Onderzoeksrapport Sondervick College versie 2
Auteur: Ana Blanco, Praktijkorganisatie: Sondervick College
Praktijkbegeleider: Sandra Stals
Schoolbegeleider: Joske van der Vorst
Goede loopbaanoriëntatie helpt jongeren niet alleen ontdekken wat bij hen past, maar ook welke opleidingen en beroepen toekomstperspectief bieden.
____________________________
Arbeidsmarktprognoses bieden waardevolle inzichten in toekomstige kansen en tekorten op de arbeidsmarkt, al blijven voorspellingen voor de lange termijn onzeker. Vooral in sectoren als techniek, ICT, onderwijs, zorg en veiligheid worden de komende jaren knelpunten verwacht. Daarnaast blijkt dat arbeidsmarktinformatie leerlingen helpt een realistischer beeld te ontwikkelen van beroepsmogelijkheden en arbeidsmarktkansen. Jongeren die deze informatie ontvangen, passen hun verwachtingen vaker aan en kiezen vaker voor opleidingen en beroepen met gunstige arbeidsmarktperspectieven.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Dit onderzoeksrapport is opgezet naar aanleiding van een vraagstuk met betrekking tot de loopbaancompetenties van leerlingen. In het eerste jaar aan de gekozen vervolgopleiding na de middelbare school valt ongeveer een op de drie leerlingen uit. Dit percentage is voor een groot deel terug te herleiden naar het maken van een “verkeerde” studiekeuze. Met name leerlingen die doorstromen van de havo naar het HBO kennen een groot uitval percentage. Dit geldt ook voor de leerlingen die de havo hebben gevolgd aan het Sondervick College. Het maken van de “verkeerde” studiekeuze is onder andere terug te herleiden naar een LOB-programma op de middelbare school die niet optimaal heeft gefunctioneerd.
Hoofdvraag: In hoeverre beschikken de leerlingen in Havo 5 van het Sondervick College over de loopbaan competenties van Kuijpers (2003) en wat is er volgens de leerlingen nodig om de loopbaancompetenties beter te ontwikkelen?
Op het moment dat de leerlingen uit havo 5 hoger scoren dan een 3,5 op de loopbaancompetenties samen beschikken ze volgens Meijers, Kuijpers en Bakker (2006) goed over de loopbaancompetenties. Echter blijkt dat maar 1,62% van de respondenten hoger scoort dan een 3,5. De gemiddelde score op de loopbaancompetenties is 2,5 wat een matige score op de loopbaancompetenties is. Dit suggereert dat het grootste deel van de leerlingen uit havo 5 matig beschikken over de loopbaancompetenties van Kuijpers (2003).
Ook is er gekeken naar de scores tussen de gekozen profielen. Opvallend is dat de natuur profielen lager scoren dan de cultuur profielen. De natuurprofielen beschikken volgens Meijers, Kuijpers en Bakker (2006) weinig over de loopbaancompetenties en de cultuur profielen matig. Met name het profiel N&T scoort lager ten opzichte van de andere profielen. Zij hebben een gemiddelde score van 2,24. Dit suggereert dat de leerlingen met een N&T profiel meer moeite ondervinden met de ontwikkeling van de loopbaancompetenties in vergelijking met de andere profielen. Het profiel E&M heeft met een gemiddelde score van 2,58 het hoogste gescoord op de loopbaancompetenties. Dit kan erop wijzen dat de leerlingen met een E&M profiel meer beschikken over de loopbaancompetenties dan de andere profielen.
Daarnaast scoren de jongens met een gemiddelde van 2,60 hoger op de loopbaancompetenties dan de meisjes met een gemiddelde van 2,44. De respondenten die geen uitspraak wilden doen over het geslacht scoren relatief het laagste met een 2,34. Dit kan erop wijzen dat de jongens uit havo 5 meer beschikken over de loopbaancompetenties dan de meisjes.
De resultaten wijzen erop dat de leerlingen van havo 5 meer behoefte hebben aan praktijkopdrachten. Hiermee wordt bedoeld leren door te doen en te ervaren in plaats van opdrachten over de eigen kwaliteiten te maken achter de computer. Dit draagt volgens de resultaten uit de interviews mogelijk bij aan de ontwikkeling van kwaliteitenreflectie. Daarnaast komt naar voren dat de leerlingen vaker op bezoek willen gaan bij bedrijven om zo een breder beeld te krijgen van de mogelijkheden en te ervaren in de praktijk. Dit bevordert mogelijk de competentie loopbaanvorming. Ook suggereren de resultaten dat de leerlingen uit havo 5 nog niet echt bewust bezig zijn met hun netwerk.
Leerlingen geven aan nog niet echt bezig te zijn met netwerken. Ook ervaren de leerlingen mogelijk een drempel om mensen te benaderen en om hulp te vragen. Dit geldt voor mensen uit hun netwerk maar ook bij docenten en de decaan. Uit de resultaten komt naar voren dat de leerlingen het prettig vinden om vanuit het LOB-programma meer bewustwording te krijgen in het eigen netwerk. Daarnaast missen de leerlingen mogelijk betrokkenheid vanuit de mentoren naar henzelf en naar het LOB-proces.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Op basis van dit onderzoek is het interessant om verder in te gaan op de begeleiding die de leerlingen krijgen vanuit de mentor ten aanzien van LOB. De respondenten hebben aangegeven dat de mentoren vaak niet goed weten hoe ze loopbaangesprekken moeten voeren, maar ook weinig betrokken zijn bij het LOB-proces van de leerlingen. Een onderzoek naar de betrokkenheid van docenten zou daarom een interessante aanvulling zijn op dit onderzoek. Ook komt in de literatuur regelmatig terug dat de ouders ook een grote rol spelen bij het maken van een studiekeuze. Mogelijk kan in de toekomst de rol van ouders ook worden meegenomen in het onderzoek.



