel scholen een lastig onderwerp. De auteur stelt dat het onderwijs hier aan de hand van twee leidende vragen mee om zou kunnen gaan, namelijk: 1. Wat wil je hier halen? En 2. Hoe kunnen wij jou daar zo goed mogelijk bij helpen? Hierbij hoort dat de leerlingen en studenten worden ondersteund in het zicht krijgen op de eigen wensen en ambities en dat hiervoor (voldoende) ruimte beschikbaar wordt gesteld in het curriculum. Het advies dat hier wordt gegeven is om vroeg te beginnen. Na de basisvorming moet een kind eigenlijk al in aanraking worden gebracht met minimaal twee bedrijfstakken. Door inzicht te geven in de beroepsdilemma’s, wordt direct appel gedaan op de vraag wat het individu zou doen als hij/zij wordt geconfronteerd met dit dilemma. De ontwikkeling van de arbeidsidentiteit stopt dus zeker niet bij de start van een beroepsopleiding, maar hoort daar verder te worden ontwikkeld. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

LOB is ervaringsleren. Dat wil zeggen dat lerenden in staat gesteld moeten worden relevante praktijkervaring op te doen en die (door middel van reflectie) te verwerken. Van een school vraagt dat praktijkgerichtheid, dialooggerichtheid en vraaggerichtheid. 

>

A routine perspective on implementing reflective career conversations in education

Den Boer, P., & Hoeve, A. (2017)

Hoe krijgen scholen meer grip op het duurzaam invoeren van reflectieve loopbaangesprekken?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat de implementatie van loopbaanreflectie en bijbehorende gespreksvoering diep ingrijpt in bestaande routines van docenten, teams en management. Door routines expliciet te maken en bewust te werken aan routineverandering, kunnen scholen voorkomen dat loopbaangesprekken een tijdelijke ‘hype’ worden en daadwerkelijk bijdragen aan betekenisvolle loopbaanbegeleiding.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit artikel staat de vraag centraal hoe scholen meer grip kunnen krijgen op de implementatie van loopbaanreflectie en de bijbehorende gespreksvoering. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van de begrippen ‘routine’ en ‘routineverandering’. Op basis van de kennis die op dit terrein bestaat wordt duidelijk hoe diep zo’n implementatieproces ingrijpt in de organisatie, zowel op elke docent individueel, als op het niveau van het docententeam en het management van de school. Routines worden in de wetenschappelijke literatuur beschouwd als ‘terugkerende collectieve handelingspatronen’. (Denk aan een team dat zonder dat er enig overleg is de werkzaamheden start:  mensen weten als vanzelf wie wat wanneer moet doen). Routines ontstaan min of meer vanzelf en mensen zijn geneigd ze in stand te houden omdat dit hen een aantal belangrijke voordelen oplevert: ze zijn een baken van zekerheid. Verandering van routines is een lastige klus, helemaal als de omgeving onzeker is. In dit artikel passeren een aantal mogelijkheden voor routineverandering de revue. Daarbij wordt nagegaan wat elk daarvan van het management van een organisatie vereist. In het artikel wordt betoogd dat onderkennen wat van iedereen gevraagd wordt, doorslaggevend is voor het succes van een implementatieproces. De begrippen routine en routineveranderingen maken dat op detailniveau mogelijk.  

Reflectieve loopbaangesprekken vormen een onmisbaar instrument in de loopbaanbegeleiding van leerlingen in het beroepsonderwijs. Deze gesprekken helpen leerlingen om te leren van hun (werk)ervaringen en meer inzicht te krijgen in hun drijfveren op de arbeidsmarkt. Onderzoek toont aan dat het in een samenleving waarin verandering de enige constante lijkt te worden, belangrijk is om te weten wat de eigen drijfveren in het werk zijn. De invoering en uitvoering van reflectieve loopbaangesprekken in het Nederlandse beroepsonderwijs verloopt echter moeizaam. In dit artikel introduceren we het concept ‘routines’ om de aard van deze problemen beter te begrijpen. Het concept ‘routine’ stelt ons in staat om veel gedetailleerder te begrijpen wat er nodig is om de vereiste gedragsveranderingen bij docenten, leerlingen en het management teweeg te brengen. Het besef van de complexiteit van dit proces en de bereidheid om te investeren zijn noodzakelijke voorwaarden om te voorkomen dat reflectieve loopbaangesprekken de volgende ‘gimmick’ of ‘trendy innovatie’ worden. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Verandering is altijd moeilijk. Routines zijn een nuttig hulpmiddel om inzicht te krijgen in de kern van de problemen en daar iets aan te doen. Wanneer je organisatie verandering omarmt, is het van cruciaal belang te beseffen dat dit voor iedereen een belasting vormt, van het topmanagement tot de werkvloer. Wederzijdse ondersteuning, zowel binnen als tussen de verschillende lagen van de organisatie, is essentieel voor succes. Zonder die ondersteuning ontstaat er alleen maar de volgende trendy innovatie. 

>

“Verander SLC. Maak het nuttig, maak het persoonlijk!”

Commissie Kuijpers (2015)

Wat betekent een onvoorspelbare arbeidsmarkt voor studiekeuzes en de rol van loopbaanontwikkeling in het onderwijs?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat traditionele, rationele studiekeuze‑modellen onvoldoende passen bij een arbeidsmarkt die steeds dynamischer en onzekerder wordt. Daarom krijgt het onderwijs de opdracht om studenten actief te leren hun loopbaan te ontwikkelen via reflectie, ervaring, maatwerk en loopbaancompetenties, zodat zij zelf regie kunnen nemen over leren en werken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

De arbeidsmarkt is sinds enkele decennia sterk aan verandering onderhevig onder invloed van technologisering, globalisering en individualisering. Doordat de arbeidsmarkt continu en onvoorspelbaar verandert, wordt volgens verschillende wetenschappers de traditionele loopbaan vervangen door een ‘boundaryless career’ waarin mensen van werk en werkplek veranderen (DeFillippi & Arthur, 1994), en een ‘protean career’, een loopbaan die flexibel, veelzijdig en aangepast is (Hall, 1996). Loopbanen van werknemers hebben niet langer het verloop zoals dit op een stabiele arbeidsmarkt het geval is. Complexiteit, dynamiek, kans en constructie van de eigen loopbaan zijn termen die in wetenschappelijke loopbaantheorieën naar voren komen, en die niet eerder werden gebruikt als kenmerken van een loopbaan (McKay, Bright & Pryor, 2005). Werknemers moeten flexibel inzetbaar zijn en een leven lang leren om werk te kunnen krijgen en behouden. Kiezen voor een beroep met vaste taken en verantwoordelijkheden voor het gehele leven is niet langer afdoende. Mensen moeten zelf vorm en betekenis geven aan hun loopbaan en zijn genoodzaakt voortdurend keuzes te maken in werk en leren. Als fundamenteel andere eisen aan werknemers worden gesteld, heeft het onderwijs een taak studenten hierop voor te bereiden – naast de verantwoordelijkheid studenten op te leiden voor de arbeidsmarkt.
Opleiden voor een beroep met vaste taken, zoals wij het beroep op dit moment kennen, moet worden uitgebreid met de opdracht studenten hun loopbaan te leren ontwikkelen, zodat zij keuzes kunnen maken in het combineren van leren en werk, wat hun carrière ten goede zal komen. In het onderwijs wordt er vooral vanuitgegaan dat studenten op rationele gronden loopbaankeuzes en -plannen maken. Echter, voor een rationele keuze moeten de alternatieven en de consequenties van de keuze bekend zijn. De kiezer moet over een methode beschikken om de voor- en nadelen van de keuze af te wegen en een duidelijk doel voor ogen hebben om te kunnen bepalen wat het beste alternatief is (Taborsky, 1992).
In de hedendaagse praktijk zijn deze voorwaarden moeilijk te realiseren. Informatie is kwalitatief onvoldoende, kwantitatief te omvangrijk en te veranderlijk om een goed beeld te krijgen (Dols, 2008). Jongeren blijken maar beperkt in staat om keuzes op langere termijn te maken (Dijksterhuis & Meurs, 2006), en bovendien maakt de onvoorspelbaarheid van de toekomst als gevolg van moderniserings- en globaliseringsprocessen dat het weinig zin heeft een gedetailleerd plan te maken van de gewenste loopbaan (Mitchell, Levin & Krumboltz, 1999). Onderzoek wijst uit dat begeleiding op basis van het geven van informatie en advies bij het maken van keuzes onvoldoende effectief is. Studenten maken veelal keuzes op basis van onbewuste en ondoordachte redenen; zij hebben geen realistisch zelf- en beroepsbeeld en vertonen korte termijn gedrag als het gaat om keuzes. Kortom, zij blijken slecht in staat om hun loopbaan te ontwikkelen in een richting en op een wijze die bij hen past.
In toenemende mate wordt gepleit voor een benadering waarin de student niet als passief (informatieverwerkend), maar als actief (lerend) subject centraal staat (Blustein, 2006; Baert, Dekeyser en Sterck, 2002). Een manier om zelf vorm te leren geven aan de persoonlijke loopbaan is door het inzetten van loopbaancompetenties (Kuijpers 2003, & 2012). Kuijpers en Meijers hebben in 2009 onderzocht in hoeverre loopbaancompetenties in het hbo ontwikkeld worden en welke leeromgeving de loopbaanontwikkeling van studenten kan bevorderen. Het is de taak van het onderwijs om de ‘loopbaanontwikkelcapaciteit’ van studenten te vergroten.  

In de discussienotitie ‘Onderwijskwaliteit en kwaliteitscultuur’, onderdeel van de ‘Conferentiebundel Slotconferentie HO-tour’ (2015) wordt gesteld dat het onderwijs niet alleen de taak heeft studenten voor te bereiden op de arbeidsmarkt door kwalificatie, maar eveneens wordt uitgedaagd talenten, behoeften en ambities van individuele studenten meer centraal te stellen. Om dat te bereiken moet een reflectieve houding van studenten worden gestimuleerd, zodat zij het uiterste uit zichzelf kunnen halen en zelf meer de verantwoordelijkheid op zich kunnen nemen voor hun leerproces. Dit sluit aan bij de in de vorige paragraaf genoemde loopbaancompetenties.
Goed onderwijs verschilt per student en hiervoor is maatwerk nodig. Voor docenten betekent dit permanente professionalisering volgens de discussienotitie. De kwaliteit van het onderwijs zou alleen studiesucces op kunnen leveren als de leeromgeving studenten, docenten en bestuurders motiveert om het beste uit zichzelf en uit elkaar te halen. Maatschappelijke ontwikkelingen noodzaken hogescholen om expliciet strategische keuzes te maken “in wat onderwezen wordt, hoe het onderwezen wordt, wie onderwijst, wat geleerd wordt, hoe geleerd wordt, wie leert, en waarom het geleerd wordt”. Minister Jet Bussemaker van OCW schrijft in haar voorwoord in de conferentiebundel: “In het onderwijs in de 21ste eeuw staat talentontwikkeling centraal. Studenten zullen ook zelf meer regie over hun eigen opleidingstraject willen krijgen. Dit betekent dat er op opleidingen een goede balans moet zijn tussen de vakinhoudelijke basis en ruimte voor persoonlijke keuze. Uit de HO-tour komt naar voren dat de keuzeruimte binnen en buiten de opleiding nog aanzienlijk kan worden vergroot.” Volgens Bussemaker kan de ruimte worden benut door het opdoen van ervaringen en moet keuzeruimte gepaard gaan met goede persoonlijke begeleiding; een loopbaangerichte leeromgeving. Zij geeft aan dat personalisatie van het leren permanente professionalisering van de docent vergt. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De uitkomsten van het onderzoek geven richting aan het vormgeven van studieloopbaancoaching in hbo en mbo.

>

Talentgerichte loopbaangesprekken

Brouwer-Truijen, K., Woudt-Mittendorff, K. & Pullen, A. (2017)

Hoe kunnen loopbaangesprekken bijdragen aan betere studiekeuzes en meer interesse in techniek?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat onvoldoende begeleiding bij studiekeuzes bijdraagt aan uitval en het tekort aan leerlingen die voor bèta‑opleidingen kiezen. Talentgerichte loopbaangesprekken, gecombineerd met praktijkervaringen in techniek en een actieve luisterhouding van de mentor, versterken loopbaancompetenties en helpen leerlingen betere en bewustere keuzes te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderwijs worstelt al jaren met problemen rondom studiekeuzes van leerlingen. Het voortijdig schoolverlaten en het veelvuldig switchen worden gekoppeld aan het feit dat zij geen goede keuze zouden maken. Ook is er een groot tekort aan jongeren die kiezen voor een bèta-opleiding. Een belangrijke oorzaak van deze problemen is onvoldoende begeleiding van jongeren bij het maken van hun studiekeuze. Goede loopbaangesprekken stimuleren hen tot reflectie en spreken hen aan op hun talenten. Jongeren kunnen er zo beter achter komen wie ze zelf zijn en wat ze in de toekomst willen. Veel docenten willen hier graag een rol in spelen, maar hebben nog te weinig handvatten. Docenten, mentoren en decanen kunnen loopbaangesprekken gebruiken om leerlingen te enthousiasmeren voor bèta. Daarnaast is het nuttig om hen ervaringen in de technische beroepspraktijk aan te bieden. Juist de combinatie met loopbaangesprekken kan jongeren helpen bij het maken van een goede studiekeuze.  

