LOB-onderzoeksbank

Expertisepunt LOB
< overzicht

Dynamics in higher education choice

Vulperhorst, J.P., Rijst, R.M. van der, Akkerman, S.F. (2019)

Studiekeuzes worden gevormd in een dynamisch proces waarin interesses en opleidingsmogelijkheden elkaar voortdurend beïnvloeden.

____________________________

Het onderzoek laat zien dat jongeren hun interesses afwegen in relatie tot wat studieprogramma’s mogelijk maken. Daarbij bewegen zij voortdurend tussen wat ze willen en wat praktisch haalbaar is binnen opleidingen. Tijdens dit proces veranderen interesses regelmatig door de informatie en ervaringen die opleidingen bieden. Studiekeuze blijkt daarmee geen lineair maar een iteratief proces, waarin verkennen en bijstellen centraal staan.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Interesses van jongeren staan centraal in het maken van een studiekeuze. Jongeren hebben vaak meerdere interesses waarmee ze een toekomst voor zich zien en zij moeten daarom hun interesses afwegen. Vanuit een interesse-naar-programma perspectief overwegen jongeren welke interesses ze het liefste in een programma zouden willen volgen. Jongeren zijn echter niet vrij om alle interesses te combineren en te volgen die ze willen, aangezien dit ook binnen de bestaande structuur van studieprogramma’s mogelijk moet zijn. Zij moeten daarom ook redeneren vanuit een programma-naar-interesse perspectief om te kijken hoe specifieke programma’s het volgen van overwogen interesses wel of niet mogelijk maken. Om een uiteindelijke keuze te maken met welke interesses ze verder willen in welk programma, moeten jongeren proberen beide perspectieven af te stemmen. Dit leidt tot een proces waarbij de overwogen interesses van jongeren feed forwarden naar welke programma’s zij overwegen (vanuit een interesse-naar-programma perspectief) en waarbij de bekeken programma’s feedback geven op de overwogen interesses van jongeren (vanuit een programma-naar-interesse perspectief). De huidige studie geeft meer inzicht in hoe jongeren precies beide perspectieven afstemmen. Ten eerste focussen we op de specifieke overwegingen die jongeren hebben om wel of niet een interesse te willen volgen in hun toekomst om meer inzicht te geven in hoe zij interesses afwegen vanuit beide perspectieven. Ten tweede focussen we in meer detail op wat voor manieren de interesses van jongeren tijdens het studiekeuzeproces kunnen veranderen door feedback van programma’s, aangezien nog weinig onderzoek heeft gefocust op hoe interesses kunnen veranderen tijdens studiekeuzeproces.  

Methode
Om de overwegingen van jongeren tijdens het studiekeuzeproces en de feedback van programma’s op interesses te achterhalen zijn twintig interviews met 6 vwo-leerlingen uitgevoerd. In de interviews hebben we open gevraagd naar welke programma’s en interesses jongeren overwogen om te volgen in de toekomst (e.g. kan je me meer vertellen over programma’s die je hebt overwogen voor volgend jaar?). Antwoorden van jongeren hebben we thematisch geanalyseerd om te identificeren welke overwegingen jongeren hadden om juist wel of niet voor bepaalde interesses te kiezen in hun toekomst en in welke gevallen de feedback van programma’s de overwogen interesses van jongeren konden veranderen. 

