Praktijkvoorbeelden LOB

Expertisepunt LOB
< overzicht

Oplossingsrichtingen bij ongediplomeerde doorstroom havo-mbo

De overstap van havo 4 naar mbo 4 is voor veel leerlingen geen bewuste keuze, maar met tijdige oriëntatie, goede begeleiding en een warme overdracht kan deze route beter aansluiten bij hun behoeften en kansen.

____________________________

Steeds meer leerlingen maken zonder havodiploma de overstap naar mbo 4. Uit onderzoek van Marieke van Meerten blijkt dat deze overgang vaak laat op gang komt en nog regelmatig wordt gezien als afstroom. Volgens haar helpt het om leerlingen en ouders al eerder te informeren over de mogelijkheden van het mbo, het mbo als volwaardige onderwijsroute te presenteren en te investeren in een warme overdracht tussen vo en mbo. Zo kunnen leerlingen beter voorbereid een passende vervolgstap maken.

____________________________

“Het gaat er niet om dat je leerlingen naar het mbo moet sturen, maar dat je de route zichtbaar maakt.”

 

De overstap van havo 4 naar mbo 4 wordt nog te vaak gezien als afstroom. Dat beeld doet geen recht aan de mogelijkheden die deze route biedt en kan een goede begeleiding van leerlingen in de weg staan, stelt onderzoeker Marieke van Meerten. In opdracht van het Samenwerkingsverband Amsterdam/Diemen onderzocht zij hoe scholen en andere betrokkenen, leerlingen beter kunnen begeleiden bij deze overstap. Uit haar onderzoek blijkt dat er al veel mogelijkheden zijn voor voorlichting en begeleiding, maar dat leerlingen, ouders en professionals deze niet altijd weten te vinden. Een warme overdracht, betere voorlichting en een realistischer beeld van de verschillende onderwijsroutes kunnen volgens Marieke helpen om de overstap beter te laten aansluiten bij de leerling.

De aanleiding voor het onderzoek
De aanleiding voor het onderzoek is de sterke toename van het aantal havisten dat zonder havodiploma de overstap naar het mbo maakt. “Waar het eerder ongeveer één op de twintig havisten was, gaat het inmiddels om ongeveer één op de tien. Dat riep de vraag op: wat gebeurt hier en hoe kunnen we deze overstap beter begeleiden?”

Die overstap is kwetsbaar. Leerlingen die zonder startkwalificatie naar het mbo gaan, lopen daar opnieuw risico op uitval. Daarom keek het onderzoek niet alleen naar de cijfers, maar vooral naar de ervaringen en behoeften van leerlingen en professionals. “Wat speelt er, waar lopen zij tegenaan en wat kan helpen?”

Het onderzoek richtte zich vooral op havo 4-leerlingen die zonder diploma de overstap naar het mbo maken. Zij vormen de grootste groep binnen deze ongediplomeerde doorstroom. Leerlingen die bewust voor het mbo kiezen, zijn buiten beschouwing gelaten.

De overstap naar mbo is vaak geen bewuste keuze
De uitkomsten van het onderzoek richten zich dus met name op de groep leerlingen die meestal niet bewust voor het mbo kiezen. “Een relatief klein deel, naar schatting 15% van deze leerlingen, kiest zelf heel bewust voor het mbo. Voor de meerderheid is de overstap dus iets wat moet gebeuren. “Zo kan de overgang naar havo 4 moeizaam zijn verlopen, hebben leerlingen soms al een keer gedoubleerd of spelen motivatie-, verzuim- of zelfstandigheidsproblemen een rol. Ook accepteren zij vaak pas laat in het schooljaar dat de havo mogelijk niet haalbaar is.

Dat maakt de timing van de begeleiding belangrijk. Scholen signaleren vaak al vanaf november of december dat een leerling mogelijk de havo niet gaat halen. Toch staat een leerling dan vaak nog niet open voor een gesprek over het mbo. “Zolang de havo nog binnen bereik is, wil een leerling daar helemaal niet aan denken. En dat is begrijpelijk. Een aanzienlijk deel van de leerlingen in de gevarenzone haalt het uiteindelijk toch.”

Daardoor komt de begeleiding voor sommige leerlingen pas laat op gang. Veel open dagen en andere oriëntatiemomenten zijn dan al geweest en de overstap kan voelen als iets wat moet, in plaats van als een volwaardige keuze.

Eerder beginnen met oriënteren
Volgens Marieke begint een betere begeleiding daarom al in havo 3. “Je moet leerlingen dan al vertellen: je kunt naar havo 4, maar met een overgangsbewijs voor havo 4 kun je ook naar het mbo. Het gaat er niet om dat je leerlingen naar het mbo moet sturen, maar dat je de route zichtbaar maakt.”