Samen met docenten is een methodiek voor het voeren van talentgerichte loopbaangesprekken met passie voor techniek ontworpen. Daarbij zijn docenten geprofessionaliseerd op dat gebied. Vervolgens is de methodiek ingevoerd en zijn de resultaten gemeten.  

De resultaten van het onderzoek laten zien dat in de verschillende VO-scholen er in het algemeen weinig aandacht wordt besteed aan het bespreken van 'betekenisvolle ervaringen en emoties' en 'techniek'. Leerlingen geven aan dat er vooral aandacht wordt besteed aan 'reflecteren en activeren' en het 'bespreken van de toekomst'. Leerlingen geven aan dat ze in redelijke mate over loopbaancompetenties beschikken, maar in mindere mate bezig zijn met het opbouwen en onderhouden van contacten (netwerken) en dat ze op pro-actieve wijze studie- en werkmogelijkheden (loopbaanvorming) kunnen onderzoeken.  De ontwikkelde methodiek, met meer aandacht in het loopbaangesprek voor betekenisvolle ervaringen, emoties, reflecteren, activeren, bespreken van de toekomst en techniek, draagt positief bij aan het ontwikkelen van loopbaancompetenties van leerlingen.  

De insteek van het gesprek is een belangrijke voorwaarde voor de mate waarin gesproken wordt over talenten en kwaliteiten. Wanneer de loopbaanactiviteit centraal staat, wordt er nauwelijks een koppeling gemaakt met de talenten en kwaliteiten van de leerlingen. Wanneer het gesprek over hobby's of een bijbaan gaat, staat dit meer centraal. De mentoren passen de methodiek van talentgerichte loopbaangesprekken gedeeltelijk toe. Tijdens goede loopbaangesprekken heeft de mentor een actieve luisterhouding, stelt verdiepingsvragen en vat samen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Uit het onderzoek kunnen de volgende aanbevelingen voor mentoren en decanen gedestilleerd worden:

  • Probeer vaker met leerlingen in gesprek te gaan over betekenisvolle ervaringen of emoties.
  • Laat mentoren meer kennis maken met de achtergronden van techniek, mogelijke stereotyperingen en mindsets van leerlingen.
  • Probeer ook in de lagere klassen van vmbo, havo en vwo te reflecteren op talenten, interesses en activiteiten aan bod te laten komen.
  • Probeer in het gesprek minder leidend en helpend te zijn, en te laveren tussen enerzijds streng (confronterend) en anderzijds ruimte gevend. 
>

Vijf jaar werken aan keuzeprocessen. Opbrengsten en bottle necks.

Boer, P.R. den & Kuijpers, M. (2014)

Wat levert langdurig en regionaal samenwerken aan LOB nu écht op voor leerlingen en scholen?

____________________________

Het vijfjarige project Keuzeprocessen in West‑Brabant laat zien dat scholen concreet werk hebben gemaakt van praktijkervaring, reflectie en loopbaansturing, vooral in het vmbo. Hoewel er duidelijke vooruitgang is geboekt in aandacht voor LOB en arbeidsidentiteit, vraagt duurzame opbrengst om langdurige inzet, vasthoudendheid en verdere doorontwikkeling - met name in het mbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In deze publicatie worden de opbrengsten en knelpunten weergegeven als gevolg van een vijf jaar durend project van keuzeprocessen dat is uitgevoerd in de regio West-Brabant. 21 scholen zijn dit project gestart met als doel schooluitval te verminderen, leerlingen te motiveren en een betere aansluiting in de beroepskolom te realiseren.   Hiervoor zijn een aantal projecten gestart. Ter begeleiding van dit proces is door ROC West-Brabant een lector keuzeprocessen aangesteld. Bovendien hebben de scholen drie jaar geparticipeerd in een landelijk onderzoek. In deze publicatie kijken we terug op de periode van 2009 tot en met 2013 waarin gewerkt is aan keuzeprocessen. Daarbij staan twee vragen centraal:

  • Was het mogelijk om binnen vmbo en mbo concreet vorm te geven aan het opdoen van praktijkervaring, de verwerking daarvan en enige vorm van (geleide) zelfsturing en zo ja, hoe zag dat eruit?
  • Leidden de gekozen vormen van ervaring opdoen, verwerking daarvan en zelfsturing tot een toename bij leerlingen van hun loopbaancompetenties en hun arbeidsidentiteit?

Het theoretische kader van keuzeprocessen wordt toegelicht, alsmede de ontwikkeling van het zelfbeeld (en dus arbeidsidentiteit) via het werken aan de loopbaancompetenties. De centrale vraag tijdens het onderzoek luidt: In hoeverre hangen door de scholen ontwikkelde interventies gericht op het opdoen van ervaring, de verwerking van die ervaring en omgaan met de vragen die dat bij leerlingen oproept samen met de loopbaancompetenties en arbeidsidentiteit van de leerlingen? 
Er is gekozen voor een gedecentraliseerde aanpak met richtlijnen om het project zo laagdrempelig mogelijk te laten verlopen.  Vandaar dat is geïnventariseerd welke interventies de verschillende scholen gebruiken; in het kader van het opdoen van (werk) ervaring, de verwerking daarvan en de vraaggerichtheid van de vmbo-scholen in hun onderwijsaanbod. 

Als conclusie van het onderzoeksproject is geformuleerd dat er verschillende activiteiten zijn ontwikkeld in het vmbo. De meeste basis- en kaderberoepsgerichte opleidingen hadden al aardig wat materiaal liggen, maar vooral de theoretische leerweg heeft een vernieuwing doorgemaakt tijdens het project. Met name de loopbaanreflectie heeft een kwalitatieve slag gemaakt.
Scholen hebben ervaren dat deelname aan het project ervoor heeft gezorgd dat er intensiever is gewerkt aan een loopbaangerichte leeromgeving. Scholen die veel praktijk binnen en buiten de school hebben aangeboden zijn kwalitatief (volgens de leerlingen) het meest gegroeid in het werken aan arbeidsidentiteit van leerlingen. Een individuele aanpak hierbij levert meer op dan een groepsaanpak. De conclusies vanuit het mbo zijn vanwege te geringe input niet goed en kwalitatief te duiden. Er zijn dus minder bevindingen te vermelden, maar de resultaten lijken erop te wijzen dat door de opleidingen meer vraaggericht aan te bieden de verwerving van loopbaancompetentie en arbeidsidentiteit meer wordt gestimuleerd.
De belangrijkste conclusie bij alle deelnemende scholen is dat er meer aandacht voor LOB is gekomen en meer mensen weten dat het gaat om het opdoen van arbeidservaring en het hebben van een goed loopbaangesprek daarover. De resultaten en conclusies roepen ook vragen op met betrekking tot de geslaagdheid van het project. Is het dat wel met deze opbrengsten? Waarom lijkt het succes op het vmbo hoger te zijn dan in het mbo?  Is dit nu voldoende basis om door te gaan op de ingeslagen weg? En hoe moet die weg er dan uit zien? Kernvraag blijft uiteraard: is de vernieuwing nu geslaagd? 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Als je als school begint aan LOB of dit element intensiveert, wees je er dan van bewust dat dit een langdurig proces is dat veel vasthoudendheid en geduld vraagt. Vijf jaar is zo voorbij en als het daarbij blijft zijn alle behaalde resultaten binnen de kortste keren weer verdwenen. 

>

Diepte-analyse loopbaangesprekken: welk docent gedrag helpt?

Boer, P. den & Stukker, E (2014)

Wat maakt een loopbaangesprek echt leerzaam en richtinggevend voor de ontwikkeling van studenten?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat loopbaanleren ontstaat door een krachtige combinatie van betekenisvolle ervaringen en zorgvuldige verwerking daarvan in reflectiegesprekken. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat begeleiders moeten doorvragen op ervaringen, emoties en overtuigingen, zodat het gesprek leidt tot zelfinzicht én concrete actiestappen in de loopbaanontwikkeling.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het onderzoek is gebaseerd op een aantal projecten die tot doel hadden activiteiten te organiseren passend bij het model waarin de combinatie van ervaring en verwerking leidt tot arbeidsidentiteit, die op zijn beurt weer leidt tot (geleide) zelfsturing. In een aantal andere onderzoeken (Mittendorff, 2010; Mittendorff, Van der Donk en Gellevij, 2012; Van Loon, 2011) wordt geconstateerd dat de organisatie van ervaring in andere situaties slechts beperkt voorkomt en de verwerking c.q. reflectie in belangrijke mate ‘in het luchtledige’ plaatsvindt. De begeleiders hebben beperkt inzicht in het proces waar ze met hun gedrag een bijdrage aan leveren en geven soms ook aan het gevoel te hebben ‘maar wat te doen, in de hoop dat het wat oplevert voor de studenten’. In de hier onderzochte reflectiegesprekken gaan dingen minder goed dan wenselijk zou zijn, maar er gaan ook een flink aantal dingen goed. En wat mogelijk nog belangrijker is: de begeleiders, docenten en managers zijn gericht bezig een proces in te richten waarvan we op basis van ons onderzoek met enige zekerheid kunnen concluderen dat het zal bijdragen aan loopbaanleren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Probeer in een loopbaangesprek zo veel mogelijk door te vragen totdat de lerende een inzicht over zichzelf krijgt, en aan te sporen tot actie, gebaseerd op dat inzicht. Probeer te vermijden dat emoties, overtuigingen en wensen van lerenden worden genegeerd, er te snel conclusies worden getrokken of het gesprek wordt gebruikt om ‘even iets uit te leggen’.  

>

Loopbaancompetenties voor loopbaansucces: realiteit of verbeelding?

Boer, P. den & Meijers, F. (2019)

Wat vraagt het ontwikkelen van loopbaancompetenties werkelijk van leerlingen én van LOB‑gesprekken?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat het concept loopbaancompetentie vaak te instrumenteel wordt toegepast, doordat een stevige theoretische en empirische basis ontbreekt. Voor de LOB‑praktijk betekent dit dat reflectiegesprekken zich moeten richten op betekenisgeving van praktijkervaringen, via doelgerichte gespreksvoering die bijdraagt aan de ontwikkeling van een arbeidsidentiteit.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het concept ‘loopbaancompetentie’ mist vooral een theoretische basis. Ook de empirische basis laat te wensen over. Het gevolg van het ontbreken van een goede theorie in het onderwijs, is dat loopbaancompetenties voornamelijk instrumenteel worden ingezet, waardoor leerlingen uiteindelijk geen vaardigheden leren om hun eigen loopbaan succesvol te managen. We bieden een alternatief, dat wel gebaseerd is op theorie. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het is van belang zich bewust te zijn van de leerprocessen die ten grondslag liggen aan het verwerven van een arbeidsidentiteit. De loopbaancompetenties suggereren dat die allemaal hetzelfde zijn en dat is nadrukkelijk niet het geval. Reflectiegesprekken dienen erop gericht te zijn lerenden te helpen betekenis te geven aan opgedane praktijkervaringen. Daarvoor is specifieke gespreksvoering nodig.  

>

Beroepsdilemma’s als sleutel tot betekenisvol leren

Boer, P. den, A. K. Jager & H. R. M. Smulders (2003)

Hoe kunnen jongeren leren om zelf richting te geven aan hun loopbaan in een onzekere en veranderende toekomst?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat beroepsidentiteitsontwikkeling ontstaat door het opdoen én verwerken van betekenisvolle (grens)ervaringen en samenhangt met het vermogen tot zelfsturing in de loopbaan. Voor LOB betekent dit dat onderwijs minder moet focussen op oriënteren en meer op confronteren met beroepsdilemma’s, maatwerk biedt en ruimte creëert voor goede gesprekken die leiden tot zelfinzicht.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit onderzoek gaat in op de manier waarop leerlingen hun beroepsidentiteit ontwikkelen en of en hoe zich dat verhoudt tot het vermogen om sturing te geven aan hun verdere loopbaan. Het onderzoek had als hoofdvraag: hoe bereiden we jongeren zo goed mogelijk voor op een toekomst die in toenemende mate gekenmerkt wordt door onzekerheid?  

