Een onverwacht valse start op de arbeidsmarkt
Henri Bussink, Tobias Vervliet & Bas ter Weel (SEO Economisch Onderzoek)
Suzan de Winter-Koçak & Inti Soeterik (Verwey-Jonker Instituut)
De overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt laat zien dat economische schommelingen kansen kunnen beïnvloeden, maar ongelijkheid tussen groepen blijft bestaan.
____________________________
Hoewel de baankansen van jongeren na de coronapandemie gemiddeld zijn hersteld, zijn verschillen tussen groepen juist groter geworden. Met name jongeren met een lagere opleiding, een migratieachtergrond of gezondheidsbeperkingen hebben meer moeite om werk te vinden. Factoren zoals beperkte netwerken, minder kansen en moeilijke startomstandigheden spelen hierin een rol. Het onderzoek benadrukt dat gerichte begeleiding en bewuste opleidingskeuzes belangrijk zijn om deze ongelijkheid te verkleinen en de overgang naar werk te verbeteren.
____________________________
Samenvatting van het onderzoek
Tijdens de coronapandemie zijn de gemiddelde baankansen van starters na een dip in 2020 hersteld. De kansenongelijkheid tussen groepen jongeren bij de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt is wel toegenomen. De baankansen van jongeren zonder startkwalificatie, met maximaal een mbo-2-opleiding, met een migratieachtergrond of met gezondheidsbeperkingen, zijn vijftien maanden na uitstroom lager dan voor de coronapandemie. Het zijn vooral contactbeperkende maatregelen die jongeren belemmeren in hun zoektocht naar werk, wat bij sommige groepen een beroep doet op hun mentale veerkracht.
Een onverwacht valse start op de arbeidsmarkt
Jongeren die vlak voor of tijdens de coronapandemie de arbeidsmarkt opkomen beleven een onverwacht valse start, maar hun gemiddelde baankansen lijken inmiddels hersteld. Het gaat om de kans op een substantiële baan: een baan van minimaal drie dagen per week (of een combinatie van banen die optellen tot minimaal drie dagen per week). Figuur S.1 laat deze ontwikkelingen zien door op de horizontale as de maanden na instroom op de arbeidsmarkt weer te geven. Op de verticale as staat de gemiddelde baankans (in procenten) van elk uitstroomcohort weergegeven. In oktober is de kans op een substantiële baan nog relatief laag (55 tot 60 procent), omdat de meeste jongeren dan net op zoek naar werk zijn. In de daaropvolgende maanden neemt het aandeel jongeren met een substantiële baan geleidelijk toe.
Uitstromers vlak voor de coronapandemie
Jongeren die vlak voor de coronapandemie de arbeidsmarkt opkomen (uitstroomcohort 2018-2019) hebben vooral last van de eerste lockdown, maar zien hun baankansen daarna snel herstellen. Door de krappe arbeidsmarkt hebben zij in het eerste half jaar na uitstroom uit het onderwijs nog een hogere kans op een substantiële baan dan startende jongeren in voorgaande jaren (uitstroomcohorten 2016-2017 en 2017-2018). Na een half jaar (maart 2020) worden zij onverwacht geconfronteerd met een lockdown als gevolg van de coronapandemie in Nederland. Deze eerste lockdown (maart-juni 2020) heeft maatschappelijke en economische gevolgen die doorwerken op de arbeidsmarkt. In deze periode nemen de gemiddelde baankansen van deze groep jongeren dan ook relatief sterk af. Vanaf de eerste versoepelingen in juni 2020 (9 maanden na uitstroom) herstellen hun gemiddelde baankansen ook weer snel. In december 2020 (15 maanden na uitstroom) zijn deze kansen zelfs hersteld tot op het niveau van voor de coronapandemie. Uitstromers tijdens de coronapandemie Jongeren die tijdens de coronapandemie de arbeidsmarkt opkomen (uitstroomcohort 2019-2020) hebben kort last van de tweede lockdown, maar zien hun baankansen daarna snel toenemen. Zo hebben zij vanaf hun start op de arbeidsmarkt een lagere kans op een substantiële baan dan startende jongeren in voorgaande jaren (uitstroomcohorten 2016-2017 en 2017-2018). Na drie maanden (december 2020) worden zij ook nog eens geconfronteerd met de tweede lockdown in Nederland. In deze maand zien zij hun gemiddelde baankansen dan ook verder verslechteren, maar in de maanden daarna zette een krachtig herstel in. Zo zijn de gemiddelde baankansen van deze groep jongeren in juni 2021 (9 maanden na uitstroom) volledig hersteld en liggen deze in december 2021 (15 maanden na uitstroom) zelfs boven het niveau van voor de coronapandemie.
