LOB-onderzoeksbank

Expertisepunt LOB
< overzicht

De overgang van het mbo naar de arbeidsmarkt. De positie van jongeren met een migratieachtergrond

Bisschop, P. Zwetsloot, J. Weel, B. ter, Kesteren, J.van (2020)

Dit rapport onderzoekt hoe mbo‑afgestudeerden de overstap naar de arbeidsmarkt maken en waar hardnekkige verschillen tussen groepen ontstaan.

____________________________

Het rapport analyseert de arbeidsmarktpositie van mbo’ers sinds 2006, met speciale aandacht voor verschillen tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond. Daarbij wordt gekeken naar participatie, inkomen en de tijd tot een substantiële baan, zowel op korte als lange termijn. Uit de analyses blijkt dat sociaaleconomische achtergrond, studiekeuzes, stages en bijbanen een grote rol spelen, maar een aanzienlijk deel van de verschillen onverklaard blijft. Ook technologische veranderingen blijken de kansen van vooral mbo’ers met een niet‑westerse migratieachtergrond negatief te beïnvloeden.

____________________________

Samenvatting van het onderzoek

Dit rapport belicht de overgang van het mbo naar de arbeidsmarkt voor alle mbo’ers in de periode vanaf het studiejaar 2006/2007. De analyses gaan in op verschillen in arbeidsmarktpositie tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond, met onderscheid tussen jongens en meisjes. Verschillen in arbeidsmarktparticipatie zijn de belangrijkste uitkomstmaat, naast verschillen in inkomen en duur tot een substantiële baan na afstuderen. Met behulp van decomposities wordt het verschil in succes tussen verschillende groepen in beeld gebracht, waarbij wordt ingegaan op sociaaleconomische achtergronden, keuzes en factoren tijdens de opleiding. Naast het korte-termijnsucces wordt in beeld gebracht hoe de posities tien jaar na afstuderen zijn en worden de rol van de stand van de conjunctuur en de gevolgen van technologische verandering geanalyseerd.

Algemeen

Mbo’ers vormen ieder jaar gezamenlijk de grootste groep nieuwe werkenden. Het aantal mbo’ers dat jaarlijks afstudeert is de afgelopen jaren stabiel en bevindt zich op een niveau van ongeveer 70.000 per jaar. In de periode 2006-2014 was sprake van groei van de jonge aanwas. De arbeidsmarktparticipatie van deze jongeren ligt tussen 70 en 95 procent afhankelijk van het gevolgde opleidingsniveau en de studierichting. Op alle niveaus is het aantal afgestudeerden dat een BBL-opleiding heeft gevolgd met een kwart gedaald, terwijl de participatie van deze groep het hoogst is (groter dan 90 procent). Ook hebben jongeren met een BBL-opleiding sneller een substantiële baan en verdienen ze meer. De doorstroom binnen het mbo is toegenomen, vooral van mbo-2-niveau naar hogere niveaus. De studierichtingen die worden gekozen zijn qua aandelen relatief stabiel over de onderzochte periode. Het aandeel jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond dat via het mbo de arbeidsmarkt betreedt is gestegen van 10 naar 15 procent.  

Participatie

Er bestaan een jaar na afstuderen relatief grote verschillen in arbeidsmarktparticipatie tussen Nederlandse jongeren en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond. Die verschillen lopen voor sommige groepen op tot wel 30 procent en worden maar deels verklaard door sociaaleconomische kenmerken en keuzes. Het onverklaarde deel bedraagt voor veel groepen minimaal de helft. Een verklaring voor de geringere participatie is dat veel jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond na een onsuccesvolle zoekperiode terug het onderwijs in gaan. Opvallend is dat het switchen van opleiding nauwelijks effect heeft op arbeidsmarktparticipatie en positie. Daarnaast valt op dat jongens vaker een studierichting hebben gekozen met een slechter arbeidsmarktvooruitzicht en minder vaak een BBL-opleiding hebben gevolgd. Meisjes met een niet-westerse migratieachtergrond hebben dikwijls te maken met een andere thuissituatie dan Nederlandse meisjes en hebben vaker al een kind bij het betreden van de arbeidsmarkt. Een tweede verklaring voor de geringere participatie is dat Nederlandse jongeren vaker een betaalde stage hebben gelopen en ook vaker een bijbaan hebben. Deze bijbaan is daarnaast vaker substantieel van aard waardoor relevante werkervaring wordt opgedaan. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hebben daarentegen vaker een stage gelopen waaruit geen baan is voortgekomen en  lopen bovendien vaker stage bij bedrijven waar veel mensen met een niet-westerse achtergrond werken. Uit de analyses blijkt dat een betaalde stage en het hebben van een bijbaan bijdragen aan een succesvolle start op de Nederlandse arbeidsmarkt. De arbeidsparticipatie één jaar na afstuderen van afgestudeerde mbo’ers hangt samen met de sociaaleconomische status van ouders en de buurt waarin afgestudeerden zijn opgegroeid. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond hebben vaker ouders met een laag inkomen. Daarnaast ontvangen de ouders van deze jongeren vaker een uitkering, hebben ze een lagere opleiding en wonen ze in minder goede buurten. 