Het onderzoeksrapport schetst de maatschappelijke en onderwijskundige context waarin het onderzoek geplaatst moet worden. Daarna volgt de onderzoeksopzet, operationalisering en instrumentering van het onderzoek. Verder worden de gegevens op zowel opleidings- als leerlingniveau beschreven en geanalyseerd. Ook de verbanden tussen opleiding/school en identiteitsontwikkeling worden onderzocht met als doel tot een conclusie te komen waarin aanbevelingen worden geformuleerd voor verder onderzoek en onderwijsontwikkeling.  

De context is dat we in een overgang van de kenniseconomie zitten waarin meer kennis wordt geproduceerd en kennis korter zal worden gebruikt. Dit leidt ertoe dat het leren voor een beroep van zeker naar onzeker verschuift. De onderzoekers stellen dat dit resulteert in de paradigmashift dat leerlingen niet moeten aanpassen aan de arbeidsmarkt, maar dat leerlingen moeten worden voorzien van instrumenten omsturing te nemen en houden op hun loopbaan(ontwikkeling).  

In het rapport wordt uitgebreid ingegaan op verschillende benaderingen van het thema identiteitsontwikkeling. Op basis daarvan wordt gekozen voor een procesgericht model (hoe ontwikkelt zich een identiteit?), omdat dit het best past bij de onderzoeksvraag. Op grond van theoretische inzichten wordt gekozen voor een model waarbij mensen door het opdoen van (grens)ervaringen en de verwerking daarvan een identiteit ontwikkelen en dat die identiteit van invloed is op het vorm kunnen geven aan de verdere loopbaan. Daarbij wordt opgemerkt dat het proces van beroepsidentiteitsontwikkeling cyclisch is.  

Belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn:

  1. Beroepsidentiteitsontwikkeling wordt geoperationaliseerd door de mate waarin leerlingen met beroepsdillema’s zijn geconfronteerd.
  2. Dat deze ontwikkeling ontstaat onder invloed van de aard van de opgedane ervaring (hoe heftiger hoe beter) en de mate waarin die verwerkt is (veel gesprekken erover).
  3. Dat de intensiteit van de ervaring en de mate van verwerking alleen samen een effect hebben op de ontwikkeling van de beroepsidentiteit. Er is een relatie tussen de mate van ontwikkelding van de identiteit en de mate waarin de onderzochten een beeld hebben wat ze verder willen met hun loopbaan (aanzetten tot zelfsturing).  

Waar beroepsdilemma’s als een mooie leer- en ontwikkelingskans voor leerlingen wordt gezien, is er ook discussie over. De manier waarop een beroepsdilemma wordt aangevlogen is erg persoonlijk en daarmee geen vast gegeven voor beroepsidentiteitsontwikkeling. Uit het onderzoek komen ook aanbevelingen voor de onderwijsinstellingen. Zo wordt gesteld dat men beter kan werken met confronteren in plaats van oriënteren (stuur op kennismaking met beroepsdilemma’s). Ook is duidelijk geworden dat bescheidenheid in het didactische zal leiden tot meer zelfexploratie. Dat wil zeggen dat docenten minder kennis overdragen, met als doel zelfexploratie te stimuleren. Het derde advies is om maatwerk te leveren, omdat een loopbaanontwikkeling nu eenmaal niet uniform is.  

Er wordt ook een advies gedaan om verder onderzoek te gaan uitvoeren op het gebied van concepten, instrumenten en relaties rond identiteitsontwikkeling en om praktijk- of actieonderzoek te doen naar de effectiviteit van maatwerk en de manier om dat te realiseren. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Als je er als onderwijsinstelling op uit bent om scholieren te helpen zelf (mede) richting te geven aan hun loopbaan, is het zaak omstandigheden te creëren waarin die lerenden relevante (grens)ervaringen op kunnen doen en die goed kunnen verwerken (met gesprekken erover die leiden tot betekenisverlening). 

>

Reflectie op routine

Boer, P. den & Hoeve, A. (2017)

Wat vraagt het écht van een school om loopbaangesprekken op een betekenisvolle manier te verankeren in het onderwijs?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat het invoeren van loopbaanreflectiegesprekken een ingrijpende innovatie is, omdat het bestaande routines van docenten, teams en leidinggevenden fundamenteel verandert. Succesvolle implementatie vraagt om explicitering van oude en nieuwe routines, ruimte om te experimenteren en intensieve begeleiding, zodat loopbaangespreksvoering meer wordt dan een nieuw ‘kunstje’.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

In dit artikel laten we zien dat de invoering van loopbaanreflectiegesprekken (als onderdeel van loopbaangespreksvoering) in onderwijsorganisaties diep ingrijpt op de bestaande praktijk en beschouwd moet worden als een majeure innovatie. Om de diepte van deze ingreep en de consequenties daarvan in beeld te brengen, maken we gebruik van de begrippen ‘routine’ en ‘routineverandering’. We laten zien dat de implementatie van reflectie als onderdeel van loopbaangespreksvoering een simultaan proces is dat zich binnen en tussen verschillende lagen in de (onderwijs)organisatie afspeelt. Het vraagt ander gedrag van docenten en daarmee nieuwe routines van opleidingsteams, omdat het gaat over persoonlijke ervaringskennis en niet over generieke reproduceerbare kennis. De introductie van (persoons)reflectie grijpt daarmee diep in op de bestaande routines van docenten.
Ook leidinggevenden moeten nieuw gedrag aanleren dat haaks staat op hun bestaande repertoire om in staat te zijn het proces van betekenisverlening te begeleiden dat docenten doormaken. Veranderingen als deze moeten daarom gezien worden als een grenservaring voor zowel het individu als de organisatie. Het begrip routine helpt daarbij de rollen en patronen van betrokkenen (docenten, management) preciezer te beschrijven en er op basis daarvan beter mee om te gaan. Een werkgemeenschap zal bestaande routines niet zomaar opgeven. In tijden van chaos, waar vernieuwing vaak mee gepaard gaat, zijn routines een baken van zekerheid waarop men graag terugvalt.
Tegelijkertijd zijn routines niet zo onveranderlijk als vaak wordt vermoed. Sterker, routines zijn zelf een bron van verandering. Het meest beloftevolle aangrijpingspunt voor verandering is het expliciet maken van bestaande routines en het expliciteren van gewenste nieuwe routines. Door ze te expliciteren, worden betrokkenen zich bewust van de aard en oorsprong van de eigen routine, maar ook van ingeweven fouten in een dergelijk patroon. Als we de complexiteit van het veranderingsproces niet erkennen en er daarom niet in investeren, blijft loopbaangespreksvoering het volgende ‘kunstje’ waar we over 10 jaar net zo over zullen spreken als over competentiegericht leren, de tweede fase voortgezet onderwijs, de basisvorming, en vele andere op fundamentele routineverandering gerichte vernieuwingen die in goede bedoelingen zijn gesmoord.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Als je begint met het invoeren van loopbaangesprekken in je school, is het van belang je te realiseren dat dit voor veel docenten, begeleiders en andere betrokkenen een ingrijpende verandering is, die vergelijkbaar is met een (grens)ervaring van een student op zijn/haar eerste stage. De begeleiding van deze professionals op hun beurt vraagt veel van management en schoolorganisatie. Het is daarom belangrijk ervoor te zorgen dat er voor al deze betrokkenen ruimte en aandacht is. Alleen dan ontstaat een omgeving die veilig genoeg is om te experimenteren en echt te vernieuwen. Anders is het gevaar groot van oude wijn in nieuwe zakken. 

>

Loopbaanleren en de school

Boer, P. den & Bakker, J. (2008)

Wat vraagt loopbaanleren écht van het onderwijs, leerlingen én docenten?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat loopbaanleren leerlingen helpt betekenis te geven aan leren door reflectie, dialoog, praktijkgerichtheid en vraagsturing, en daarom vroeg en structureel moet worden ingebed. Een succesvolle loopbaangerichte leeromgeving vraagt echter een ingrijpende verandering van het onderwijs en een heroriëntatie van docenten op hun professionele rol, ondersteund door passende begeleiding en leiderschap.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dit artikel onderzoekt het belang van loopbaanleren, de bijdrage van het onderwijs en de benodigde randvoorwaarden om loopbaanleren in een school te organiseren. 
Zicht op de (levens)loopbaan en vooral het kunnen omgaan met de dilemma’s daarbinnen vormt de rode draad in het onderwijs. De concrete invulling daarvan zal voor elke student anders zijn.
Een (levens)loopbaan is niet hetzelfde als een goed geplande loopbaan. Loopbaanleren is parallel leren: het gaat om ontdekken wat beroepsdilemma’s met je doen en hoe je daar betekenis aan geeft of wil geven. Loopbaanleren vraagt tijd. Er moet dus vroeg mee begonnen worden.  
Het onderzoek laat zien dat loopbaanleren staat of valt met een aantal kenmerken van onderwijs. Meijers, Kuijpers en Bakker (2006) noemen: reflectie, dialoog, praktijkgerichtheid en vraagsturing. De eerste twee lukken vaak nog wel, hoewel de kwaliteit ervan niet altijd duidelijk is. De derde is al lastiger voor het algemeen vormend onderwijs.
In het artikel worden een aantal voorbeelden beschreven. Het voorbeeld uit Zeeland (Bakker, Nijman en Den Boer, 2007) laat zien dat er over de gehele linie veel wordt gedaan om vraagsturing in het onderwijs centraal te stellen. Echter is de kwaliteit nog niet altijd duidelijk, zo lieten ook Meijers c.s (2006) zien. Dit komt deels doordat er te weinig bekend is over vraagsturing. Wel weten we:

  • Vraagsturing is niet hetzelfde als sturing door de vrager (leerling); die heeft daar meestal immers onvoldoende overzicht voor;
  • Vaak wordt door scholen invulling gegeven aan vraagsturing door middel van fijnconfectie: het onderwijsaanbod wordt fijnmazig gestructureerd; op basis daarvan kan de leerling (al dan niet onder begeleiding van een docent) een pakket samenstellen; dat helpt maar is geen vraagsturing;
  • Maatwerk vraagt veel van docent en student en van de onderwijsorganisatie; het zal dus vrijwel altijd gaan om mengvormen van een-op-een begeleidingsgesprekken met vormen van flexibilisering van het back office (roosters, lokalen, docenten) en andere vormen van maatwerk (zie De Bruin en Van Esch, 2001);
  • Voor de organisatie van het back office is kennis nodig op basis waarvan voorspellingen gedaan kunnen worden over leerlingstromen, zodat scholen op basis daarvan afwegingen tussen kosten en baten kunnen maken (zie Bakker, Den Boer & Nieuwenhuis, in voorbereiding).  

In het kader van loopbaanleren gaat het dus enerzijds om het faciliteren van trajecten die jongeren in staat stellen hun loopbaancompetenties en (het begin van) een arbeidsidentiteit te ontwikkelen. Anderzijds gaat het om het faciliteren van een route door onderwijsprogramma’s die past bij wat de jongere wil behalen en die bovendien leidt tot een kwalificerend diploma. Het gaat dus praktisch om het organiseren van confrontaties met de beroepspraktijk zo vroeg mogelijk tijdens de opleiding en gedurende die hele opleiding en het organiseren van goede gesprekken daarover. Het gaat tevens om het aanpassen van het onderwijsprogramma en aan de wensen die daaruit voortvloeien.    

Als er aan dit soort zaken gewerkt wordt is dat een ingrijpende verandering van de huidige gang van zaken binnen onderwijs. Dat betekent dat de professionals die daar werken – docenten, ondersteunend personeel, management – hun gangbare routines zullen moeten uitbreiden met nieuwe routines. Dat vereist een grote inspanning van de onderwijsorganisatie als geheel.    

Hier werkt loopbaanleren als een Drosteplaatje. Wil loopbaanleren kans van slagen hebben dan moet het betekenis krijgen voor docenten. Zij beschikken op dit moment over een verzameling werkzame routines waar ze op vertrouwen. Die routines maken de kern uit van de werkgemeenschap, ze zijn beproefd in de praktijk. Verandering van die routines vereist heronderhandeling met de beroepsbeoefenaren over hun professionele of arbeidsidentiteit. Het valt te verwachten dat het opdoen van grenservaringen (in vernieuwingsexperimenten bijvoorbeeld) en een goede verwerking daarvan doorslaggevend zullen zijn voor het opbouwen van (nieuwe) kennis van de docent over zichzelf in de beroepssituatie en daarmee voor het slagen van de vernieuwing (loopbaanleren van de leerling) (zie Holmes, 2004 en Geijsel & Meijers, 2005). 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het inrichten van een loopbaangerichte leeromgeving is een ingrijpende verandering in de onderwijsorganisatie. Dat vraagt veel van docenten én leidinggevenden. Vaak wordt vol goede moed aan (elementen van) loopbaanleren begonnen, maar wil het echt kans van slagen hebben dan moet het niet alleen voor deelnemers maar ook voor docenten tot een heroriëntatie op hun beroep leiden. Dat vraagt in verschillende fasen van het veranderingsproces, verschillende vormen van (bege)leiding. 