Toename kansenongelijkheid op de arbeidsmarkt
Het lijkt er dus op dat de coronapandemie alleen een tijdelijke invloed heeft gehad op de gemiddelde baankansen van startende jongeren. Inmiddels zijn hun kansen op de arbeidsmarkt vijftien maanden na afstuderen zelfs hoger dan in de jaren voorafgaand aan de pandemie. De huidige krapte op de arbeidsmarkt speelt hierbij waarschijnlijk een rol, waardoor er mogelijk meer vraag naar werkenden is (dus ook afgestudeerden). Deze cijfers geven echter slechts een overkoepelend en gemiddeld beeld voor alle startende jongeren, maar geen inzicht in welke groepen harder zijn geraakt en nog altijd minder kansen op de arbeidsmarkt hebben dan voor de coronapandemie. Uit verdiepende analyses blijkt dat jongeren zonder startkwalificatie, jongeren met maximaal een mbo-2-opleiding, jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond en jongeren met een gezondheidsbeperking sowieso al relatief lagere baankansen hebben en dat deze kansen ook relatief minder herstellen. De kansenongelijkheid tussen groepen jongeren bij de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt is dus tijdens de coronapandemie toegenomen.
Ongelijkheid tussen opleidingsniveaus
De ongelijkheid in baankansen vijftien maanden na uitstroom is tussen jongeren met een hbo- of wodiploma en jongeren zonder startkwalificatie met 2,4 procentpunt (uitstroomcohort 2018-2019) en 0,9 procentpunt (uitstroomcohort 2019-2020) toegenomen ten opzichte van uitstroomcohort 20162017. De toename van de ongelijkheid in baankansen tussen jongeren met een hbo- of wo-diploma en jongeren met een mbo-diploma varieert tussen de 1 en 4 procentpunt voor uitstroomcohorten 2018-2019 en 2019-2020. Vooral voor jongeren met maximaal een mbo2-diploma is het relatieve verschil ten opzichte van hoger opgeleiden vergroot (2,7 tot 4 procentpunt). Ook voor jongeren met een mbo-bol-diploma is dit relatieve verschil voor cohort 2018-2019 vergroot (2,6 tot 4 procentpunt), maar is deze voor cohort 2019-2020 alweer minder toegenomen (1 tot 2,7 procentpunt).
Ongelijkheid naar geslacht, migratieachtergrond en gezondheidsbeperkingen
De ongelijkheid in baankansen vijftien maanden na uitstroom is tussen jongeren met een Nederlandse achtergrond en een niet-westerse migratieachtergond met 1,7 procentpunt (uitstroomcohort 2018-2019) en 2,6 procentpunt (uitstroomcohort 2019-2020) toegenomen ten opzichte van uitstroomcohort 2016-2017. Voor jongeren met lichamelijke en/of mentale gezondheidsbeperkingen is het relatieve verschil in baankansen alleen voor uitstroomcohort 20192020 vergroot (1,4 procentpunt). Tot slot is de ongelijkheid in baankansen tussen mannen en vrouwen juist afgenomen met 2,5 procentpunt (uitstroomcohort 2018-2019) en 1,6 procentpunt (cohort 2019-2020) ten opzichte van uitstroomcohort 2016-2017.
