LOB-onderzoeksbank

Expertisepunt LOB
< overzicht

Een goed gesprek over de toekomst. Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes op het vmbo en het mbo

Petit, R., Brouwer, P. & Meijer, J. (2018)

Ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes blijkt effectief te versterken met kleine, gerichte interventies in plaats van grote programma’s.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat eenvoudige thuisopdrachten leerlingen en ouders stimuleren om samen in gesprek te gaan over studiekeuzes. Deze gesprekken worden als waardevol ervaren en dragen bij aan meer inzicht in kwaliteiten en keuzes, al zijn de effecten op andere aspecten beperkt. Grootschalige en tijdrovende vormen van ouderbetrokkenheid blijken minder haalbaar, terwijl kleine, laagdrempelige opdrachten juist goed werken. Daarbij is een goede implementatie en samenwerking binnen het schoolteam essentieel om het succes te vergroten.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Scholen voor vmbo en mbo ontwikkelden samen met onderzoekers een programma om ouders te betrekken bij de studie-en beroepskeuze van hun kind. Via huiswerkopdrachten die leerlingen met ouders thuis maken wordt het gesprek over loopbaankeuzes gestimuleerd. Het onderzoek laat bescheiden positieve effecten zien. 
Scholen voor vmbo en mbo in de regio Utrecht namen deel aan praktijkgericht onderzoek. De vraag van de scholen stond centraal: het ontwerpen en onderzoeken van een programma om ouders te betrekken bij de studie- en beroepskeuze van hun kind. Het consortium heeft drie op het LOBcurriculum aansluitende huiswerkopdrachten ontwikkeld.
Zowel leraren, ouders als leerlingen hebben het programma aardig positief gewaardeerd. Leerlingen en ouders voerden goede gesprekken thuis over de studie- en beroepskeuze. Leerlingen vonden het prettig om de mening van ouders te horen over hun kwaliteiten. Er waren ook leerlingen voor wie de betrokkenheid van ouders weinig meerwaarde had, bijvoorbeeld omdat het programma van start ging nadat zij al keuzes hadden gemaakt. Voor mbo opleidingen die heel specifiek opleiden voor een beroep was het programma soms te algemeen en te weinig gericht op het verder verfijnen van de keuze binnen de al gekozen beroepsrichting.
De invoering van het programma verliep wel moeizaam, onder andere door vele personele wisselingen binnen de scholen. Dit onderstreept het belang om bij een dergelijke vernieuwing het hele team te betrekken en niet slechts enkele enthousiaste individuen. Korte (minder tijdrovende) en weinig talige opdrachten werkten goed. Het gaat er vooral om dat de opdrachten stimuleren dat leerlingen thuis met ouders gesprekken voeren over loopbaankeuzes. Met herhaalde metingen is de effectiviteit onderzocht van het programma op de attitude van leerlingen ten aanzien van de studie- en beroepskeuze, de activiteiten die zij hebben ondernomen, loopbaancompetenties en de mate waarin zij zeker zijn over hun beroepskeuze. Er bleek een effect te zijn op het vermogen om sturing te geven aan de eigen loopbaan (één van de loopbaancompetenties). Bij de overige onderzochte variabelen is er geen aanwijzing gevonden voor een effect. Wel bleek het verband tussen de invloed van de omgeving (waaronder ouders) en de loopbaancompetenties bij leerlingen die hebben deelgenomen aan het programma, na het programma sterker te zijn geworden. Of dit een gevolg is van het programma kunnen we niet met zekerheid zeggen, maar dit resultaat in combinatie met de uitkomst van de gesprekken stemt wel hoopvol dat de doelstelling is bereikt om de rol van ouders bij de studie- en beroepskeuze te versterken.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Een belangrijk inzicht uit het onderzoek is dat ouderbetrokkenheid bij loopbaankeuzes niet groots en tijdrovend hoeft te zijn voor scholen.  Kleine opdrachten die leerlingen thuis met ouders uitvoeren brengen gesprekken thuis op gang die veel kunnen opleveren in het loopbaankeuzeproces. Ook voor ouders is tijd een factor van belang. Deelnemen aan meerdere bijeenkomsten op school bleek voor ouders te tijdrovend te zijn en ook docenten kregen dit organisatorisch moeilijk geregeld. Een beperkte tijdsinvestering en laagdrempelige deelname door ouders met thuisopdrachten bleek wel goed haalbaar en bovendien nuttig te zijn.

In het project zijn drie thuisopdrachten ontwikkeld, onderzocht en beschikbaar gemaakt voor het vmbo en mbo. Deze opdrachten kunnen scholen gebruiken en eventueel aanpassen aan de eigen leerling populatie en context. Zeker voor het mbo is het aan te raden om de opdrachten toe te spitsen op de gekozen beroepsrichting en de fase waarin studenten zich bevinden in het beroepskeuzeproces. Voor het vmbo lijken de opdrachten in huidige vorm te volstaan, maar is wel het moment waarop deze worden ingezet van belang. Of dit het beste past in het derde of vierde leerjaar of verspreid over alle leerjaren hangt af van het LOB-curriculum en dit verschilt dit per school.  

Een ander inzicht is dat veel tijd nodig is om een nieuw programma te implementeren in het onderwijs zodat dit een samenhangend geheel vormt met LOB-lessen en docenten het zichzelf eigen kunnen maken. Experimenteren en evalueren zijn hierbij van belang.  Een aanbeveling voor scholen is om vroeg genoeg te starten en met het hele team zodat teamleden meedenken en mee ontwikkelen aan het programma in het belang van een goed resultaat en eigenaarschap.

Tot slot is goed te bedenken dat de bijdrage die ouders kunnen leveren aan het studie- en beroepskeuzeproces van hun kind enorm kan verschillen. Als ouders weinig kunnen bijdragen, is het des te belangrijker dat de school goede loopbaanoriëntatie en -begeleiding biedt. En zo mogelijk voor deze leerlingen nog iets meer.