>

Werk verandert, 21st century skills in de praktijk

Biemans, P., Sjoer, E., Brouwer, R., Potting, K. (2017)

Hoe bereid je jongeren voor op werk dat continu verandert en steeds andere vaardigheden vraagt?

____________________________

Het onderzoek laat zien dat 21st century skills in alle onderzochte beroepen belangrijk zijn, maar steeds een andere invulling krijgen afhankelijk van de beroepscontext. Voor LOB betekent dit dat jongeren begeleid moeten worden met actuele, realistische beroepsbeelden en dat vaste lijstjes met vaardigheden onvoldoende zijn voor een goede studiekeuze.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Welke concrete veranderingen hebben plaatsgevonden op het werk en welke 21st century skills zijn of worden essentieel om het werk te kunnen blijven uitvoeren? Deze vraag stelden lectoren Petra Biemans (Hogeschool Inholland) en Ellen Sjoer (De Haagse Hogeschool) zichzelf. Het antwoord op deze vraag is te vinden in het boek ‘Werk verandert. 21st century skills in de praktijk'. Spelen onderwijsinstellingen voldoende en tijdig in op de vaardigheden die toekomstbestendige werknemers en ondernemers nodig hebben? Of krijgen studenten zodra ze de arbeidsmarkt betreden een cultuurshock omdat het onderwijs achterblijft? In deze publicatie worden de veranderingen bij vijf zeer verschillende beroepen in beeld gebracht: politieagent, piloot, bankmedewerker, verpleegkundige en accountant. Uit het onderzoek blijkt dat 21st century skills bij alle onderzochte beroepen een rol spelen, maar overal net weer anders. Kortom: 21st century skills krijgen hun betekenis in de context van het beroep en ‘lijstjes’ met skills volstaan dus niet.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De publicatie brengt in beeld wat er bij verschillende beroepen op de werkvloer en in de dagelijkse praktijk verandert en welke rol 21st century skills hierbij spelen. Het betreft vijf zeer verschillende beroepen, maar de veranderingen laten duidelijke patronen zien. De conclusies zijn belangrijk om mee te nemen in studiekeuzeprocessen van jongeren, zodat men niet op grond van verouderde beelden kiest. Verder is het belangrijk dat 21st century skills niet overal hetzelfde zijn: communicatie is voor een bankmedewerker anders dan voor een politieagent of verpleegkundige. Het betreft maatwerk en de context bepaalt de kleur.  

>

‘Weerbaar en wendbaar’ als succesfactor. ECBO (expertisecentrum beroepsonderwijs), ‘s Hertogenbosch

Beelen-Slijper, J. van. (2018)

Wat hebben mbo‑studenten nodig om de overstap naar het hbo succesvol te maken?

____________________________

Ongeveer 40% van de mbo‑4‑studenten stroomt door naar het hbo, maar een aanzienlijk deel valt uit door knelpunten in didactiek, abstractieniveau en studievaardigheden. Het onderzoek laat zien dat LOB effectiever wordt wanneer oriëntatie zich richt op beroepscontexten en hbo‑leerervaringen, zodat studenten beter voorbereid, weerbaarder en wendbaarder zijn bij de overgang naar het hbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Rond 40% van de mbo-studenten van niveau 4 kiest na diplomering voor doorstuderen in het hbo. Een overgang die voor menigeen problemen oplevert. Het percentage uitvallers in het eerste jaar is aanzienlijk. Hoe komt dat, waar liggen de struikelblokken en: wat te doen om die transitie soepeler te laten verlopen? Zijn mbo’ers wel ‘weerbaar en wendbaar’ genoeg voor het hbo?

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

De transitie van mbo naar hbo kan verbeterd worden door bij oriëntatieactiviteiten het accent te leggen op beroepscontexten of beroepstaken, in plaats van op het beroep zelf of kansen op werk in de beroepssector. Want niet alleen jongeren zelf veranderen nog veel, maar daarnaast verandert ook de arbeidsmarkt om hen heen razendsnel. Het is aan te bevelen bij LOB-activiteiten aandacht te schenken aan specifieke ‘struikelblokken’ waar mbo’ers tegenaan lopen bij de transitie van mbo naar hbo. Mbo’ers blijken meer moeite te hebben met de andere lesdidactiek in het hbo, de complexiteit en het abstractieniveau van de leerstof en beschikken niet altijd over de juiste planningsvaardigheden. Kennismaking met concreet lesmateriaal uit het hbo, ervaren hoe de lessen zelf eruit zien en in welk tempo de lessen worden aangeboden kan de mbo’er meer weerbaar en wendbaar maken bij de overstap van mbo naar hbo. 

>

LOB-Kompas voor de 21e eeuw

Slijper, J., Sjoer, E., Biemans, P., van Harn, R. (2020)

Hoe kun je jongeren op een eigentijdse manier begeleiden bij studiekeuzes in een snel veranderende arbeidsmarkt?

____________________________

Het LOB‑Kompas voor de 21e eeuw is ontwikkeld om leerlingen, docenten en ouders op een vernieuwende manier kennis te laten maken met de toekomst van werk en loopbanen. Door ervaringsgerichte en exploratieve activiteiten leren leerlingen zichzelf beter kennen en maken zij meer onderbouwde profiel‑ en studiekeuzes op basis van realistische beroepsbeelden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Dat LOB anders moet lijkt evident, maar hoe kunnen we op een stimulerende manier jongeren helpen te navigeren in de richting die henzelf vooruitbrengt en tegelijkertijd rekening houdt met de veranderingen op de arbeidsmarkt? Deze lastige vraag was de aanleiding om dit LOB-Kompas voor de 21e eeuw te schrijven. Dit LOB-Kompas is een eerste aanzet om leerlingen, docenten én ouders op een andere manier te laten kennismaken met veranderingen in de beroepspraktijk. Het doel van deze LOB 2.0. methode is te worden ingezet als aanvullende module op de ‘traditionele’ LOB-methodes, zodat keuzebegeleiding toekomstbestendig wordt ingestoken en deze de leerling optimaal voorbereidt op een loopbaan die bij hem/haar past. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het uitgangspunt van dit toekomstbestendige LOB-kompas is ervaringsgerichte activiteiten die kunnen helpen een leerling inzicht te geven in wat hem of haar drijft. Je kunt pas iets kiezen van een menukaart als je weet hoe de gerechten smaken, en gerechten die niet op de menukaart van een jongere voorkomen, zullen ook niet gekozen worden. De exploratieopdrachten hebben een duidelijke focus op de beroepsbeelden: Welke nieuwe beroepen zijn er, wat is het beeld dat leerlingen hebben van traditionele beroepen en wat moet je ervoor kennen en kunnen? De opdrachten moedigen aan te exploreren in de breedte, d.w.z. kennismaken met sectoren of beroepen waarvan leerlingen nog geen beeld hebben en tot exploreren in de diepte naar beroepen of sectoren waarvan het beeld nog onvolledig of mogelijk niet realistisch is. Juist door hiermee aan de slag te gaan kan dit jongeren helpen inzicht te krijgen in: wie ben ik, wat wil ik en wat kan ik? Dit LOB-Kompas voor de 21e eeuw beoogt zo jongeren verder op weg te helpen met het maken van een meer gefundeerde profiel- of studiekeuze, gebaseerd op ervaringen en realistische beroepsbeelden. Daarnaast wordt ingegaan op de rol van ouders en hoe deze meer te betrekken bij LOB.

Doelgroep en opzet

Dit 'LOB-kompas voor de 21 eeuw' is met name bestemd voor leerlingen in de (voor)laatste klassen van de havo en het VWO. Het LOB-onderwijsproduct bestaat uit vier stappen. Deels kunnen deze in de klas worden uitgevoerd tijdens de (mentor)lessen, deels buiten de (mentor)lessen om. De LOB-activiteiten eindigen met een presentatie, waarbij ook ouders aanwezig zijn. 

>

Een andere benadering van studiesucces. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs

Beelen-Slijper, J. van. (2017)

Wat helpt jongeren om een studiekeuze te maken die écht bij hen past en leidt tot studiesucces?

____________________________

Het onderzoek volgt 89 hbo‑studenten Rechten en Sociaal Juridische Dienstverlening en laat zien hoe studiekeuze, identiteitsontwikkeling en oriëntatieactiviteiten samenhangen met studiesucces. Studenten die intensief oriënteerden en hun keuze baseerden op de inhoud van de studie (in plaats van het toekomstige beroep) bleken succesvoller en hadden minder kans op teleurstelling en uitval.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit artikel gaat in op en reflecteert op de dissertatie 'En wat kan ik dan later worden?' (Slijper, 2017). Het betreft een longitudinaal onderzoek naar het studiekeuzeproces van 89 studenten HBO-Rechten en Sociaal Juridische Dienstverlening, en de betekenis daarvan voor studiesucces. De respondenten werden drie keer geïnterviewd voorafgaand aan en tijdens het eerste studiejaar. De gevolgde oriëntatieactiviteiten zijn onderzocht in relatie tot studiesucces. Tevens werd met de Groningen Identity Development Scale (Kunnen & Van der Gaag, 2011) de identiteitsontwikkeling van jongeren onderzocht op het gebied studiekeuze. De exploratieve opzet van het onderzoek heeft inzicht geboden in ervaringen, successen en mislukkingen bij de overstap naar het hbo en waar de knelpunten liggen bij specifieke groepen. Wat betreft de identiteitsontwikkeling van de onderzochte groep, blijken juridische hbo-studenten significant vaker dan leeftijdsgenoten een studie te kiezen vanuit een foreclosure status. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Een belangrijke conclusie is dat het niet loont om het toekomstige beroep leidend te laten zijn bij de studiekeuze. Teleurstellingen en studie-uitval zijn dan een vrij waarschijnlijk gevolg. Jongeren die hebben deelgenomen aan intensieve oriëntatie-activiteiten kiezen hun studie minder op basis van het toekomstige beroep, maar eerder op basis van de inhoud van de studie en zijn succesvoller. 

>

From a teacher-oriented to a learner-oriented approach to teaching: The role of teachers’ collective

Assen, H. (2018)

Wat vraagt leerlinggericht onderwijs van docenten, en wat betekent dat voor de manier waarop we LOB vormgeven?

____________________________

In dit onderzoek laat Hanneke Assen zien dat de overgang van docentgestuurd naar leerlinggericht onderwijs niet vanzelf gaat. Hoewel veel docenten leerlinggericht willen werken, blijkt er vaak een kloof tussen overtuiging en handelen. Collectief leren, professionele dialoog en aandacht voor de begeleidingsrol zijn cruciaal om leerlingen écht eigenaarschap te laten ontwikkelen – een kernvoorwaarde voor effectieve LOB.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

In haar proefschrift From a teacher-oriented to a learner-oriented approach to teaching: The role of teachers’ collective learning processes onderzoekt Hanneke Assen (2018) hoe docenten de overgang kunnen maken van een docentgestuurde naar een learner‑oriented (leerlinggerichte) onderwijsbenadering. Centraal staat de vraag waarom deze omslag in de praktijk vaak moeizaam verloopt, zelfs wanneer docenten in overtuiging wél leerlinggericht onderwijs willen geven. 

Uit het onderzoek blijkt dat er regelmatig een kloof bestaat tussen wat docenten zeggen te willen (leerlinggericht) en wat zij daadwerkelijk doen in de les of begeleiding (vaak toch docentgestuurd). Deze kloof hangt samen met diepgewortelde professionele identiteiten, routines en externe factoren zoals curriculumdruk, toetsing en tijdgebrek.

Een belangrijk inzicht uit de studie is dat verandering niet alleen een individueel leerproces is, maar vooral een collectief proces. Docenten blijken beter in staat om hun rol te veranderen wanneer zij in teamverband leren, reflecteren en met elkaar in dialoog gaan over hun pedagogische keuzes en dilemma’s. Dialoog en gezamenlijke betekenisgeving spelen hierbij een sleutelrol.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

De bevindingen van Assen zijn zeer relevant voor LOB, waar leerlinggericht werken en het stimuleren van eigenaarschap centraal staan.

LOB vraagt om een andere rol van de begeleider
LOB veronderstelt dat leerlingen actief reflecteren, keuzes onderzoeken en regie nemen over hun loopbaan. Dit onderzoek laat zien dat dat alleen lukt wanneer begeleiders bewust afstand nemen van een sturende of oplossingsgerichte rol, en zich meer positioneren als coach of gespreksleider. Dat is geen vanzelfsprekende rol en vraagt om oefening en reflectie.

Leerlinggericht werken vraagt teamontwikkeling, niet alleen individueel leren
Het onderzoek benadrukt het belang van collectief leren. Voor LOB betekent dit dat een gezamenlijke visie binnen het team essentieel is. Wanneer mentoren, decanen en docenten verschillend kijken naar eigenaarschap en begeleiding, vallen leerlingen gemakkelijk terug in ‘afhankelijk gedrag’. Structurele uitwisseling over LOB‑gesprekken en -ervaringen helpt om hierin consistenter te worden.