Afname uitstroom uit het onderwijs
Het aantal jongeren dat jaarlijks vanuit het onderwijs de arbeidsmarkt opstroomt is na een stijging in de afgelopen jaren tijdens de coronapandemie afgenomen: respectievelijk 22 duizend en 15 duizend jongeren in 2020 en 2021. De daling lijkt vooral zichtbaar onder jongeren zonder startkwalificatie en jongeren met maximaal een mbo-bolopleiding. De uitstroom van andere groepen jongeren is vrijwel gelijk gebleven aan die van eerdere cohorten. De daling in de uitstroom ontstaat zowel door minder studie-uitval (jongeren die vroegtijdig met hun opleiding stoppen en/of geen startkwalificatie hebben) als doordat minder jongeren met een diploma de arbeidsmarkt opkomen.
Minder studie-uitval ontstaat als jongeren vanwege de onzekere situatie op de arbeidsmarkt besluiten om langer in het onderwijs te blijven en alsnog hun diploma behalen. Daarnaast kan meespelen dat onderwijsinstellingen tijdens de eerste periode van de coronapandemie, waarin beperkt fysiek onderwijs is verzorgd, minder streng zijn geweest wanneer jongeren onvoldoende studiepunten hebben behaald om door te kunnen stromen naar het volgende jaar. De toekomst moet uitwijzen of jongeren die langer in het onderwijs blijven erin slagen om een diploma te behalen of dat zij de komende jaren alsnog voortijdig met hun opleiding stoppen. Langer doen over het behalen van een diploma als gevolg van de coronapandemie ontstaat als vereiste stages of leerwerkbanen niet door kunnen gaan of vanwege de beperkingen van het online onderwijs. Doorstuderen en het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden in een ongunstige arbeidsmarkt zijn mogelijk het gevolg van een afweging tussen de kosten en baten van een jaar extra onderwijs en het verwachte toekomstige inkomen.
Grotere uitdagingen bij zoektocht naar werk tijdens lockdowns
Uit verdiepende interviews met jongeren die tijdens de coronapandemie de arbeidsmarkt opkomen blijkt dat zij gedurende lockdowns hebben ervaren dat er weinig tot geen vacatures beschikbaar zijn en beloftes van betaalde aanstellingen tijdens stages niet zijn ingelost vanwege lockdowns. Daarnaast worden zij door coronamaatregelen beperkt in hun zoekstrategieën, zo zijn de mogelijkheden om fysiek te netwerken tijdens een lockdown nihil. De combinatie van werkzoekend zijn, veel afwijzingen krijgen, minder contact met vrienden en familie en beperkingen in vrijetijdsbesteding valt jongeren zwaar. Iets meer dan de helft van de geïnterviewde jongeren geeft begin 2021 aan last te hebben van negatieve gedachten, somberheid, piekeren, stress, motivatieproblemen, zorgen over de toekomst en eenzaamheid.
Begin 2022 heeft driekwart van de jongeren een baan gevonden die passend is bij hun opleidingsniveau en - richting. De meeste jongeren vinden hun baan door gebruik te maken van hun netwerk, wat door het afschaffen van de coronamaatregelen weer mogelijk is. In retrospectief geeft het overgrote deel van de jongeren echter wel aan dat ze meer ondersteuning hadden gewild bij de overstap van het onderwijs naar de arbeidsmarkt. Ze hebben vooral de voorbereiding vanuit het onderwijs gemist. Ook hebben ze behoefte aan “iemand” die met hen mee kan kijken tijdens de zoektocht naar werk, bijvoorbeeld door te wijzen op nieuwe mogelijkheden en sectoren. Tegelijkertijd hebben jongeren weinig kennis over de organisaties en instantie die deze vorm van ondersteuning zouden kunnen bieden.
Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?
Het onderzoek onderstreept het belang van de opleidingskeuze (zowel opleidingsniveau en-richting als leerweg) om een kansrijke positie op de arbeidsmarkt te verwerven (en te behouden als het economisch tegenzit, zoals tijdens de coronapandemie). Startende jongeren geven aan behoefte te hebben aan meer (proactieve) ondersteuning (met name vanuit de opleiding) bij de overstap van het onderwijs naar de arbeidsmarkt. De LOB-praktijk kan daarom inzetten op het sturen van kansrijke opleidingskeuzes en het bieden van proactieve begeleiding voor een duurzame overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt.