Lange termijn 

Tien jaar na afstuderen bestaan nog steeds verschillen in arbeidsmarktparticipatie tussen Nederlandse mbo’ers en degenen met een niet-westerse migratieachtergrond. Voor de meeste groepen zijn die lager geworden maar voor Marokkaanse jongens groter. Het valt op dat mbo’ers met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een uitkering ontvangen. Tevens blijkt dat sociaaleconomische status van ouders nog steeds een grote rol speelt bij het verklaren van de verschillen in participatie. Daarnaast blijkt er een zekere mate van hysterese van het inkomen te bestaan. Jongeren die zijn gestart in een baan met een laag inkomen, hebben een grotere kans op een laag inkomen vier jaar na afstuderen. Dit geldt vooral voor het maandinkomen en het jaarinkomen, niet zozeer voor het uurloon. Gezien de verschillen in arbeidsmarktparticipatie (en daarmee gewerkte uren), hebben jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een laag maand- en jaarinkomen in vergelijking met Nederlandse jongeren. Ten slotte is gekeken naar de kwaliteit van het werk vier jaar na het betreden van de arbeidsmarkt. In de administratieve data is informatie beschikbaar over het type contract. Dit gebruiken we als maat voor de kwaliteit van het werk. Het blijkt dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een oproep- of uitzendcontract hebben en veel minder vaak een contract voor onbepaalde tijd.  

Technologische verandering  

De effecten van technologische verandering hebben impact op de arbeidsmarktpositie van mbo’ers. Deze impact is gemeten op basis van het aandeel routinematige taken in een beroep dat kan worden gekoppeld aan een mbo-opleiding. Routinematige taken zijn taken die onder druk staan van automatisering, robotisering en digitalisering, omdat dit soort taken effectiever en efficiënter door nieuwe technologie kunnen worden uitgevoerd dan door de mens. Op mbo-2- en mbo-3- niveau bestaat een negatieve correlatie tussen de mate van routinematigheid van een beroep en de kans op werk. Het valt op dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd in beroepen met een hogere mate van routinematigheid wat hun kansen op werk schaadt. Dit geldt zowel voor jongens als meisjes.

Wat kun je uit het onderzoek meenemen naar de LOB-praktijk?

Het rapport geeft informatie over verstandige studiekeuzes ten aanzien van de arbeidsmarkt en verklaringen voor de achterstand van mbo’ers met een migratieachtergrond bij de overgang naar de arbeidsmarkt. Door het inzicht waar jongeren met een migratieachtergrond momenteel vaak tegenaanlopen kunnen jongeren in het vmbo en mbo gericht geadviseerd worden. Concreet: welke leerweg en opleidingsrichting kunnen jongeren kiezen om hun kansen te vergroten? Het rapport biedt ook bewijs voor de belangrijke rol die stages en bijbanen hebben in het vergroten van de arbeidsmarktkansen. Ook de conclusie dat er ondanks de gemaakte keuzes, een groot deel van de verschillen in arbeidsparticipatie tussen jongeren zonder en jongeren met een migratieachtergrond nog onverklaard blijft is de moeite waard om te bespreken. Dat zit in aanvullende factoren die in andere onderzoeken wordt uitgezocht, zoals verschillen in werknemersvaardigheden of voorkeuren van werkgevers.