Maak ruimte voor professionele dialoog over LOB
Assen laat zien dat dialoog tussen docenten cruciaal is om overtuigingen en handelen dichter bij elkaar te brengen. In de LOB‑praktijk kan dat bijvoorbeeld door:

  • samen loopbaangesprekken te bespreken;
  • voorbeelden te analyseren van leerlinggerichte én docentgestuurde interventies;
  • dilemma’s (zoals “wanneer stuur ik wel en wanneer niet?”) expliciet te maken.

Wees je bewust van belemmerende structuren
Net als in het onderzoek spelen ook binnen LOB externe factoren een rol, zoals toetsdruk, beperkte tijd en vaststaande programma’s. Het is helpend om deze belemmeringen niet te individualiseren (“ik kan dit niet”), maar ze gezamenlijk te onderzoeken en waar mogelijk aan te passen.

LOB is een cultuurverandering, geen methode
Een belangrijke boodschap uit het onderzoek is dat echte leerlinggerichtheid niet bereikt wordt door alleen nieuwe materialen of werkvormen in te voeren. Voor LOB betekent dit: een reflectie-instrument of portfolio werkt pas écht als de begeleidingshouding aansluit bij de bedoeling ervan.

Deze tekst is gegenereerd met behulp van Co-pilot.

>

Arbeidsmarktinformatie in loopbaanoriëntatie en -begeleiding van leerlingen in het vo

Bijlard, A. (2011)

Goede loopbaankeuzes van leerlingen vragen om meer dan alleen kennis over kansrijke beroepen.

____________________________

Onderzoek laat zien dat loopbaanbeslissingen beter worden ondersteund wanneer leerlingen beschikken over brede arbeidsmarktinformatie. Het gaat daarbij niet alleen om baankansen, maar ook om informatie over competenties, opleidingen, arbeidsvoorwaarden en ervaringen van werkenden. In de praktijk wordt deze informatie nog onvoldoende en niet efficiënt benut door leerlingen en LOB‑begeleiders. Versterking van professionele vaardigheden, tijd en ruimte voor begeleiding zijn daarom essentieel voor effectief LOB‑onderwijs.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Sturing van loopbaanbeslissingen neemt toe bij een grotere beschikbaarheid van brede arbeidsmarktinformatie. Alleen kennis over beschikbaarheid van werk in de toekomst stuurt loopbaanbeslissingen niet. Brede arbeidsmarktinformatie omvat ook kennis van benodigde competenties, vooropleiding, salaris, oordelen van werkgevers en werknemers. Brede arbeidsmarktinformatie levert de school aan haar leerlingen door hen ten eerste in kennis te stellen en ten tweede te oefenen in het gebruik van internetbronnen met informatie over de Nederlandse arbeidsmarkt. Om leerlingen adequaat te laten oefenen met het gebruik van arbeidsmarktinformatie dienen zoek-, selectie- en reflectievaardigheden bij loopbaanbegeleiders versterkt te worden.

Voorbeelden van arbeidsmarktinformatiesystemen in Canada, het VK en Australië sluiten niet direct aan op wat in Nederland beschikbaar is. Een vergelijking laat zien dat buiten Nederland arbeidsmarktinformatie in een bredere definitie wordt gebruikt dan in Nederland. De paar jaar waarin de presentatie van arbeidsmarktinformatie via internet zich in Nederland heeft ontwikkeld laat zien dat ook in Nederland meer informatie volgens de bredere definitie wordt aangeboden. Dat is een aanbevelenswaardige verbetering. Zonder een representatief oordeel te kunnen geven op basis van een breed onderzoek, zijn er tekenen die wijzen op een weinig efficiënt gebruik van de huidig beschikbare informatie door LOB-begeleiders en leerlingen in het vo. Het meewegen van arbeidsmarktinformatie door docenten, mentoren en decanen vraagt meer professionele kennis en vaardigheden dan nu voorhanden is. ICT-, zoek- en interpretatievaardigheden zijn onder de maat. Daarnaast is een goed ontwikkeld vermogen noodzakelijk om met leerlingen op voet van gelijkwaardigheid te communiceren over de betekenis van die informatie bij de loopbaanbeslissingen van elke leerling afzonderlijk. De schoolleiding van havo en vmbo is verantwoordelijk voor het creëren en in stand houden van randvoorwaarden waardoor LOB-begeleiders in hun vaardigheden gesterkt worden en zij vervolgens met hun leerlingen voldoende tijd en ruimte hebben om in gesprek te gaan. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het is belangrijk dat leerlingen arbeidsmarktinformatie meenemen bij loopbaankeuzes. Om leerlingen adequaat te laten oefenen met het gebruik van arbeidsmarktinformatie dienen zoek-, selectie- en reflectievaardigheden bij loopbaanbegeleiders versterkt te worden. De kennis en vaardigheden van LOB-begeleiders moeten hiervoor versterkt worden en zij hebben voldoende tijd en ruimte nodig om hierover met de leerlingen in gesprek te gaan. 

>

De overgang van het mbo naar de arbeidsmarkt. De positie van jongeren met een migratieachtergrond

Bisschop, P. Zwetsloot, J. Weel, B. ter, Kesteren, J.van (2020)

Dit rapport onderzoekt hoe mbo‑afgestudeerden de overstap naar de arbeidsmarkt maken en waar hardnekkige verschillen tussen groepen ontstaan.

____________________________

Het rapport analyseert de arbeidsmarktpositie van mbo’ers sinds 2006, met speciale aandacht voor verschillen tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond. Daarbij wordt gekeken naar participatie, inkomen en de tijd tot een substantiële baan, zowel op korte als lange termijn. Uit de analyses blijkt dat sociaaleconomische achtergrond, studiekeuzes, stages en bijbanen een grote rol spelen, maar een aanzienlijk deel van de verschillen onverklaard blijft. Ook technologische veranderingen blijken de kansen van vooral mbo’ers met een niet‑westerse migratieachtergrond negatief te beïnvloeden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit rapport belicht de overgang van het mbo naar de arbeidsmarkt voor alle mbo’ers in de periode vanaf het studiejaar 2006/2007. De analyses gaan in op verschillen in arbeidsmarktpositie tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond, met onderscheid tussen jongens en meisjes. Verschillen in arbeidsmarktparticipatie zijn de belangrijkste uitkomstmaat, naast verschillen in inkomen en duur tot een substantiële baan na afstuderen. Met behulp van decomposities wordt het verschil in succes tussen verschillende groepen in beeld gebracht, waarbij wordt ingegaan op sociaaleconomische achtergronden, keuzes en factoren tijdens de opleiding. Naast het korte-termijnsucces wordt in beeld gebracht hoe de posities tien jaar na afstuderen zijn en worden de rol van de stand van de conjunctuur en de gevolgen van technologische verandering geanalyseerd.

Algemeen

Mbo’ers vormen ieder jaar gezamenlijk de grootste groep nieuwe werkenden. Het aantal mbo’ers dat jaarlijks afstudeert is de afgelopen jaren stabiel en bevindt zich op een niveau van ongeveer 70.000 per jaar. In de periode 2006-2014 was sprake van groei van de jonge aanwas. De arbeidsmarktparticipatie van deze jongeren ligt tussen 70 en 95 procent afhankelijk van het gevolgde opleidingsniveau en de studierichting. Op alle niveaus is het aantal afgestudeerden dat een BBL-opleiding heeft gevolgd met een kwart gedaald, terwijl de participatie van deze groep het hoogst is (groter dan 90 procent). Ook hebben jongeren met een BBL-opleiding sneller een substantiële baan en verdienen ze meer. De doorstroom binnen het mbo is toegenomen, vooral van mbo-2-niveau naar hogere niveaus. De studierichtingen die worden gekozen zijn qua aandelen relatief stabiel over de onderzochte periode. Het aandeel jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond dat via het mbo de arbeidsmarkt betreedt is gestegen van 10 naar 15 procent.  

Participatie

Er bestaan een jaar na afstuderen relatief grote verschillen in arbeidsmarktparticipatie tussen Nederlandse jongeren en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Die verschillen lopen voor sommige groepen op tot wel 30 procent en worden maar deels verklaard door sociaaleconomische kenmerken en keuzes. Het onverklaarde deel bedraagt voor veel groepen minimaal de helft. Een verklaring voor de geringere participatie is dat veel jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond na een onsuccesvolle zoekperiode terug het onderwijs in gaan. Opvallend is dat het switchen van opleiding nauwelijks effect heeft op arbeidsmarktparticipatie en positie. Daarnaast valt op dat jongens vaker een studierichting hebben gekozen met een slechter arbeidsmarktvooruitzicht en minder vaak een BBL-opleiding hebben gevolgd. Meisjes met een niet-westerse migratieachtergrond hebben dikwijls te maken met een andere thuissituatie dan Nederlandse meisjes en hebben vaker al een kind bij het betreden van de arbeidsmarkt. Een tweede verklaring voor de geringere participatie is dat Nederlandse jongeren vaker een betaalde stage hebben gelopen en ook vaker een bijbaan hebben. Deze bijbaan is daarnaast vaker substantieel van aard waardoor relevante werkervaring wordt opgedaan. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hebben daarentegen vaker een stage gelopen waaruit geen baan is voortgekomen en  lopen bovendien vaker stage bij bedrijven waar veel mensen met een niet-westerse achtergrond werken. Uit de analyses blijkt dat een betaalde stage en het hebben van een bijbaan bijdragen aan een succesvolle start op de Nederlandse arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie één jaar na afstuderen van afgestudeerde mbo’ers hangt samen met de sociaaleconomische status van ouders en de buurt waarin afgestudeerden zijn opgegroeid. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hebben vaker ouders met een laag inkomen. Daarnaast ontvangen de ouders van deze jongeren vaker een uitkering, hebben ze een lagere opleiding en wonen ze in minder goede buurten. 

Lange termijn 

Tien jaar na afstuderen bestaan nog steeds verschillen in arbeidsmarktparticipatie tussen Nederlandse mbo’ers en degenen met een niet-westerse migratieachtergrond. Voor de meeste groepen zijn die lager geworden maar voor Marokkaanse jongens groter. Het valt op dat mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een uitkering ontvangen. Tevens blijkt dat sociaaleconomische status van ouders nog steeds een grote rol speelt bij het verklaren van de verschillen in participatie. Daarnaast blijkt er een zekere mate van hysterese van het inkomen te bestaan. Jongeren die zijn gestart in een baan met een laag inkomen, hebben een grotere kans op een laag inkomen vier jaar na afstuderen. Dit geldt vooral voor het maandinkomen en het jaarinkomen, niet zozeer voor het uurloon. Gezien de verschillen in arbeidsmarktparticipatie (en daarmee gewerkte uren), hebben jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een laag maand- en jaarinkomen in vergelijking met Nederlandse jongeren. Ten slotte is gekeken naar de kwaliteit van het werk vier jaar na het betreden van de arbeidsmarkt. In de administratieve data is informatie beschikbaar over het type contract. Dit gebruiken we als maat voor de kwaliteit van het werk. Het blijkt dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een oproep- of uitzendcontract hebben en veel minder vaak een contract voor onbepaalde tijd.  

Technologische verandering  

De effecten van technologische verandering hebben impact op de arbeidsmarktpositie van mbo’ers. Deze impact is gemeten op basis van het aandeel routinematige taken in een beroep dat kan worden gekoppeld aan een mbo-opleiding. Routinematige taken zijn taken die onder druk staan van automatisering, robotisering en digitalisering, omdat dit soort taken effectiever en efficiënter door nieuwe technologie kunnen worden uitgevoerd dan door de mens. Op mbo-2- en mbo-3- niveau bestaat een negatieve correlatie tussen de mate van routinematigheid van een beroep en de kans op werk. Het valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd in beroepen met een hogere mate van routinematigheid wat hun kansen op werk schaadt. Dit geldt zowel voor jongens als meisjes.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het rapport geeft informatie over verstandige studiekeuzes ten aanzien van de arbeidsmarkt en verklaringen voor de achterstand van mbo’ers met een migratieachtergrond bij de overgang naar de arbeidsmarkt. Door het inzicht waar jongeren met een migratieachtergrond momenteel vaak tegenaanlopen kunnen jongeren in het vmbo en mbo gericht geadviseerd worden. Concreet: welke leerweg en opleidingsrichting kunnen jongeren kiezen om hun kansen te vergroten? Het rapport biedt ook bewijs voor de belangrijke rol die stages en bijbanen hebben in het vergroten van de arbeidsmarktkansen. Ook de conclusie dat er ondanks de gemaakte keuzes, een groot deel van de verschillen in arbeidsparticipatie tussen jongeren zonder en jongeren met een migratieachtergrond nog onverklaard blijft is de moeite waard om te bespreken. Dat zit in aanvullende factoren die in andere onderzoeken wordt uitgezocht, zoals verschillen in werknemersvaardigheden of voorkeuren van werkgevers.