Ook ouders moeten volgens haar eerder worden meegenomen. Leerlingen en ouders hebben vaak geen realistisch beeld van wat een mbo-opleiding biedt, welke mogelijkheden er daarna zijn en hoe die route zich verhoudt tot doorstromen binnen het havo.

Het onderzoek laat bovendien zien dat een uitgebreid programma niet automatisch de oplossing is. Bestaande begeleiding bereikt vooral leerlingen die al gemotiveerd zijn. Juist leerlingen die nog hopen de havo te halen, zijn moeilijker te bereiken. Een voorbeeld uit Twente laat volgens Marieke zien dat het kan helpen om leerlingen niet meteen voor één route te laten kiezen. Daar kunnen leerlingen in een combinatie van mbo-4 en vavo werken aan zowel hun havodiploma als een mbo-route.

Ook de ontwikkeling van de praktijkgerichte havo (havo-p) kan een rol spelen. Veel scholen zijn inmiddels met deze leerroute gestart. Met de huidige subsidie kunnen scholen een extra vak aanbieden. Leerlingen krijgen daarmee meer mogelijkheden om resultaten te compenseren, wat naar verwachting het aantal doublures kan helpen verminderen.

Het mbo als volwaardige route
Ook het beeld van het mbo als afstroomroute speelt een belangrijke rol. “Veel leerlingen en ouders denken nog steeds: havo betekent hbo. Het mbo wordt dan gezien als een stap terug. Terwijl mbo voor sommige leerlingen juist een opleiding en leeromgeving kan zijn waarin ze beter tot hun recht komen en waarbij ze nog steeds de mogelijkheid houden om daarna naar het hbo te gaan”

Volgens Marieke vraagt dat om een andere manier van voorlichten en begeleiden. Het mbo zou niet pas in beeld moeten komen wanneer een leerling dreigt te zakken, maar eerder als één van de mogelijke onderwijsroutes.

Een warme overdracht maakt verschil 
Een belangrijk aandachtspunt uit het onderzoek is een warme overdracht tussen het voortgezet onderwijs en het mbo. In het vo is vaak veel bekend over een leerling: wat zijn sterke kanten zijn, waar die tegenaan loopt en welke begeleiding al is geboden. 

“Het hoeft niet ingewikkeld te zijn. Het belangrijkste is dat de ontvangende opleiding weet wie de leerling is en wat nodig is om die een goede start te laten maken.”

Die begeleiding stopt bovendien niet bij de inschrijving. Vooral de eerste dagen en weken op het mbo zijn belangrijk. Een goede intake, duidelijke informatie over de opleiding en weten waar een leerling terechtkan met vragen kunnen helpen om de overstap soepeler te laten verlopen. Ook oud-leerlingen kunnen daarbij een rol spelen. Zij kunnen vanuit hun eigen ervaring laten zien welke mogelijkheden de route van havo naar mbo biedt.

Er is al veel, maar het is niet altijd vindbaar
Volgens Marieke is er vanuit het mbo al veel aanbod  voor leerlingen en professionals: van voorlichting en proefstuderen tot studiekeuzetesten en ouderavonden. Het probleem is vooral dat dit aanbod niet altijd wordt gevonden. 

Daarom wordt binnen het Samenwerkingsverband gewerkt aan een toolkit en een routeplanner die professionals snel inzicht moeten geven in de verschillende routes en beschikbare ondersteuning. “We hoeven niet steeds iets nieuws te bedenken. De vraag is vooral: hoe zorgen we ervoor dat het bestaande aanbod daadwerkelijk wordt gevonden en gebruikt?”

Uiteindelijk vraagt een betere overstap om nog meer samenwerking tussen het vo en mbo, en vooral eerder in de schoolloopbaan van de leerling. Volgens Marieke kunnen scholen en instellingen daar nu al stappen in zetten. “Het gaat vooral om eerder informeren, beter samenwerken en zorgen voor een warme overdracht.”

De belangrijkste boodschap uit het onderzoek is daarmee dat de overstap naar het mbo niet pas moet beginnen wanneer een leerling de havo niet haalt. Door al eerder te informeren, het mbo als volwaardige route zichtbaar te maken en de overdracht tussen scholen beter te organiseren, kunnen leerlingen en ouders beter voorbereid een keuze maken.

Het onderzoek
Het onderzoek van Marieke van Meerten brengt de perspectieven van betrokken stakeholders in kaart en vertaalt deze naar mogelijke oplossingsrichtingen. Voor het onderzoek zijn meer dan 50 interviews afgenomen met betrokkenen uit drie groepen binnen het Amsterdamse onderwijs: professionals uit het vo, professionals uit het mbo en (oud)studenten die de overstap van havo naar mbo maakten. Hiervoor werden tien (oud) studenten geïnterviewd door studenten Toegepaste Psychologie van de Hogeschool van Amsterdam.

Download hieronder het hele onderzoek.