Resultaten
We vonden dat jongeren vier verschillende overwegingen hadden om voor bepaalde interesses in hun toekomst te gaan. Ten eerste vonden we vanuit een interesse-naar-programma perspectief dat jongeren overwogen met welke interesses ze een academische toekomst voor zich zagen en welke interesses ze liever wilden continueren buiten een studieprogramma. Ten tweede vonden we vanuit een interesse-naar-programma perspectief dat jongeren interesses contrasteerden om zo te bepalen welke interesses het belangrijkste voor hen zijn om te continueren in hun toekomst. Daarbij vonden we dat jongeren interesses proberen te integreren (e.g. biologie en scheikunde in biochemie), om zo met meerdere belangrijke interesses verder te kunnen. Ten derde vonden we dat jongeren vanuit een programma-naar-interesse perspectief zochten naar of overwogen interesses pasten binnen de structuur van een programma. Hier vonden we dat sommige interesses niet meer overwogen werden omdat deze toch minder goed pasten binnen programma dan gedacht en zagen we dat jongeren zochten naar of en hoe meerdere interesses misschien pasten binnen een studieprogramma (in Kunstmatige Intelligentie kan ik én programmeren én taalkunde én psychologie kwijt). Ten slotte vonden we dat jongeren vanuit beide perspectieven zochten naar een balans tussen tijd die ze konden spenderen aan interesses binnen en buiten het studieprogramma. Zo konden jongeren kiezen om een minder intensief programma te gaan studeren als ze meerdere belangrijke interesses buiten het studieprogramma om wilden continueren.
Daarnaast vonden we vier manieren waarop feedback van programma’s leidde tot een verandering in de overwogen interesses van jongeren. Ten eerste konden jongeren realiseren dat de programma’s die ze konden volgen met een overwogen interesse, verder gingen dan wat jongeren interessant vonden. Zo realiseerde een student dat hij niets wilde doen met zijn interesse in economie, nadat hij in twee verschillende programma’s erachter kwam dat hij dan ook veel met wiskunde moest gaan doen. Ten tweede konden jongeren erachter komen dat ze bepaalde interesses niet konden volgen in een academisch programma, omdat ze niet voldeden aan bepaalde eisen of omdat er geen academisch programma met die interesse mogelijk was. Ten derde vonden we dat jongeren konden veranderen in overwogen interesses als ze door het exploreren van het programma erachter kwamen dat een academische toekomst met een bepaalde interesse lastig was. Ten slotte vonden we dat jongeren door het exploreren van programma’s konden realiseren dat ze een interesse in bepaalde inhoud hadden, terwijl ze zich dit daarvoor nog niet hadden gerealiseerd.  

Conclusie
Onze resultaten laten zien dat jongeren hun interesses belangrijk zijn om een studiekeuze te maken. We vonden dat jongeren zochten naar hun belangrijkste interesses om academisch te continueren in hun toekomst (vanuit een interesse-naar-programma perspectief), maar dat de verschillende manieren waarop programma’s leiden tot feedback op interesses (vanuit een programma-naarinteresse perspectief), vaak zorgden voor een verschuiving in welke interesses jongeren academisch wilden continueren. Onze bevindingen impliceren daarmee dat het studiekeuzeproces een continue veranderend proces is, waarbij andere studiekeuze artikelen vaak het studiekeuzeproces nog zien als een lineair, steeds stabieler wordend proces. Daarbij is het van belang om de interesses van jongeren niet te zien als stabiele persoonskenmerken, maar meer als preferenties die tijdens het studiekeuzeproces kunnen veranderen. 

 

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Decanen en andere LOB-professionals kunnen meer bewust zijn van de dynamische natuur van het studiekeuzeproces, waarbij de interesses waarop jongeren hun keuzes baseren over de tijd kunnen veranderen door het exploreren van programma’s. Aan de ene kant benadrukt dit het belang voor jongeren om programma’s te gaan exploreren, om uit te vinden of deze programma’s inderdaad realistisch gezien passen bij hun interesses. Aan de andere kant benadrukt de dynamische natuur van het studiekeuzeproces dat het voor professionals belangrijk is om met jongeren te blijven praten over met welke interesses jongeren een toekomst voor zich zien en hoe deze interesses mogelijk binnen programma’s passen. Meer specifiek kunnen professionals met jongeren focussen op de vier gevonden overwegingen. Zo kunnen professionals samen met jongeren reflecteren op welke interesses zij academisch willen continueren en welke interesses zij liever buiten de schoolse context houden. Hierbij is het van belang dat jongeren gestimuleerd worden om over alle interesses na te denken, aangezien we vonden dat jongeren een academische toekomst voor zich konden zien met traditionele ‘buitenschoolse’ interesses  (e.g. gamen, technologische ontwikkelingen, knutselen). Ten tweede kunnen professionals met jongeren nagaan welke interesses het meest belangrijk voor hen zijn om te continueren en hoe ze interesses eventueel zouden kunnen integreren met elkaar. Ten derde kunnen professionals jongeren stimuleren om na te gaan hoe interesses precies gevolgd kunnen worden in een studieprogramma, aangezien dit kan helpen om een realistisch beeld te vormen hoe ze met deze interesses verder kunnen in de toekomst. Ten slotte kunnen professionals samen met jongeren reflecteren op de balans van het continueren van interesses binnen en buiten het programma, aangezien dit ook nog implicaties kan hebben of jongeren een minder of meer intensief programma willen overwegen. Aangezien we vonden dat de exploratie van programma’s vaak aanleiding geeft om andere interesses te continueren in een academische toekomst over de tijd, is het van belang dat professionals met jongeren blijven reflecteren op deze vier overwegingen, totdat jongeren een definitieve keuze hebben gemaakt.