>

Ongelijke toegang tot stage en werk van hbo’ers met een migratieachtergrond

Klooster, E., Meng, C., Bles, P. Monker, D., Walz, G. (2020)

Hbo‑afgestudeerden met een migratieachtergrond hebben aantoonbaar minder kans op werk, ondanks een vergelijkbare opleiding.

____________________________

Uit onderzoek onder hbo‑afgestudeerden, onderwijsprofessionals en werkgevers blijkt dat ongelijkheid op de arbeidsmarkt al tijdens de studie ontstaat. Factoren als beperkte begeleiding, minder effectieve netwerken en ervaren discriminatie spelen daarbij een belangrijke rol. Opleidingen kunnen bijdragen aan gelijke kansen door intensiever contact met werkgevers en gerichte ondersteuning bij stage, sollicitatie en loopbaanontwikkeling. De bevindingen onderstrepen het belang van structurele, curriculumgebonden LOB‑activiteiten om arbeidsmarktkansen te vergroten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Hbo’ers met een migratieachtergrond hebben meer moeite om na hun afstuderen werk te vinden dan hbo’ers zonder die achtergrond. Onder leiding van Eva Klooster van Klooster Onderzoek & Advies en Christoph Meng van het Research Centrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) is onderzocht welke factoren tijdens en na de hbo-studie van invloed zijn op de verschillen in baankansen tussen afgestudeerden met en zonder een migratieachtergrond, en vooral ook hoe dit probleem aangepakt kan worden. Het onderzoek bestond uit een enquête onder zo’n 8000 hbo-afgestudeerden en 75 interviews met hbo’ers, onderwijsprofessionals en werkgevers.

Uit het onderzoek blijkt dat, voor gelijke toegang tot de arbeidsmarkt voor hbo-studenten, aanpassingen in het onderwijs nodig zijn. Het was al eerder vastgesteld dat de studiekeuze iets van het verschil in arbeidsmarktkansen verklaart. Studenten met een migratieachtergrond kiezen namelijk relatief vaker een studie met ongunstige arbeidsmarktkansen. Dit onderzoek laat zien dat de studiefase van invloed is op de ongelijke arbeidsmarktpositie van studenten met en zonder migratieachtergrond. De onderzoeksuitkomsten bieden ook handvatten voor het werken aan een gelijkere toegang tot de arbeidsmarkt.  

Opleidingen kunnen bijdragen aan gelijke kansen door het contact met bedrijven te intensiveren. Daarnaast heeft ook het contact met docenten – een bekende voorwaarde voor studiesucces – invloed op de kans op stage en werk. Hoe beter het contact, hoe eerder mogelijke problemen worden ondervangen. De nadruk die het hbo legt op ‘de eigen verantwoordelijkheid’ van de student kan er in de praktijk echter voor zorgen dat problemen die studenten ervaren met het vinden van stages of discriminatie niet of te laat worden gesignaleerd. Soms lijkt dit paradoxaal genoeg mede het gevolg van de wens van hbo-onderwijsprofessionals om juist niet te stigmatiseren en geen verschil te maken tussen studenten met of zonder migratieachtergrond. Op verschillende opleidingen misten de onderzoekers deskundigheid en overeenstemming van onderwijsprofessionals op het terrein van discriminatie. 

Veel geïnterviewde hbo’ers met een migratieachtergrond vermoeden zelf (wel eens) gediscrimineerd te zijn, vooral vanuit de ervaring dat sollicitaties niet worden beantwoord. De geïnterviewde werkgevers herkennen dat vooral ‘open sollicitaties’ weinig kans maken op een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek. Studenten met een migratieachtergrond zouden om hun kansen te vergroten veel brieven sturen, waaronder ook open sollicitaties. De onderzoekers adviseren de opleidingen dan ook om studenten niet langer te stimuleren op deze wijze te solliciteren en om studenten beter te informeren over hun rechten tijdens het sollicitatieproces.  

Het netwerk dat de hbo’er opbouwt – via bijbanen, stages, traineeships en online-profilering – bepaalt in hoge mate de kans om in beeld te komen bij werkgevers. Maar hbo’ers met een migratieachtergrond hebben vaker een bijbaan of een startersbaan buiten de sector waarvoor zij worden/zijn opgeleid. Opleidingen kunnen meer voorlichting geven over hoe bijbanen en startersbanen bijdragen aan toegang tot de arbeidsmarkt. Met betere begeleiding van het contact met werkgevers en het daarbij betrekken van rolmodellen uit diverse groepen kunnen de opleidingen concreet bijdragen aan gelijkere arbeidsmarktkansen. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek eindigt met concrete adviezen aan de opleidingen en studenten over hoe zij tijdens de studiefase kunnen bijdragen aan gelijke(re) toegang tot de stage- en arbeidsmarkt. De adviezen vallen grotendeels op het terrein van LOB. De onderzoekers laten zien wat het belang is van gedegen voorlichting aan studenten over ‘actief netwerken’, gericht solliciteren i.p.v. open sollicitaties en een bewuste keuze van bijbanen. Ook laten zij zien dat opleidingen die studenten tijdens de studie/LOB-uren in contact brengen met succesvolle alumni uit het werkveld bijdragen aan zelfvertrouwen en daarmee aan kansen. Belangrijk advies is om de voorbereiding op stage en werk (ook sollicitatietraining en gastlessen) binnen het curriculum te plaatsen. Wanneer dit soort activiteiten buiten de lesuren plaatsvinden, worden de studenten die er het meest belang bij hebben, het minst bereikt. 

>

Professionaliteit van loopbaanbegeleiding

Euroguidance (2015)

Dit document geeft inzicht in hoe mbo‑instellingen invulling geven aan professionele loopbaanontwikkeling en waar kansen liggen voor versterking.

____________________________

Op basis van gesprekken met vijf mbo‑instellingen zijn portretten opgesteld van de professionaliteit rond LOB. Deze portretten vormden de basis voor aangescherpte aanbevelingen in samenspraak met LOB‑betrokkenen en experts. De aanbevelingen richten zich op visie en beleid, de professionaliteit van loopbaanbegeleiders en onderwijskundig leiderschap. Het document biedt daarmee concrete handvatten om LOB structureel te verbeteren binnen het mbo.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit document brengt de huidige stand van zaken van professionaliteit rond loopbaanontwikkeling en -begeleiding in het mbo in kaart. Vervolgens worden er aanbevelingen aan stakeholders gedaan over hoe de LOB-professionaliteit kan worden versterkt. Er zijn met vijf mbo-scholen gesprekken gevoerd. Per onderwijsinstelling zijn drie tot vijf gesprekken gevoerd met verschillende geledingen. Op basis van die gesprekken, websites en beschikbare beleids- en LOB-visiedocumenten is er per school een ‘Portret Professionaliteit Loopbaanontwikkeling en-Begeleiding’ gemaakt. Deze portretten zijn besproken met een groep LOB-betrokkenen en LOB-experts die aanbevelingen hebben gedaan op basis waarvan ze zijn aangescherpt of aangevuld. De LOB-aanbevelingen betreffen drie thema’s:

  • Visie, beleid en strategie
  • Professionaliteit van loopbaanbegeleiders
  • Onderwijskundig leiderschap

Per thema wordt de stand van zaken geschetst en worden aanbevelingen geschreven voor het mbo-veld en voor de lerarenopleidingen.

Visie, beleid en strategie

De ideale opmaat voor een structurele verandering in je organisatie kent drie stappen. Zo ook het doorvoeren van de professionaliteitverbetering van Loopbaanontwikkeling en -begeleiding (LOB). Je gaat van visie (het waarom) naar beleid (het wat). Vervolgens bedenk je een strategie om het beleid uit te voeren (het hoe). Wat ondernemen mbo-instellingen zoal om deze ‘drietrapsraket’ in de lucht te krijgen? En wat zijn de knelpunten? Deze stappen lijken vrij simpel, maar uit de gevoerde gesprekken blijkt dat er veel komt kijken bij deze cruciale stappen. Er is geen standaardformule voor LOB. Iedere onderwijsinstelling moet zijn eigen visie opstellen.

Professionaliteit van loopbaanbegeleiders

Voor de ontwikkeling en uitvoering van professionele loopbaanbegeleiding maakt de loopbaanbegeleider het verschil. Duidelijkheid in rollen, taken en competenties geeft een kader om vast te stellen hoe het met diens professionaliteit gesteld is. Overeenkomstig de ontwikkeldoelen van loopbaanbegeleiders en opleidingsteams krijgt het professionaliseringsbeleid vorm en inhoud. Hoe gebeurt dit in de praktijk? Wat betreft bovenstaande duidelijkheid valt er nog veel te winnen.  

Onderwijskundig leiderschap

Om binnen opleidingsteams loopbaanbegeleiding voor zowel studenten als medewerkers werkelijkheid te laten worden, zijn gerichte aandacht en sturing nodig. Aan alleen visie, beleid en strategie heb je niet genoeg. Het onderwijskundig leiderschap is nodig om LOB echt te laten landen op de werkvloer. Hier is nog veel winst te behalen. Dat kan eigenlijk alleen als teamleiders/opleidingsmanagers – die onderwijskundig leiderschap uitvoeren – voldoende handvatten hebben. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Naar aanleiding van de geschetste portretten zijn overstijgende aanbevelingen beschreven op drie thema’s:

  • Visie, beleid en strategie
  • Professionaliteit van loopbaanbegeleiders
  • Onderwijskundig leiderschap  

Deze aanbevelingen kunnen helpen om de professionaliteit van de ondersteuning van loopbaanontwikkeling van studenten en docenten versterken. Zie ook de digitale versie van het document voor een duidelijk overzicht van deze aanbevelingen. In de jaren na deze verkenning heeft Euroguidance NL Het Raamwerk voor Loopbaanbegeleiding Jongeren (2017) ontwikkeld om scholen handvatten te geven in de vormgeving en uitvoering van LOB-beleid. Het raamwerk heeft geen verplichtend karakter en ondersteunt de volgende doelen:

  • Ondersteuning van loopbaanprofessionals bij het versterken van de kwaliteit van de loopbaanontwikkeling en –begeleiding van jongeren binnen de scholen.
  • Het vergemakkelijken van de discussie binnen de onderwijsorganisatie: verstaan we hetzelfde onder loopbaanbegeleiding? Welke verwachtingen hebben wij ten aanzien van de kwaliteit van loopbaanprofessionals?
  • Betere afstemming van onderwijsaanbod door LOB-opleiders op vragen en wensen van het afnemend veld.
  • Ondersteuning van HR-beleid binnen scholen en de professionalisering van loopbaanprofessionals. 
>

Jongerenperspectief op LOB, rapport YoungWorks

Schuurman, J., Mudde, A. L. (2020)

Jongeren zien loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) als waardevol, maar ervaren dat het huidige aanbod beter kan aansluiten bij hun behoeften.

____________________________

Jongeren hebben overwegend positieve ervaringen met LOB, maar zijn kritisch over de huidige invulling. Ze missen vooral persoonlijk maatwerk, betekenisvolle gesprekken en meer praktijkgerichte, levendige vormen. LOB‑activiteiten sluiten nu vaak onvoldoende aan op hun ontwikkelfase en laten te weinig samenhang zien. Het onderzoek laat zien dat juist hier kansen liggen om LOB relevanter en effectiever te maken.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Welke behoeften hebben jongeren op het gebied van LOB en welke kansen zien ze voor verbeteringen op hun school/onderwijsinstelling?

Als je met jongeren in gesprek gaat over LOB, valt op dat vrijwel iedereen positieve ervaringen heeft gehad en de essentie van LOB – na enige uitleg - als zeer waardevol ziet. Tegelijkertijd zijn veel jongeren kritisch. Kritisch op hoe LOB nu vaak vorm krijgt en kritisch op wat ze nog missen op het gebied van LOB. Dit onderzoek biedt dan ook inzicht in een aantal grotere kansen. We benoemen deze hieronder kort samengevat. Bij de beschrijving van de resultaten verderop in dit rapport maken we, waar relevant, onderscheid tussen opleidingsniveaus, fasen binnen de opleiding en besteden we aandacht aan de loopbaancompetenties. De belangrijkste kansen en uitdagingen op het vlak van LOB zijn:

  • Persoonlijke relevantie:
    Jongeren hebben behoefte aan meer maatwerk op het gebied van LOB, waarbij de invulling en inhoud is afgestemd op zowel persoonlijke behoeften als de fase van ontwikkeling van de leerling of student. Hierbij hechten ze veel waarde aan persoonlijk contact, juist dan is er ruimte voor maatwerk. De rol van een mentor of coach, waarmee ze een persoonlijke band kunnen opbouwen en die met ze in gesprek gaat, waarderen jongeren dan ook zeer. Tegelijkertijd vinden ze dat deze ruimte nu te vaak ontbreekt. LOB vindt nu veelal plaats in groepsverband (tijdens mentor-/SLB-/LOB-uren), waarbij iedereen dezelfde activiteiten doorloopt, terwijl de behoeften binnen een groep sterk verschillen en er te weinig tijd is voor een persoonlijk gesprek. Jongeren zien leeftijdsgenoten bovendien niet als een geschikte gesprekspartner op het vlak van veel LOB-gerelateerde onderwerpen. Ze zoeken óf ervaringsexperts (bijvoorbeeld studenten die een stap verder zijn of alumni) óf mensen in hun omgeving die met ze mee kunnen denken vanuit een coachende rol (een mentor/ouder).
  • Een levendige vorm:  
    Jongeren zijn positief over projecten waarbij ze praktijkervaringen opdoen bij organisaties, of aan de slag gaan met echte vraagstukken. Dat geldt ook voor stages. Als ze na afloop van dat soort ervaringen reflecteren op hun drijfveren en kwaliteiten, ontwikkelen ze zelfinzicht en leren ze over hun talenten en (on)mogelijkheden. Hier zijn jongeren sterk naar op zoek, bewust of onbewust. De mate waarin jongeren praktijkervaringen opdoen varieert echter sterk. Veel jongeren vinden dat hier nu nog te weinig ruimte voor is. Daarbij heeft het invullen van te lange en saaie vragenlijsten voor veel jongeren geen toegevoegde waarde en lijkt dit zijn doel daarmee voorbij te schieten. Dat geldt zowel voor te lange invulreflectie-opdrachten als voor het invullen van studiekeuze- en beroepentesten. De opbrengst van testen is te voorspelbaar of te ver uit de richting, waardoor jongeren zich hier niet door geholpen voelen. Bovendien worden jongeren hierdoor kritisch op LOB; het voelt eerder als een nutteloze verplichting dan als een kans om meer over jezelf en je mogelijke rol in de wereld te ontdekken. Belangrijk is dan ook dat reflectie na een activiteit of ervaring wel plaatsvindt, maar in een meer levendige vorm.
  • Herkenbare LOB.
    Jongeren zijn nu nog (deels) niet bekend met het begrip LOB, ook al hebben ze er wel eens van gehoord. Bekendheid met LOB is geen doel op zich, maar biedt wel een kans. Nu tellen veel LOB-activiteiten niet bij elkaar op. Jongeren zien zelf geen samenhang of een doorlopende LOB-lijn, die ze vanaf het voortgezet onderwijs voorbereidt op een vervolgopleiding en de arbeidsmarkt. De gebruikte terminologie is over verschillende opleidingsniveaus niet consistent. Door dit gebrek aan een eenduidige taal is het moeilijker voor jongeren om samenhang te zien. Het zou zinvol zijn als jongeren bewuster gaan ervaren dat ze tijdens hun hele onderwijsloopbaan met LOB bezig zijn en wat de toegevoegde waarde daarvan is. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Zoals de titel beschrijft: het onderzoek laat het jongerenperspectief zien op LOB. Op overkoepelend niveau zien we een aantal grotere kansen. Om de kansen uit het onderzoek te benutten is een vertaalslag naar de eigen praktijk nodig. Bijvoorbeeld binnen de onderwijsinstelling of in een samenwerkingsverband. We adviseren om te kijken op welke kansen de meeste ruimte voor verbeteringen mogelijk is en hier een plan op te maken. Pak bijvoorbeeld het thema ‘Een levendige vorm’ en kijk hoe je jongeren op een andere manier maatwerk kunt gaan bieden en laten reflecteren. Waar de grootste kans ligt, is schoolafhankelijk. In lijn met de aanpak van dit onderzoek adviseren we om hier met de eigen jongerendoelgroep over in gesprek te gaan: wat vinden zij dat er goed gaat en wat kan er beter op het gebied van LOB? 

>

De impact van de coronapandemie op de arbeidsmarktpositie van jonge werkenden

Henri Bussink, Bas ter Weel, Iris Klinker (2021)

Dit onderzoek analyseert de impact van de coronapandemie op de arbeidsmarktpositie van jonge werkenden.

____________________________

De baankansen van jonge werkenden zijn hersteld na corona en liggen weer op het oude niveau of hoger. Tegelijk is de ongelijkheid tussen opleidingsniveaus toegenomen. In zwaar getroffen sectoren is de arbeidsmobiliteit groter, maar ook de kans op afstroom naar tijdelijke banen of een uitkering. Veel jongeren werken daar bovendien bij bedrijven met NOW‑loonsteun. De loonontwikkeling blijft in deze situaties duidelijk achter.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

In het onderzoek De impact van de coronapandemie op de arbeidsmarktpositie van jonge werkenden analyseert SEO Economisch Onderzoek hoe jongeren de coronacrisis op de arbeidsmarkt hebben ervaren. Uit de verschillende monitors blijkt dat de gemiddelde baankansen van jonge werkenden na een korte dip zijn hersteld en zelfs hoger liggen dan vóór de pandemie. Tegelijkertijd laat het onderzoek zien dat deze positieve ontwikkeling niet voor alle groepen gelijk is. Met name lager en middelbaar opgeleide mannen zagen hun kansen iets afnemen, terwijl hoger opgeleiden en vrouwen juist profiteerden. 
Daarnaast toont het onderzoek aan dat jongeren in sectoren die hard werden geraakt door corona – zoals de horeca, luchtvaart en reisbranche – vaker afhankelijk bleven van tijdelijke steunmaatregelen zoals de NOW-regeling. In sommige van deze sectoren nam de mobiliteit af, terwijl jongeren vaker overstapten naar sectoren als zorg, overheid, detailhandel en bouw. Het onderzoek maakt duidelijk dat de pandemie bestaande verschillen en ongelijkheid op de arbeidsmarkt heeft versterkt, vooral naar opleidingsniveau.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Het onderzoek van SEO onderstreept het belang van LOB dat verder gaat dan ‘de juiste keuze maken’ en gericht is op het ontwikkelen van duurzame loopbaanvaardigheden.

  1. Benadruk wendbaarheid en brede inzetbaarheid
    Jongeren met een meer generieke opleiding bleken tijdens de coronacrisis beter in staat om van sector te wisselen. In de LOB‑praktijk betekent dit dat aandacht voor overdraagbare vaardigheden – zoals reflectie, communicatie en probleemoplossend vermogen – essentieel is, ongeacht niveau of richting.
  2. Maak leerlingen bewust van context en conjunctuur
    De pandemie laat zien dat externe factoren grote invloed hebben op loopbanen. Door dit expliciet te bespreken binnen LOB leren leerlingen dat loopbanen zelden lineair verlopen en dat bijsturen normaal is. Dat helpt om realistische verwachtingen te ontwikkelen en om te gaan met onzekerheid.
  3. Extra aandacht voor kwetsbare groepen
    Omdat lager en middelbaar opgeleide jongeren gemiddeld kwetsbaarder zijn gebleken op de arbeidsmarkt, vraagt LOB hier om maatwerk. Denk aan meer ondersteuning bij oriëntatie, netwerkontwikkeling en het leren verwoorden van kwaliteiten en ervaringen.
  4. Stimuleer zelfreflectie bij ervaringen en keuzes
    Het onderzoek laat zien dat mobiliteit tussen sectoren belangrijk was voor het behoud van werk. In LOB‑gesprekken kan daarom sterker worden ingezoomd op wat leerlingen leren van stages, bijbanen en oriëntatieactiviteiten, en hoe deze ervaringen bijdragen aan hun beroepsbeeld en zelfinzicht.
  5. Normaliseer switchen en bijstellen
    Tot slot bevestigt het onderzoek dat overstappen, uitstellen of heroriënteren onderdeel is van moderne loopbanen. Door dit te normaliseren binnen LOB verlaag je de druk op ‘de ene juiste keuze’ en vergroot je het vertrouwen van leerlingen in hun eigen loopbaanproces.

Deze tekst is gegenereerd met behulp van Co-pilot.

Download het volledige onderzoek

>

Verbeteren van de doorstroom vmbo-mbo-hbo

Bremer, B., Bokdam, J. Bulder, E. Oberon. (2022)

Goede ondersteuning bij de overstap tussen onderwijsniveaus is cruciaal om uitval in het beroepsonderwijs te voorkomen.

____________________________

De overgangen vmbo‑mbo en mbo‑hbo zijn kwetsbaar en leiden regelmatig tot uitval. In een praktijkgericht onderzoek zochten onderwijsinstellingen samen naar oplossingen. Met design thinking ontwikkelden docenten en studenten vijf doorstroominitiatieven. Vooral de studentgerichte interventies bleken effectief en relevant voor de LOB‑praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Het Nederlandse beroepsonderwijs biedt leerlingen de mogelijkheid om stapsgewijs door te stromen, van vmbo naar mbo en hbo. In de praktijk zijn deze overgangsmomenten kwetsbaar, waardoor veel leerlingen en studenten uitvallen in of net na de overgang van vmbo naar mbo en van mbo naar hbo.

Veel instellingen willen studenten beter ondersteunen in de overstap naar vervolgonderwijs. Dat vraagt om samenwerking waarbij instellingen samen oplossingen zoeken voor knelpunten op de schakelmomenten in de onderwijsketen. In een praktijkgericht onderzoek, gesubsidieerd door het NRO, hebben drie vmbo-, mbo- en hbo-scholen samen met onderzoekers van de Oberon, KBA Nijmegen en de HAN onderzocht hoe ze aanpakken kunnen ontwerpen voor soepelere overgangen vmbo-mbo en mbo-hbo.

Vijf teams van docenten en onderzoekers hebben aan de hand van de design thinking methode, met betrokkenheid van studenten, vijf doorstroominitiatieven ontworpen. Voor de overgang vmbo-mbo is een doorlopende leerlijn logistiek ontworpen en een beroepsoriëntatietraject voor vmbo-leerlingen, bestaande uit speeddates met beroepsbeoefenaars, een stagemarkt en een stage. Voor de overgang mbo-hbo is een docentenuitwisselingsprogramma voor mbo- en hbo-docenten ontwikkeld, een digitale ‘knapzak’ met instrumenten voor LOB voor docenten en een hbo-survivaldag voor tweedejaars mbo-studenten, door hbo-studenten.  

De interventies die het meest direct op studenten waren gericht, de hbo-survivaldag, het speeddaten en de stage(markt), zijn positief door de doelgroep ontvangen. De docentenuitwisseling is ook positief beoordeeld door de deelnemende docenten. De ‘Knapzak’ met instrumenten voor LOB voor docenten is redelijk positief ontvangen, maar wordt nog weinig gebruikt en lijkt hiermee toch niet voldoende te voorzien in een vraag van de docenten. De doorlopende leerlijn logistiek is een beproefde methode om de vmbo-mbo doorstroom te verbeteren en kan snel resultaten laten zien in termen van vergroting en verbetering van de doorstroom.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek geeft inzicht in knelpunten die er (kunnen) spelen bij de overgangen van vmbo-mbo en van mbo-hbo.
Het onderzoek bevat een ‘ideeënbron’ voor interventies en maatregelen ter bevordering van de doorstroom, welke is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Daarnaast geeft het rapport voorbeelden van arrangementen ter bevordering van de doorstroom en het studiekeuzeproces, en worden de eerste ervaringen met deze arrangementen beschreven.

>

Jongerenperspectief op de nieuwe leerweg

Youngworks (2020)

In dit onderzoek wordt ingegaan op welke leerbehoeften jongeren op het vmbo-gtl hebben en welke kansen jongeren zien voor de nieuwe leerweg.

____________________________

Jongeren staan positief tegenover een nieuwe, praktijkgerichte leerweg binnen het vmbo‑gtl. Zij missen nu vooral aandacht voor praktische vaardigheden en gerichte loopbaanoriëntatie. Het praktijkgericht programma helpt bij het ontdekken van interesses, kwaliteiten en vervolgkeuzes. Wel zijn duidelijkheid, structuur en zorgvuldige communicatie essentieel voor een succesvolle invoering.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek 

Welke leerbehoeften hebben jongeren op het vmbo-gtl en welke kansen zien jongeren voor de nieuwe leerweg? 

Om het jongerenperspectief op het samenvoegen van de gemengde- en theoretische leerweg in een nieuwe leerweg in kaart te brengen, voerden we een kwalitatief onderzoek uit onder jongeren in het vmbo-gtl, havo en mbo. Ook gingen we in gesprek met jongeren uit de pilot Technologie & Toepassing (T&T) over hun ervaringen. Vanwege het beperkte aantal gesprekken (n=42) zijn inzichten indicatief van aard, vooral als het gaat om verschillen tussen subgroepen. Vrijwel alle ondervraagde jongeren reageren positief op het idee van een nieuwe leerweg met een praktijkgericht programma. Het praktijkgericht programma kan op verschillende manieren inspelen op leerbehoeften van jongeren, die naar hun zeggen in het huidige vmbo onvoldoende worden vervuld. Dit onderzoek geeft inzicht in twee grote kansen. 

Het praktijkgericht programma kan inspelen op een sterke behoefte aan praktische vaardigheden

Jongeren hebben behoefte aan meer aandacht voor praktische vaardigheden binnen het vmbo-gtl, zoals zelfstandig werken, plannen, samenwerken en presenteren. Deze vaardigheden komen nu onvoldoende aan bod. Door gebrek aan ervaring met plannen en zelfstandig werken, geven jongeren die doorstromen naar de havo aan dat ze minder goed prioriteiten weten te stellen. Ze missen begeleiding van docenten. Door gebrek aan ervaring met samenwerken en presenteren, vinden met name mbo’ers het lastig om vorm te geven aan groepsopdrachten en vinden ze presenteren spannend. Jongeren zien toegevoegde waarde in een praktijkgericht programma, omdat ze denken dat dit soort vaardigheden een prominente rol krijgen binnen de praktijkgerichte opdrachten. Door vaker met deze vaardigheden aan de slag te gaan, doen ze ervaringen op die de overstap naar een vervolgopleiding kan vergemakkelijken. Ook zien ze het opdoen van deze vaardigheden in het algemeen als nuttig voor het toekomstige werkleven. 

Het praktijkgericht programma speelt in op LOB-behoeften van jongeren

Met betrekking tot loopbaanoriëntatie en begeleiding (LOB) op het voortgezet onderwijs kan onderscheid worden gemaakt tussen twee overkoepelende thema’s: het ontdekken van jezelf (Wat kan ik goed?) en het ontdekken van je toekomst (Hoe zie ik mijn toekomst?). Dit onderscheid baseren we op basis van inzichten uit voorgaande onderzoeken naar leerbehoeften van jongeren met betrekking tot LOB. In het huidige onderwijs vinden jongeren dat LOB-activiteiten vaak te veel op één van de twee thema’s gericht zijn. Volgens jongeren kan een nieuwe leerweg inspelen op de behoefte om deze thema’s samen te brengen, doordat alle leerlingen straks een praktijkgericht programma volgen. Door het praktijkgericht programma ontdekken ze bijvoorbeeld wat verschillende werkvelden inhouden en welke onderwerpen aan bod komen in het werkveld. Ook kunnen ze ontdekken of ze het leuk vinden om met soortgelijke opdrachten aan de slag te gaan in de toekomst, of juist helemaal niet. Tegelijkertijd geeft deze ervaring ook meer inzicht in hun eigen kwaliteiten. Toch staat het traject ook voor enkele uitdagingen, waar rekening mee moet worden gehouden bij de invulling van de nieuwe leerweg en de praktijkgerichte programma ’s. Daarom formuleren we hieronder drie concrete adviezen. 

De nieuwe leerweg vraagt om een duidelijk en overzichtelijk aanbod aan praktijkgerichte programma’s

Jongeren hebben behoefte aan bondige informatie over de verschillen tussen de praktijkgerichte programma’s en de inhoud van de werelden daarbinnen. Enerzijds willen jongeren zelf keuzes maken binnen de nieuwe leerweg. Anderzijds willen ze binnen het praktijkgerichte programma aan de hand genomen worden, omdat ze aan de start van de bovenbouw nog niet goed weten wat hen aanspreekt. Voor scholen ligt hierbij de uitdaging om te zoeken naar een goede balans tussen sturing vanuit de school/leraar en de autonomie van jongeren.  

Belang dat scholen in de praktijkgerichte programma’s een geleidelijke weg naar meer zelfstandigheid aanbieden

Een belangrijke voorwaarde bij het aanleren van die nieuwe vaardigheden, is een duidelijke opbouw van het praktijkgerichte programma. Jongeren hebben behoefte aan structuur en willen niet gelijk in het diepe gegooid worden. Het is daarom belangrijk dat scholen een stapsgewijze opbouw hanteren in de uitvoering van het praktijkgerichte programma. Begin laagdrempelig en help jongeren actief bij het maken van planningen en contact leggen met mensen buiten school. Geef jongeren bij elke volgende opdracht steeds iets meer vrijheid of verantwoordelijkheid. Op die manier bouwen jongeren zelfvertrouwen op in hun kwaliteiten en leren ze steeds meer eigen invulling geven aan een opdracht.  

Belang van een duidelijke omschrijving (frame) van de nieuwe leerweg

De nieuwe leerweg roept een aantal twijfels op. Zo maken jongeren zich zorgen over achteruitgang van het opleidingsniveau bij het samenvoegen van vmbo-gl en vmbo-tl. Jongeren denken dat vmbo-gl een lager niveau is dan vmbo-tl. Ook zet het frame ‘praktijkgericht’ ze op het verkeerde been: praktijkgericht betekent in hun ogen met de handen werken en associëren ze met vmbo-basis en vmbo-kader. Het is belangrijk om die twijfels in de communicatie rondom de nieuwe leerweg weg te nemen. Bijvoorbeeld door de term ‘praktijkgericht’ los te laten. Een tweede twijfel betreft de vraag of de nieuwe leerweg voldoende voorbereidt op de havo. Het is daarom belangrijk dat jongeren op voorhand inzicht krijgen hoe de nieuwe leerweg wél een goede voorbereiding kan vormen. Leg bijvoorbeeld nadruk op het aanleren van nuttige vaardigheden voor de havo en neem in communicatie de angst weg onvoldoende vakinhoudelijke kennis op te doen voor de havo.
Tot slot vraagt de nieuwe leerweg om een passende naam. Jongeren worstelen met de naamgeving. Enerzijds zijn ze positiever over mavo dan over vmbo: vmbo klinkt lager. Anderzijds vinden ze vmbo beter passen bij de inhoud van de nieuwe leerweg, want vanuit de nieuwe leerweg stromen de meeste jongeren door naar het mbo (en vmbo staat voor voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). De praktijkgerichte programma's focussen op toepassing van kennis en vaardigheden in de praktijk, waar mavo in de ogen van jongeren focust op theorie. Misschien moet de nieuwe leerweg een nieuwe naam krijgen en loskomen van het ‘oude’ vmbo en mavo. Een nieuwe naam zou kunnen focussen op de extra uitdaging die de nieuwe leerweg te bieden heeft, in een levensechte leeromgeving. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk? 

Voor de verdere ontwikkeling van de praktijkgerichte programma’s is het belangrijk om in te spelen op de sterke behoefte aan praktische vaardigheden én tegelijkertijd de praktijkgerichte programma’s loopbaangericht te maken.

Download het volledige onderzoek

>

Ontwikkeling van onderwijsarrangementen voor een succesvolle doorstroom vmbo-mbo-hbo

Jenniskens, T., Leest, B., Wolbers, M., Bremer, B., Bokdam, J., de Lange, M., Peters, M. (2021)

Een soepele doorstroom tussen vmbo, mbo en hbo is essentieel voor studiesucces, maar blijkt in de praktijk lastig te realiseren.

____________________________

De doorstroom in het beroepsonderwijs kent veel knelpunten bij de overgangen vmbo-mbo en mbo-hbo. Om deze aan te pakken is een praktijkgericht onderzoek opgezet door onderwijsinstellingen en onderzoekers. In designteams zijn onderwijsarrangementen ontwikkeld en getest om de aansluiting en loopbaanoriëntatie te verbeteren. Het onderzoek biedt inzicht en concrete, wetenschappelijk onderbouwde ideeën voor de LOB-praktijk.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Doorstroom in het beroepsonderwijs staat volop in de aandacht. Hoewel het Nederlandse onderwijssysteem goede mogelijkheden biedt voor stapsgewijs opstromen binnen de beroepskolom, zijn de problemen rondom succesvolle doorstroom groot. Overgangsmomenten in schoolloopbanen zijn kwetsbaar vanwege gebrek aan eenduidige verantwoordelijkheid vanuit de betrokken onderwijsinstellingen. Vanuit de behoefte maatwerk te leveren en regionaal samen te werken aan verbeterde doorstroom hebben drie onderwijsinstellingen (COG, Graafschap College en HAN) het initiatief genomen samen met onderzoekers van KBA, Oberon en HAN te komen tot dit onderzoeksvoorstel.

De volgende onderzoeksvragen staan centraal:

  1. Wat zijn binnen de betrokken onderwijsinstellingen geobserveerde knelpunten die de overgang vmbo-mbo en mbo-hbo bemoeilijken?
  2. Welke wetenschappelijke kennis is reeds voorhanden om deze knelpunten bij de overgang vmbo-mbo en mbo-hbo te verminderen?
  3. Hoe kan deze kennis vertaald worden naar succesvolle arrangementen die de doorstroom vmbo-mbo en mbo-hbo bij de betrokken instellingen bevorderen en waar moeten deze, indien nodig, na evaluatie worden bijgesteld?
  4. Welke bijdrage leveren de geïmplementeerde arrangementen aan het verminderen van de geobserveerde knelpunten binnen de betrokken onderwijsinstellingen?  

Het onderzoek bevat drie fasen. Fase 1 bestaat uit een analyse van de knelpunten (nulmeting) en het ontwerpen van onderwijsarrangementen vmbo-mbo-hbo door middel van designteams van docenten en onderzoekers. In fase 2 worden de ontworpen arrangementen als pilot ingevoerd in het onderwijs binnen de betrokken onderwijsinstellingen. In fase 3 vindt een verdere implementatie van de herontworpen arrangementen plaats. Door middel van een eindmeting wordt geëvalueerd in hoeverre de onderwijsarrangementen de eerder geconstateerde knelpunten hebben verminderd.

Voor dit praktijkgerichte onderzoeksproject, gesubsidieerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO), is ingezet op regionale samenwerking van vmbo-, mbo- en hbo instellingen om een betere verbinding in de beroepskolom te kunnen realiseren. Hiertoe is nadrukkelijk de samenwerking gezocht met docenten, die samen met onderzoekers aan de slag zijn gegaan in zogeheten designteams. Lopende initiatieven bij mbo- en hbo instellingen ter bevordering van doorstroom zijn vaak top-down georganiseerd. Door docenten en onderwijsmedewerkers die dicht bij studenten staan te betrekken in de aanpak van de aansluitingsproblematiek en bij het ontwikkelen van initiatieven, ontstaat een bottom-up aanpak die dicht bij de inhoud en de praktijk van de opleiding staat. Dit onderzoek heeft ingespeeld op deze behoefte door ruimte te bieden om initiatieven te ontwikkelen voor en door docenten en studenten, met oog voor wetenschappelijke kennis en de heersende beleidsmaatregelen. De toegepaste methode van design thinking is gebaseerd op de betrokkenheid van docenten en studenten. De methode borgt een aanpak waarin probleem analyse en evaluatie een belangrijke plaats innemen, om te komen tot verbeterde evidence-based aanpakken.

In dit onderzoeksproject zijn in schooljaren 2017/2018 tot en met 2020/2021 (uiteindelijk) vijf designteams van docenten en onderzoekers aan de slag gegaan: twee teams hebben zich gericht op de overgang vmbo-mbo en drie teams op de overgang mbo-hbo. Het onderzoek bestond in de praktijk uit vijf case studies, met een vergelijkbare aanpak (nl.: design thinking) en doelstelling (nl.: een arrangement ontwerpen gericht op bevordering van een soepele doorstroom), maar met elk hun eigen probleemanalyse en vraagstelling die leidde tot vijf uiteenlopende onderwijsarrangementen.  
Vijf teams van docenten en onderzoekers hebben aan de hand van de design thinking methode, met betrokkenheid van studenten, vijf doorstroominitiatieven ontworpen. Voor de overstap vmbo-mbo is een doorlopende leerlijn logistiek ontworpen en een beroepsoriëntatietraject voor vmbo-leerlingen, bestaande uit speeddates met beroepsbeoefenaars, een stagemarkt en een stage.
Voor de overgang mbo-hbo is een docentenuitwisselingsprogramma voor mbo- en hbo docenten ontwikkeld, een digitale ‘knapzak’ met instrumenten voor LOB voor docenten en een LOB-survivaldag voor tweedejaars mbo-studenten door hbo-studenten. Bij elk onderwijsarrangement is op passende wijze de pilot geëvalueerd en – waar mogelijk binnen de coronabeperkingen – een eindevaluatie uitgevoerd. 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het onderzoek geeft inzicht in knelpunten die er (kunnen) spelen bij de overgangen van vmbo-mbo en van mbo-hbo en bevat een ‘ideeënbron’ voor interventies en maatregelen ter bevordering van de doorstroom, welke is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur. Daarnaast geeft het rapport voorbeelden van arrangementen ter bevordering van de doorstroom en het studiekeuzeproces.

Ook interessant:

>